Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2 Weinig trouwe mensen 3-5 De woorden van mensen 6-7 De woorden van de HEERE 8-9 Bescherming tegen de goddelozen
Inleiding

Psalm 12 kunnen we wat betreft de inhoud een vervolg op Psalm 11 noemen. In Psalm 11 zijn – door de komst van de antichrist – de fundamenten omvergehaald (Ps 11:33Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald!
Wat [kan] de rechtvaardige [dan] doen?
)
. In Psalm 12 zijn – door de vervolging door de antichrist ten tijde van de grote verdrukking – de getrouwen verdwenen (Ps 12:22Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet [meer],
onder de mensenkinderen zijn er [nog maar] weinig trouw*.
)
.

In beide psalmen zoekt de gelovige zijn hulp bij God. In Psalm 11 vertrouwt de gelovige op de regering van God, dat Hij alles bestuurt vanaf Zijn hemelse troon (Ps 11:44De HEERE is in Zijn heilig paleis,
de troon van de HEERE staat in de hemel;
Zijn ogen doorzien,
Zijn blikken beproeven de mensenkinderen.
)
. In Psalm 12 vertrouwt de gelovige op de woorden van God, dat Hij alles waarmaakt wat Hij zegt (Ps 12:77De woorden van de HEERE zijn reine woorden,
[als] zilver gelouterd in een aarden smeltkroes,
gezuiverd zevenmaal.
)
.

In Psalm 11 heeft de gelovige te maken met de valse daden van de goddeloze, in Psalm 12 met de valse onbetrouwbare woorden van de goddeloze. In Psalm 11 stelt de gelovige zijn vertrouwen (algemeen) op de HEERE, de trouwe God, en in Psalm 12 (specifiek) op het betrouwbare Woord van God.

De indeling van de psalm is eenvoudig. Hij bestaat uit twee delen:
1. De verzen 2-52Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet [meer],
onder de mensenkinderen zijn er [nog maar] weinig trouw*.3Valse [dingen] spreekt men tot elkaar,
[met] vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
4Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden
[en] de tong vol grootspraak.
5Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben!
Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
gaan over de onbetrouwbaarheid van de woorden van de goddelozen.
2. De verzen 6-96Om de verwoesting van de ellendigen en het gekerm van de armen
zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE;
Ik zal in veiligheid brengen wie hij weg wil blazen.
7De woorden van de HEERE zijn reine woorden,
[als] zilver gelouterd in een aarden smeltkroes,
gezuiverd zevenmaal.8Ú, HEERE, zult hen bewaren,
U zult hen beschermen tegen dit geslacht, voor eeuwig.
9Overal draven goddelozen rond,
wanneer de gemeensten onder de mensenkinderen verhoogd worden.
gaan over de betrouwbaarheid van de woorden van God en het Woord van God.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.

Deze psalm is “een psalm van David”. Zie bij Psalm 3:1. Hij is ook “voor de koorleider”. Zie bij Psalm 4:1. Deze psalm is, evenals Psalm 6, “op ‘De achtste’” (Ps 6:11Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel, op ‘De achtste’.). Zie bij Psalm 6:1.


Weinig trouwe mensen

2Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet [meer],
onder de mensenkinderen zijn er [nog maar] weinig trouw*.

*Het is beter om het woord “trouw” te vertalen met “getrouwen”, of “trouwe mensen”. Dat is niet alleen taalkundig beter, maar ook gezien de inhoudelijke parallel van de twee zinnen.

David begint de psalm direct met een roep om hulp. Hij roept tot God of Hij “verlossing” wil brengen. Hij voelt zich helemaal alleen. Er is geen goedertieren mens meer te vinden (vgl. Mi 7:2a2Een goedertieren mens is verdwenen uit het land
en een oprechte onder de mensen is er niet.
Zij loeren allen op bloed,
zij jagen op elkaar [met] een net.
; Hs 4:11Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten,
want de HEERE heeft een rechtszaak
met de inwoners van [dit] land,
omdat er geen trouw, geen goedertierenheid
en geen kennis van God in het land is.
)
. Niemand wil hem goedertierenheid bewijzen, en die het zouden kunnen doen – want ze zijn er wel (vgl. 1Kn 19:1818Maar Ik zal er in Israël zevenduizend overlaten, allen die de knieën niet gebogen hebben voor de Baäl, en allen van wie de mond hem niet gekust heeft.) –, kan hij niet bereiken. Daarom is zijn God zijn enige toevlucht.

In Psalm 10 en Psalm 11 worden gelovigen heimelijk gedood (Ps 10:8-108Hij ligt in een hinderlaag in de dorpen,
op verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige,
zijn ogen loeren op de arme.
9Hij ligt in een hinderlaag op een verborgen plaats,
zoals een leeuw in zijn schuilplaats;
hij ligt in een hinderlaag om de ellendige te overvallen,
hij overvalt de ellendige als hij hem in zijn net trekt.
10Hij duikt neer, hij bukt zich,
en de arme valt in zijn sterke [poten].
; Ps 11:33Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald!
Wat [kan] de rechtvaardige [dan] doen?
)
, maar in Psalm 12 gebeurt het openlijk. Daardoor voelt David – hij is een type van het gelovig overblijfsel – zich eenzaam, net als later Elia (1Kn 19:10b,14b10Hij zei: Ik heb mij zeer voor de HEERE, de God van de legermachten, ingezet. De Israëlieten hebben immers Uw verbond verlaten, Uw altaren omvergehaald en Uw profeten met het zwaard gedood. Ik alleen ben overgebleven, en zij staan mij naar het leven om het [mij] te benemen.14Hij zei: Ik heb mij zeer voor de HEERE, de God van de legermachten, ingezet. De Israëlieten hebben immers Uw verbond verlaten, Uw altaren omvergehaald en Uw profeten met het zwaard gedood. Ik alleen ben overgebleven, en zij staan mij naar het leven om het [mij] te benemen.). Het is alsof hij alleen is overgebleven (vgl. Mt 24:2222En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.). Psalm 12 is een verdieping en verergering van de toestand van Psalm 10 en Psalm 11. Anders dan Elia geeft David niet op, maar zoekt zijn toevlucht bij de HEERE!

Ook zijn er “onder de mensenkinderen … [nog maar] weinig trouw” aan de HEERE en Zijn Woord. Als de goedertieren mensen zijn verdwijnen, verdwijnen daarmee ook de trouwe mensen. Goedertierenheid en trouw horen bij elkaar. Het zijn twee van Gods vele indrukwekkende eigenschappen (Ps 117:22Want Zijn goedertierenheid is machtig over ons;
de trouw van de HEERE is voor eeuwig.
Halleluja!
)
. “Goedertierenheid” is goedheid die aan een ander wordt betoond en alle vormen van zelfzucht en haat buitensluit. “Trouw”, of waarachtigheid, is betrouwbaar zijn, van iemand op aan kunnen; het sluit alle huichelarij buiten.

Dit vers kunnen we toepassen op de antichristelijke tijd, de tijd van de grote afval, de afval van het geloof. In deze tijd leven wij. Het wachten is nog op de openbaring van de mens van de zonde. Dat zal gebeuren als de gemeente is opgenomen (2Th 2:1-31Wij vragen u echter, broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze bijeenvergadering tot Hem,2dat u niet [zo] snel in uw denken geschokt of verschrikt wordt, noch door geest, noch door woord, noch door brief als van ons, alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn.3Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,). De geest van de antichrist is wel al aanwezig en is druk bezig met zijn verderfelijke werk van het ondermijnen van het geloof van velen (1Jh 4:11Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn, want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.).


De woorden van mensen

3Valse [dingen] spreekt men tot elkaar,
[met] vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
4Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden
[en] de tong vol grootspraak.
5Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben!
Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?

De goddelozen zijn God met hun tong ongehoorzaam (vgl. Js 57:4a4Over wie verlustigt u zich,
tegen wie spert u [uw] mond wijd open,
steekt u [uw] tong uit?
Bent ú geen kinderen van overtreding,
gebroed van bedrog?
)
. Zij vervalsen en verdraaien de waarheid (vers 33Valse [dingen] spreekt men tot elkaar,
[met] vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
)
. Ze zijn uit op macht en willen die aan zich trekken door vleierij, dat is het overladen van anderen met onoprechte, doortrapte complimenten. Alles mag worden gezegd, het doel heiligt de middelen. Hun lippen druipen van huichelarij (Sp 26:24-2524Wie haat draagt, veinst met zijn lippen,
maar in zijn binnenste zint hij op bedrog.
25Geloof hem niet als hij met vriendelijke stem spreekt,
want er zijn zeven gruwelen in zijn hart.
)
. De bron van hun valse woorden is hun hart, want dat is “dubbelhartig”, letterlijk ‘hart en hart’. Hun hart is anders dan de indruk die ze door hun woorden geven. Ze bedoelen iets heel anders. Wat hier wordt gezegd, zien we bij Absalom (2Sm 15:1-61Het gebeurde daarna dat Absalom zich van een wagen en paarden voorzag, met vijftig man die voor hem uit snelden.2Ook stond Absalom 's morgens vroeg op en ging aan de kant van de weg naar de poort staan. Het gebeurde dan dat Absalom elke man die een geschil had om mee naar de koning te gaan voor recht, bij zich riep en zei: Uit welke stad komt u? Als die dan zei: Uw dienaar komt uit een van de stammen van Israël,3zei Absalom tegen hem: Zie, uw zaken zijn goed en rechtmatig, maar bij de koning vindt u niemand die u gehoor geeft.4Verder zei Absalom: Als men mij maar tot rechter in het land aanstelde! Dan zou ieder die een geschil of rechtszaak heeft, bij míj kunnen komen en zou ik hem recht kunnen verschaffen.5Ook gebeurde het, dat als iemand naderde om voor hem te buigen, hij zijn hand uitstak, hem vastgreep en hem kuste.6Op die manier deed Absalom met heel Israël dat naar de koning ging voor recht. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël.).

David roept tot de HEERE en spreekt een vloekwens uit om een einde aan deze vreselijke huichelarij te maken (vers 44Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden
[en] de tong vol grootspraak.
)
. Hij wil dat hun lippen tot zwijgen worden gebracht en wel op een radicale manier: door die vleiende lippen af te snijden, waardoor ze nooit meer gebruikt kunnen worden. Hetzelfde geldt voor hun “tong vol grootspraak” (vgl. Dn 7:88Terwijl ik op de horens lette, zie, een andere, kleine, horen rees daartussen op. Drie van de eerdere horens werden voor hem uitgerukt. En zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.; Op 13:55En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.). Hun “tong vol grootspraak” is ten diepste de tong van de antichrist (Dn 11:36a36Die koning zal handelen naar eigen goeddunken. Hij zal zich verheffen en zich groot maken boven elke god. Hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken. Hij zal voorspoedig zijn tot de gramschap voltrokken is. Want wat vast besloten is, zal gebeuren.). De brallende taal die over hun tong naar buiten rolt, moet tot zwijgen worden gebracht en nooit meer gebruikt kunnen worden.

Dat de tong een krachtig middel is om mensen aan zich te onderwerpen (vers 55Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben!
Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
)
, leert de geschiedenis. Velen hebben zich laten misleiden door de brallende, maar ook wel zachte, paaiende taal van machtswellustelingen. De mooiklinkende beloften om het leven beter te maken hebben mensen in hun ban gebracht. Dat daarbij God en Zijn gezag worden verworpen, juichen ze toe. Al die dwingelandij van de Bijbel, die moeten ze kwijt.

Vrijheid van meningsuiting is het hoogste goed. Je moet alles en iedereen kunnen bespotten en belachelijk kunnen maken. God en Christus moeten het daarbij natuurlijk in het bijzonder ontgelden. De smerigste, vuilste tekeningen en de meest liederlijke teksten moeten gepubliceerd kunnen worden. “Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?” De mens maakt zelf wel uit wat hij wel of niet zegt. De schildering van de goddelozen bereikt hier een dieptepunt en moet God als het ware ertoe bewegen nu in te grijpen.

Dat woorden niet onschadelijk of waardevrij zijn, leert de Heer Jezus ons. Hij zegt: Ik zeg u echter, dat van elk zinloos woord dat de mensen zullen spreken, zij rekenschap zullen geven in [de] dag van [het] oordeel. Want op grond van uw woorden zult u gerechtvaardigd en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden” (Mt 12:36-3736Ik zeg u echter, dat van elk zinloos woord dat de mensen zullen spreken, zij rekenschap zullen geven in [de] dag van [het] oordeel.37Want op grond van uw woorden zult u gerechtvaardigd en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden.).


De woorden van de HEERE

6Om de verwoesting van de ellendigen en het gekerm van de armen
zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE;
Ik zal in veiligheid brengen wie hij weg wil blazen.
7De woorden van de HEERE zijn reine woorden,
[als] zilver gelouterd in een aarden smeltkroes,
gezuiverd zevenmaal.

De stortvloed van goddeloze woorden wordt nu afgesneden en tot zwijgen gebracht door het plotselinge optreden van de HEERE. Hij gaat spreken. Hij reageert op “de verwoesting van de ellendigen en het gekerm van de armen”. Hij hoort hun roepen (vgl. Ex 2:2424Toen hoorde God hun gekerm, en God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob.) en staat op. Als Hij opstaat en Zich verhoogt en Zich verheft (Js 33:1010Nu zal Ik opstaan, zegt de HEERE,
nu zal Ik verhoogd worden,
nu zal Ik verheven worden.
)
, is dat om het kwaad te oordelen en Zijn volk te bevrijden. De goddelozen worden vernederd en weggeblazen en Zijn volk brengt Hij in veiligheid.

De zekerheid van de Godvrezende dat God tussenbeide zal komen, ligt in “de woorden van de HEERE” (vers 77De woorden van de HEERE zijn reine woorden,
[als] zilver gelouterd in een aarden smeltkroes,
gezuiverd zevenmaal.
)
. Hij heeft beloofd dat Hij voor de Zijnen opkomt en wat Hij zegt, doet Hij ook. Zijn woorden zijn beloften, je kunt erop vertrouwen. Het Oude Testament is vol met beloften die in Christus “ja” en door Hem “amen” zijn (2Ko 1:2020Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.). Hier treedt Hij op door te spreken (vgl. Ps 2:55Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn,
in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
)
. Daarmee verschrikt Hij de goddelozen.

Als we wijs zijn, zullen we daaraan vasthouden, wat er ook mag gebeuren. Het Woord van God, wat Hij zegt, is het onwankelbare fundament van ons vertrouwen (vgl. Mt 7:2424Ieder dan die deze Mijn woorden hoort en ze doet, zal vergeleken worden met een wijs man, die zijn huis op de rots heeft gebouwd;). Het kan gebeuren dat we in omstandigheden komen waardoor ons geloof op de proef wordt gesteld. God gebruikt die omstandigheden om ons te bevrijden van vertrouwen op onszelf. Daarvoor in de plaats wil Hij ons leren steunen op elk woord dat uit Zijn mond komt. Daardoor zullen we zeker leven (Mt 4:44Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.).

Gods woorden “zijn reine woorden”. Ze zijn zonder enige bijbedoeling, volkomen zuiver, zonder enige vermenging, waarachtig en betrouwbaar. De woorden van God zijn net zo zuiver als zilver dat “zevenmaal”, dat wil zeggen volmaakt, “gezuiverd” is. Elke valsheid of huichelachtigheid ontbreekt. Het zijn woorden zonder het bedrog, de vleierij en de dubbelhartigheid waarvan de woorden van de goddelozen doordrenkt zijn, waarover David in de verzen 3-53Valse [dingen] spreekt men tot elkaar,
[met] vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
4Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden
[en] de tong vol grootspraak.
5Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben!
Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
heeft gesproken. Ze vormen daarmee het grootst denkbare contrast.

De woorden van de HEERE zijn gelouterd “in een aarden smeltkroes”. De loutering is niet om het zuiverder te maken, maar om aan te tonen dat het volmaakt zuiver is. Er is en wordt geprobeerd het Woord van God uit te roeien door Bijbels te verbranden. Het Woord heeft standgehouden. Er is en wordt geprobeerd het Woord van God ongeloofwaardig te maken door bijbelkritiek. Het Woord heeft de onzinnigheid van de kritiek aangetoond en bewezen tegen alle kritiek bestand te zijn. Filosofie en wetenschap hebben geprobeerd aan te tonen dat Gods Woord niet de waarheid is, bijvoorbeeld door zogenaamd te bewijzen dat de wereld door evolutie is ontstaan. Gods Woord zet hen in hun hemd, want de mens zonder God is een blinde die ook nog eens in het duister rondstapt en rondtast.

Het Woord is in elke denkbare ‘aarden smeltkroes’ geweest en er telkens even zuiver uitgekomen als het erin is gegaan. De gelovige heeft het ervaren als een volkomen betrouwbaar Woord. In de hitte van de beproeving en de aanvechtingen die daarmee gepaard kunnen gaan, is duidelijk bewezen dat geen enkele lering van de Schrift en geen enkele belofte ook maar iets te lijden heeft gehad door de beproeving en de aanvechting.


Bescherming tegen de goddelozen

8Ú, HEERE, zult hen bewaren,
U zult hen beschermen tegen dit geslacht, voor eeuwig.
9Overal draven goddelozen rond,
wanneer de gemeensten onder de mensenkinderen verhoogd worden.

In antwoord op de zekerheid van de woorden van God eindigt David zijn roep om verlossing van vers 22Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet [meer],
onder de mensenkinderen zijn er [nog maar] weinig trouw*.
met de zekerheid van de bewaring door God (vers 88Ú, HEERE, zult hen bewaren,
U zult hen beschermen tegen dit geslacht, voor eeuwig.
)
. Zoals hij eerder zijn vertrouwen heeft gesteld op God (Ps 11:11[Een psalm] van David, voor de koorleider.
Ik heb tot de HEERE de toevlucht genomen.
Hoe [kunt] u [dan] zeggen tegen mijn ziel:
Vlucht weg [naar] uw bergen, [als] een vogel!
)
, stelt hij nu zijn vertrouwen op Zijn Woord. Hij zegt dat niet alleen met betrekking tot zichzelf, maar ziet de waarheid hiervan voor “hen”, dat zijn alle Godvrezenden. Ongeacht de omstandigheden van het leven zijn de kinderen van God zeker van de speciale bescherming van hun Vader in de hemel.

De goddelozen kunnen de wereld op zijn kop zetten, maar God beschermt de Zijnen “tegen dit geslacht”. Hier zijn de goddelozen nog niet uitgeroeid, zij zijn nog steeds bezig, maar de rechtvaardigen hebben geleerd om hun vertrouwen op God (Psalm 11) en op Zijn woord (Psalm 12) te stellen (Hd 20:3232En nu draag ik u op aan God en aan het Woord van Zijn genade, Die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.). “Dit geslacht” zijn de tijdgenoten van David, maar het heeft ook de betekenis van een “ongelovig en verdraaid geslacht” of een “boos en overspelig geslacht” dat er de eeuwen door is (Sp 30:11-1411Er is een generatie die zijn vader vervloekt
en zijn moeder niet zegent,
12een generatie die rein is in zijn [eigen] ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,
13een generatie – wat hebben zij een hoogmoedige oogopslag –
waarvan de wimpers opgetrokken zijn,
14een generatie waarvan de tanden zwaarden,
de hoektanden messen zijn,
om de ellendigen van de aarde
en de armen onder de mensen te verslinden.
; Mt 17:1717Jezus nu antwoordde en zei: O ongelovig en verdraaid geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.; 12:3939Hij antwoordde echter en zei tot hen: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, en het zal geen teken worden gegeven dan het teken van de profeet Jona.)
. Gods bewaring en bescherming gelden niet af en toe of voor een bepaalde periode, maar zijn “voor eeuwig” (vgl. Jh 17:1212Toen Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam. Hen die U Mij hebt gegeven, heb Ik bewaakt en niemand van hen is verloren gegaan dan de zoon van het verderf, opdat de Schrift vervuld werd.).

Gods bescherming is een werkelijkheid, ook al draven de goddelozen rond om de Godvrezenden uit te roeien (vers 99Overal draven goddelozen rond,
wanneer de gemeensten onder de mensenkinderen verhoogd worden.
)
. Ze draven rond alsof ze overal heer en meester zijn. Terwijl er “onder de mensenkinderen” slechts weinig trouwe mensen zijn (vers 22Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet [meer],
onder de mensenkinderen zijn er [nog maar] weinig trouw*.
)
, zijn er “onder de mensenkinderen” heel wat die door de goddelozen “verhoogd worden”. De laagste en meest waardeloze mensen onder de goddelozen hebben met vleitaal en hun ellebogen een machtspositie veroverd, waarbij ze ook over lijken zijn gegaan.

We herkennen hen in politici die met zalvende stem zeggen dat het weldaad is om kinderen in de moederschoot te vermoorden en aan ouderen de mogelijkheid te geven zelfmoord te plegen. Deze politici zijn door het volk gekozen en hebben het mandaat van allen die op hen hebben gestemd. Zij worden op het schild gehesen om deze mooi verpakte, liederlijke zaken aan het hele volk op te leggen.

Het is werkelijk een psalm die “op ‘De achtste” (vers 11Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.), dat wil zeggen met een lage stem, moet worden gezongen. De ontwikkelingen die David heeft beschreven, geven de ‘koorleden’, die zich hierin herkennen, daartoe alle aanleiding.


Lees verder