Psalmen
1-4 Vergeving en vrees 5-8 Verwachting en hoop
Vergeving en vrees

1Een pelgrimslied.
Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE;
2Heere, hoor naar mijn stem.
Laat Uw oren opmerkzaam zijn
op mijn luide smeekbeden.
3Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
4Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.

Dit is het elfde “pelgrimslied” (vers 11Een pelgrimslied.
Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE;
)
. Het is ook de zesde van de zeven zogenoemde ‘boetpsalmen (Psalmen 6; 32; 38; 51; 102; 130; 143). De psalmist ofwel de Godvrezende roept “uit de diepten tot U, o HEERE” (vgl. Jn 2:22Hij zei:
Ik riep uit mijn benauwdheid tot de HEERE
en Hij antwoordde mij.
Uit de schoot van het graf riep ik om hulp,
U hoorde mijn stem.
)
. Hij bevindt zich in een nood die niet te overwinnen is, waar hij geen uitkomst in ziet en die hem dicht bij de dood brengt. In die uitzichtloze positie roept hij tot de HEERE. Om welke nood het precies gaat, wordt niet gezegd. Wel kunnen we uit dit lied zelf opmaken dat hij overweldigd is door de nood van zijn zonden. Hij spreekt over ‘ongerechtigheden’, ‘vergeving’, goedertierenheid’ en ‘verlossing’ (verzen 3,4,7,83Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
4Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.7Laat Israël hopen op de HEERE,
want bij de HEERE is goedertierenheid
en bij Hem is veel verlossing.
8Ja, Hij zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden.
)
.

Het “o HEERE” geeft het intense lijden aan waaronder hij gebukt gaat en dat er niemand anders is dan de HEERE, Jahweh, Die hem kan helpen. Dit intense lijden blijkt ook in vers 22Heere, hoor naar mijn stem.
Laat Uw oren opmerkzaam zijn
op mijn luide smeekbeden.
. Na het roepen tot de HEERE vraagt de Godvrezende aan de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser en Gebieder, om te horen en opmerkzaam te zijn. In Zijn hand zijn leven en dood.

Hij vraagt de Heere naar zijn stem te horen en dat Zijn oren opmerkzaam zijn op zijn luide smeekbeden (vgl. 2Kr 6:4040Nu, mijn God, laten toch Uw ogen open en Uw oren opmerkzaam zijn voor het gebed van deze plaats.; Ne 1:6,116Laat Uw oor toch opmerkzaam zijn, en Uw ogen open, om te luisteren naar het gebed van Uw dienaar, dat ik heden dag en nacht voor Uw aangezicht bid voor de Israëlieten, Uw dienaren. Ik belijd de zonden van de Israëlieten, die wij tegen U begaan hebben. Ook ik en mijn familie, wij hebben gezondigd.11Och, Heere, laat Uw oor toch opmerkzaam zijn op het gebed van Uw dienaar, en op het gebed van Uw dienaren, die er vreugde in vinden Uw Naam te vrezen. Doe Uw dienaar vandaag toch slagen en geef hem barmhartigheid bij deze man. Ik was namelijk de schenker van de koning.). Hij doet een dringend beroep op de Heere Zijn aandacht aan hem te schenken, want hij is in grote, uitzichtloze nood. Daarom roept en smeekt hij tot Hem om naar hem, die daar op grote diepte zit, in ellende over zijn zonden, te kijken en hem eruit op te tillen.

Daarbij doet hij een beroep op Gods genade. Hij weet dat hij geen recht op verlossing uit zijn ellende heeft. Hij is zich ervan bewust dat geen mens, ook hij niet, in Gods tegenwoordigheid staande kan blijven als Hij “op de ongerechtigheden let” (vers 33Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
)
. God ziet alle ongerechtigheden, er ontgaat Hem er niet één (vgl. Jr 2:2222Want al zou u zich met loog wassen
en zou u zeep in overvloed gebruiken,
uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht,
spreekt de Heere HEERE.
)
. Op de ongerechtigheden letten wil zeggen die ongerechtigheden aan de zondaar toerekenen, hem daarvoor verantwoordelijk houden. Dan moet God hem geven wat hij verdient, en dat is het eeuwige oordeel in de hel.

Dit besef is het begin van de weg omhoog naar de verlossing. We zien dit bij de verloren zoon. Hij is weggegaan bij zijn vader en leeft een goddeloos leven. Dan komt hij tot zichzelf. Hij erkent dat hij alles alleen aan zichzelf te wijten heeft en wil dat ook aan God en aan zijn vader belijden. Er is geen enkele zelfhandhaving, maar de erkenning dat hij vergeving nodig heeft. Dat is het moment van de weg terug naar zijn vader (Lk 15:17-1917Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden, en ik verga hier van honger.18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u,19ik ben niet meer waard uw zoon te heten; maak mij als een van uw dagloners.). Dan staat hij op en gaat naar zijn vader die hem vol ontferming in zijn armen sluit (Lk 15:2020En hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nu nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, en hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig.).

Dit is het Goddelijke ‘maar’ waarvan de Godvrezende zich ook bewust is (vers 44Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
)
. Dat zegt hij ook tegen God: “Maar bij U is vergeving” (vgl. Ne 9:1717Zij hebben geweigerd te luisteren en zij hebben niet gedacht aan Uw wonderen die U bij hen had gedaan. Zij zijn halsstarrig geweest en in hun opstandigheid hebben zij een hoofd aangesteld om terug te keren naar hun slavernij. Maar U bent een God [Die] menigvuldig vergeeft, genadig, barmhartig, geduldig, rijk aan goedertierenheid, en U hebt hen niet verlaten.; Dn 9:99De Heere, onze God, is vol barmhartigheid en menigvuldige vergeving, hoewel wij tegen Hem in opstand zijn gekomen.). Er is alleen bij God vergeving, niet bij welk mens ook, op grond van belijdenis en geloof in het bloed van Zijn Zoon (1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.). Het is een geweldig wonder van de genade dat er bij God vergeving is en het is een geweldig wonder van de genade dit te weten en te aanvaarden. God let niet meer op de ongerechtigheden van hen die hun zonden hebben beleden, maar vergeeft ze. Over die wetenschap zijn de gelovigen in alle tijden in gejubel uitgebarsten.

Wie die vergeving kent en geniet, zal niet alleen jubelen van vreugde, maar vooral ook God vrezen. Dat wordt hier als doel van de vergeving gesteld. Vrees is geen angst hebben voor God of bang voor Hem zijn, maar eerbied en ontzag voor Hem hebben. Het besef van vergeving zal geen lichtzinnig leven tot gevolg hebben, maar een leven van verering van God en gehoorzaamheid aan Hem (vgl. Dt 5:2929Och, hadden zij maar zo'n hart, om Mij te vrezen en Mijn geboden alle dagen in acht te nemen, opdat het hun en hun kinderen voor eeuwig goed zou gaan!; 1Pt 1:1717En als u als Vader Hem aanroept Die zonder aanzien des persoons oordeelt naar het werk van ieder, wandelt dan in vrees de tijd van uw bijwoning,). Vergeving maakt mensen tot heiligen en navolgers van God (Ef 4:3232<Maar> weest jegens elkaar goedertieren, welgezind, elkaar vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft.; 5:1-21Weest dan navolgers van God, als geliefde kinderen,2en wandelt in liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offerande en een slachtoffer voor God tot een welriekende reuk.).


Verwachting en hoop

5Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht [Hem]
en ik hoop op Zijn woord.
6Mijn ziel [wacht] op de Heere,
meer dan wachters op de morgen,
wachters op de morgen.
7Laat Israël hopen op de HEERE,
want bij de HEERE is goedertierenheid
en bij Hem is veel verlossing.
8Ja, Hij zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden.

Dat de vrees die door vergeving ontstaat, geen angst voor God is, horen we in vers 55Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht [Hem]
en ik hoop op Zijn woord.
. Daar horen we de Godvrezende zeggen: “Ik verwacht de HEERE.” Hij loopt niet uit bangheid voor Hem weg, maar hij ziet naar Hem uit! Zijn “ziel verwacht [Hem]”. Hij is vol van Hem. De aanleiding is Zijn woord. Daar hoopt hij op, dat wil zeggen dat hij vol vertrouwen wacht op en uitziet naar de vervulling van wat de HEERE in Zijn Woord heeft beloofd.

Meer dan wachters die op het morgenlicht wachten, verlangt de Godvrezende naar het licht van God in zijn duistere omstandigheden (vers 66Mijn ziel [wacht] op de Heere,
meer dan wachters op de morgen,
wachters op de morgen.
)
. Door twee keer over het verlangen van wachters naar de morgen te spreken wordt het grote verlangen van de wachters naar de morgen benadrukt. Dat het verlangen van de Godvrezende naar de HEERE nog groter is, het geeft zijn sterke verlangen aan. Hij verlangt niet in de eerste plaats naar verandering van de omstandigheden, maar naar de HEERE.

Daarbij hebben de wachters de zekerheid dat het binnenkort, op een bepaald tijdstip, morgen wordt. De Godvrezende heeft ook de zekerheid van de verschijning van de HEERE, alleen weet hij niet wanneer dat zal zijn. Maar dat “de Zon der gerechtigheid” zal “opgaan” op die “morgen zonder wolken”, is zeker (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
; 2Sm 23:3-43De God van Israël heeft gezegd,
de Rots van Israël heeft tot mij gesproken:
[Er komt] een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige,
een Heerser [in] de vreze Gods.
4Hij is als het licht van de morgen,
[wanneer] de zon opgaat,
een morgen zonder wolken;
[als] de glans na de regen,
[die] groen [laat opkomen] uit de aarde.
; vgl. Hs 6:3b3Dan zullen wij kennen,
wij zullen ernaar jagen de HEERE te kennen!
Zijn verschijning staat vast als de dageraad.
Ja, Hij komt naar ons toe als de regen,
als late regen, die het land natmaakt.
)
.

De toepassing voor de gemeente is dat zij met groot verlangen uitziet naar de komst van Christus om Zijn gemeente tot Zich te nemen. Hierin mag zij ook op Zijn woord, Zijn belofte hopen, want Hij heeft gezegd: Ik kom spoedig.

Wie de vergeving en de verzoening kent, zal dit willen delen met het volk van God, met zijn broeders en zusters (vers 77Laat Israël hopen op de HEERE,
want bij de HEERE is goedertierenheid
en bij Hem is veel verlossing.
)
. Het getuigenis houdt hoop voor Israël in, een hoop die alleen in de HEERE verankerd ligt. Alleen bij Hem “is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing”. Daarvan kan en zal en wil iedereen getuigenis geven die dit persoonlijk heeft ervaren. Bij ‘veel verlossing’ kunnen we denken aan de talloze gelovigen die verlost zijn, maar ook aan de talloze zonden waarvan iedere gelovige is verlost.

Wie de vergeving van God voor Zijn zonden kent (vers 44Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
)
, wie Hem kent als de God Die goedertieren is en bij Wie veel verlossing is (vers 77Laat Israël hopen op de HEERE,
want bij de HEERE is goedertierenheid
en bij Hem is veel verlossing.
)
, ziet vol vertrouwen uit naar de volle verlossing van Zijn volk (vers 88Ja, Hij zal Israël verlossen
van al zijn ongerechtigheden.
)
. Met een krachtig bevestigend “ja” getuigt de Godvrezende ook daarvan. Gods volk zal door Hem “van al zijn ongerechtigheden” verlost worden. Het gaat hier dus niet over verlossing van vijandige volken om hen heen, maar over verlossing van de eigen zonden.

Er is niet één ongerechtigheid die niet verzoend is, want “al” zijn ongerechtigheden zijn weggedaan. Alles wat de zegen heeft verhinderd, is door het werk van Christus uit de weg geruimd en voorgoed spoorloos verdwenen. De overtredingen zijn uitgedelgd als een nevel en de zonden als een wolk (Js 44:2222Ik delg uw overtredingen uit als een nevel,
en uw zonden als een wolk.
Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost.
)
. Dit maakt het volle genot door Gods volk van de zegen van het vrederijk mogelijk (Hb 8:10-1210Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.11En zij zullen geenszins leren ieder zijn medeburger en ieder zijn broeder door te zeggen: ‘Ken de Heer’, want zij zullen Mij allen kennen, van [de] kleine tot [de] grote onder hen.12Want Ik zal jegens hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden zal Ik geenszins meer gedenken’.).

Wij, nieuwtestamentische gelovigen, zien daarbij ook uit naar de verlossing van de schepping en van ons lichaam (Rm 8:20-2320Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),21in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.22Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.23En [dat] niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van [het] zoonschap: de verlossing van ons lichaam.).


Lees verder