Psalmen
Inleiding 1-5 De HEERE is bij Zijn volk 6-8 De HEERE beschermt Zijn volk
Inleiding

In deze psalm vallen de herhalingen op. Twee keer staat er: “Als de HEERE niet bij ons was geweest” (verzen 1-21Een pelgrimslied, van David.
Als de HEERE niet bij ons geweest was
– zeg dat toch, Israël –
2als de HEERE niet bij ons geweest was,
toen mensen tegen ons opstonden,
)
. Na twee keer ‘als’ volgt drie keer “dan” (verzen 3-53dan hadden zij ons levend verslonden,
toen hun toorn tegen ons ontbrandde;
4dan hadden de wateren ons overspoeld
[en] was een [woeste] stroom over onze ziel gegaan;
5dan waren de onstuimige wateren
over onze ziel gegaan.
)
. De vijanden worden drie keer als wateren voorgesteld die hen wilden overspoelen (verzen 4-54dan hadden de wateren ons overspoeld
[en] was een [woeste] stroom over onze ziel gegaan;
5dan waren de onstuimige wateren
over onze ziel gegaan.
)
. Daarbij spreken ze twee keer “over onze ziel”. Er is twee keer sprake van “ontkomen” en twee keer van “strik” (vers 77Onze ziel is ontkomen als een vogel
uit de strik van de vogelvanger;
de strik is gebroken
en wíj zijn ontkomen.
)
.


De HEERE is bij Zijn volk

1Een pelgrimslied, van David.
Als de HEERE niet bij ons geweest was
– zeg dat toch, Israël –
2als de HEERE niet bij ons geweest was,
toen mensen tegen ons opstonden,
3dan hadden zij ons levend verslonden,
toen hun toorn tegen ons ontbrandde;
4dan hadden de wateren ons overspoeld
[en] was een [woeste] stroom over onze ziel gegaan;
5dan waren de onstuimige wateren
over onze ziel gegaan.

Dit is het vijfde “pelgrimslied” (vers 11Een pelgrimslied, van David.
Als de HEERE niet bij ons geweest was
– zeg dat toch, Israël –
)
. Het is het tweede pelgrimslied “van David” (Ps 122:11Een pelgrimslied, van David.
Ik ben verblijd, wanneer zij tegen mij zeggen:
Wij zullen naar het huis van de HEERE gaan!
)
. David beschrijft een situatie in het verleden die voor het bestaan van Gods volk uitermate dreigend was. Het is zelfs zo, dat Israël er niet meer zou zijn als de HEERE niet bij Zijn volk was geweest. Deze constatering kan worden toegepast op alle situaties waarin het volk is geweest en weggevaagd dreigde te worden.

David kan hierbij denken aan Israël in Egypte en in het land in de tijd van de richters. Ook kan hij denken aan zijn eigen leven, zoals de moordaanslagen door Saul en de opstand van Absalom. Zijn dood zou de afval van het hele volk van God betekenen, waarmee hun ondergang een kwestie van tijd zou zijn (2Sm 17:1-31Verder zei Achitofel tegen Absalom: Laat mij toch twaalfduizend mannen uitkiezen, dan zal ik mij gereedmaken en David deze nacht [nog] achternajagen.2Ik zal hem aanvallen terwijl hij moe en ontmoedigd is, en zal hem schrik aanjagen. Dan zal al het volk dat bij hem is, op de vlucht slaan, en ik zal alleen de koning doden.3Dan zal ik heel het volk naar u laten terugkeren; het terugkeren van allen is [afhankelijk van] de man die u zoekt. Heel het volk zal [in] vrede zijn.).

Dit moet goed tot het besef van Israël doordringen. Profetisch roept David Israël – dat wil zeggen het gelovig overblijfsel dat heel Israël is (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.) – op dat ook als een belijdenis uit te spreken (vgl. Ps 107:1-21Loof de HEERE, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
2Laten [zo] spreken wie de HEERE verlost heeft,
die Hij verlost heeft uit de hand van de tegenstanders,
)
. In de eindtijd, als ze alle aanslagen op hun bestaan hebben overleefd, zullen ze moeten erkennen dat hun voortbestaan alleen aan Zijn aanwezigheid bij hen te danken is.

In het Oude Testament is Hij in het grootste deel van hun geschiedenis aanwezig geweest. Hij is ook verborgen aanwezig geweest, zoals het boek Esther laat zien. En ook na de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 tot nu toe is Hij steeds de Beschermer van Zijn volk geweest, zodat ze niet zijn uitgeroeid. Hun hele geschiedenis is een geschiedenis van verlossingen die de HEERE heeft bewerkt. Ze moeten dat voordragen, het ten gehore brengen aan de HEERE als dankbetuiging voor wat Hij voor hen is geweest en heeft gedaan.

In vers 22als de HEERE niet bij ons geweest was,
toen mensen tegen ons opstonden,
spreekt David het nog een keer uit: “Als de HEERE niet bij ons geweest was.” Daardoor onderstreept hij het belang van de aanwezigheid van de HEERE bij Zijn volk. Zonder Hem zouden ze reddeloos verloren zijn geweest en zijn omgekomen. Zijn aanwezigheid heeft hen beschermd tegen vijanden en gevaren, tegen “mensen” die tegen hen waren opgestaan om hen uit te roeien.

Het woord ‘mensen’ geeft tegelijk het enorme verschil met God aan. Het woord dat wordt gebruikt, is ‘adam’, wat herinnert aan de grond waaruit zij zijn gemaakt. Ze zijn slechts ‘stof van de aarde’ (Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.), terwijl God de Schepper van hemel en aarde is (vers 88Onze hulp is in de Naam van de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
)
. Wat kan het stof doen tegen zijn Maker? Israël is in zijn geschiedenis talloze malen van alle kanten door ‘mensen’ aangevallen. Dat het volk nog bestaat, is niet aan hun slimheid, bondgenoten of gevechtskracht te danken, maar alleen aan God.

De bedoelingen van de vijanden logen er niet om. Als ze de kans hadden gekregen, “dan hadden zij ons levend verslonden” (vers 33dan hadden zij ons levend verslonden,
toen hun toorn tegen ons ontbrandde;
; vgl. Sp 1:1212laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
)
. De toorn van de vijanden was tegen hen ontbrand. Hun vijanden zijn Godhaters die hun woede op Zijn volk willen koelen. Ze wilden het leven dat God Zijn volk had gegeven, verslinden. Maar dat is onmogelijk gebleken, want de Levende was bij Zijn volk.

En het is ook niet slechts een enkele natie die zo vol woede tegen hen was. De hele wereld was tegen hen. Ze hadden de krachten gebundeld en Gods volk als “wateren” willen overspoelen (vers 44dan hadden de wateren ons overspoeld
[en] was een [woeste] stroom over onze ziel gegaan;
)
. Wateren staan voor naties (Js 8:77daarom, zie, doet de Heere over hen opkomen
de machtige, geweldige wateren van de rivier [de Eufraat],
[namelijk] de koning van Assyrië met al zijn luister.
Deze zal buiten al zijn stroom[beddingen] treden,
en over al zijn oevers heenstromen.
; 17:1212Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
)
en voor verwoestende krachten. Dat zegt Israël ook: dan zou er “een [woeste] stroom over onze ziel gegaan” zijn. Er is niet alleen uiterlijke nood, er is ook de nood van de ziel.

In vers 55dan waren de onstuimige wateren
over onze ziel gegaan.
voegt het volk er nog een uiting van de enorme vijandschap aan toe. Ze spreken over “de onstuimige wateren” die “over onze ziel gegaan” zouden zijn. De slang, de duivel, zal in de eindtijd water als een rivier uit zijn mond achter het gevluchte overblijfsel, voorgesteld in een vrouw, werpen om hen mee te sleuren (Op 12:1313En toen de draak zag dat hij op de aarde neergeworpen was, vervolgde hij de vrouw die de mannelijke [Zoon] gebaard had.).


De HEERE beschermt Zijn volk

6Geloofd zij de HEERE, Die ons niet overgaf
tot een prooi voor hun tanden.
7Onze ziel is ontkomen als een vogel
uit de strik van de vogelvanger;
de strik is gebroken
en wíj zijn ontkomen.
8Onze hulp is in de Naam van de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Na het voordragen van de vele uitreddingen door de HEERE uit grote nood en vijandschap volgt een lofprijzing: “Geloofd zij de HEERE, Die ons niet overgaf tot een prooi voor hun tanden” (vers 66Geloofd zij de HEERE, Die ons niet overgaf
tot een prooi voor hun tanden.
)
. De HEERE komt alle eer toe voor de bescherming die Hij Zijn volk heeft geboden.

In de formulering “Die ons niet overgaf”, zit het aspect van de erkenning dat ze dat zouden hebben verdiend. De vijand wordt voorgesteld als een roofdier dat Gods volk als “een prooi voor hun tanden” heeft gezien. Maar de HEERE heeft hen geen prooi laten worden.

Hij heeft hun ziel ook laten “ontkomen als een vogel uit de strik van de vogelvanger” (vers 77Onze ziel is ontkomen als een vogel
uit de strik van de vogelvanger;
de strik is gebroken
en wíj zijn ontkomen.
)
. Het klinkt als een triomfantelijke uitroep dat ze zijn “ontkomen”. Het is de vijand niet gelukt hen in zijn strik vast te houden, want “de strik is gebroken en wíj zijn ontkomen”. De HEERE heeft ervoor gezorgd dat ze konden ontkomen. Hem komt daarvoor alle eer toe.

Tijdens het schrijven over deze psalm heeft president Trump van Amerika bekendgemaakt dat Amerika Jeruzalem als hoofdstad van Israël erkent (6-12-2017). Dit heeft woedende reacties uit de Arabische wereld en hoofdzakelijk afkeurende reacties uit de rest van de wereld opgeleverd. Alles en iedereen keert zich tegen Israël. Er worden strikken gespannen, maar ze zullen ontkomen, niet met de hulp van Trump – want die man zal teleurstellen, zoals alle hoop op mensen doet –, maar eenvoudig door de HEERE, Die achter de schermen voor Zijn volk zorgt.

Het lied eindigt met het proclameren van Naam van de HEERE (vers 88Onze hulp is in de Naam van de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
)
. Die Naam is hun hulp. Het is die Naam die ervoor garant staat dat Hij alle beloften die Hij aan Zijn volk heeft gedaan, zal vervullen. De grondslag daarvan is het verbond dat Hij met hen heeft gesloten. Hij is de HEERE, “Die hemel en aarde gemaakt heeft” wat aangeeft dat Hij de volledige controle erover heeft. Dit betekent dat Hij ook Zijn volk en alle volken bestuurt. Dit is voor Zijn volk een enorme troost.


Lees verder