Psalmen
Inleiding 1 Geroepen en verhoord 2-4 De tong vol bedrog 5-7 Verlangen naar vrede
Inleiding

Met Psalm 120 begint een groep van vijftien psalmen die wel wordt aangeduid als ‘pelgrimsliederen’ of ‘opgangsliederen’ of ‘trappenliederen’. Deze groep omvat Psalmen 120-134, die allemaal hetzelfde opschrift, “een pelgrimslied”, dragen. Ze worden gezongen door de Israëlieten wanneer zij als pelgrims naar Jeruzalem ‘opgaan’ om de jaarlijkse feesten te vieren.

We weten van vijf van deze psalmen wie de dichter is. Vier zijn van David (Psalmen 122; 124; 131; 133) en één is van Salomo (Psalm 127). Van de overige tien is de dichter niet bekend. Ze zijn zo samengesteld, dat ze beginnen met een roep van de pelgrim vanuit een ver van Jeruzalem verwijderde plaats (Psalm 120) en eindigen met aanbidding in het huis van God (Psalm 134). De psalmen daartussen beschrijven de situaties en ervaringen op de lange pelgrimsweg uit de wereld van leugen en bedrog naar de wereld van licht en leven.

Het bijzondere thema van het eerste pelgrimslied is de valsheid en het bedrog, de leugen, van de vijanden van het volk van God, te midden van wie de rechtvaardige woont en hoe hij daaronder lijdt.


Geroepen en verhoord

1Een pelgrimslied.
Ik riep tot de HEERE in mijn benauwdheid,
en Hij verhoorde mij.

Dit eerste “pelgrimslied” begint met de vermelding door de psalmist dat hij in zijn benauwdheid tot de HEERE heeft geroepen. De psalmist vertolkt de stem van het gelovig overblijfsel dat voor de antichrist en zijn volgelingen uit het land is gevlucht (Mt 24:15-2215Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –16laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;17laat hij die op het dak is, niet naar beneden gaan om de dingen uit zijn huis te halen; en laat hij die op het veld is,18niet terugkeren naar achteren om zijn kleed te halen.19Wee echter de zwangeren en de zogenden in die dagen.20En bidt dat uw vlucht niet ‘s winters of op sabbat gebeurt.21Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.22En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.; Op 12:13-1713En toen de draak zag dat hij op de aarde neergeworpen was, vervolgde hij de vrouw die de mannelijke [Zoon] gebaard had.14En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten [het] gezicht van de slang.15En de slang wierp achter de vrouw water uit zijn mond als een rivier, om haar door de rivier te laten meesleuren.16En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond en verzwolg de rivier die de draak uit zijn mond geworpen had.17En de draak werd toornig op de vrouw en hij ging weg om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, hen die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben;). Omdat ze zien dat de HEERE deze verdrukking over het land heeft gebracht, richten ze zich in het gebed tot Hem en roepen Hem in hun benauwdheid aan. De roep tot God is het begin van de weg terug naar Hem.

Als het volk in zijn benauwdheid Hem aanroept, zal Hij hen verhoren (Dt 4:3030Wanneer u in benauwdheid zult zijn en al deze dingen u getroffen hebben, in later tijd, dan zult u terugkeren naar de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzamen.). Omdat ze zich tot Hem richten en niet tot mensen, is er verhoring. Alleen God kan uit benauwdheid redden. Deze zekerheid spreekt de rechtvaardige uit. Wat hun grote benauwdheid is, wordt in het volgende vers gezegd.


De tong vol bedrog

2HEERE, red mijn ziel van de valse lippen,
van de tong vol bedrog.
3Wat zal de tong vol bedrog u geven?
Wat zal die aan u toevoegen?
4Scherpe pijlen van een machtig man,
en gloeiende houtskool van bremstruiken daarbij.

Het is een van de pijnlijke ervaringen van een gelovige dat hij onder mensen leeft die alleen maar kunnen liegen, die een ‘leugenleven’ leiden. Dat hij daarvan het lijdend voorwerp is, maakt het nog pijnlijker. Het is een kwaad waartegen geen bescherming mogelijk is. Niemand kan zich tegen valse beschuldigingen beschermen. Valse beschuldigingen zijn niet te voorzien en niet te voorkomen. Vaak is niet te achterhalen wie erachter zit. En als de dader al kan worden opgespoord en veroordeeld, is het kwaad niet meer ongedaan te maken.

De rechtvaardige, en in hem het overblijfsel, voelt zich benauwd door wat “valse lippen” over hem beweren en door wat er met “de tong vol bedrog” van hem wordt gezegd (vers 22HEERE, red mijn ziel van de valse lippen,
van de tong vol bedrog.
; vgl. Ps 52:66U hebt lief alle verslindende woorden
[en] een tong [vol] bedrog.
)
. Het enige wat de gelovige kan doen, is het tegen de HEERE zeggen. Dat doet de rechtvaardige hier dan ook.

De tong is een speciaal middel waarmee anderen grote geestelijke en emotionele schade kan worden berokkend. Als er geen echte misdaden kunnen worden ontdekt, wordt de toevlucht genomen tot een lastercampagne om iemand aan de schandpaal te nagelen en hem het leven onmogelijk te maken. De ziel van de Godvrezende neemt dan de toevlucht tot de HEERE met de smeekbede zijn ziel daarvan te redden.

De persoon en personen die een leugenleven leiden zijn de antichrist en zijn volgelingen. De antichrist zal een vreselijke leugencampagne beginnen om de Godvrezenden tot in het diepst van hun ziel te treffen. De antichrist zal dit nepnieuws vergezeld laten gaan van allerlei kracht en tekenen en wonderen van [de] leugen” (2Th 2:99hem, wiens komst naar [de] werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van [de] leugen,). Dat maakt zijn nepnieuws zo geloofwaardig, dat de massa erdoor betoverd zal worden.

In vers 33Wat zal de tong vol bedrog u geven?
Wat zal die aan u toevoegen?
richt de rechtvaardige zich tot de lasteraar. Hij stelt hem twee vragen. Hij vraagt wat “de tong vol bedrog” hem zal “geven”, wat het hem zal opleveren. Dan vraagt hij wat “die”, dat is die tong vol bedrog, aan hem zal “toevoegen”, wat voor extra’s daaraan voor hem verbonden is.

Hij geeft zelf het antwoord (vers 44Scherpe pijlen van een machtig man,
en gloeiende houtskool van bremstruiken daarbij.
)
. Zij die hun tong hebben gescherpt als een scherpe pijl, zullen door “scherpe pijlen van een machtig man” doorboord worden (vgl. Ps 57:55Mijn ziel verkeert te midden van leeuwen,
ik lig [tussen] mensen die verzengen [als vuur],
mensenkinderen van wie de tanden speren en pijlen zijn,
en hun tong een scherp zwaard.
; 64:44Zij die hun tong scherpen als een zwaard,
een bitter woord aanleggen [als] hun pijl,
; Sp 25:1818[Zoals] een strijdhamer, een zwaard en een scherpe pijl,
[zo] is iemand die tegen zijn naaste een vals getuigenis aflegt.
; Jr 9:3,83Zij spannen hun tong als hun boog.
[Met] leugen en niet met betrouwbaarheid
zijn zij in het land sterk geworden,
want zij gaan voort van slechtheid tot slechtheid,
en Mij kennen ze niet, spreekt de HEERE.
8Hun tong is een moordende pijl,
bedrog spreekt hij.
Met zijn mond spreekt men van vrede met zijn naaste,
maar in zijn binnenste legt men hem een hinderlaag.
)
. Die machtige Man is de Messias (Ps 24:88Wie is deze Koning der ere?
De HEERE, sterk en geweldig,
de HEERE, geweldig in de strijd.
)
. Zij die hun woorden als een verwoestend vuur over hem hebben gesproken, zullen “daarbij” door het vuur van “gloeiende houtskool van bremstruiken” verteerd worden (vgl. Sp 16:2727Een verdorven man graaft kwaad op,
en op zijn lippen is het als een verzengend vuur.
; Jk 3:66Ook de tong is een vuur, de wereld van de ongerechtigheid. De tong is onder onze leden gesteld als dat wat het hele lichaam bevlekt en de loop van de natuur in vlam zet en door de hel in vlam gezet wordt.)
. Houtskool van bremstruiken is bijzonder hard hout dat hevig en lang brandt.


Verlangen naar vrede

5Wee mij, dat ik als vreemdeling in Mesech verblijf,
dat ik woon in de tenten van Kedar.
6Mijn ziel heeft lang gewoond
bij hen die de vrede haten.
7Ik ben vreedzaam, maar als ik spreek,
voeren zij oorlog.

De rechtvaardige, en in hem het overblijfsel, roept het “wee mij” over zichzelf uit omdat hij is omgeven door barbaarse mensen (vers 55Wee mij, dat ik als vreemdeling in Mesech verblijf,
dat ik woon in de tenten van Kedar.
)
. Jesaja roept “wee mij” omdat hij zichzelf als onreine zondaar in het licht van de heilige God ziet (Js 6:55Toen zei ik:
Wee mij, want ik verga!
Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
)
. Zover is de rechtvaardige hier nog niet. Dat komt in Psalm 130. Hij is nu nog meer met zijn omgeving bezig en de gevoelens die daar ten opzichte van hem heersen.

Hij verblijft “als vreemdeling in Mesech”, wat betekent dat hij er niet thuis is, maar er tijdelijk verblijft. Hij zegt met andere woorden hetzelfde als dat hij zegt dat hij “in de tenten van Kedar” woont. Mesech is een afstammeling van Jafeth (Gn 10:22De zonen van Jafeth zijn: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.). Zijn nakomelingen staan bekend als ruwe, onbeschaafde mensen. Kedar is de tweede zoon van Ismaël (Gn 25:1313Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen [ingedeeld] naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en [vervolgens] Kedar, Adbeël en Mibsam;), met wrede, genadeloze nakomelingen.

Deze beide stammen staan voor alle vijanden die hem omringen. Het verblijf bij hen heeft al lang geduurd (vers 66Mijn ziel heeft lang gewoond
bij hen die de vrede haten.
)
. Het vreet aan zijn ziel dat zij “de vrede haten”. Hun dagelijkse praktijk is moord en doodslag. Recht en gerechtigheid zijn deze ‘vredehaters’ volkomen vreemd. De waarheid wordt door hen met voeten getreden. Dat blijkt wel uit de grove leugens die ze over hem rondstrooien. Daaronder lijdt hij. Hij wil ervan bevrijd worden.

Hij is zelf een man van vrede, hij is “vreedzaam” (vers 77Ik ben vreedzaam, maar als ik spreek,
voeren zij oorlog.
)
. Hij is niet uit op ruzie, maar wil in vrede met alle mensen samenleven (vgl. Rm 12:1818Zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, houdt vrede met alle mensen.; Hb 12:1414Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging zonder welke niemand de Heer zal zien,). Daarvan getuigt hij ook tegenover hen te midden van wie hij woont. Maar zijn pogingen zijn tevergeefs. Ze worden niet gewaardeerd en verworpen. Er wordt zelfs oorlogszuchtig op gereageerd. Deze mensen willen van geen vrede weten en zijn niet te stoppen op hun oorlogspad.


Lees verder