Psalmen
Inleiding 1-3 Aansporing om de HEERE te loven 4-9 De verhevenheid van de HEERE
Inleiding

Psalm 113 is de eerste van een serie psalmen die ‘hallelpsalmen’ of ‘lofpsalmen’ worden genoemd. Dit zijn de Psalmen 113-118. Ze worden gezongen bij de grote feesten: Pascha, Pinksterfeest en Loofhuttenfeest (Mt 26:3030En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar buiten naar de Olijfberg.; Mk 14:2626En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar buiten naar de Olijfberg.).

In Psalm 113 wordt de HEERE bezongen in Zijn onvergelijkbare grootheid en verhevenheid (verzen 1-41Halleluja!
Loof, dienaren van de HEERE,
loof de Naam van de HEERE.
2De Naam van de HEERE zij geloofd,
van nu aan tot in eeuwigheid.
3Vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat,
zij de Naam van de HEERE geprezen.4De HEERE is verheven boven alle heidenvolken,
boven de hemel is Zijn heerlijkheid.
)
en in de diepe neerbuigendheid van Zijn liefde tot de ellendige (verzen 5-95Wie is als de HEERE, onze God?
Die zeer hoog woont,
6Die zeer laag ziet,
in de hemel en op de aarde;
7Die de geringe opricht uit het stof,
de arme verheft uit het vuil,
8om [hem] te doen zitten bij edelen,
bij de edelen van Zijn volk;
9Die de onvruchtbare doet wonen in [haar] gezin:
een blijde moeder van kinderen.
Halleluja!
)
. We vinden dit terug in de lofzang van Hanna (1Sm 2:1-101Toen bad Hanna en zei:
Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE,
mijn hoorn is opgeheven in de HEERE;
mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden,
want ik verheug mij in Uw heil.2Er is niemand zo heilig als de HEERE,
want er is niemand buiten U,
en er is geen rotssteen als onze God.3Spreek toch niet steeds zo bijzonder hoogmoedig,
en laat niets hooghartigs uit uw mond gaan;
want de HEERE is een [al]wetend God,
en Zijn daden zijn recht.4De boog van de sterken is gebroken,
maar zij die struikelden, zijn met kracht omgord.
5Zij die verzadigd waren, hebben zich om brood verhuurd,
maar zij die hongerig waren, zijn het niet meer.
Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gebaard,
maar zij die veel kinderen had, is verkommerd.6De HEERE doodt en maakt levend,
Hij doet in het graf neerdalen en Hij doet [daaruit] opkomen.
7De HEERE maakt arm en maakt rijk,
Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
8Hij verheft de geringe uit het stof;
uit het vuil verhoogt Hij de arme
om [hen] bij edelen te doen zitten,
om hen een erezetel te laten verkrijgen.
Want de grondvesten van de aarde zijn van de HEERE
en Hij heeft de wereld daarop geplaatst.
9Hij zal de voeten van Zijn gunstelingen bewaren,
maar de goddelozen zullen zwijgen in de duisternis,
want een man is niet sterk door eigen kracht.10Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;
Hij zal in de hemel over hen donderen.
De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;
Hij zal Zijn Koning kracht geven,
en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen.
)
en in de lofzang van Maria (Lk 1:46-5546En Maria zei: Mijn ziel maakt de Heer groot,47en mijn geest verheugt zich over God, mijn Heiland,48omdat Hij de geringheid van Zijn slavin heeft aangezien. Want zie, van nu aan zullen alle geslachten mij gelukkig prijzen,49omdat de Machtige grote dingen aan mij heeft gedaan; en heilig is Zijn Naam,50en Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht voor hen die Hem vrezen.51Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft hoogmoedigen in [de] overlegging van hun hart verstrooid;52Hij heeft machtigen van tronen gestoten en nederigen verhoogd;53hongerigen heeft Hij met goede dingen vervuld en rijken leeg weggezonden;54Hij heeft Zich Zijn knecht Israël aangetrokken om te gedenken aan [de] barmhartigheid55(zoals Hij heeft gesproken tot onze vaderen) jegens Abraham en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.). In Hanna zien we de onvruchtbare (vers 99Die de onvruchtbare doet wonen in [haar] gezin:
een blijde moeder van kinderen.
Halleluja!
)
en in Maria de geringe en arme (vers 77Die de geringe opricht uit het stof,
de arme verheft uit het vuil,
)
.


Aansporing om de HEERE te loven

1Halleluja!
Loof, dienaren van de HEERE,
loof de Naam van de HEERE.
2De Naam van de HEERE zij geloofd,
van nu aan tot in eeuwigheid.
3Vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat,
zij de Naam van de HEERE geprezen.

De psalm begint met de uitroep “halleluja”, loof de HEERE, die tegelijk een oproep is om hem te loven (vers 11Halleluja!
Loof, dienaren van de HEERE,
loof de Naam van de HEERE.
)
. Met name de ”dienaren van de HEERE” worden aangespoord om de HEERE te loven. Daarmee wordt het hele volk bedoeld (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.) en in het bijzonder de Levieten en de priesters. De eerste opdracht die dienaren moeten uitvoeren, is het loven van “de Naam van de HEERE”. Zijn Naam houdt alles in wat Hij is.

Die Naam moet worden geloofd, niet slechts af en toe, bij bepaalde gelegenheden, maar altijd, “van nu aan tot in eeuwigheid” (vers 22De Naam van de HEERE zij geloofd,
van nu aan tot in eeuwigheid.
)
. Het betekent dat het alle generaties door moet gebeuren en dat het nu levende geslacht daarmee moet beginnen. Er moet continuïteit in de lofprijzing zijn door de eeuwen heen. Elke generatie moet leven in ontzag voor die Naam. Als dat ontzag er is, als Hij wordt erkend in Zijn majesteit en verhevenheid, zal Zijn Naam worden geloofd.

Die Naam moet worden geprezen, niet slechts hier en daar in Israël, maar overal op aarde, “vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat” (vers 33Vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat,
zij de Naam van de HEERE geprezen.
; Zf 2:11b11Ontzagwekkend zal de HEERE voor hen zijn, want Hij zal alle goden van de aarde doen verschrompelen. Alle kustlanden van de heidenvolken zullen zich voor Hem neerbuigen, ieder vanuit zijn [eigen woon]plaats.; Ml 1:1111Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een rein graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de HEERE van de legermachten.)
. Er moet continuïteit in de lofprijzing zijn op aarde. De lofprijzing moet met de zon meedraaien. Het betekent ook dat we Hem de hele dag loven, van zonsopgang tot zonsondergang.

“De Naam van de HEERE”, een uitdrukking die hier drie keer wordt genoemd en die moet worden geloofd en geprezen, geeft aan dat het hier bijzonder gaat over Zijn verbondsrelatie met Zijn volk. Dit moet Gods volk als Zijn dienaren extra tot lofprijzing aansporen.


De verhevenheid van de HEERE

4De HEERE is verheven boven alle heidenvolken,
boven de hemel is Zijn heerlijkheid.
5Wie is als de HEERE, onze God?
Die zeer hoog woont,
6Die zeer laag ziet,
in de hemel en op de aarde;
7Die de geringe opricht uit het stof,
de arme verheft uit het vuil,
8om [hem] te doen zitten bij edelen,
bij de edelen van Zijn volk;
9Die de onvruchtbare doet wonen in [haar] gezin:
een blijde moeder van kinderen.
Halleluja!

De reden om de HEERE eeuwig en overal te loven is dat “de HEERE … verheven boven alle heidenvolken” is (vers 44De HEERE is verheven boven alle heidenvolken,
boven de hemel is Zijn heerlijkheid.
)
. De heidenvolken matigen zich aan dat ze machtig zijn. Ze streven naar wereldheerschappij. Ook hebben velen van hen Gods volk veel kwaad aangedaan. Maar uiteindelijk heeft geen van de heidenvolken iets tegen God in te brengen. Ze zijn voor Hem “als een druppel aan een emmer en een stofje op de weegschaal” (Js 40:1515Zie, de volken worden beschouwd als een druppel aan een emmer,
als een stofje op de weegschaal.
Zie, Hij heft de eilanden op als fijn stof.
)
. Hij is niet slechts ‘boven’ hen, maar ‘verheven boven’ hen, dat is hoog boven hen verheven.

Niet alleen is Hij verheven boven de heidenvolken op aarde, Hij is ook verheven “boven de hemel”. De hemel is door Hem geschapen, evenals de aarde. Hij is niet opgesloten in Zijn schepping, maar staat erboven. Hij overziet alles op aarde en in de hemel. “Zijn heerlijkheid” gaat boven de luister van de hemel uit. Alles in het heelal weerspiegelt Zijn heerlijkheid.

Met de hoge en verheven God is niets en niemand te vergelijken (vers 55Wie is als de HEERE, onze God?
Die zeer hoog woont,
; Js 40:18,2518Met wie zou u God willen vergelijken,
of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?25Met wie zou u Mij willen vergelijken,
of aan wie ben Ik gelijk?
zegt de Heilige.
; 46:55Met wie wilt u Mij vergelijken en [met wie] op één lijn stellen?
[Met wie] wilt u Mij meten, dat wij elkaars gelijken zouden zijn?
; Jr 10:6-76Niemand, HEERE, is U gelijk,
groot bent U en groot is Uw Naam in sterkte.
7Wie zou U niet vrezen, Koning van de heidenvolken?
Want [dat] komt U toe.
Immers, onder al de wijzen van de heidenvolken
en in heel hun koninkrijk is niemand U gelijk.
; 49:1919Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen
uit de glorie van de Jordaan, tegen de sterke woonplaats;
want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.
En wie [daarvoor] uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.
Want wie is Mij gelijk en wie zou Mij dagvaarden?
En wie is die herder dat hij voor Mijn aangezicht standhouden zou?
; 50:4444Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen
uit de glorie van de Jordaan tegen de sterke woonplaats,
want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.
En wie [daarvoor] uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.
Want wie is Mij gelijk en wie zou Mij dagvaarden?
En wie is die herder die voor Mijn aangezicht standhouden zou?
; Mi 7:1818Wie is een God als U,
Die de ongerechtigheid vergeeft,
Die voorbijgaat aan de overtreding
van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,
want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
)
. Alle goden van mensen zijn in hun verbeelding onaantastbaar hoog boven hen verheven. Hoe heel anders is de God van Israël (1Kn 8:2323en zei: HEERE, God van Israël, er is geen God zoals U, boven in de hemel of beneden op de aarde, Die het verbond en de goedertierenheid houdt tegenover Uw dienaren, die met heel hun hart wandelen voor Uw aangezicht,). Hij woont “zeer hoog”. Maar Zijn zeer hoge woonplaats verhindert Hem niet om “zeer laag” te zien om waar te nemen en betrokken te zijn bij wat daar gebeurt (vers 66Die zeer laag ziet,
in de hemel en op de aarde;
)
. Vanuit de hoogte ziet Hij neer in de laagte, “in de hemel en op de aarde”. Hij gaat alles wat Hij heeft geschapen ver te boven.

“God is machtig, maar Hij veracht niets” (Jb 36:55Zie, God is machtig, maar Hij veracht niets;
machtig is de kracht van [Zijn] hart.
)
. Hij buigt Zich neer tot de allerlaagste mensen en zegent hen (vgl. Ex 3:88Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.). Deze mensen hebben geen mogelijkheden en middelen om zich uit de drek van het leven omhoog te werken. Als ze dan worden gezegend, is dat het bewijs dat de zegen van Hem komt, door Zijn kracht en door Zijn liefde.

Hij kiest het zwakke en verachte uit om het sterke te beschamen en de wijsheid van de wijzen teniet te doen. Hij handelt zo, opdat geen vlees zal roemen voor Hem. Als het anders was, zouden de zegeningen geen zegeningen van Hem zijn. Hij is groot boven het heelal en Hij is groot in Zijn zegeningen van ellendige mensen.

In de verzen 7-97Die de geringe opricht uit het stof,
de arme verheft uit het vuil,
8om [hem] te doen zitten bij edelen,
bij de edelen van Zijn volk;
9Die de onvruchtbare doet wonen in [haar] gezin:
een blijde moeder van kinderen.
Halleluja!
geeft de psalmist twee voorbeelden van het handelen van God in genade en neerbuigende goedheid. Het eerste voorbeeld gaat over “de geringe” en “de arme” (vers 77Die de geringe opricht uit het stof,
de arme verheft uit het vuil,
)
. De geringe leeft in “het stof”, de arme in “het vuil”. Hij is te vinden bij de afvalstortplaatsen buiten de stad om te zien of er nog wat eetbaars te vinden is.

God neemt hem uit de onderkant van de samenleving en laat hem “zitten bij edelen, de edelen van Zijn volk” (vers 88om [hem] te doen zitten bij edelen,
bij de edelen van Zijn volk;
; vgl. Jb 36:77Hij trekt Zijn ogen niet af van de rechtvaardige,
maar Hij plaatst hen voor altijd met koningen op de troon,
en zij worden verheven.
)
. Hij plaatst de arme en geringe op hetzelfde niveau als de edelen die Hij een besturende taak heeft gegeven in het volk dat Hij tot een eigendomsvolk heeft gemaakt voor Zichzelf. Dat God hen laat ‘zitten’, betekent dat Hij hun een plaats van rust en gezag geeft. Dit ‘zitten’ is zitten op een troon.

De edelen zijn de Godvrezende leiders van Zijn volk (Js 32:88Maar de edelmoedige beraamt edelmoedige [plannen]
en híj staat voor edelmoedige [daden].
)
. Het is duidelijk een handeling van Zijn genade. Hij heeft die handeling kunnen verrichten omdat Hij Zijn Zoon heeft gelegd “in het stof van de dood” (Ps 22:16c16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
)
door het vuil van onze zonden op Hem te leggen (2Ko 8:99Want u kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij, terwijl Hij rijk was, ter wille van u arm is geworden, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.).

Het tweede voorbeeld is “de onvruchtbare” die God “doet wonen in [haar] gezin” als “een blijde moeder van kinderen” (vers 99Die de onvruchtbare doet wonen in [haar] gezin:
een blijde moeder van kinderen.
Halleluja!
)
. In de geschiedenis van Israël hebben meerdere onvruchtbare vrouwen een kind of kinderen gekregen, zoals Sara, Rachel en Hanna. We kunnen hieraan nog Elisabeth in het Nieuwe Testament toevoegen. In al deze gevallen van onvruchtbaarheid is het duidelijk dat God in Zijn genade kinderen geeft.

De psalm besluit met de uitroep waarmee hij is begonnen: “Halleluja!”, loof de HEERE. Daar is, nu de psalmist Gods soevereiniteit en Zijn liefdevolle zorg heeft voorgesteld, des te meer reden voor.


Lees verder