Psalmen
Inleiding 1-4 De HEERE liefhebben 5-11 Geloven en spreken 12-19 Dankzegging
Inleiding

Psalm 116 bezingt de verlossing van de getrouwen die op het punt hebben gestaan om te sterven. Een voorbeeld daarvan is Hizkia die door een ziekte de dood nabij is geweest, maar is genezen (2Kn 20:1-111In die dagen werd Hizkia ziek, tot stervens toe. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, bij hem en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Regel [de zaken] van uw huis, want u zult sterven en niet leven.2Daarop keerde hij zijn gezicht naar de muur en bad tot de HEERE:3Och HEERE, bedenk toch dat ik in trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde erg.4Het gebeurde nu, toen Jesaja [nog] niet uit de middelste voorhof gegaan was, dat het woord van de HEERE tot hem kwam:5Keer terug en zeg tegen Hizkia, de vorst van Mijn volk: Dit zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Zie, Ik ga u gezond maken; op de derde dag zult u naar het huis van de HEERE gaan.6En Ik zal vijftien jaar aan uw [levens]dagen toevoegen, en zal u uit de hand van de koning van Assyrië redden, evenals deze stad; Ik zal deze stad beschermen omwille van Mij en omwille van Mijn dienaar David.7Daarna zei Jesaja: Neem een klomp vijgen. Zij namen die en legden die op de zweer; en hij werd genezen.8Hizkia nu had tegen Jesaja gezegd: Wat is het teken dat de HEERE mij gezond zal maken en dat ik op de derde dag naar het huis van de HEERE zal gaan?9Jesaja zei: Dit zal voor u een teken van de HEERE zijn dat de HEERE het woord dat Hij gesproken heeft, doen zal: Moet de schaduw tien treden verdergaan of tien treden teruggaan?10Toen zei Hizkia: Het is voor de schaduw gemakkelijk om tien treden verder te gaan. Nee, laat de schaduw tien treden teruggaan.11En Jesaja, de profeet, riep de HEERE aan, en Hij deed de schaduw tien treden teruggaan van de treden die zij op de treden van Achaz’ [zonnewijzer] naar beneden was gegaan.).

In profetisch opzicht beschrijft de psalm de geschiedenis van het overblijfsel in de eindtijd. We horen er de Geest van Christus in spreken.


De HEERE liefhebben

1Ik heb de HEERE lief,
want Hij hoort mijn stem, mijn smeekbeden.
2Want Hij neigt Zijn oor tot mij,
daarom zal ik [Hem al] mijn dagen aanroepen.
3Banden van de dood hadden mij omvangen,
angsten van het graf hadden mij getroffen,
ik ondervond benauwdheid en verdriet.
4Maar ik riep de Naam van de HEERE aan:
Och HEERE, bevrijd mijn ziel!

De psalm begint met een hartstochtelijke liefdesverklaring van de psalmist voor de HEERE (vers 11Ik heb de HEERE lief,
want Hij hoort mijn stem, mijn smeekbeden.
)
. De psalmist is diep onder de indruk van de bevrijding van de dood door de HEERE. Hij kan niet anders dan zo reageren, “want”, zo licht hij zijn liefdesverklaring toe, “Hij hoort mijn stem, mijn smeekbeden”. Wat een God is Hij, Die zo luistert en redt! Dat kan geen ander gevolg hebben dan dat je die God liefhebt.

Met nog een “want” geeft hij nog een reden waarom hij de HEERE liefheeft: “Want Hij neigt Zijn oor tot Mij” (vers 22Want Hij neigt Zijn oor tot mij,
daarom zal ik [Hem al] mijn dagen aanroepen.
)
. Dit gaat nog verder dan dat God zijn stem hoort. Het wil zeggen dat God met grote aandacht luistert, Zijn hoofd naar hem buigt om met Zijn oor voor de mond van de psalmist te komen om geen woord te missen van zijn klacht. Zo is God, zo uitnodigend is Hij om luisteren. “Daarom” zal hij Hem al de dagen van zijn leven aanroepen, dat is zolang hij op aarde leeft, zolang hij in het land van de levenden is.

De psalmist vertelt over de nood die hem ertoe heeft gedrongen de HEERE aan te roepen (vers 33Banden van de dood hadden mij omvangen,
angsten van het graf hadden mij getroffen,
ik ondervond benauwdheid en verdriet.
)
. Hij stond voor de poort van de dood. Hij was omvangen “door banden van de dood”. Dat wil zeggen dat hij in de greep van de dood was waaraan hij zich onmogelijk kon ontworstelen. Vanbinnen, innerlijk, hadden “angsten van het graf” hem getroffen”. Hij “ondervond benauwdheid en verdriet”.

In deze grote nood riep hij “de Naam van de HEERE aan” en smeekte: “Och HEERE, bevrijd mijn ziel” (vers 44Maar ik riep de Naam van de HEERE aan:
Och HEERE, bevrijd mijn ziel!
)
. Een andere toevlucht dan “de Naam van de HEERE”, dat is Zijn Wezen, alles wat Hij is, had hij niet. Als de HEERE niet tussenbeide zou komen om hem te bevrijden, zou het met hem gedaan zijn. Daarom smeekte hij Hem om zijn ziel te bevrijden, dat wil zeggen hem uit zijn doodsgevaar te bevrijden en hem in leven te houden.


Geloven en spreken

5De HEERE is genadig en rechtvaardig,
onze God is een Ontfermer.
6De HEERE bewaart de eenvoudigen;
ik was uitgeteerd, maar Hij heeft mij verlost.
7Mijn ziel, keer terug tot uw rust,
want de HEERE is goed voor u geweest.
8Ja, U, [HEERE,] hebt mijn ziel immers gered van de dood,
mijn ogen van tranen, mijn voet van struikelen.
9Ik zal wandelen voor het aangezicht van de HEERE
in de landen der levenden.
10Ik heb geloofd, daarom spreek ik.
Ík ben zeer verdrukt geweest.
11Ík zei, in mijn haast:
Alle mensen zijn leugenaars.

Hij is bevrijd van de banden van de dood en de angsten van het graf omdat “de HEERE … genadig en rechtvaardig” is (vers 55De HEERE is genadig en rechtvaardig,
onze God is een Ontfermer.
)
. Deze twee eigenschappen van God horen bij Zijn natuur. Ze lijken tegenover elkaar te staan, maar ze zijn altijd met elkaar in overeenstemming (vgl. Jh 1:17b17Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.). God kan genade bewijzen en zonden vergeven omdat Zijn Zoon aan het kruis aan alle eisen van Gods gerechtigheid heeft voldaan. Genade heerst door gerechtigheid (Rm 5:2121opdat, zoals de zonde heeft geregeerd door de dood, zo ook de genade zou regeren door gerechtigheid tot [het] eeuwige leven, door Jezus Christus onze Heer.). Dat betekent ook dat God nooit zal veranderen wat Hij in genade heeft toegezegd.

Die God kan dan ook “een Ontfermer” zijn. De psalmist spreekt in verbinding daarmee over God als “onze God”. Hier verbindt hij zich met allen die net als hij in een levende relatie met Hem staan en evenals hij in doodsgevaar zijn geweest. We zien hier duidelijk de Geest van Christus in het overblijfsel. Zij hebben in de tijd van de grote verdrukking God als een Ontfermer leren kennen.

Het gelovig overblijfsel zien we ook in “de eenvoudigen” die door de HEERE worden bewaard tijdens de grote verdrukking (vers 66De HEERE bewaart de eenvoudigen;
ik was uitgeteerd, maar Hij heeft mij verlost.
)
. De eenvoudigen zijn zij die geen hoge dunk van zichzelf hebben. Ze zijn oprecht en Godvrezend. Ze hebben een ‘eenvoudig of oprecht oog’ (Mt 6:2222De lamp van het lichaam is het oog; als dan uw oog eenvoudig is, zal uw hele lichaam verlicht zijn;) dat wil zeggen dat ze slechts aandacht hebben voor de HEERE en Zijn wil en een eenvoudig en onwankelbaar vertrouwen in God en vertrouwen op Zijn Woord.

Vervolgens gebruikt de psalmist weer de “ik”-vorm. Hij spreekt over zichzelf. Daarbij spreekt hij wel de gevoelens uit die ook het overblijfsel heeft, en zegt: “Ik was uitgeteerd, maar Hij heeft mij verlost”. Het geeft wel duidelijk aan hoe slecht hij eraan toe was. Wie uitgeteerd is, heeft totaal geen reserve meer om nog iets te doen. De HEERE heeft hem echter niet laten omkomen, maar hem uit zijn grote nood verlost.

Nu hij verlost is, kan ook zijn ziel terugkeren tot de rust die hij had voordat de verdrukking over hem kwam (vers 77Mijn ziel, keer terug tot uw rust,
want de HEERE is goed voor u geweest.
)
. De uiterlijke nood kan wel opgelost zijn, maar soms is voor de ziel meer tijd nodig om tot rust te komen. De psalmist herinnert zijn ziel eraan dat de HEERE goed voor hem is geweest. De gedachte aan de goedheid van de Heer helpt de ziel om tot rust te komen. Het is ook voor onze gemoedsrust goed onszelf er telkens aan te herinneren hoe goed God steeds weer voor ons is.

Dan richt de psalmist zich in dankbaarheid tot de HEERE (vers 88Ja, U, [HEERE,] hebt mijn ziel immers gered van de dood,
mijn ogen van tranen, mijn voet van struikelen.
)
. Hij is het immers Die zijn ziel heeft “gered van de dood”. Hij heeft de troost en verlossing van lichamelijke en geestelijke pijn van de HEERE ervaren, want zijn ogen, die nat waren van tranen, zijn van tranen bevrijd. Ook kan hij tot rust komen met betrekking tot zijn wandel, want de HEERE heeft “zijn voet van struikelen” bevrijd. Hij is neergevallen, maar heeft zijn weg kunnen vervolgen.

Daardoor kan hij “wandelen voor het aangezicht van de HEERE in de landen der levenden” (vers 99Ik zal wandelen voor het aangezicht van de HEERE
in de landen der levenden.
)
. Dat hij nog in de landen van de levenden is, is voor hem een bijzondere zegen. Het betekent dat hij God nog kan loven en van Gods zegen kan genieten. De dood is voor hem nog steeds “de koning van de verschrikkingen” (Jb 18:1414Zijn vertrouwen zal uit zijn tent gerukt worden;
dat doet hem voortschrijden naar de koning van de verschrikkingen.
)
, die hem wegneemt uit het land van licht en zegen en hem brengt naar het land van duisternis en stilte.

In de verdrukking heeft de psalmist de les van waarachtig geloof geleerd (vers 1010Ik heb geloofd, daarom spreek ik.
Ík ben zeer verdrukt geweest.
)
. Hij heeft geloofd, juist toen hij “zeer verdrukt” werd. Daarover spreekt hij nu. Paulus haalt dit vers in de tweede brief aan de Korinthiërs aan (2Ko 4:1313Daar wij nu dezelfde geest van het geloof hebben, volgens wat geschreven staat: ‘Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken’, zo geloven ook wij, daarom spreken wij ook;). Het verband waarin hij dat doet, maakt duidelijk dat het hier gaat over het getuigenis dat Christus heeft gegeven.

Paulus spreekt over de doodsgevaren waarin hij vanwege zijn prediking steeds weer is gekomen. De dreiging van de dood heeft hem niet monddood gemaakt, want hij weet in Wie hij gelooft. Daarom heeft hij wel moeten spreken. De geest van geloof die Paulus bezit, is dezelfde geest die ook de oudtestamentische gelovige bezit. Wie gelooft, moet wel spreken over Hem Die het voorwerp van het geloof is.

En als de tegenstand ertoe leidt dat hij gedood wordt, dan is dat niet het einde. Paulus wijst dan op de Heer Jezus (2Ko 4:1414daar wij weten, dat Hij Die <de Heer> Jezus heeft opgewekt, ook ons met Jezus zal opwekken en met u vóór Zich stellen.). Christus heeft Zijn getuigenis met de dood moeten bekopen. Maar God heeft Hem opgewekt. Paulus vermeldt dit om de gelovigen te bemoedigen. De bemoediging is dat God even zeker als Hij Christus heeft opgewekt, ook ieder zal opwekken die zijn getuigenis met de dood moet bekopen. Dit ligt vast in de macht van God. De psalm is in grote lijnen daarom ook van toepassing op het lijden dat christenen kunnen ondergaan.

Dat de psalmist ‘in zijn haast’ iets zegt, is geen belijdenis van een zonde, alsof hij te snel met de mond is geweest om iets zeggen (vers 1111Ík zei, in mijn haast:
Alle mensen zijn leugenaars.
)
. Hij zegt met haast dat hij ervan overtuigd is dat “alle mensen … leugenaars” zijn. Hij heeft in zijn verdrukking snel geleerd dat God alleen waarachtig en betrouwbaar is. Wie in nood is, komt er snel achter dat mensen geen hulp kunnen bieden en dat hun beloften om te helpen, leugens zijn. God helpt ieder die in zijn nood tot Hem roept.


Dankzegging

12Wat zal ik de HEERE vergelden
[voor] al Zijn weldaden, die [Hij] mij [bewees]?
13Ik zal de beker van het heil heffen
en de Naam van de HEERE aanroepen.
14Mijn geloften zal ik aan de HEERE nakomen,
nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
15Kostbaar is in de ogen van de HEERE
de dood van Zijn gunstelingen.
16Och HEERE, voorzeker, ik ben Uw dienaar,
ik ben Uw dienaar, een zoon van Uw dienares;
U hebt mijn boeien losgemaakt.
17Ik zal U een offer van dankzegging brengen
en de Naam van de HEERE aanroepen.
18Mijn geloften zal ik aan de HEERE nakomen,
nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk,
19in de voorhoven van het huis van de HEERE,
in uw midden, Jeruzalem.
Halleluja!

De psalmist zoekt naar mogelijkheden om de HEERE Zijn weldaden die Hij aan hem heeft bewezen, te vergelden (vers 1212Wat zal ik de HEERE vergelden
[voor] al Zijn weldaden, die [Hij] mij [bewees]?
)
. Hij spreekt niet over één weldaad, maar over “weldaden”, wat een veelheid aan weldaden veronderstelt. God heeft hem niet alleen van de dood verlost, maar ook van angsten, benauwdheid, verdriet, tranen en struikelingen. Hij heeft hem bewaard en Zich over hem ontfermd.

Maar hoe zou hij al die weldaden kunnen vergelden? Dat is immers onmogelijk. Er is geen enkele tegenprestatie te leveren die enigszins als compensatie zou kunnen dienen. Toch is er wel een manier waarop God kan worden gedankt voor wat Hij heeft gedaan. Dat is door het heffen van “de beker van het heil” en daarbij “de Naam van de HEERE aanroepen” (vers 1313Ik zal de beker van het heil heffen
en de Naam van de HEERE aanroepen.
)
.

Bij een beker gaat het om de inhoud. De inhoud is hier het heil of de behoudenis die is ervaren. Het heffen van die beker is een symbolische handeling die de dankbaarheid voor de behoudenis tot uitdrukking brengt (vgl. 1Ko 10:16a16De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?). Het is als een hefoffer: de dankbaarheid wordt omhooggetild, boven alles uit, en aan God aangeboden. Tegelijk daarmee wordt de Naam van de HEERE aangeroepen, nu niet om Hem Zijn hulp te vragen, maar om Hem te aanbidden en te prijzen voor wat Hij heeft gedaan. De nieuwtestamentische gelovigen doen dat bij de viering van het avondmaal.

In zijn nood heeft de psalmist geloften gedaan (vers 1414Mijn geloften zal ik aan de HEERE nakomen,
nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
)
. Die wil hij nu nakomen (vgl. Ps 66:13-1413Ik zal met brandoffers Uw huis binnengaan;
ik zal aan U mijn geloften nakomen,
14die mijn lippen hebben geuit
en mijn mond heeft uitgesproken in mijn nood.
)
. Zijn geloften heeft hij persoonlijk gedaan tegenover God. Hij wil ze nakomen in het openbaar, “in tegenwoordigheid van al Zijn volk”. Het hele volk van God moet horen van Zijn hulp en de zegen die Hij heeft gegeven, opdat zij in zijn vreugde over al de weldaden van God kunnen delen. Dan kunnen ze instemmen met de lofprijzing die Hem daarvoor toekomt.

De psalmist is gered van de dood. Maar er zijn getrouwen die wel de dood sterven. Het kan erop lijken dat hun gebeden niet zijn verhoord. De psalmist wijst er dan, onder de leiding van de Heilige Geest op, dat hun dood “kostbaar is in de ogen van de HEERE” (vers 1515Kostbaar is in de ogen van de HEERE
de dood van Zijn gunstelingen.
)
. De vijanden hebben afgerekend met mensen die ze liever kwijt dan rijk zijn, maar voor God zijn het “Zijn gunstelingen”. Zij staan in Zijn bijzondere gunst.

Hun dood gaat niet buiten Gods wil om. Hun dood maakt geen einde aan Gods plannen met hen, maar helpt juist om Zijn hoge plannen met hen te verwezenlijken. Zij zullen deelhebben aan de opstanding van de rechtvaardigen. Dan zal Hij hun trouw tot in de dood belonen met “de kroon van het leven” (Op 2:10b10Vrees niets [van] wat u zult lijden. Zie, de duivel zal [sommigen] van u in [de] gevangenis werpen, opdat u op de proef gesteld wordt, en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot [de] dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.) en zij zullen “stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader” (Mt 13:43a43Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft <om te horen>, laat hij horen.).

Na dit intermezzo over de dood van Gods gunstelingen gaat de psalmist in vers 1616Och HEERE, voorzeker, ik ben Uw dienaar,
ik ben Uw dienaar, een zoon van Uw dienares;
U hebt mijn boeien losgemaakt.
verder met het beschrijven van zijn eigen situatie. Hij verklaart plechtig en met grote dankbaarheid tegenover de HEERE dat hij Zijn dienaar is. Dat doet hij in het besef van al de weldaden die de HEERE hem heeft gegeven. Ook wij zullen ernaar verlangen de Heer te dienen als we ons bewust zijn hoeveel weldaden we van Hem door Zijn werk op het kruis hebben gekregen.

In zijn grote dankbaarheid voor wat de HEERE voor hem heeft gedaan, vermeldt hij ook de rol die zijn moeder in zijn opvoeding heeft gespeeld (vgl. Ps 86:1616Wend U tot mij en wees mij genadig,
geef Uw dienaar Uw kracht,
verlos de zoon van Uw dienares.
)
. Dat de psalmist haar “Uw dienares” noemt, betekent dat zij een Godvrezende vrouw is geweest, die God heeft gediend. Zij zal hem in de dingen van God hebben onderwezen (vgl. 2Tm 1:55als ik mij in herinnering breng het ongeveinsd geloof in jou, dat eerst gewoond heeft in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, en ik ben ervan overtuigd ook in jou.).

Als we iets voor de Heer mogen doen, is het goed ons te herinneren aan wie we veel te danken hebben voor onze geestelijke opvoeding. Dat kunnen onze ouders zijn, dat kunnen ook rijpere gelovigen zijn die ons hebben geholpen in onze geestelijke groei. Het voorkomt dat we ons gaan beroemen op onze kwaliteiten en werkzaamheden. De Heer heeft alles voorbereid om ons tot Zijn dienaar te maken en het werk te doen dat Hij voor ons in gedachten heeft gehad (Ef 2:1010Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.).

Die vrijheid om Hem te dienen is Zijn werk. Hij heeft de boeien waarmee de psalmist gevangen was, losgemaakt. De psalmist ervaart zijn bevrijding als een vrijlating uit de gevangenis. Zo zaten wij gevangen in de boeien van de zonde. De Heer Jezus heeft ons van die boeien bevrijd en nu mogen we voor Hem leven en Hem dienen in ons leven.

De verzen 17-1817Ik zal U een offer van dankzegging brengen
en de Naam van de HEERE aanroepen.
18Mijn geloften zal ik aan de HEERE nakomen,
nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk,
zijn, behalve de beginzin, gelijk aan de verzen 13-1413Ik zal de beker van het heil heffen
en de Naam van de HEERE aanroepen.
14Mijn geloften zal ik aan de HEERE nakomen,
nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
. De bevrijding uit de gevangenis, het losmaken van de boeien, is aanleiding om God “een offer van dankzegging” te brengen (vers 1717Ik zal U een offer van dankzegging brengen
en de Naam van de HEERE aanroepen.
)
. Een dank- of vredeoffer wordt gebracht als er een gelofte is gedaan (Lv 7:1616Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.). Van zo’n offer mogen ook anderen eten. Het is een maaltijdoffer. Dat komt in het volgende vers tot uiting.

In zijn gevangenschap heeft de psalmist geloften gedaan (vers 1818Mijn geloften zal ik aan de HEERE nakomen,
nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk,
)
. Die wil hij nu nakomen. Zijn geloften heeft hij persoonlijk gedaan tegenover God. Hij wil ze nakomen in het openbaar, “in tegenwoordigheid van al Zijn volk”. Het hele volk van God moet horen van de bevrijding die Hij heeft gegeven, opdat zij in zijn vreugde over al de weldaden van God kunnen delen (vgl. Ps 107:10-1810[Er waren er] die in duisternis en [in] de schaduw van de dood zaten,
gevangen in ellende en ijzer.
11Want zij waren ongehoorzaam geweest aan de woorden van God
en hadden de raad van de Allerhoogste verworpen.
12Daarom vernederde Hij hun hart door moeite,
zij struikelden en er was geen helper.
13Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,
verloste Hij hen uit hun angsten.
14Hij leidde hen uit de duisternis en de schaduw van de dood
en verscheurde hun banden.
15Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid
en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.
16Want Hij heeft de bronzen deuren opengebroken
en de ijzeren grendels stukgebroken.17[Er waren] dwazen die om hun weg vol overtreding
en om hun ongerechtigheden gekweld werden.
18Hun ziel had een afschuw van al het voedsel,
zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen.
)
.

De plaats waar de lofprijzing gebeurt en waar de maaltijd wordt gehouden, is “in de voorhoven van het huis van de HEERE” (vers 1919in de voorhoven van het huis van de HEERE,
in uw midden, Jeruzalem.
Halleluja!
)
. Het is een feest in de tegenwoordigheid van de HEERE. Hij is de Gastheer, om Hem gaat het. Hij heeft alles ten goede doen keren en Hij is daarvoor alle dank waard.

Dan richt de psalmist spontaan het woord tot Jeruzalem, waar het huis van de HEERE staat, en zegt: “In uw midden, Jeruzalem.” Het hart van de Godvrezende Jood is ten nauwste verbonden aan de stad Jeruzalem, de stad van de grote Koning, waar God woont. Er is voor hem geen grotere vreugde denkbaar dan in het midden van die stad te zijn, omdat hij daar op innigste manier de gemeenschap met God kan beleven. Hij eindigt dan ook met opnieuw een “halleluja”, loof de HEERE.


Lees verder