Psalmen
Inleiding 1-2 De toevlucht is de HEERE 3-4 De troon van de HEERE 5-7 De HEERE is rechtvaardig
Inleiding

De historische achtergrond is niet bekend. Waarschijnlijk is het de tijd dat David vervolgd wordt door Saul (1Sm 26:3,203Saul sloeg zijn kamp op op de heuvel Hachila, die tegenover de wildernis aan de weg ligt; maar David bleef in de woestijn en zag dat Saul achter hem aan kwam naar de woestijn.20Nu dan, laat mijn bloed niet op de aarde vallen, ver weg van het aangezicht van de HEERE. Want de koning van Israël is eropuit getrokken om enkel een vlo te zoeken, zoals men in de bergen op een patrijs jaagt.). De inhoud van de psalm toont aan dat David – ofwel het gelovig overblijfsel ofwel de gelovige – in grote nood is omdat goddelozen op hem jagen. In die nood wordt zijn vertrouwen op God op de proef gesteld door de raad die hem wordt gegeven om te vluchten. We zien hoe David op die raad reageert en vasthoudt aan zijn vertrouwen op God. Hij vertrouwt erop dat God uiteindelijk de goddelozen, die door Hem worden gehaat, zal vernietigen, en de rechtvaardigen, die Hij liefheeft, zal redden.

Profetisch zien we de tijd dat de antichrist aan de macht is gekomen (Psalm 10) en het gelovig overblijfsel van Israël vervolgt. Daardoor zijn zij genoodzaakt om uit Israël te vluchten (Mt 24:15-1615Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –16laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;). Dit gelovig overblijfsel zoekt hun toevlucht bij de HEERE (vers 11[Een psalm] van David, voor de koorleider.
Ik heb tot de HEERE de toevlucht genomen.
Hoe [kunt] u [dan] zeggen tegen mijn ziel:
Vlucht weg [naar] uw bergen, [als] een vogel!
)
en beschouwt deze vervolging als een beproeving (vers 5a5De HEERE beproeft de rechtvaardige,
maar Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.
)
waarvan het einde zeker is (verzen 5b-75De HEERE beproeft de rechtvaardige,
maar Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.
6Hij zal op de goddelozen valstrikken, vuur en zwavel doen regenen.
Een verschroeiende [storm]wind zal het deel van hun beker zijn.
7Want de HEERE is rechtvaardig,
Hij heeft rechtvaardige daden lief.
De oprechten zullen Zijn aangezicht aanschouwen.
)
.


De toevlucht is de HEERE

1[Een psalm] van David, voor de koorleider.
Ik heb tot de HEERE de toevlucht genomen.
Hoe [kunt] u [dan] zeggen tegen mijn ziel:
Vlucht weg [naar] uw bergen, [als] een vogel!
2Want zie, de goddelozen spannen de boog,
zij leggen hun pijlen op de pees
om in het donker te schieten op de oprechten van hart.

Deze psalm is, zoals veel van de vorige psalmen, “van David” (vers 1a1[Een psalm] van David, voor de koorleider.
Ik heb tot de HEERE de toevlucht genomen.
Hoe [kunt] u [dan] zeggen tegen mijn ziel:
Vlucht weg [naar] uw bergen, [als] een vogel!
)
. Zie bij Psalm 3:1. Hij is, ook evenals meerdere van de vorige psalmen “voor de koorleider”. Zie bij Psalm 4:1.

David begint met het getuigen van eenvoudig vertrouwen op de HEERE als Degene tot Wie hij “de toevlucht genomen” heeft (vers 1b1[Een psalm] van David, voor de koorleider.
Ik heb tot de HEERE de toevlucht genomen.
Hoe [kunt] u [dan] zeggen tegen mijn ziel:
Vlucht weg [naar] uw bergen, [als] een vogel!
)
. Dit is de inleiding op en het uitgangspunt van deze psalm. Hij schuilt bij de HEERE. Hij geeft dit getuigenis als reactie op de raad die hij heeft gekregen om te vluchten naar de bergen.

Zijn getuigenis is tegelijk een verwijt aan de raadgever of raadgevers. “Zeggen tegen mijn ziel” (vgl. vers 5b5De HEERE beproeft de rechtvaardige,
maar Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.
)
lijkt aan te geven dat er een krachtig beroep op hem wordt gedaan om hem ervan te overtuigen dat het veel beter is om te vluchten. Hij is, zo wordt hem indringend gezegd, niet meer dan een vogel op wie gejaagd wordt (1Sm 26:2020Nu dan, laat mijn bloed niet op de aarde vallen, ver weg van het aangezicht van de HEERE. Want de koning van Israël is eropuit getrokken om enkel een vlo te zoeken, zoals men in de bergen op een patrijs jaagt.) en die met zekerheid een keer gevangen zal worden als hij niet een goede schuilplaats vindt.

David wijst deze raad zonder aarzeling, bijna verontwaardigd, af. Hij vliegt niet naar de bergen, maar naar de HEERE (Ps 121:1-21Een pelgrimslied.
Ik sla mijn ogen op naar de bergen,
vanwaar mijn hulp komen zal.
2Mijn hulp is van de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
)
. De veiligheid die de HEERE als toevlucht biedt, is immers vele malen beter dan de veiligheid die de bergen bieden. Bergen zijn vaak een goede schuilplaats in tijden van gevaar (vgl. Ri 6:22Toen Midian de overhand kreeg over Israël, maakten de Israëlieten vanwege Midian voor zichzelf de holen gereed die in de bergen zijn, en de grotten en de bergvestingen.; 1Sm 13:66Toen de mannen van Israël zagen dat zij in nood waren – want het volk was in het nauw gedreven – verborg het volk zich in de grotten, in de rotsspleten, tussen de rotsen, in de schuilplaatsen en in de putten.; 26:2020Nu dan, laat mijn bloed niet op de aarde vallen, ver weg van het aangezicht van de HEERE. Want de koning van Israël is eropuit getrokken om enkel een vlo te zoeken, zoals men in de bergen op een patrijs jaagt.). Omdat er wordt gesproken over “uw” bergen, ofwel ‘jullie’ bergen, – ‘uw’ is meervoud –, kunnen we veronderstellen dat het advies niet alleen aan David wordt gegeven, maar ook aan allen die bij hem zijn.

In vers 22Want zie, de goddelozen spannen de boog,
zij leggen hun pijlen op de pees
om in het donker te schieten op de oprechten van hart.
motiveren de raadgevers hun advies. De goddelozen zijn er namelijk op uit om “de oprechten van hart” te doden (vgl. Ps 10:88Hij ligt in een hinderlaag in de dorpen,
op verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige,
zijn ogen loeren op de arme.
)
. Hun handelingen worden beeldend beschreven. Ze hebben hun pijlen op de pees gelegd, klaar om afgeschoten te worden. We kunnen hierbij denken aan lichamelijke vervolging waardoor het overblijfsel zwaar te lijden zal hebben.

We kunnen ook aan een geestelijke activiteit denken: hun tong is gespannen als “de boog” en hun woorden zijn als “pijlen op de pees” (vgl. Ps 37:1414De goddelozen hebben het zwaard getrokken /cheth/
en hun boog gespannen,
om de ellendige en de arme neer te vellen,
om af te slachten wie oprecht wandelen.
)
. Het tijdstip om te handelen is met zorg uitgekozen. Ze handelen “in het donker”, op verraderlijke wijze. Zo fluisteren de goddelozen hun lasterlijke woorden in bedekte termen door. Ze strijden niet met open vizier. Dat is altijd het geval met kwaadsprekerij en laster. Het is indringend, er zijn veel luisterende oren, en toch is het moeilijk om te ontdekken waar het vandaan komt. De goddelozen zijn bedrieglijk en vol van kwaad.


De troon van de HEERE

3Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald!
Wat [kan] de rechtvaardige [dan] doen?
4De HEERE is in Zijn heilig paleis,
de troon van de HEERE staat in de hemel;
Zijn ogen doorzien,
Zijn blikken beproeven de mensenkinderen.

“Voorzeker” is een krachtige uitdrukking waarmee wordt gezegd dat het geen enkele twijfel lijdt. Het lijdt geen twijfel dat “de fundamenten worden omvergehaald” als de rechtmatige koning niet regeert, maar wordt vervolgd (vers 33Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald!
Wat [kan] de rechtvaardige [dan] doen?
)
. Onder de fundamenten kunnen we recht en gerechtigheid verstaan, de wetten die God heeft uitgevaardigd die het openbare leven in goede banen moeten leiden (vgl. Ps 82:55Zij weten niets en begrijpen niets,
zij wandelen steeds in de duisternis rond;
[daarom] wankelen alle fundamenten van de aarde.
)
. Het zijn de fundamenten van de samenleving. Als die fundamenten worden aangetast, zal het huis van de samenleving uiteindelijk instorten en een puinhoop worden.

We zien dat vandaag in de samenleving om ons heen. Als er niet meer naar Gods rechten en wetten wordt geluisterd, als er geen rekening meer met Hem wordt gehouden, ontstaat de chaos waarin de samenleving zich nu bevindt. Wat moet de rechtvaardige doen als dat de situatie is? Kan hij wel wat doen? Kan hij iets ondernemen om het tij te keren. Nee en ja.

Nee, hij kan het ingestorte huis niet weer opbouwen. Ja, hij kan in geloof naar boven kijken, boven zijn raadgevers en vijanden uit, naar de HEERE (vers 44De HEERE is in Zijn heilig paleis,
de troon van de HEERE staat in de hemel;
Zijn ogen doorzien,
Zijn blikken beproeven de mensenkinderen.
)
. Hij “is in Zijn heilig paleis” (vgl. Hk 2:20a20Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel.
Wees stil voor Zijn aangezicht, heel de aarde!
)
, in de hemel, waar Zijn troon staat. In Jesaja zegt God: “De hemel is Mijn troon” (Js 66:11Zo zegt de HEERE:
De hemel is Mijn troon
en de aarde de voetbank van Mijn voeten.
Waar zou [dan] het huis zijn dat u voor Mij zou willen bouwen
en waar de plaats van Mijn rust?
)
. Dat Hij in Zijn “heilig” paleis is, betekent dat Hij afgezonderd is van alle gewoel op aarde. Zijn “troon” houdt in dat Hij regeert en gezag heeft om te oordelen. Hij en Zijn troon zijn door niets aan het wankelen te brengen. Niets is in staat Zijn rust te verstoren of Zijn plannen met de wereld te dwarsbomen.

Op aarde kunnen de fundamenten omvergehaald worden, maar dat is onmogelijk bij “de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is” (Hb 11:1010want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.). Naar die stad ziet de gelovige uit. Hij beseft dat de ware regering in de hemel zetelt, onaantastbaar voor alle gewoel op aarde. De regering over de aarde wordt vanaf de troon in de hemel uitgeoefend, al meent de mens dat hij zelf de touwtjes in handen heeft.

Hij Die in Zijn heilig paleis is en alles vanaf Zijn troon in de hemel bestuurt, gaat met volmaakte kennis van de mens in Zijn regering te werk. Hoewel het erop lijkt dat Hij niets doet, dat Hij afwezig is, ontgaat Hem niets. Hij is niet onverschillig over wat er op aarde gebeurt, maar volledig betrokken bij alles wat “de mensenkinderen”, rechtvaardigen en goddelozen, op aarde doen. Zijn ogen nemen al het doen en laten van de mensen waar. Met “Zijn blikken” doorgrondt Hij alles, ook de diepst verborgen motieven, want “alle zijn dingen naakt en geopend” voor Hem (Hb 4:1313En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.). Niets is verborgen voor Hem “Die in het verborgen kijkt” (Mt 6:4,6,184opdat uw weldadigheid in het verborgen is; en uw Vader Die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden.6Maar u, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader Die in het verborgen is; en uw Vader Die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden.18om u niet aan de mensen te vertonen wanneer u vast, maar aan uw Vader Die in het verborgen is; en uw Vader Die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden.). Zijn ogen zijn “als een vuurvlam” (Op 1:1414en Zijn hoofd en haar als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen als een vuurvlam). Hij kijkt dwars door ons heen.


De HEERE is rechtvaardig

5De HEERE beproeft de rechtvaardige,
maar Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.
6Hij zal op de goddelozen valstrikken, vuur en zwavel doen regenen.
Een verschroeiende [storm]wind zal het deel van hun beker zijn.
7Want de HEERE is rechtvaardig,
Hij heeft rechtvaardige daden lief.
De oprechten zullen Zijn aangezicht aanschouwen.

David laat zich niet leiden door de moeilijke omstandigheden en de goed of kwaad bedoelde menselijke raad, maar door de HEERE, van Wie hij weet dat Hij de rechtvaardige beproeft (vers 55De HEERE beproeft de rechtvaardige,
maar Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.
)
. Hij is zelf zo’n rechtvaardige die beproefd wordt.

Het werkwoord ‘beproeven’ betekent het testen van metalen om het gehalte en de zuiverheid ervan te bepalen. Het proces van testen bewerkt ook louteren. Beproeven geeft de activiteit van de smid aan die bezig is met het keuren en zuiveren van goud of zilver (vgl. Jr 6:27-3027Ik heb u aangesteld [tot] keurmeester onder Mijn volk, [tot] een vesting,
opdat u hun weg zou kennen en beproeven.
28Zij allen zijn de afvalligsten van de afvalligen,
zij gaan rond met lasterpraat, [als] koper en ijzer zijn ze,
verdervers zijn het, allemaal.
29De blaasbalg is verbrand,
het lood is door het vuur vergaan,
tevergeefs heeft [de smelter] zo ijverig gesmolten,
want de slechten zijn niet uitgezuiverd.
30Verworpen zilver noemt men hen,
want de HEERE heeft hen verworpen.
; 9:77Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, Ik ga hen louteren en hen beproeven,
want hoe zou Ik [anders] handelen ten aanzien van de dochter van Mijn volk?
; Ml 3:2-42Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?
Wie zal bij Zijn verschijning standhouden?
Want Hij is als vuur van een edelsmid,
en als zeep van de blekers.
3Hij zal zitten [als iemand] die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
4Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem
voor de HEERE aangenaam zijn,
zoals [in] de dagen van oude tijden af,
zoals in vroegere jaren.
)
. De HEERE test de echtheid van het geloof, niet om de gelovige te doden, maar om het geloof er zuiverder door te maken, zodat het alleen op Hem gericht zal zijn.

Zo zal het gelovig overblijfsel tot inkeer komen in de tijd van de grote verdrukking. We zien een voorbeeld van het begin van het louteringsproces bij de broers van Jozef die tot inkeer komen in de gevangenis (Gn 42:15-2215Hiermee zult u beproefd worden: [Zo waar] de farao leeft, u zult niet vanhier vertrekken, tenzij dat uw jongste broer hier komt!16Stuur er een van u [terug] om uw broer te halen, terwijl u gevangen blijft. Zo zullen uw woorden beproefd worden, [om te zien] of u de waarheid [spreekt]. Zo niet, [zo waar] de farao leeft, dan bent u spionnen!17En hij hield hen gezamenlijk drie dagen in hechtenis.18Op de derde dag zei Jozef tegen hen: Doe dit, zodat u in leven blijft, [want] ik vrees God.19Als u eerlijke [mensen] bent, laat dan een van uw broers gevangen blijven in het huis waar u in hechtenis bent. U echter, ga koren brengen om de honger van uw gezinnen [te stillen].20En breng uw jongste broer naar mij toe; dan zullen uw woorden bewaarheid worden, en zult u niet sterven. En zij deden zo.21Toen zeiden zij tegen elkaar: Werkelijk, wij zijn schuldig vanwege onze broer. Wij zagen zijn zielsbenauwdheid toen hij ons om genade smeekte, maar wij gaven hem geen gehoor! Daarom komt deze benauwdheid over ons.22Ruben antwoordde hun: Heb ik het jullie niet gezegd: Bezondig je niet aan deze jongen! Maar jullie luisterden niet; zie, nu wordt er vergelding geëist voor zijn bloed!). Als dit proces door Jozef is afgerond, kan hij zich aan hen openbaren (Gn 45:11Toen kon Jozef zich niet [meer] bedwingen voor allen die bij hem stonden en hij riep: Laat iedereen van mij weggaan. Er stond niemand bij hem, toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte.).

Zoals God weet wie rechtvaardig is en zo iemand beproeft, zo weet Hij ook wie goddeloos is. Zijn ziel, dat wil zeggen Zijn hele Wezen, alles wat in Hem is, haat de goddeloze (vgl. vers 22Want zie, de goddelozen spannen de boog,
zij leggen hun pijlen op de pees
om in het donker te schieten op de oprechten van hart.
)
. Een bijzondere vorm van goddeloosheid is geweld, waarvan David hier en de gelovige in het algemeen het doelwit is (vgl. Op 13:77En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.). Wie geweld liefheeft, wat blijkt uit het vervolgen van Gods volk, is een speciaal voorwerp van Gods haat. Haat is niet slechts een houding, maar houdt ook handelen in.

God brengt over de goddelozen het enige oordeel dat passend voor hen is (vers 66Hij zal op de goddelozen valstrikken, vuur en zwavel doen regenen.
Een verschroeiende [storm]wind zal het deel van hun beker zijn.
)
. Hij zal op hen “valstrikken … doen regenen”. Het woord ‘valstrikken’ wijst op alles wat iemand overkomt waardoor hij de heerschappij over zijn leven kwijt is en een gevangene van iemand of iets is geworden. God zal de goddeloze grijpen zoals een jager een wild dier onschadelijk maakt door het in valstrik te laten lopen.

Dat de valstrikken als een regen over hen komen, geeft aan dat de middelen waardoor ze in hun handelingen worden verstrikt overvloedig zijn. Het is onmogelijk eraan te ontsnappen. Profetisch gaat het hier over het oordeel door middel van de Assyriër, de koning van het noorden, over het afvallige Israël onder de antichrist, de goddeloze bij uitstek.

God brengt hetzelfde oordeel over de antichrist en zijn goddeloze aanhang dat Hij ook over Sodom en Gomorra heeft gebracht (Gn 19:2424Toen liet de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen. [Het kwam] van de HEERE uit de hemel.; vgl. Op 9:17-1817En aldus zag ik in het gezicht de paarden en hen die erop zaten: zij hadden vuurrode, donkerrode en zwavelkleurige harnassen, en de koppen van de paarden waren als leeuwenkoppen en uit hun monden kwam vuur, rook en zwavel.18Door deze drie plagen werd het derde deel van de mensen gedood, door het vuur, de rook en de zwavel die uit hun monden kwamen.). Sodom en Gomorra illustreren de grootst mogelijke goddeloosheid. Het oordeel over hen illustreert de manier waarop God alle toekomstige goddeloosheid zal straffen (vgl. Dt 29:22-2322Dan zal de volgende generatie, uw kinderen, die na u opstaan, en de buitenlander die uit een ver land komt – als zij de plagen van dit land en zijn ziekten, waarmee de HEERE het getroffen heeft, zien –23zeggen dat heel zijn land zwavel en zout, een brandplek, is; dat het niet wordt bezaaid, er niets op groeit en er geen enkel gewas opkomt, zoals bij de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die de HEERE omgekeerd heeft in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid –; Op 14:1010die zal ook drinken van de wijn van Gods grimmigheid, die ongemengd is ingeschonken in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van [de] heilige engelen en het Lam.). Zoals Sodom en Gomorra zijn verwoest, zo zullen alle goddelozen worden omgebracht.

De verschroeiende stormwind is verwoestend. De schoonheid van de vegetatie verandert direct in verdorde planten (Gn 41:66En zie, daarna kwamen er zeven dunne en door de oostenwind verschroeide aren op.; Js 21:11De last over de woestijn aan de zee.
Zoals wervelwinden
in het Zuiderland voorbijtrekken,
komt het uit de woestijn,
uit een vreselijk land.
; 40:7-87Het gras verdort, de bloem valt af,
als de Geest van de HEERE erover blaast.
Voorwaar, het volk is gras.
8Het gras verdort, de bloem valt af,
maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.
; Jr 4:11-1311In die tijd zal gezegd worden
tegen dit volk en tegen Jeruzalem:
Een zinderende wind van de kale hoogten
in de woestijn is [op] weg naar de dochter van Mijn volk,
[maar] niet om te wannen, en niet om te zuiveren.
12Een wind, sterker dan deze, komt er van Mij aan.
Nu zal Ik ook oordelen
over hen uitspreken.
13Zie, als wolken komt [de vijand] opzetten,
als een wervelwind komen zijn wagens,
sneller dan arenden zijn zijn paarden.
Wee ons, want wij worden verwoest!
)
. De goddelozen zullen zijn zoals de bloemen van het veld die er vandaag zijn en morgen zijn verdwenen. Dit “zal het deel van hun beker zijn”. Hiermee wordt de beker van de toorn van God bedoeld die zij zullen moeten drinken (Ps 75:99Want in de hand van de HEERE is een beker.
[Daarin] schuimt de wijn, overvloedig gekruid.
Hij schenkt eruit; zelfs zijn droesem
moeten alle goddelozen van de aarde tot op de bodem opdrinken.
; Js 51:1717Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de HEERE gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.
; Ez 23:31-3331U bent in de weg van uw zuster gegaan en [daarom] zal Ik haar beker in uw hand geven.
32Zo zegt de Heere HEERE:
De beker van uw zuster zult u drinken,
die diepe, wijde [beker] –
u zult belachelijk en bespottelijk worden –
[die beker] kan veel bevatten!
33U zult vol worden van dronkenschap en verdriet.
De beker van uw zuster Samaria
is een beker van verwoesting en woestenij.
; Mt 26:3939En Hij ging iets verder, viel op Zijn aangezicht en bad aldus: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker Mij voorbijgaan; echter niet zoals Ik wil, maar zoals U [wilt].)
.

De HEERE handelt zo met de goddelozen, “want” Hij “is rechtvaardig” (vers 77Want de HEERE is rechtvaardig,
Hij heeft rechtvaardige daden lief.
De oprechten zullen Zijn aangezicht aanschouwen.
)
. Dat zullen de goddelozen ervaren als Hij hen oordeelt. De rechtvaardigen ervaren dat door Zijn waardering voor hun “rechtvaardige daden”. Hij heeft hun daden lief. Dit staat tegenover Zijn haat die Hij heeft voor de goddeloze en wie geweld liefheeft.

De oprechten worden niet van voor Zijn aangezicht weggedaan, wat wel met de goddelozen gebeurt. Zij zullen integendeel “Zijn aangezicht aanschouwen” dat vol liefde naar hen kijkt. Hij kent de gevaren te midden waarvan zij zich bevinden en is daarin bij hen. In de moeilijkheden Hem zien is een grote vertroosting en versterking van het geloof. Zijn aangezicht aanschouwen wil zeggen genieten van gemeenschap met Hem, nu al en straks in de toekomende wereld (vgl. Mt 5:88Gelukkig de reinen van hart, want zij zullen God zien.).

Dit is het antwoord van David op de raad die hem in vers 11[Een psalm] van David, voor de koorleider.
Ik heb tot de HEERE de toevlucht genomen.
Hoe [kunt] u [dan] zeggen tegen mijn ziel:
Vlucht weg [naar] uw bergen, [als] een vogel!
is gegeven dat hij voor het gevaar zou moeten vluchten. God is zijn Verdediger en hij vertrouwt vast op Zijn bescherming. De goddelozen hebben voor alles te vrezen, de rechtvaardige heeft voor niets te vrezen. De goddelozen zijn nooit veilig, de rechtvaardigen zijn altijd veilig. De rechtvaardigen of Godvrezenden in Ezechiël 9 krijgen een teken op het voorhoofd (Ez 9:44En de HEERE zei tegen Hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een merkteken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kermen over al de gruweldaden die in het midden ervan gedaan worden.). De rechtvaardigen of Godvrezenden in Openbaring 9 krijgen het zegel van God aan hun voorhoofd (Op 9:44En hun werd gezegd dat zij geen schade mochten toebrengen aan het gras van de aarde, noch aan enig groen, noch aan enige boom, behalve aan de mensen die het zegel van God niet aan hun voorhoofden hebben.).


Lees verder