Psalmen
Inleiding 1-3 Grote vreugde in Gods geboden 4-5 Kenmerken van de oprechte 6-9 De oprechte houdt stand 10 Het deel van de goddeloze
Inleiding

Psalm 112 vormt met Psalm 111 een eenheid. We zien dat aan de structuur en de lengte van beide psalmen. Ze identiek in opbouw. Psalm 112 is, evenals Psalm 111, een ‘acrostichon’.

In Psalm 111 wordt de HEERE geprezen in Zijn werken en wonderen. In Psalm 112 worden de kenmerken beschreven van wie de HEERE vrezen en hun zegeningen.


Grote vreugde in Gods geboden

1Halleluja!
Welzalig de man die de HEERE vreest, /aleph/
die grote vreugde vindt in Zijn geboden. /beth/
2Zijn nageslacht zal machtig zijn op aarde, /gimel/
het geslacht van de oprechten zal gezegend worden. /daleth/
3In zijn huis zal bezit en rijkdom zijn, /he/
zijn gerechtigheid houdt voor eeuwig stand. /waw/

Evenals de vorige psalm begint ook deze psalm met de uitroep “halleluja”, dat is loof de HEERE, die tegelijk een oproep is (vers 11Halleluja!
Welzalig de man die de HEERE vreest, /aleph/
die grote vreugde vindt in Zijn geboden. /beth/
)
. In het laatste vers van de vorige psalm staat dat “de vreze des HEEREN … het beginsel van wijsheid” is (Ps 111:1010De vreze des HEEREN is het beginsel van wijsheid, /resj/
allen die ernaar handelen, hebben een goed inzicht; /sin/
Zijn lof houdt voor eeuwig stand. /taw/
)
. Daarop sluit deze psalm aan en gaat ermee verder, want de psalmist begint hier met het uitspreken van “welzalig” over “de man die de HEERE vreest”. Dit is nog een bewijs dat de beide psalmen bij elkaar horen. De Man Die de HEERE vreest, is in volstrekte zin waar van de Heer Jezus. Het geldt ook voor allen die nieuw leven hebben en daardoor Zijn eigenschappen bezitten en daarnaar leven.

Vervolgens spreekt de psalmist wat die man die de HEERE vreest, kenmerkt. Zijn vrees voor de HEERE blijkt uit de “grote vreugde” die hij vindt “in Zijn geboden”. Vrees is geen angst, maar ontzag. Aan deze vrees is vreugde, zelfs grote vreugde verbonden, wat duidelijk maakt dat er bij deze vrees van angst geen sprake is.

Het is onmogelijk te zeggen dat iemand de HEERE vreest, terwijl Zijn geboden niets voor hem betekenen. Het zijn hier de geboden van de wet. De oudtestamentische gelovige die in een levende relatie met God leeft, leest graag in Gods wet, want daar staat de wil van God, daarin leert Hij God beter kennen. De vreugde in Gods geboden bestaat niet alleen uit bestuderen, maar ook ernaar leven.

Wij, nieuwtestamentische gelovigen, leven niet onder de wet, maar onder de genade (Rm 6:1414Want [de] zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder [de] wet, maar onder [de] genade.). Als we enigszins begrijpen wat genade is, zal ons verlangen naar het kennen van Gods wil voor ons leven groot zijn. De uiting van dat verlangen is niet om te proberen de wet te houden, maar dat wij ons laten leiden door de Geest van God Die in ons woont. De Geest leert ons Gods Woord kennen en geeft de kracht om te doen wat Gods Woord ons leert.

De man die de HEERE vreest en grote vreugde vindt in Zijn geboden, zal rijk gezegend worden (vers 22Zijn nageslacht zal machtig zijn op aarde, /gimel/
het geslacht van de oprechten zal gezegend worden. /daleth/
)
. De zegeningen die worden genoemd, zijn typische Joods en niet typisch christelijk. “Zijn nageslacht zal machtig zijn op aarde”, is een specifiek Joodse zegen (Dt 28:1-41En het zal gebeuren, als u de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaam bent, door al Zijn geboden, die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen, dat de HEERE, uw God, u dan [een plaats] zal geven hoog boven alle volken van de aarde.2En al deze zegeningen zullen over u komen en u bereiken, wanneer u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaam bent:3Gezegend zult u zijn in de stad, en gezegend zult u zijn op het veld.4Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw land en de vrucht van uw vee, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee.). Nu is Israël nog niet machtig op aarde, maar dat zal het in het vrederijk wel zijn. Deze zegen zal in het vrederijk worden genoten. Dit geldt ook voor de zegen waarmee “het geslacht van de oprechten zal gezegend worden”.

De zegen van de man die de HEERE vreest en vreugde vindt in Zijn geboden betreft ook “zijn huis” (vers 33In zijn huis zal bezit en rijkdom zijn, /he/
zijn gerechtigheid houdt voor eeuwig stand. /waw/
)
. Daarin “zal bezit en rijkdom zijn”. Hij zal overvloed van alle aardse zegeningen hebben. Job was een gezegend man, maar raakte alles kwijt. Dat gebeurde door de satan, maar onder de toelating van God omdat Hij er een bedoeling mee had. Dit zal in het vrederijk niet gebeuren, want de satan is dan gebonden.

Behalve aardse bezittingen heeft de rechtvaardige ook een geestelijk kenmerk en dat is “zijn gerechtigheid”. Dat wijst op zijn rechtvaardige handelen. Hij laat in zijn leven zien dat hij God kent door met zijn kinderen en zijn bezittingen om te gaan op de manier die God wenst. Dit handelen heeft niet alleen tijdelijke waarde, maar “houdt voor eeuwig stand”. In de vorige psalm wordt dit van God gezegd (Ps 111:33Zijn daden zijn [vol] majesteit en glorie, /he/
Zijn gerechtigheid houdt voor eeuwig stand. /waw/
)
. Wat voor God geldt, geldt ook voor de rechtvaardige.


Kenmerken van de oprechte

4Voor de oprechten gaat het licht op in de duisternis. /zain/
Hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig. /cheth/
5Goed gaat het een man die zich ontfermt en uitleent, /teth/
hij behartigt zijn zaken volgens het recht. /jod/

De tijd van het vrederijk is nog niet aangebroken. Dat de man die de HEERE vreest, wordt gezegend, betekent niet dat er in zijn leven geen duistere dagen zullen zijn (vers 44Voor de oprechten gaat het licht op in de duisternis. /zain/
Hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig. /cheth/
)
. Duisternis wil zeggen dat er tegenslagen komen. Maar als er duisternis komt, gaat tegelijk “het licht op in de duisternis”. Dit is het licht van Gods aanwezigheid. En als de oprechte vanwege zijn trouw aan God wordt gedood, zal hij toch deelhebben aan de dag dat de Zon der gerechtigheid opgaat.

De oprechte bezit de Goddelijke natuur (2Pt 1:3-43Zijn Goddelijke kracht heeft ons immers alles geschonken betreffende [het] leven en [de] Godsvrucht door de kennis van Hem Die ons heeft geroepen door <Zijn eigen> heerlijkheid en deugd,4waardoor Hij ons de kostbare en zeer grote beloften geschonken heeft, opdat u daardoor deelgenoten van [de] Goddelijke natuur zou worden, ontkomen aan het verderf dat door [de] begeerte in de wereld is.) en heeft daardoor de eigenschappen van God. Hij wandelt in het licht, waardoor duidelijk wordt dat hij “genadig en barmhartig en rechtvaardig” is. Deze eigenschappen van God worden zichtbaar in zijn verhouding met anderen. Wie zichzelf in het licht van God ziet, erkent dat God tegenover hem “genadig en barmhartig en rechtvaardig” is geweest. Daarom zal hij dat ook tegenover anderen zijn (Lk 6:3636Weest ontfermend, zoals <ook> uw Vader ontfermend is.).

De kenmerken van God komen vooral tot uiting in de oprechte als “een man die zich ontfermt en uitleent” (vers 55Goed gaat het een man die zich ontfermt en uitleent, /teth/
hij behartigt zijn zaken volgens het recht. /jod/
; vgl. Dt 15:88Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.; Lv 25:3535En wanneer uw broeder in armoede raakt en met lege handen staat, dan moet u hem steunen, [ook als] hij een vreemdeling en bijwoner is, zodat hij bij u in leven blijft.)
. Dit is de ware rijkdom en het gebruik van rijkdom op de goede manier (vgl. 1Tm 6:17-1917Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,18om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig te zijn en mededeelzaam,19om voor zichzelf een goed fundament weg te leggen voor de toekomst, opdat zij het werkelijke leven grijpen.). Het gaat die man niet slecht, maar “goed” vanwege zijn ontferming over iemand die in nood is.

Hij geeft zijn geld niet weg, maar leent het uit. Het gaat om zijn ontferming en om zijn geld. Hij leent het geld uit. Daarin ligt opgesloten dat hij het weer terug wil hebben. Dit is zijn goed recht, “hij behartigt zijn zaken volgens het recht”. Hij kent het recht, want hij vindt zijn vreugde in Gods geboden (vers 11Halleluja!
Welzalig de man die de HEERE vreest, /aleph/
die grote vreugde vindt in Zijn geboden. /beth/
)
. Daardoor handelt hij in overeenstemming met Wie God is.


De oprechte houdt stand

6Voorzeker, hij zal voor eeuwig niet wankelen, /kaph/
de rechtvaardige zal eeuwig in gedachtenis blijven. /lamed/
7Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen, /mem/
zijn hart is standvastig, hij vertrouwt op de HEERE. /nun/
8Zijn hart wordt ondersteund, hij zal niet bevreesd zijn, /samech/
totdat hij [de val van] zijn tegenstanders ziet. /ain/
9Hij deelt [mild] uit, hij geeft aan de armen, /pe/
zijn gerechtigheid houdt voor eeuwig stand, /tsade/
zijn hoorn zal met eer opgeheven worden. /koph/

Omdat de wijze zijn vreugde vindt in de geboden van God, is het zeker dat hij “voor eeuwig niet wankelen” zal (vers 66Voorzeker, hij zal voor eeuwig niet wankelen, /kaph/
de rechtvaardige zal eeuwig in gedachtenis blijven. /lamed/
)
. Dit ziet zowel op zijn leven met moeiten en beproevingen als op het vrederijk waarin iedere oudtestamentische gelovige alle beloofde zegeningen zal ontvangen. Door zijn standvastige wandel zal “de rechtvaardige … eeuwig in gedachtenis blijven”. Er zal aan hem met respect worden teruggedacht (vgl. Sp 10:7a7De herinnering aan de rechtvaardige is tot zegen,
maar de naam van goddelozen zal wegteren.
)
. Dit geldt wel bijzonder voor de Heer Jezus, Die de Rechtvaardige bij uitstek is (1Pt 3:1818Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij Die wel gedood is in [het] vlees, maar levend gemaakt in [de] Geest,).

Dat het vrederijk hier nog niet als aangebroken wordt gezien, blijkt ook uit het feit dat er “kwaad gerucht” over de rechtvaardige kan worden verspreid (vers 77Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen, /mem/
zijn hart is standvastig, hij vertrouwt op de HEERE. /nun/
)
. Maar dit kwade gerucht dat over hem de ronde doet, maakt hem niet bang. Dat komt niet door een groot zelfvertrouwen, maar omdat “zijn hart … standvastig” is, want “hij vertrouwt op de HEERE”. Wie de Heer vertrouwt, weet zich in Hem geborgen en wordt niet bang voor wat mensen over hem zeggen of tegen hem doen.

Zijn hart is standvastig vanwege zijn vertrouwen op de HEERE en door zijn vertrouwen op de HEERE wordt zijn hart ondersteund (vers 88Zijn hart wordt ondersteund, hij zal niet bevreesd zijn, /samech/
totdat hij [de val van] zijn tegenstanders ziet. /ain/
)
. Daarom zal hij “niet bevreesd zijn”, wat er ook op hem afkomt, of het nu slecht nieuws is dat hem wordt verteld, of dat er tegenstanders zijn die hem naar het leven staan. Zijn tegenstanders hebben niet het laatste woord, maar de HEERE. Het is een kwestie van tijd, maar het ogenblik komt dat “hij [de val van] zijn tegenstanders ziet”. Tot dat moment moet hij rustig vertrouwend op de HEERE zijn weg gaan.

Terwijl hij, omgeven door tegenstanders, zijn weg vervolgt, “deelt” hij “[mild] uit, hij geeft aan de armen” (vers 99Hij deelt [mild] uit, hij geeft aan de armen, /pe/
zijn gerechtigheid houdt voor eeuwig stand, /tsade/
zijn hoorn zal met eer opgeheven worden. /koph/
)
. ‘Mild uitdelen’ en ‘geven aan de armen’ zijn de kenmerken bij uitstek van de rechtvaardige. Hij is niet met zichzelf en zijn eigen omstandigheden bezig, maar met hen die gebrek lijden. Dit is “zijn gerechtigheid”, zijn rechtvaardig handelen, waarbij hij anderen geeft wat zij nodig hebben. De waarde daarvan “houdt voor eeuwig stand”.

Paulus citeert deze twee regels van dit vers in verband met het geven van de gelovigen voor hen die arm zijn (2Ko 9:99zoals geschreven staat: ‘Hij heeft uitgestrooid, hij heeft aan de armen gegeven; zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid’.). Hij spreekt daar over uitstrooien en geven aan armen en maakt duidelijk dat uitstrooien en geven geen verlies is, maar een rechtvaardige daad waarvan de waarde eeuwig blijft. De oogst ervan wordt eeuwig gezien.

Paulus plaatst ‘uitdelen’ en ‘geven’ in het licht van God als de grote Gever (2Ko 9:1515God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave.). God heeft de grootste gave gegeven die ooit is gegeven. Een absoluut onvergelijkbare gave. God heeft geen groter bewijs kunnen geven van het feit dat Hij een Gever is dan in de gave van Zijn Zoon. Het is Zijn eigen, enige, geliefde Zoon.

De “hoorn”, het symbool van kracht, van de gever “zal met eer opgeheven worden”. Er is veel geestelijke kracht nodig om bij alle eigen nood en het heersende egoïsme niet aan zichzelf te denken, maar aan de nood van anderen. De weg van zelfverloochening is de weg van overwinning over alle tegenstand. De eer die daaraan is verbonden, komt. De Heer Jezus ziet wat aan anderen is gedaan in Zijn Naam als gedaan aan Hem (Mt 25:34-4034Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.). Hij zal daarvoor openlijk Zijn waardering uitspreken en belonen met een positie van eer in Zijn rijk. Wie geeft, kan regeren.


Het deel van de goddeloze

10De goddeloze zal het zien en toornig worden, /resj/
knarsetandend zal hij wegteren. /sjin/
Wat de goddelozen verlangen, zal vergaan. /taw/

De psalmist eindigt de psalm met de reactie van de goddeloze op het handelen van de rechtvaardige en wat er met de goddeloze zal gebeuren. God zal ervoor zorgen dat de goddeloze ziet dat Hij de rechtvaardige eert (vgl. Es 6:6-116Toen Haman binnengekomen was, zei de koning tegen hem: Wat moet worden gedaan voor de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]? Toen dacht Haman bij zichzelf: aan wie behaagt het de koning meer eer te bewijzen dan aan mij?7Daarom zei Haman tegen de koning: Voor de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen],8moet men het koninklijke gewaad brengen dat de koning gewoon is zelf te dragen, en het paard waarop de koning gewoon is zelf te rijden, en [laat] een koninklijke diadeem op zijn hoofd gezet worden.9En [dan] moet men dat gewaad en dat paard in handen geven van iemand uit de vorsten van de koning, de edelen. En [dan] moet men hem aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen], hiermee kleden en hem op dat paard doen rijden over het plein van de stad, en voor hem uitroepen: Zo wordt gedaan met de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]!10Toen zei de koning tegen Haman: Haast u, neem het gewaad en het paard zoals u gesproken hebt, en doe zo met de Jood Mordechai, die in de poort van de koning zit. Laat geen woord vallen van alles wat u hebt gezegd.11Toen nam Haman het gewaad en het paard, kleedde Mordechai [met het gewaad], deed hem rijden over het plein van de stad en riep voor hem uit: Zo wordt gedaan met de man aan wie het de koning behaagt eer [te bewijzen]!). Dat zal de goddeloze “toornig” maken.

Omdat hij aan zijn toorn geen uiting kan geven, zal hij “knarsetandend … wegteren”. Hij zal eeuwig, in nooit eindigende machteloosheid, knarsetanden (Mt 8:1212de zonen van het koninkrijk echter zullen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.). Zo zal hij voortdurend wegteren zonder ergens steun te hebben. Van “wat de goddelozen verlangen”, wordt niets vervuld. Hier gaat het over allen die dezelfde kenmerken van goddeloosheid hebben. Van al hun plannen blijft niets over.


Lees verder