Psalmen
Inleiding 1-6 Van uittocht naar intocht 7-8 Beef, aarde!
Inleiding

Psalm 114 beschrijft de verlossing van Israël uit de slavernij in Egypte als voorbeeld van de verlossing van Israël in de eindtijd uit de grote verdrukking.


Van uittocht naar intocht

1Toen Israël uit Egypte trok,
het huis van Jakob uit een volk met een vreemde taal,
2werd Juda Zijn heiligdom,
Israël Zijn koninklijk bezit.
3De zee zag het en vluchtte,
de Jordaan deinsde achteruit,
4de bergen sprongen op als rammen,
de heuvels als lammeren.
5Wat was er, zee, dat u vluchtte,
Jordaan, dat u achteruit deinsde?
6[Wat was er], bergen, dat u opsprong als rammen,
[en u,] heuvels, als lammeren?

De geschiedenis van de verlossing van Israël uit Egypte en hun reis door de woestijn is een geschiedenis waarin God van begin tot eind Zijn geweldige macht ten gunste van Zijn volk laat zien. Het is een ongekende gebeurtenis dat een groot volk, dat eeuwenlang in slavernij is gehouden, uit het land van hun slavernij trekt (vers 11Toen Israël uit Egypte trok,
het huis van Jakob uit een volk met een vreemde taal,
)
.

Er is hier sprake van “Israël” en van “het huis van Jakob”. Israël is de naam van voorrechten en zegen. Jakob is de naam van zwakheid en falen. We zien dat Israël als het ware met opgeheven hoofd de slavernij verlaat. De slavernij is een periode geweest waarin het zwakke, falende volk “een volk met een vreemde taal” als slaven heeft gediend. Het benadrukt dat zij in Egypte niet alleen slaven waren, maar ze waren daarin ook vreemdelingen.

God had voor hen een plan dat Hij met hun bevrijding uit Egypte begon uit te voeren. Dat plan heeft Hij vervuld toen Hij hen in het aan hen beloofde land bracht (vers 22werd Juda Zijn heiligdom,
Israël Zijn koninklijk bezit.
)
. Hij wilde hen daar brengen om bij hen te wonen. Hij koos de stam Juda uit om daar “Zijn heiligdom”, de tempel, te bouwen. Het hele land Israël werd “Zijn koninklijk bezit”. Dit betekent dat Hij Koning is van Zijn volk en dat zij Zijn onderdanen zijn. Heiligdom en koninkrijk vormen een eenheid (vgl. Ex 15:17-1817       U zult hen brengen en hen planten
                        op de berg [die] Uw eigendom is,
            Uw vaste woonplaats,
                        die U gemaakt hebt, HEERE,
            het heiligdom, Heere,
                        dat Uw handen gesticht hebben.18       De HEERE zal regeren
                        voor eeuwig en altijd!
)
. De Heer Jezus is Koning-Priester op Zijn troon (Zc 6:1313Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.
)
.

Dan beschrijft de psalmist twee hoogtepunten uit de tocht van Egypte naar Kanaän: wat er met de Schelfzee en met de Jordaan is gebeurd (vers 33De zee zag het en vluchtte,
de Jordaan deinsde achteruit,
)
. Deze twee hoogtepunten illustreren de macht van God. Als het volk uit Egypte bij de Schelfzee is gekomen, lijkt het alsof er hier een einde komt aan hun bevrijding. Ze voelen de hete adem van de Egyptenaren die hen najagen om hen weer tot slaven te maken.

Dan ziet de zee het. Wat ziet de zee? Niet het volk, maar Mozes met zijn staf en achter Mozes de HEERE Zelf. Als de zee dat ziet, vlucht ze. Er is geen denken aan dat ze een onoverwinnelijke barrière voor de bevrijding van het volk vormt. Ze maakt in haar midden een weg vrij voor Israël en opent zo de deur naar de vrijheid.

Dit herhaalt zich bij de Jordaan. Het volk is aan de grens van het land gekomen en daar lijkt de Jordaan een barrière te zijn die de ingang in het land verspert. Maar wat gebeurt er? De Jordaan deinst achteruit. De Jordaan ziet de ark verschijnen, het symbool van de tegenwoordigheid van de HEERE, en deinst achteruit. Zoals God de poorten van Egypte heeft geopend om Zijn volk te laten vertrekken, zo heeft Hij de poorten geopend naar Kanaän om hen binnen te laten trekken. In beide gevallen heeft Hij dat gedaan door het water weg te sturen.

Tussen de beide ingrepen in de natuur in staat nog een reactie van de natuur op Gods aanwezigheid (vers 44de bergen sprongen op als rammen,
de heuvels als lammeren.
)
. “De bergen sprongen op als rammen, de heuvels als lammeren” zien we gebeuren bij het neerdalen van God op de Sinaï om de wet te geven (Ex 19:1818De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.; Ps 68:8-98O God, toen U voor Uw volk uittrok,
toen U voortschreed door de wildernis, /Sela/
9beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
)
.

In de verzen 5-65Wat was er, zee, dat u vluchtte,
Jordaan, dat u achteruit deinsde?
6[Wat was er], bergen, dat u opsprong als rammen,
[en u,] heuvels, als lammeren?
worden vragen gesteld aan de zee, de Jordaan, de bergen en de heuvels, waarom ze hebben gereageerd zoals ze hebben gedaan. Het is alsof de psalmist hen oproept om te getuigen van wat er met hen is gebeurd. Hun wordt gevraagd welke rol ze hebben gespeeld toen God Zijn volk uitleidde om hen naar Zijn heiligdom en Zijn koninkrijk in Israël te brengen en hen op Zijn weg vond.

Er kunnen ook bij ons vragen zijn over bepaalde natuurverschijnselen, waarbij we opmerken dat ze anders zijn dan normaal. In dichterlijke taal vragen we waarom dit zo gebeurt. Het brengt onze zwakheid aan het licht om te begrijpen waarom iets gebeurt. We weten dat God alles in Zijn hand heeft, maar we weten vaak niet waarom dingen gaan zoals ze gaan.


Beef, aarde!

7Beef, aarde, voor het aangezicht van de Heere,
voor het aangezicht van de God van Jakob,
8Die de rots veranderde in een waterplas,
hard gesteente in een waterbron.

In deze verzen volgt het antwoord op de vragen van de vorige verzen. Het antwoord is dat er ontzag moet zijn voor Gods almacht, zonder dat we begrijpen waarom bepaalde dingen gebeuren. Iets dergelijks zien we in het leven van Job. Hij begrijpt niet waarom hij zoveel moet lijden. Daarover heeft hij veel vragen. Het antwoord krijgt hij aan het einde van het boek. Het antwoord is: God regeert. Als we niet begrijpen waarom bepaalde dingen in ons leven gebeuren, wil God dat we Hem vertrouwen, zonder dat Hij een direct antwoord op onze vragen geeft. Hij Zelf is het antwoord.

In verbinding met wat er met de Rode Zee, de Jordaan en de bergen en heuvels is gebeurd moet duidelijk worden dat God niet slechts door deze vier natuurelementen wil worden erkend, maar door de hele aarde. De aarde, dat wil zeggen de bewoners daarop, wordt opgeroepen “voor het aangezicht van de Heere” te beven (vers 77Beef, aarde, voor het aangezicht van de Heere,
voor het aangezicht van de God van Jakob,
)
. De Heere is de soevereine Heerser, de Gebieder en Gezaghebber. Dat is Hij niet alleen van Israël, maar van het universum. Hoe zou de aarde onbewogen blijven in Zijn tegenwoordigheid? Hij is niemand anders dan “de God van Jakob”.

Terwijl de aarde beeft voor Hem, zorgt Hij voor Zijn volk en verkwikt hen met water (vers 88Die de rots veranderde in een waterplas,
hard gesteente in een waterbron.
)
. Hij heeft bij Horeb ”de rots” veranderd “in een waterplas” (Ex 17:66Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij de Horeb staan. Dan moet u op de rots slaan, en er zal water uitkomen, zodat het volk kan drinken. En Mozes deed dit voor de ogen van de oudsten van Israël.) en bij Kades “hard gesteente in een waterbron” (Nm 20:1111Toen hief Mozes zijn hand op en hij sloeg de rots twee keer met zijn staf, en er kwam veel water uit, zodat de gemeenschap en hun vee konden drinken.). Dat wil zeggen dat Hij door Zijn kracht verfrissing en leven tevoorschijn brengt uit wat voor de mens een onoverkomelijke hindernis is. Zo zal God dat doen in de eindtijd, als er geen uitkomst uit de ellende lijkt te komen. Zo doet God het ook in ons leven, als wij ons in een uitzichtloze situatie bevinden.

Deze gebeurtenissen spreken van Christus, Die een fontein van levend water heeft ontsloten voor ieder die dorst heeft (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.); Jh 4:13-1413Jezus antwoordde en zei tot haar: Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben;14maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.; 7:37-3937En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!38Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.).


Lees verder