Psalmen
Inleiding 1-4 Benauwd en bevrijd 5-8 Geen zegen voor Sions haters
Inleiding

Het gaat in deze psalm om een herinnering, terwijl het in de twee voorgaande psalmen gaat om een vooruitzicht. Hier kijken ze terug, daar vooruit.


Benauwd en bevrijd

1Een pelgrimslied.
Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd
– zeg dat toch, Israël.
2Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd;
toch hebben zij mij niet overwonnen.
3Ploegers hebben mijn rug geploegd,
zij hebben hun voren lang gemaakt.
4De HEERE, Die rechtvaardig is,
heeft de touwen van de goddelozen afgehakt.

Dit is het tiende “pelgrimslied” (vers 11Een pelgrimslied.
Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd
– zeg dat toch, Israël.
)
. De Godvrezende kijkt terug. Hij weet het nog: “Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd” (vgl. Jr 2:22Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
; Ez 23:33Zij bedreven hoererij in Egypte; in hun jeugd bedreven zij [al] hoererij. Daar werden zij in hun borsten geknepen, daar werden hun maagdelijke tepels betast.; Hs 2:1414Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven,
en het Dal van Achor tot een deur van hoop.
Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd,
als op de dag dat zij wegtrok uit het land Egypte.
; 11:11Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.
)
. Hij is de verpersoonlijking van Gods volk, hij spreekt voor het hele volk. Vanaf de jeugd van dat volk, vanaf zijn ontstaan als natie, is het benauwd. We kunnen hierbij denken aan hun verblijf in Egypte waar ze zwaar verdrukt zijn.

Talloze malen daarna zijn ze in benauwdheid geweest, onder de heerschappij van wrede volken. De grootste benauwdheid hebben ze net achter de rug, de tijd van de grote verdrukking. Met de oproep “zeg dat toch, Israël”, spoort de rechtvaardige Israël ertoe aan van die lange tijd van benauwdheid duidelijk hoorbaar getuigenis te geven

De vijanden hebben het volk vaak benauwd, maar het is hun nooit gelukt Gods volk om te brengen (vers 22Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd;
toch hebben zij mij niet overwonnen.
)
. Het woord “toch” geeft de vergeefsheid aan van alle pogingen van de vijand om het volk om te brengen. Er kan nog zoveel tegenstand zijn tegen hen die de Heer toebehoren, toch zal die tegenstand nooit Gods plan met de Zijnen teniet kunnen doen. Hij zal hen veilig naar het doel brengen dat Hij voor hen heeft bepaald: bij Hem zijn.

Ze hebben een zware en langdurige lijdensweg gehad (vers 33Ploegers hebben mijn rug geploegd,
zij hebben hun voren lang gemaakt.
)
. De heidense overheersers zijn over hen heen gewalst als een boer die een stuk land omploegt. De lange voren in het land zijn te vergelijken met de striemen van een geseling op iemands rug. De rug is beeldspraak voor de achter hen liggende geschiedenis, het verleden, die een geschiedenis van lijden is. Dat de voren lang gemaakt zijn, verwijst naar de tijdsduur, de lange periode van lijden.

Dat Gods volk kan terugkijken, bewijst dat ze er nog zijn. Dat hebben ze niet aan zichzelf, maar uitsluitend aan de HEERE te danken. Nu komt Hij tevoorschijn. Ze weten dat “de HEERE, Die rechtvaardig is, … de touwen van de goddelozen afgehakt” heeft (vers 44De HEERE, Die rechtvaardig is,
heeft de touwen van de goddelozen afgehakt.
; vgl. Jr 30:88Want op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE van de legermachten, [dat] Ik zijn juk van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren. Vreemden zullen zich niet meer door hem laten dienen,)
. De touwen, waarmee de ossen de ploeg hebben voortgetrokken en de rug van Israël hebben doorkliefd, heeft de HEERE met één slag van Zijn zwaard afgehakt. Daardoor hebben de ossen geen verdere voren meer kunnen trekken.

Hij heeft dat niet zozeer gedaan uit medelijden, maar omdat Hij “rechtvaardig” is. Hij houdt Zich aan Zijn verbond met hen, wat Hij kan doen omdat Hij daarvoor een rechtvaardige grondslag heeft. Die grondslag is het werk van Zijn Zoon op het kruis. Zijn Zoon heeft aan alle voorwaarden voldaan om Zijn verbond waar te maken.

Ook in het geval dat God Zijn volk heeft moeten tuchtigen vanwege hun zonden, is Hij vanwege dat werk trouw gebleven aan Zijn plan met hen om hen ten slotte wel te doen. Hij heeft aan de verwachtingen die Hij heeft gewekt, beantwoord en het vertrouwen dat Hij heeft gevraagd, heeft Hij niet beschaamd.

De HEERE heeft om in het beeld van het afhakken van de touwen van de goddelozen te blijven, na het afhakken daarvan Zelf de touwtjes in handen genomen. Het heeft er soms op geleken of Hij geen aandacht aan Zijn lijdende volk schonk, maar dan blijkt dat Hij Zijn oog onophoudelijk in genade op hen gericht heeft gehouden. Hij heeft het voor Zijn volk opgenomen en hen bevrijd. Nu leidt Hij hen verder.


Geen zegen voor Sions haters

5Laat beschaamd worden en terugwijken
allen die Sion haten.
6Laat hen worden als gras op de daken,
dat verdort voordat men het uittrekt,
7waarmee de maaier zijn hand niet vult,
of de schovenbinder zijn arm;
8en de voorbijgangers zeggen niet:
De zegen van de HEERE zij met u,
wij zegenen u in de Naam van de HEERE.

Hij bevrijdt en zegent het overblijfsel, terwijl “beschaamd worden en terugwijken allen die Sion haten” (vers 55Laat beschaamd worden en terugwijken
allen die Sion haten.
).
De haters van Sion zijn allen die geen oog hebben voor God en Zijn beloften. Sion stelt de aanwezigheid van de HEERE te midden van Zijn volk voor, van Zijn verbond en zegen, en de hoop op de vestiging van Zijn koninkrijk.

Wat de onderdrukkers wordt toegewenst en wat ze ook zullen krijgen, wordt vergeleken met “gras op de daken, dat verdort voordat men het uittrekt” (vers 66Laat hen worden als gras op de daken,
dat verdort voordat men het uittrekt,
; vgl. Js 37:2727Daarom waren hun inwoners machteloos,
waren zij ontsteld en beschaamd,
werden zij [als] gras op het veld
of groene grasscheutjes,
[als] gras op de daken, of een veld koren
voordat het overeind staat.
)
. Gras is een beeld van de kortstondigheid van het leven (Js 40:66Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
)
. Het staat vandaag op het veld en wordt morgen in de oven geworpen (Mt 6:3030Als nu God het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in een oven wordt geworpen, zo bekleedt, zal Hij niet veel meer u [bekleden], kleingelovigen?). Het gras op de daken verdord nog sneller en verdort al op dezelfde dag dat het is opgekomen. Het schiet op, er is geen wortel, de zon komt op en verschroeit het en de wind steekt op en neemt het mee. Zo snel is het leven van hen die Gods volk verdrukken voorbij, dat het al is verdord voordat het wordt uitgetrokken.

Er is ook niets met dit verdorde gras te beginnen, want het stelt helemaal niets voor (vers 77waarmee de maaier zijn hand niet vult,
of de schovenbinder zijn arm;
)
. Het is waardeloos als hooi. Een maaier kan er niets mee, laat staan dat een schovenbinder er een schoof van zou kunnen maken die hij onder zijn arm zou kunnen nemen. Dat is wel een volkomen tegenstelling met de Zaaier in een vorige psalm. Die draagt Zijn zaad, zaait dat al wenend en komt terug met gejuich, terwijl Hij Zijn schoven draagt (Ps 126:66Wie het zaad draagt en dat zaait,
gaat al wenend [zijn weg];
[maar] hij zal [zeker] terugkomen met gejuich,
en zijn schoven dragen.
)
.

Niemand, geen van “de voorbijgangers”, zal hun tijdens hun werk de gebruikelijke zegen van de HEERE toewensen of hen zegenen in de Naam van de HEERE (vers 88en de voorbijgangers zeggen niet:
De zegen van de HEERE zij met u,
wij zegenen u in de Naam van de HEERE.
; vgl. Ru 2:44En zie, Boaz kwam uit Bethlehem, en zei tegen de maaiers: De HEERE zij met u! En zij zeiden tegen hem: De HEERE zegene u!)
. Het toewensen van voorspoed op hun weg is dwaasheid omdat hun ‘oogst’ bestaat uit verdord gras. Ze gaan een weg waarop ze hun haat van Gods volk de vrije loop laten.


Lees verder