Psalmen
1-3 Alle eer alleen voor de HEERE 4-8 De waardeloosheid van de afgoden 9-11 De HEERE is een hulp en een schild 12-15 De HEERE zegent 16-18 De levenden loven de HEERE
Alle eer alleen voor de HEERE

1Niet ons, HEERE, niet ons,
maar geef Uw Naam eer,
om Uw goedertierenheid, om Uw trouw.
2Waarom zouden de heidenvolken zeggen:
Waar is toch hun God?
3Onze God is [immers] in de hemel,
Hij doet al wat Hem behaagt.

De vorige psalm herinnert aan de verlossing uit Egypte en de intocht in het beloofde land. Daarvoor, en voor alles wat God aan Zijn volk heeft gegeven, komt hun in geen enkel opzicht enige eer toe (vers 11Niet ons, HEERE, niet ons,
maar geef Uw Naam eer,
om Uw goedertierenheid, om Uw trouw.
)
. Daarvan zijn ze zich diep bewust. Daarom staat er twee keer “niet ons”. De Enige Die eer toekomt, is de HEERE. Zijn Naam moet worden geëerd, want Hij heeft alles gedaan ten gunste van Zijn volk. Hij geeft Zijn eer aan geen ander (Js 42:88Ik ben de HEERE – dat is Mijn Naam;
Mijn eer zal Ik aan geen ander geven,
evenmin Mijn lof aan de [afgods]beelden.
)
.

Wij moeten ons ook bewust zijn dat wij alles wat wij hebben, van Hem hebben gekregen (1Ko 4:77Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En als u het dan hebt ontvangen, waarom beroemt u zich, alsof u het niet had ontvangen?) en dat Hem daarvoor alle eer toekomt. Het is diefstal als wij ons beroemen op wat Hij ons heeft gegeven en ons daarvoor laten vereren alsof het onze verdienste is. Alles wat we doen, behoren we tot Zijn eer te doen (1Ko 10:3131Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets [anders] doet, doet het alles tot heerlijkheid van God.).

Hem komt alle eer toe “om Uw goedertierenheid, om Uw trouw”. Zij hebben al Zijn weldaden en zegeningen die zij hebben gekregen, niet verdiend. Maar Hij heeft in goedertierenheid tegenover hen gehandeld. Ook om Zijn trouw is Hij het waard om geëerd te worden. Zijn trouw aan Zijn beloften heeft Hem tot dit handelen in goedertierenheid gebracht.

De tegenstanders, de heidenvolken, die afgodendienaars zijn, willen twijfel zaaien over de macht van God met de vraag waar hun God toch wel mag zijn als zij zo in nood zijn (vers 22Waarom zouden de heidenvolken zeggen:
Waar is toch hun God?
; vgl. Ps 42:4,114Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
11Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mijn tegenstanders mij,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
; 79:1010Waarom zouden de heidenvolken zeggen:
Waar is hun God?
Laat de wraak voor het vergoten bloed van Uw dienaren
bekend worden voor onze ogen onder de heidenvolken.
; Jl 2:1717Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?
; Mi 7:1010Mijn vijandin zal [dat] zien. Schaamte zal haar bedekken
die tegen mij zei:
Waar is de HEERE, uw God?
Mijn ogen zullen op haar neerzien.
Nu zal zij worden vertrapt als slijk op straat.
)
. Wat de psalmist en in hem het overblijfsel hierover tegen de HEERE zegt, is een uiting van hun vrijmoedigheid tegenover God. Hij zal toch wel een einde maken aan zulke ongegronde vragen? Iets dergelijks heeft Mozes ook gezegd (Nm 14:13-1613Maar Mozes zei tegen de HEERE: Dan zullen de Egyptenaren het horen; immers, U hebt door Uw kracht dit volk uit hun midden geleid.14Zij zullen [het] zeggen tegen de inwoners van dit land, [die] gehoord hebben dat U, HEERE, in het midden van dit volk bent, dat U oog in oog gezien wordt, HEERE, en dat Uw wolk boven hen staat, en dat U overdag in een wolkkolom voor hen uit gaat en 's nachts in een vuurkolom.15Zou U dit volk als één man doden, dan zullen de volken die bij geruchte van U gehoord hebben, zeggen:16Omdat de HEERE dit volk niet in het land kon brengen dat Hij hun gezworen had, daarom heeft Hij hen in de woestijn afgeslacht.). De heidenvolken hebben het vaak gezegd, maar hun wordt het zwijgen opgelegd als God Zich over Zijn volk heeft ontfermd, als Hij hen heeft verlost en in de zegen van het vrederijk heeft gebracht.

Zo vrijmoedig als ze tot God spreken om op te optreden tegen de heidenvolken vanwege hun spottende vraag, zo vrijmoedig spreken ze ook tot de mensen die deze vraag stellen. Het is voor hen geen vraag. Hun antwoord is dat hun God in de hemel is (vers 33Onze God is [immers] in de hemel,
Hij doet al wat Hem behaagt.
)
, ver verheven boven de mens en zijn lasteringen.

Ze belijden Hem als “onze God”. Het kan wel lijken dat Hij afwezig is, maar Hij is er wel en Hij is er voor hen. Dat weet het geloof. Het geloof weet ook dat Hij oppermachtig is, dat “Hij doet al wat Hem behaagt”. Hij handelt daarin niet grillig, maar rechtvaardig tegenover iedereen en daarbij in liefde tegenover Zijn volk.


De waardeloosheid van de afgoden

4Hun afgoden zijn zilver en goud,
het werk van mensenhanden:
5zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet;
6zij hebben oren, maar horen niet;
zij hebben een neus, maar ruiken niet;
7hun handen, die tasten niet;
hun voeten, die gaan niet;
er komt geen geluid uit hun keel.
8Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.

Tegenover het vertrouwen in de verheven, almachtige God gaan ze nu de afgoden van de heidenvolken bespottelijk maken (verzen 4-84Hun afgoden zijn zilver en goud,
het werk van mensenhanden:
5zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet;
6zij hebben oren, maar horen niet;
zij hebben een neus, maar ruiken niet;
7hun handen, die tasten niet;
hun voeten, die gaan niet;
er komt geen geluid uit hun keel.
8Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.
; Ps 135:15-1815De afgoden van de heidenvolken zijn zilver en goud,
werk van mensenhanden.
16Zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet.
17Zij hebben oren, maar horen niet;
er is zelfs geen adem in hun mond.
18Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.
; vgl. 1Kn 18:25-2925Elia zei tegen de profeten van de Baäl: Kies voor uzelf de ene jonge stier en maak [die] eerst klaar, want u bent met velen. Roep dan de naam van uw god aan, maar u mag er geen vuur bij leggen.26Zij namen de jonge stier die hij hun had gegeven, en maakten [die] klaar. Ze riepen de naam van de Baäl aan, van de morgen tot de middag: O Baäl, antwoord ons! Maar er kwam geen stem en er was niemand die antwoordde. Zij sprongen tegen het altaar aan, dat men gemaakt had.27En het gebeurde tijdens de middag dat Elia met hen begon te spotten en zei: Roep met luide stem! Hij is immers een god. Hij is vast in gedachten! Of hij heeft zich vast afgezonderd! Of hij is vast op reis! Misschien slaapt hij [wel] en moet hij wakker worden!28Zij riepen met luider stem en kerfden [hun lichamen] naar hun wijze van doen met zwaarden en speren, totdat [het] bloed over hen heen stroomde.29En het gebeurde, toen de middag voorbij was, dat zij in geestvervoering raakten, tot [de tijd van] het brengen van het graanoffer. Er kwam geen stem en er was niemand die antwoordde; er kwam geen teken van leven.; Js 44:9-209De makers van beelden, allen zijn zij leegheid,
hun geliefde voorwerpen doen geen nut.
Ja, zijzelf zijn hun getuigen: zij zien niet
en zij weten niet. Daarom zullen zij beschaamd worden.
10Wie maakt er [nu] een god en giet een beeld
dat geen nut doet?
11Zie, al hun metgezellen zullen beschaamd worden,
want vaklieden zijn slechts mensen.
Laten zij bijeenkomen, laten zij allen opstaan;
zij zullen angstig zijn, samen zullen zij beschaamd worden.
12De ijzersmid [smeedt] een bijl,
werkt in de vuurgloed,
vormt het [beeld] met hamers,
bewerkt het met zijn sterke arm;
hij lijdt zelfs honger en heeft geen kracht meer,
hij drinkt geen water en raakt afgemat.
13De timmerman spant een meetlint uit,
tekent het [hout] af met een krijtstift,
maakt het [glad] met schaven,
tekent het af met een passer
en maakt het naar de vorm van een man,
naar de schoonheid van een mens, om het in een huis te laten wonen.
14Hij hakt voor zichzelf ceders om,
neemt een cipres of een eik,
en kweekt [die] voor zichzelf op tussen de bomen van het woud;
hij plant een olm en de regen maakt [die] groot.
15Ze dienen de mens tot brandhout,
hij neemt ervan en warmt zich erbij,
hij steekt het ook aan en bakt brood.
Ook maakt hij er een god van en buigt zich [ervoor],
hij maakt er een gesneden beeld van en knielt ervoor neer.
16De helft ervan verbrandt hij in het vuur.
Bij die helft eet hij vlees,
braadt een braadstuk en wordt verzadigd.
Ook warmt hij zich en zegt: Ha,
ik word warm, ik zie vuur!
17Van de rest ervan maakt hij een god, zijn gesneden beeld.
Hij knielt ervoor neer, buigt zich,
bidt het aan en zegt:
Red mij, want u bent mijn god.
18Zij weten niet en begrijpen niet,
want hun ogen zijn dichtgesmeerd, zodat zij niet zien,
[en] hun harten, zodat zij niet begrijpen.
19Niemand neemt het ter harte,
er is geen kennis en geen inzicht om te zeggen:
De helft ervan heb ik verbrand in het vuur,
ook heb ik brood gebakken op de houtskool ervan,
ik heb vlees gebraden en gegeten –
en zou ik van het overgebleven [hout] iets gruwelijks maken,
zou ik knielen voor een stuk hout?
20Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem op een dwaalspoor gebracht,
zodat hij zijn ziel niet redden kan en niet kan zeggen:
Is er geen bedrog in mijn rechterhand?
; 46:6-76Zij schudden goud uit [hun] beurs
en wegen zilver op een weegschaal.
Zij huren een edelsmid, en die maakt er een god van.
Zij knielen, ook buigen zij zich [ervoor] neer.
7Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem
en zetten hem op zijn plaats.
Daar staat hij [en] van zijn plaats wijkt hij niet.
Ja, roept [iemand] tot hem, hij antwoordt niet,
hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
; Jr 10:1-91Hoor het woord dat de HEERE tot u spreekt, huis van Israël.2Zo zegt de HEERE:
U mag u de weg van de heidenvolken niet aanleren,
en u niet ontstellen door de tekenen aan de hemel,
omdat de heidenvolken zich daardoor ontstellen.
3Want de gebruiken van die volken zijn onzinnig:
het is immers een stuk hout, [iemand] heeft het uit het bos gekapt,
vakwerk met de bijl.
4Met zilver en met goud maken ze het mooi,
met spijkers en met hamers zetten ze het vast,
zodat het niet kan wiebelen.
5Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken kunnen ze niet.
Ze moeten helemaal gedragen worden, want ze kunnen geen stap verzetten.
Wees niet bevreesd voor hen, want kwaad kunnen ze niet doen,
maar ook goeddoen is er bij hen niet bij.6Niemand, HEERE, is U gelijk,
groot bent U en groot is Uw Naam in sterkte.
7Wie zou U niet vrezen, Koning van de heidenvolken?
Want [dat] komt U toe.
Immers, onder al de wijzen van de heidenvolken
en in heel hun koninkrijk is niemand U gelijk.
8In één ding zijn zij toch dom en dwaas:
onderwijs in onzinnigheid, hout is het!
9Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz;
werk van een vakman, en van de handen van een edelsmid
– blauwpurper en roodpurper is hun gewaad –
alles is het werk van kundige [mensen].
; Hk 2:18-1918Wat is het nut van een gesneden beeld, wanneer zijn maker het gesneden heeft,
[of] van een gegoten beeld dat leugens onderwijst,
wanneer de maker op zijn maaksel vertrouwt
terwijl het stomme afgoden zijn die hij maakt?
19Wee hem die tegen het stuk hout zegt: Word wakker!
[en:] Ontwaak! tegen een zwijgende steen.
Zouden zij [iemand] kunnen onderwijzen?
Zie, het is met goud en zilver overtrokken,
maar er zit volstrekt geen [levens]geest in hem.
)
. Het volk heeft uiteindelijk geleerd dat afgoden niets zijn. Die afgoden kunnen wat het materiaal waarvan ze zijn gemaakt wel wat waard zijn, maar ze zijn slechts “het werk van mensenhanden” (vers 44Hun afgoden zijn zilver en goud,
het werk van mensenhanden:
)
. Dat betekent per definitie dat ze waardeloos zijn wat betreft hun vermogen om ook maar iets te doen. Ze zien er menselijk uit, maar zijn totaal onmenselijk.

Ze hebben wel een mond, want die heeft de maker van het beeld er zelf in gegraveerd (vers 55zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet;
)
. Maar die stomme beelden kunnen hun lippen niet van elkaar krijgen. Er komt geen woord uit hen, niet tot troost en niet tot oordeel. De maker heeft de beelden wel ogen kunnen geven, maar geen licht in hun ogen. Er is geen enkel zicht op het heden of op de toekomst. Ze merken niets op van enig mens die tot hen nadert. De beelden zijn stekeblind (vgl. Gn 16:1313En zij gaf de HEERE, Die tot haar sprak, de naam: U bent de God Die naar mij omziet! Want zij zei: Heb ik hier dan Hem gezien Die naar mij omgezien heeft?; 2Kr 16:99Want de ogen van de HEERE trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan [hen] van wie het hart volkomen is met Hem. U hebt hierin dwaas gehandeld, want vanaf nu zullen oorlogen uw deel zijn.).

En kijk eens naar hun oren (vers 66zij hebben oren, maar horen niet;
zij hebben een neus, maar ruiken niet;
)
. Die zitten stevig aan hun kop vast. Zeker, ze zijn kunstig gevormd door de mensenhanden. Maar een werkend trommelvlies zit er niet in. Ze zijn stokdoof. Je kunt praten of zelfs schreeuwen wat je wilt, maar er komt geen reactie (vgl. Ps 116:22Want Hij neigt Zijn oor tot mij,
daarom zal ik [Hem al] mijn dagen aanroepen.
; 65:33U hoort het gebed;
tot U zal alle vlees komen.
; 120:11Een pelgrimslied.
Ik riep tot de HEERE in mijn benauwdheid,
en Hij verhoorde mij.
)
. Er is ook een neus op de kop van het beeld gezet. Maar wat voor reukoffers ze ook aan het beeld brengen, het snuift er niets van op en raakt er zeker niet door bedwelmd.

Ze hebben ook handen, maar ze kunnen geen hand uitsteken om iemand te helpen (vers 77hun handen, die tasten niet;
hun voeten, die gaan niet;
er komt geen geluid uit hun keel.
; vgl. Ps 18:1717Hij stak [Zijn hand] uit van omhoog, Hij greep mij,
Hij trok mij op uit grote wateren.
; Jh 10:2828En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand.)
. Ze kunnen er niet eens mee tasten om ergens houvast te vinden. De handen blijven onbeweeglijk op de plek waar de maker ze heeft aangebracht. Hetzelfde geldt voor hun voeten. Ze kunnen geen stap verzetten om iemand voor te gaan op een bepaalde weg. Ze blijven stokstijf staan waar de maker ze heeft neergezet (Js 46:1-71Bel is gekromd, Nebo neergebogen,
hun afgods[beelden] zijn geworden
voor de dieren en voor de beesten;
uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide [dieren].
2Tezamen zijn ze neergebogen, gekromd.
Ze hebben de last niet kunnen redden,
maar zijn zelf in gevangenschap gegaan.3Luister naar Mij, huis van Jakob,
en heel het overblijfsel van het huis van Israël,
u, die [door Mij] gedragen bent vanaf de [moeder]schoot,
gedragen vanaf de baarmoeder.
4Tot [uw] ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn,
ja, tot [uw] grijsheid toe zal Ík [u] dragen;
Ík heb het gedaan en Ík zal [u] opnemen,
Ík zal dragen en redden.5Met wie wilt u Mij vergelijken en [met wie] op één lijn stellen?
[Met wie] wilt u Mij meten, dat wij elkaars gelijken zouden zijn?
6Zij schudden goud uit [hun] beurs
en wegen zilver op een weegschaal.
Zij huren een edelsmid, en die maakt er een god van.
Zij knielen, ook buigen zij zich [ervoor] neer.
7Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem
en zetten hem op zijn plaats.
Daar staat hij [en] van zijn plaats wijkt hij niet.
Ja, roept [iemand] tot hem, hij antwoordt niet,
hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
)
. Ze kunnen hun keel niet eens schrapen, er komt geen enkel geluid uit.

Het kan niet anders of zij die ze hebben gemaakt, worden aan deze afgoden gelijk (vers 88Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.
)
. Ze zijn het product van hun dwaasheid en daarom worden de makers dwazen. Wie op beelden vertrouwt, wordt een gevangene van zijn eigen dwaze, onreine, goddeloze gedachten. Hij volgt zijn eigen dwaze inzichten en vervalt tot steeds grotere onzinnigheden. Valse aanbidding is niet onschuldig, maar demoraliseert. De aanbidder bewerkt daardoor zijn eigen verderf. Het einde van wie dode afgoden aanbidden, is de eeuwige dood.


De HEERE is een hulp en een schild

9Israël, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
10Huis van Aäron, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
11U die de HEERE vreest, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.

Op afgoden kun je niet vertrouwen, want ze kunnen niets. Het is uiterst dom en ook een grote zonde tegenover God. Tegenover de dode afgoden staat de levende God. Hij heeft Zich geopenbaard als de God Die leeft en er voor Zijn volk is. Op Hem kun je volledig vertrouwen (vers 99Israël, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
)
. Dat wordt dan ook tegen Israël gezegd. Dat Hij “hun hulp” is, wil zeggen dat Hij hen ondersteunt en helpt hun weg te gaan. Hij is ook “hun schild”, dat wil zeggen dat Hij hen beschermt, terwijl Hij hen helpt. Wat heeft een hulpbehoevend, krachteloos volk nog meer nodig? Het heeft alles in Hem.

Vervolgens wordt het “huis van Aäron” opgeroepen om te vertrouwen op de HEERE (vers 1010Huis van Aäron, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
)
. Zij zijn de priesters en leiden Israël in hun aanbidding van de HEERE. Ook voor hen geldt dat zij in de HEERE “hun hulp en hun schild” hebben. Ware priesterdienst kan alleen gebeuren met de ondersteuning en bescherming van de HEERE.

Ten slotte wordt ieder “die de HEERE vreest” opgeroepen om op de HEERE te vertrouwen (vers 1111U die de HEERE vreest, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
)
. Hier is het ieder persoonlijk, terwijl het in vers 99Israël, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
Israël als volk en in vers 1010Huis van Aäron, vertrouw op de HEERE,
Hij is hun hulp en hun schild.
de priesterfamilie is (vgl. Ps 118:2-42Laat Israël toch zeggen:
Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
3Laat het huis van Aäron toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
4Laten wie de HEERE vrezen, toch zeggen:
Ja, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
; 135:19-2019Huis van Israël, loof de HEERE;
huis van Aäron, loof de HEERE.
20Huis van Levi, loof de HEERE;
u die de HEERE vreest, loof de HEERE.
)
. Het vrezen van de HEERE is een kenmerk dat bij ieder lid van Gods volk en ieder lid van de priesterfamilie aanwezig moet zijn.

Horen bij een bevoorrecht volk en een bevoorrechte familie is nooit voldoende. Er moet een persoonlijke relatie met God zijn. Ieder ervaart dan persoonlijk dat de HEERE zijn hulp en zijn schild is. “U die de HEERE vreest”, is ook van toepassing op allen buiten Israël die de HEERE vrezen. Zij mogen weten dat de HEERE “hun hulp en hun schild” is.


De HEERE zegent

12De HEERE heeft aan ons gedacht: Hij zal zegenen,
Hij zal het huis van Israël zegenen,
Hij zal het huis van Aäron zegenen.
13Hij zal zegenen wie de HEERE vrezen,
de kleinen met de groten.
14De HEERE zal u meer en meer [zegenen],
u en uw kinderen.
15U bent gezegend door de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.

In deze verzen horen we een prachtige aanvulling en bemoediging op de drievoudige oproep tot de drie groepen om de HEERE te vertrouwen en de drievoudige toezegging dat Hij hun hulp en hun schild is in de vorige verzen. Tegen dezelfde drie groepen wordt hier gezegd dat de HEERE “zal zegenen” (vers 12-15a12De HEERE heeft aan ons gedacht: Hij zal zegenen,
Hij zal het huis van Israël zegenen,
Hij zal het huis van Aäron zegenen.
13Hij zal zegenen wie de HEERE vrezen,
de kleinen met de groten.
14De HEERE zal u meer en meer [zegenen],
u en uw kinderen.
15U bent gezegend door de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
)
.

De psalmist begint ermee te zeggen dat “de HEERE … aan ons gedacht” heeft (vers 1212De HEERE heeft aan ons gedacht: Hij zal zegenen,
Hij zal het huis van Israël zegenen,
Hij zal het huis van Aäron zegenen.
)
. Het is een grote troost te weten dat God aan de Zijnen, aan ons, aan mij, denkt. En gedachten over Zijn volk zijn om hen te zegenen. Dit is de zekerheid van het geloof. God is altijd bezig om Zijn volk wel te doen. Er kunnen beproevingen zijn, maar Hij denkt altijd aan het verbond dat Hij met hen heeft gesloten (Js 49:14-1514Sion zegt echter: De HEERE heeft mij verlaten,
de Heere heeft mij vergeten.
15Kan een vrouw haar zuigeling vergeten,
zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?
Zelfs al zouden die het vergeten,
Ík zal u niet vergeten.
)
, op grond waarvan Hij hen zal zegenen.

Zijn zegen komt over “het huis van Israël” in zijn geheel, niet slechts over een aantal bevoorrechte stammen. Zijn zegen komt ook over het hele “huis van Aäron”, niet slechts over enkele bijzondere leden ervan.

Zijn zegen komt ook over “wie de HEERE vrezen, de kleinen met de groten” (vers 1313Hij zal zegenen wie de HEERE vrezen,
de kleinen met de groten.
; vgl. Jr 31:3434Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.; Op 19:55En van de troon ging een stem uit die zei: Prijst onze God, al Zijn slaven, <en> u die Hem vreest, kleinen en groten!)
. In het uitdelen van zegen maakt God geen onderscheid tussen kleinen en groten. De maatstaf is of ze de HEERE vrezen. De kleinen zijn de mensen die niet in aanzien zijn, de armen. De groten zijn zij die een hoge positie in de samenleving hebben.

De zegen van de HEERE is niet eenmalig, ze blijft niet beperkt tot één zegen. Nee, als Hij zegent, is daarmee een deur geopend waardoor zegen blijft stromen (vers 1414De HEERE zal u meer en meer [zegenen],
u en uw kinderen.
)
. De zegen neemt voortdurend toe, ze wordt “meer en meer”. Dat betreft niet alleen de omvang, het gebied van de zegen dat steeds groter wordt, maar ook de komende generaties. Het is een zegen voor “u en uw kinderen”.

Alle groepen krijgen te horen: “U bent gezegend door de HEERE” (vers 1515U bent gezegend door de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
)
. Dit legt de nadruk op Hem Die zegent. “De HEERE” zegent, niet een afgod. En Wie is Hij? Het is Hij “Die hemel en aarde gemaakt heeft”. Afgoden zijn louter met de aarde verbonden. Niemand minder dan de Schepper van hemel en aarde, de allerhoogste God, zegent hen die Hem vrezen. Dat doet Hij op grond van het werk dat Zijn Zoon op het kruis heeft volbracht.


De levenden loven de HEERE

16De hemel, de hemel is van de HEERE,
maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.
17De doden zullen de HEERE niet prijzen,
evenmin al wie in de stilte neergedaald zijn.
18Maar wíj zullen de HEERE loven,
van nu aan tot in eeuwigheid.
Halleluja!

Hij, Die hemel en aarde gemaakt heeft (vers 1515U bent gezegend door de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
)
, heeft aan beide een bestemming gegeven (vers 1616De hemel, de hemel is van de HEERE,
maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.
)
. Hij schept en regeert soeverein over wat Hij heeft gemaakt. Door twee keer “de hemel” te noemen wordt met nadruk gezegd dat de hemel van Hem is. Daar woont Hij. De aarde is natuurlijk ook van Hem, “maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven” (vers 1616De hemel, de hemel is van de HEERE,
maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.
)
. Daar horen ze thuis, daar leven en werken ze en daar ligt hun toekomst.

Dat de HEERE “de aarde … aan de mensenkinderen gegeven” heeft (vers 1616De hemel, de hemel is van de HEERE,
maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.
)
, maakt duidelijk dat we hier op Joodse bodem staan. Het Joodse volk is een aards volk en heeft aarde zegeningen. Voor ons, christenen, is het precies andersom. God is in de Heilige Geest op aarde komen wonen (Hd 2:1-41En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.3En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.4En zij werden allen vervuld met [de] Heilige Geest en ze begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.; Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.) en wij, mensen, heeft Hij in Christus in de hemel geplaatst (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,; 2:66en heeft [ons] mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus,). Ons heeft Hij geen aardse zegeningen en de aarde gegeven. Hij heeft ons de hemel en de hemelse zegeningen gegeven.

Voor de oudtestamentische gelovige is het zo, dat hij de HEERE niet kan prijzen als hij gestorven is (vers 1717De doden zullen de HEERE niet prijzen,
evenmin al wie in de stilte neergedaald zijn.
; Js 38:18-1918Immers, het graf zal U niet loven,
de dood U niet prijzen;
wie in de kuil neerdalen,
zullen op Uw waarheid niet hopen.
19De levende, de levende, die zal U loven,
zoals ik vandaag.
De vader zal zijn kinderen
met Uw waarheid bekendmaken.
)
. Zij weten niet dat de gestorven gelovigen leven in de tegenwoordigheid van de Heer Jezus (Lk 23:4343En Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.). Voor hen is het prijzen van de HEERE verbonden met het leven op aarde. Hun verwachting is wel dat zij eens zullen opstaan en de zegen van de gemeenschap met de HEERE zullen genieten (Jb 19:25-2725Ik weet echter: mijn Verlosser leeft,
en Hij zal ten laatste over het stof opstaan.
26En als zij na mijn huid dit doorknaagd hebben,
zal ik uit mijn vlees God aanschouwen.
27Ik zelf zal Hem aanschouwen,
en mijn ogen zullen [Hem] zien, niet een vreemde;
mijn nieren bezwijken van verlangen in mijn binnenste.
; Ps 17:1515Ik [echter] zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen;
ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld.
)
. “De doden” zijn zij die gedood zijn in de grote verdrukking. “Wie in de stilte neergedaald zijn”, zijn allen die in het geloof zijn gestorven.

De “wij” in vers 1818Maar wíj zullen de HEERE loven,
van nu aan tot in eeuwigheid.
Halleluja!
zijn de levende verlosten. In verbinding met het vorige vers kunnen we ook denken aan hen die zijn opgestaan. Het loven van de HEERE gebeurt door hen die zijn opgestaan uit de doden. Dat geldt voor hen die uit de dood zullen opstaan bij de komst van de Heer Jezus. Het geldt nu al voor allen die geestelijk zijn opgestaan, die nieuw leven hebben. Daarom kan er worden gezegd dat het loven van de HEERE gebeurt “van nu aan”, dat is vanaf het moment van de definitieve verlossing, “tot in eeuwigheid”. De psalmist besluit de psalm met “halleluja”, ‘loof de HEERE’.

Zoals hiervoor al opgemerkt, zijn wij als nieuwtestamentische gelovigen, dat is als leden van de gemeente, niet met de aarde maar met de hemel verbonden. Toch behoort ons leven op aarde ook al dit grote kenmerk te hebben, dat het een voortdurende lofzang is op de heerlijkheid van de Heer Jezus (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.; 1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.). Wij mogen op aarde beginnen met iets wat we tot in alle eeuwigheid zullen voortzetten en dat is: de Vader “aanbidden in geest en waarheid” (Jh 4:2323Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.).


Lees verder