Psalmen
1-3 Onwankelbaar vertrouwen 4-5 Vrede over Israël
Onwankelbaar vertrouwen

1Een pelgrimslied.
Wie op de HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion,
[die] niet wankelt, [maar] voor eeuwig blijft.
2Rondom Jeruzalem zijn bergen,
zo is de HEERE rondom Zijn volk,
van nu aan tot in eeuwigheid.
3Want de scepter van de goddeloosheid zal niet [voorgoed] rusten
op het erfdeel van de rechtvaardigen;
opdat de rechtvaardigen hun handen
niet uitstrekken naar onrecht.

Dit is het zesde “pelgrimslied” (vers 11Een pelgrimslied.
Wie op de HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion,
[die] niet wankelt, [maar] voor eeuwig blijft.
)
. Het begint met het vertrouwen op de HEERE waaraan grote zekerheid voor de rechtvaardige verbonden is. Wie op Hem vertrouwt, staat onwankelbaar in zijn geloof. Hij is “als de berg Sion”, eindeloos onwankelbaar. Sion is meer dan een berg. Sion is het symbool van Gods hulp, van Zijn tegenwoordigheid in zegen en bescherming van Zijn volk en van de voorrechten van de verbondsrelatie die Hij met Zijn volk heeft. Wie op God vertrouwt, heeft zich aan Hem verbonden. Dit vertrouwen beschaamt nooit.

De HEERE is rondom Zijn volk zoals de bergen rondom Jeruzalem zijn (vers 22Rondom Jeruzalem zijn bergen,
zo is de HEERE rondom Zijn volk,
van nu aan tot in eeuwigheid.
)
. Sion is niet de hoogste berg van de bergen die Jeruzalem omringen. De Olijfberg ten oosten van Jeruzalem en de Scopusberg in het noordoosten ervan zijn hoger evenals verschillende andere bergen. Daarom ligt de berg Sion beschut te midden van de bergen. De berg Sion is zelf stabiel en door de omringde bergen ook veilig.

Dit beeld gebruikt de psalmist voor wie op de HEERE vertrouwen. De vertrouwende gelovige is als de berg Sion en de HEERE is als de bergen daar omheen. De HEERE beschermt hem van alle kanten (vgl. Jb 1:1010Hebt Ú niet voor hem en voor zijn huis en alles wat hij heeft, een beschutting gemaakt? Het werk van zijn handen hebt U gezegend en zijn vee breidt zich [steeds verder] uit in het land.). Daardoor is niets of niemand in staat de gelovige die op Hem vertrouwt enig kwaad te doen, nu niet en tot in eeuwigheid niet.

De aanleiding voor deze zekere bescherming is “de scepter van de goddeloosheid” die rust “op het erfdeel van de rechtvaardigen” (vers 33Want de scepter van de goddeloosheid zal niet [voorgoed] rusten
op het erfdeel van de rechtvaardigen;
opdat de rechtvaardigen hun handen
niet uitstrekken naar onrecht.
)
. De scepter van de goddeloosheid kunnen we profetisch toepassen op goddeloze Assyriërs die de scepter in Israël zullen zwaaien. Zij zullen er de baas zijn, maar niet voorgoed (Js 10:55Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
; vgl. Js 14:55De HEERE heeft de stok van de goddelozen gebroken,
de staf van de heersers,
)
. De scepter zal verbroken worden als deze vijanden volgens Gods plan de tucht over Zijn volk hebben uitgevoerd (Js 10:1212Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
)
.

Dan zullen de rechtvaardigen in het bezit van hun erfdeel worden gesteld. Dat hebben ze niet aan zichzelf te danken, maar aan Hem Die het voor hen heeft bewaard. Zelf zijn zij voor dat erfdeel bewaard (vgl. 1Pt 1:4-54tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in [de] hemelen weggelegd voor u,5die in [de] kracht van God door [het] geloof bewaard wordt tot [de] behoudenis, die gereed is om in [de] laatste tijd geopenbaard te worden.). Het recht op hun erfdeel hebben ze te danken aan Christus Die het erfdeel heeft vrijgekocht door Zijn bloed, waardoor het gereinigd is van de zonde die er door de schuld van Zijn volk op is komen te liggen.

Als de heerschappij van de goddelozen langer duurt dan de rechtvaardigen kunnen verdragen, is het gevaar groot dat de rechtvaardigen het recht in eigen hand nemen (vgl. Pr 7:7a7Voorzeker, onderdrukking zou een wijze waanzinnig maken,
en geschenken bederven het hart.
; Mt 24:2222En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.)
. God bepaalt zowel de zwaarte als de duur van een beproeving (1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.). Ze moeten “hun handen niet uitstrekken naar onrecht”, dat wil zeggen ze moeten geen onrechtmatige of voortijdige handelingen verrichten, maar wachten op Gods tijd. Gedurende de tijd dat ze moeten wachten, is Hij rondom hen die Hem vrezen.


Vrede over Israël

4Doe goed, HEERE, aan wie goed zijn
en aan hen die oprecht zijn in hun hart.
5Maar wie zich neigen [tot] kronkelwegen,
zal de HEERE doen verdwijnen,
met hen die onrecht bedrijven.
Vrede over Israël!

Na het uitspreken van de zekerheid van de bescherming door de rechtvaardige bidt hij. Zekerheid sluit gebed niet uit, maar leidt er juist toe. Hij vraagt aan de HEERE om goed te doen “aan wie goed zijn en aan hen die oprecht zijn in hun hart” (vers 44Doe goed, HEERE, aan wie goed zijn
en aan hen die oprecht zijn in hun hart.
)
. Ze bidden hier voor zichzelf. Ze hebben leven uit God en zijn daarom goed en in hun hart oprecht. Daarom zal God zal hen goed doen.

Tegenover hen die goed en oprecht zijn, staan zij die “zich neigen [tot] kronkelwegen” (vers 55Maar wie zich neigen [tot] kronkelwegen,
zal de HEERE doen verdwijnen,
met hen die onrecht bedrijven.
Vrede over Israël!
; vgl. Ri 5:66In de dagen van Samgar, de zoon van Anath,
in de dagen van Jaël, lagen de wegen verlaten,
en zij die de paden bewandelden,
gingen kronkelwegen.
)
. Dit zijn de trouwelozen in Israël die onder aanvoering van de antichrist van de rechte weg van de HEERE afwijken en kronkelwegen gaan. De HEERE zal hen “doen verdwijnen” samen “met hen die onrecht bedrijven”, dat zijn de goddeloze onderdrukkers, de vijandige volken om Gods volk heen.

Als zo het recht heeft gezegevierd, wordt het gebed om “vrede over Israël” verhoord. De vrede wordt hier niet alleen voor Jeruzalem gewenst zoals in een vorig pelgrimslied (Ps 122:6-86Bid om vrede voor Jeruzalem,
laat het goed gaan met hen die u liefhebben.
7Laat vrede binnen uw vestingwal zijn,
rust in uw burchten.
8Omwille van mijn broeders en mijn vrienden
spreek ik nu: Vrede zij in u!
)
, maar voor het hele volk, dat wil zeggen het ware Israël, het Israël van God (vgl. Gl 6:1616En allen die naar deze regel zullen wandelen, vrede en barmhartigheid zij over hen en over het Israël van God.).


Lees verder