Psalmen
Inleiding 1-4 God is groot 5-9 De zee een grens gesteld 10-18 God zorgt voor Zijn schepping 19-23 God regelt het dag- en nachtritme 24-29 God heeft alles met wijsheid gemaakt 30-32 Gods glorie is eeuwig 33-35 Wat blijft en wie verdwijnt
Inleiding

Psalm 104 is een loflied voor de HEERE als de Schepper en Onderhouder van Zijn schepping. Psalm 103 bezingt de goedertierenheid van de HEERE over Zijn volk. Psalm 104 bezingt meer de macht, de wijsheid en de goedheid van God tegenover de hele schepping.


God is groot

1Loof de HEERE, mijn ziel.
HEERE, mijn God, U bent zeer groot,
U bent met majesteit en glorie bekleed.
2Hij hult Zich in het licht als in een mantel,
Hij spant de hemel uit als een tentkleed.
3Hij maakt de zoldering van Zijn hemelzalen op de wateren,
maakt van de wolken Zijn wagen,
wandelt op de vleugels van de wind.
4Hij maakt Zijn engelen [tot hulpvaardige] geesten,
Zijn dienaren [tot] vlammend vuur.

De psalmist begint met dezelfde oproep als Psalm 103 tot zijn ziel om de HEERE te loven (vers 11Loof de HEERE, mijn ziel.
HEERE, mijn God, U bent zeer groot,
U bent met majesteit en glorie bekleed.
; Ps 103:11[Een psalm] van David.
Loof de HEERE, mijn ziel,
en al wat in mij is, Zijn heilige Naam.
)
. Daarna spreekt hij God direct aan. Hij noemt Hem “HEERE, mijn God”. Hij staat in een persoonlijke relatie met Hem en kent Hem als Zijn God. Hij spreekt God vrijmoedig aan. Maar van enige populariteit ten opzichte van Hem is geen sprake. Integendeel, vol bewondering en met diep ontzag zegt hij tegen Hem: “U bent zeer groot.” Niet de schepping is groot, God is groot.

Tevens ziet hij dat de HEERE “met majesteit en glorie bekleed” is. Dit wijst op de koninklijke waardigheid van Zijn bestuur van de schepping. Zo heeft de HEERE Zich aan hem geopenbaard. Zonder openbaring weten we niet Wie God is. Maar als Hij Zich openbaart, worden Zijn majesteit en glorie zichtbaar. Dan wordt duidelijk dat Hij het heelal regeert. Aan de kleding kennen we iemand. Zo kennen we God door de kleding die Hij draagt, dat wil zeggen door wat van Hem zichtbaar wordt. God is voor ons zichtbaar geworden in Zijn schepping, want daarin zien we Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,).

Dan verandert de psalmist van spreken tot de HEERE in spreken over de HEERE. Hij zegt van Hem dat Hij “Zich in het licht als in een mantel” hult (vers 22Hij hult Zich in het licht als in een mantel,
Hij spant de hemel uit als een tentkleed.
)
. Hier worden we bepaald bij de eerste scheppingsdag, de dag waarop God het licht heeft geschapen (Gn 1:3-53En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.4En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.5En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.). Wat God schept, komt niet uit het niets, maar uit Hemzelf. God is licht (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.) en is in het licht (1Jh 1:77Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.). Hij bewoont een ontoegankelijk licht (1Tm 6:1616Hij Die alleen onsterfelijkheid heeft, Die een ontoegankelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen.). Hier lezen we dat Hij Zich in het licht hult.

Als er staat dat Hij Zich in het licht hult, wil dat zeggen dat Hij het licht verhullend laat schijnen (vgl. Hk 3:44Er was een glans als van het zonlicht;
lichtstralen kwamen uit Zijn hand,
daarin ging Zijn macht schuil.
)
. Als God Zich in het absolute licht zou openbaren, zou dat het einde van de mens en de schepping zijn. Maar Hij heeft Zich in Christus in een verhullend licht geopenbaard (Jh 1:1818Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is, Die heeft [Hem] verklaard.). In Christus is het licht van God in de wereld gekomen zonder de wereld te verteren.

Zoals al gezegd, openbaart God Zich in Zijn schepping. Dat zien we als we naar “de hemel” kijken, die Hij uitspant “als een tentkleed” (vgl. Ps 19:2,52De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
5Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
)
om daarin te wonen. Hij openbaart Zich daarin. Het tentkleed overspant de aarde (Js 40:2222Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,
waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.
Hij is het Die de hemel uitspant als een dunne doek
en uitspreidt als een tent om in te wonen.
)
, waardoor we deze tent ook als een woonplaats voor de mensen op aarde kunnen zien.

Boven de uitgespannen hemel, de blauwe lucht, ziet de psalmist met zijn geestesoog de Goddelijke “hemelzalen”, de verblijven van Gods hemelse paleis (vers 33Hij maakt de zoldering van Zijn hemelzalen op de wateren,
maakt van de wolken Zijn wagen,
wandelt op de vleugels van de wind.
)
. De zoldering ervan verbindt hij met de wateren, dat zijn de wateren boven de aarde. Hier zien we een verwijzing naar de tweede scheppingsdag (Gn 1:6-86En God zei: Laat er een gewelf zijn in het midden van het water, en laat dat scheiding maken tussen water en water!7En God maakte dat gewelf en maakte scheiding tussen het water dat onder het gewelf is, en het water dat boven het gewelf is. En het was zo.8En God noemde het gewelf hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.). God geeft aan het water, dat geen enkele stabiliteit heeft, door Zijn kracht de stabiliteit om er Zijn woning te vestigen.

De psalmist zegt vervolgens dat God “van de wolken Zijn wagen” maakt en dat Hij “wandelt op de vleugels van de wind” (vgl. Js 19:11De last over Egypte.
Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk
en komt in Egypte.
De afgoden van Egypte zullen beven voor Zijn aangezicht
en het hart van de Egyptenaren zal smelten in hun binnenste.
; Ps 18:1111Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij zweefde snel op de vleugels van de wind.
)
. Hier zien we Gods nadere bemoeienis met de aarde. De wolken en de wind symboliseren Zijn regering van de aarde. Hij rijdt en Hij wandelt boven de aarde en bestuurt het geheel.

Voor Zijn bestuur van de aarde zet Hij “Zijn engelen” in die Hij “[tot hulpvaardige] geesten” maakt (vers 44Hij maakt Zijn engelen [tot hulpvaardige] geesten,
Zijn dienaren [tot] vlammend vuur.
; vgl. Ps 103:20-2220Loof de HEERE, [u,] Zijn engelen,
sterke helden, die Zijn woord uitvoeren,
gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.
21Loof de HEERE, al Zijn legermachten,
dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.
22Loof de HEERE, al Zijn werken,
op alle plaatsen van Zijn heerschappij.
Loof de HEERE, mijn ziel!
).
Deze dienaren maakt Hij “[tot] vlammend vuur”, dat wil zeggen dat ze alles verteren wat met Hem in strijd is. Ze zijn ondergeschikt aan de Messias, Die de Zoon is, terwijl de engelen dienaren zijn (Hb 1:77En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die Zijn engelen tot geesten maakt en Zijn dienaars tot een vuurvlam’,). Ze maken bekend dat God “een verterend vuur” is (Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.). God is omgeven door dienaren, door redelijke wezens als engelen en door willoze elementen als de wolken en de wind. Hij zet al deze dienaren in naar Zijn welbehagen en wijsheid.


De zee een grens gesteld

5Hij heeft de aarde gegrondvest op zijn fundamenten,
die zal voor eeuwig en altijd niet wankelen.
6U had hem met de watervloed als met een gewaad bedekt,
het water stond tot boven de bergen.
7Door Uw bestraffing vluchtten ze,
ze haastten zich weg voor het geluid van Uw donder.
8De bergen rezen op, de dalen daalden neer
op de plaats die U ervoor bestemd had.
9U hebt een grens gesteld, die ze niet zullen overgaan,
ze zullen de aarde nooit meer bedekken.

In vers 55Hij heeft de aarde gegrondvest op zijn fundamenten,
die zal voor eeuwig en altijd niet wankelen.
worden we herinnerd aan de derde scheppingsdag. Het droge komt tevoorschijn (Gn 1:9-109En God zei: Laat het water dat onder de hemel is, in één plaats samenvloeien en laat het droge zichtbaar worden! En het was zo.10En God noemde het droge aarde en het samengevloeide water noemde Hij zeeën; en God zag dat het goed was.; vgl. Jb 38:4-64Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
5Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers [wel].
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?
6Waarop zijn haar pijlers neergezonken?
Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
)
. God “heeft de aarde gegrondvest op zijn fundamenten, die zal voor eeuwig en altijd niet wankelen”. Wat de psalmist beschrijft, komt wel met Gods werk overeen dat in Genesis 1 wordt beschreven, maar hij doet het op dichterlijke wijze. Daarom is het niet in strijd met het verslag van de scheppingsdagen in Genesis 1.

Zo ziet hij de aarde als al aanwezig, maar nog bedekt met de watervloed die God als een gewaad over de aarde heeft gelegd (vers 66U had hem met de watervloed als met een gewaad bedekt,
het water stond tot boven de bergen.
)
. Zelfs de bergen zijn erdoor bedekt. Niemand is in staat een watervloed die zo enorm is dat hij zelfs de hoogste bergen bedekt, te laten verdwijnen, waardoor het droge zichtbaar wordt.

Alleen God is daartoe in staat. De psalmist stelt het zo voor, dat God de wateren bestraffend toespreekt (vers 77Door Uw bestraffing vluchtten ze,
ze haastten zich weg voor het geluid van Uw donder.
)
. Dan slaan de wateren op de vlucht. Ze gaan er met haast vandoor, daartoe opgejaagd door het geluid van Gods donder. Ook hier is duidelijk dat het afwijkt van het verslag in Genesis 1. Zoals gezegd, beschrijft de psalmist niet de scheppingsdagen op zich, maar hij plaatst het handelen van God in macht op de voorgrond.

In het water zijn door Gods scheppingsmacht de bergen opgerezen en de dalen neergedaald op de plaats die God “ervoor bestemd had” (vers 88De bergen rezen op, de dalen daalden neer
op de plaats die U ervoor bestemd had.
)
. Toen Hij het droge tevoorschijn liet komen, heeft Hij het water van de zee onder andere als oceanen in de dalen hun plaats gegeven.

De zee staat onder het gezag van God. In Zijn macht over de zee heeft Hij aan het water een grens gesteld (vers 99U hebt een grens gesteld, die ze niet zullen overgaan,
ze zullen de aarde nooit meer bedekken.
; Jb 38:8-118Of [wie] heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij losbarstte [en] uit de baarmoeder naar buiten kwam,
9toen Ik haar een wolk gaf als kleding,
en de donkere [wolken] als haar omslagdoek.
10Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
)
. De aarde zal niet weer door water worden bedekt. Dat er een wereldwijde zondvloed is gekomen, ligt aan de slechtheid van de mens. Daarna heeft God gezegd dat Hij de wereld niet weer door water zal verwoesten (Gn 9:11-1711Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten.12En God zei: Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, [alle] generaties door [tot] in eeuwigheid:13Mijn boog heb Ik in de wolken gegeven; die zal dienen als teken van het verbond tussen Mij en de aarde.14Het zal gebeuren, als Ik wolken boven de aarde breng en de boog in de wolken gezien wordt,15dat Ik aan Mijn verbond zal denken, dat er is tussen Mij en u en alle levende wezens van alle vlees. Het water zal niet meer tot een vloed worden om alle vlees te gronde te richten.16Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en aan het eeuwig verbond denken tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is.17God zei dus tegen Noach: Dit is het teken van het verbond dat Ik gemaakt heb tussen Mij en alle vlees dat op de aarde is.).

Dit betekent niet dat Gods oordeel niet nog een keer over de aarde zal komen als de mens volhardt in zijn zonde. Dat oordeel zal echter niet door een nieuwe zondvloed komen, maar door vuur. Petrus zegt dat “de toenmalige wereld, door water overstroomd, vergaan is”, maar dat “de tegenwoordige hemelen en de aarde … opgespaard … en … bewaard”, door vuur zullen vergaan (2Pt 3:6-76waardoor de toenmalige wereld, door water overstroomd, vergaan is.7Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde Woord opgespaard voor [het] vuur en worden bewaard tot [de] dag van [het] oordeel en van [de] ondergang van de goddeloze mensen.).


God zorgt voor Zijn schepping

10Hij wijst de bronnen hun loop naar de dalen,
[zodat] ze tussen de bergen door stromen.
11Ze geven alle dieren van het veld te drinken,
de wilde ezels lessen er hun dorst.
12Daarbij wonen de vogels in de lucht,
[hun] stem klinkt tussen de takken.
13Hij bevochtigt de bergen vanuit Zijn hemelzalen,
de aarde wordt verzadigd door de vrucht van Uw werken.
14Hij doet het gras groeien voor de dieren,
het gewas ten dienste van de mens.
Hij brengt voedsel uit de aarde voort:
15wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
16De bomen van de HEERE worden verzadigd,
de ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft.
17Daar nestelen de vogeltjes,
de cipressen zijn het huis voor de ooievaar.
18De hoge bergen zijn voor de steenbokken,
de rotsen zijn een toevluchtsoord voor de klipdassen.

God heeft het water in zeeën bij elkaar gedaan. Voor de aarde heeft Hij een bewateringssysteem gemaakt, dat Hij voortdurend in stand houdt (vers 1010Hij wijst de bronnen hun loop naar de dalen,
[zodat] ze tussen de bergen door stromen.
)
. De waterbronnen, waarbij we aan de regenwolken kunnen denken, worden door God bestuurd (vgl. Jb 37:11-1211Ook maakt Hij de wolken zwaar van vocht;
Hij spreidt de wolk van Zijn licht uit.
12Die gaat naar Zijn wijze raad alle kanten uit,
om te doen alles wat Hij hun gebiedt
op het oppervlak van de wereld, op de aarde.
; 38:25-2625Wie klieft voor de [stort]vloed een waterloop,
en een weg voor het weerlicht van de donder,
26om het te laten regenen op het land, [waar] niemand is,
[op] de woestijn, waarin geen mens is,
)
. Hij bepaalt dat ze hun water “tussen de bergen” moeten uitgieten, waardoor de waterstromen naar de dalen worden gevoerd.

Door dit bewateringssysteem dat God heeft gemaakt, hebben “alle dieren van het veld te drinken” (vers 1111Ze geven alle dieren van het veld te drinken,
de wilde ezels lessen er hun dorst.
)
. Zo houdt Hij hen in leven. Ook “de wilde ezels lessen er hun dorst”. Een wilde ezel is het symbool van halsstarrigheid, ongebondenheid en eigenwilligheid, het zich niet storen aan enig gezag (Jb 11:1212Dan zou een verstandeloos mens verstandig worden,
en het veulen van een wilde ezel [als] mens geboren worden.
)
. Ismaël wordt met een wilde ezel vergeleken (Gn 16:1212En hij zal zijn
een wilde ezel [van een] mens;
zijn hand zal tegen allen zijn,
en de hand van allen tegen hem;
en hij zal wonen tegenover al zijn broeders.
)
. De meest ontembare dieren, die ver van de mens verwijderd leven en volledig onafhankelijk zijn van Zijn hulp, zijn voor God een voorwerp van zorg.

God zorgt er ook voor dat de vogels kunnen drinken. Hij heeft de waterplaatsen zo gemaakt, dat “de vogels in de lucht” daarbij kunnen wonen (vers 1212Daarbij wonen de vogels in de lucht,
[hun] stem klinkt tussen de takken.
)
. Ze drinken en keren terug naar hun plaats in de takken waar ze hun stem laten horen door tot Gods eer te zingen, als het ware om Hem te bedanken voor Zijn zorg voor hen.

Het water komt direct uit de tegenwoordigheid van God, “vanuit Zijn hemelzalen” (vers 1313Hij bevochtigt de bergen vanuit Zijn hemelzalen,
de aarde wordt verzadigd door de vrucht van Uw werken.
)
. Van daaruit “bevochtigt” Hij “de bergen”. Alles wat God voor de aarde doet, heeft tot doel om de aarde vrucht te laten voorbrengen. Die vrucht wordt in het volgende vers beschreven. Wat uit de aardbodem tevoorschijn komt, hoort ook bij de derde scheppingsdag (Gn 1:11-1211En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas, vruchtbomen, die naar hun soort vrucht dragen, waarin hun zaad is op de aarde! En het was zo.12En de aarde bracht groen voort, zaaddragend gewas naar zijn soort en bomen die vrucht dragen waarin hun zaad is, naar hun soort. En God zag dat het goed was.).

Door de regen doet God “gras groeien voor de dieren”, evenals bijvoorbeeld koren als “gewas ten dienste van de mens” (vers 1414Hij doet het gras groeien voor de dieren,
het gewas ten dienste van de mens.
Hij brengt voedsel uit de aarde voort:
)
. Zo brengt God voor alle schepselen op aarde “voedsel uit de aarde voort”. De mens kan de dieren gebruiken om voor hem te werken. Dieren leveren ook wol om zich te warmen en melk en kaas als voedsel. De dieren dienen – niet direct na hun schepping, maar later, na de zondvloed (Gn 9:33Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.) – op hun beurt ook tot voedsel.

Wijn, olie en brood worden voorgesteld als voedsel dat uit de aarde voortkomt (vers 1515wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
. In feite zijn het de eindproducten van druiven, olijven en tarwe nadat ze door de mens zijn bewerkt. Het is goed te blijven zien dat het eindproduct zijn oorsprong in de aarde heeft waar God het heeft laten groeien. Tevens is het goed eraan te denken dat het eindproduct alleen tot stand is gekomen omdat God daarvoor de wijsheid en kracht aan de mens heeft gegeven.

De drie grondstoffen waarvan de eindproducten zijn gemaakt, zijn de samenvatting van de vrucht van het land. Ze worden vaak in één adem genoemd: “uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie” (Dt 7:1313Hij zal u liefhebben, u zegenen en u talrijk maken; Hij zal de vrucht van uw schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven.; 11:1414dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen, zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen.; 12:1717U mag binnen uw poorten niet de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie eten, evenmin de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee of enige van uw gelofte[offers], die u beloofd hebt, ook niet uw vrijwillige gaven of de hefoffers van uw hand.; 14:2323Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen.; 18:44[Ook] de eerstelingen van uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, en de eerstelingen van de wol van uw kleinvee moet u hem geven,). Wijn wordt hier verbonden met vreugde (vgl. Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?; Pr 10:1919Men richt maaltijden aan om te lachen,
wijn verblijdt de levenden,
en het geld verantwoordt alles.
)
. De olie is een beeld van de Heilige Geest met Wie de gelovige is gezalfd (1Jh 2:20,2720En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.27En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals Zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft u in Hem.). In het brood zien we een beeld van de Heer Jezus, Die het brood van het leven is (Jh 6:3535Jezus zei tot hen: Ik ben het brood van het leven; wie tot Mij komt, zal nooit meer honger hebben; en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.).

Er is niet alleen overvloed van alles op die ene, zelfde aarde, maar ook grote verscheidenheid. Met het water dat God geeft, worden ook “de bomen van de HEERE … verzadigd” (vers 1616De bomen van de HEERE worden verzadigd,
de ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft.
)
. De bomen toornen indrukwekkend hoog boven het gras uit. Daarom worden ze ‘bomen van de HEERE’ genoemd. Zo is er ook sprake van “machtige ceders”, waar letterlijk “ceders van God” staat (Ps 80:1111De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest,
zijn takken waren [als] machtige ceders.
)
. De bomen leveren veel soorten vrucht, maar ook hout om mee te bouwen. Hout kan ook als brandhout dienen, zowel voor de offers als om te koken.

Bomen zijn daarbij een plaats waar de vogeltjes hun nesten maken waar ze hun jongen krijgen en voeden en beschermen (vers 1717Daar nestelen de vogeltjes,
de cipressen zijn het huis voor de ooievaar.
; vers 1212Daarbij wonen de vogels in de lucht,
[hun] stem klinkt tussen de takken.
)
. De ooievaar wordt bij name genoemd, evenals de bomen, de cipressen, waar hij zijn huis heeft. Cipressenhout is gebruikt bij de bouw van de tempel (1Kn 5:8,108En Hiram stuurde Salomo [een bode] om te zeggen: Ik heb [de boodschap] gehoord die u mij gestuurd hebt. Ík zal aan al uw wensen om cederhout en cipressenhout voldoen.10Zo gaf Hirom Salomo cederhout en cipressenhout, geheel [naar] zijn wens.; 6:15,3415Ook bouwde hij de wanden van het huis vanbinnen met ceder[houten] planken. Van de vloer van het huis tot aan de wanden [ter hoogte] van het dak overdekte hij ze vanbinnen met hout. Hij overdekte de vloer van het huis met planken van cipressen.34met twee deuren van cipressenhout. Twee zijden van de ene deur waren draaibaar en twee zijden van de andere deur waren draaibaar.; 2Kr 2:88Stuur mij ook ceders, cipressen en sandelhout van de Libanon, want ik weet dat uw dienaren bedreven zijn in het kappen van het hout van de Libanon. En zie, mijn dienaren zullen [samen] met uw dienaren zijn.; 3:55Het grote vertrek bedekte hij met cipressenhout, overtrok dat met fijn goud en bracht daarop dadelpalmen en kettingen aan.). De ooievaar is een onreine vogel (Lv 11:13,1913En van deze vogel[soorten] moet u een afschuw hebben; ze mogen niet gegeten worden, ze zijn iets afschuwelijks: de arend, de lammergier, de monniksgier,19de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis.; Dt 14:12,1812Maar dit zijn de [vogels] waarvan u niet mag eten: de arend, de lammergier, de monniksgier,18de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis.), maar hij kent zijn vaste tijden (Jr 8:77Zelfs een ooievaar in de lucht
kent zijn vaste tijden,
tortelduif, zwaluw en kraanvogel
nemen de tijd van hun aankomst in acht,
maar Mijn volk kent niet
het recht van de HEERE.
)
en heeft ook zijn vaste woonplaats. Beide zijn hem door God gegeven.

Voor de steenbokken en voor de klipdassen heeft God een ander onderkomen gemaakt (vers 1818De hoge bergen zijn voor de steenbokken,
de rotsen zijn een toevluchtsoord voor de klipdassen.
)
. Elk dier heeft van God een eigen onderkomen gekregen. Daar voelt het zich thuis en tevens veilig. Zo zijn “de hoge bergen”, die door de mens moeilijk te beklimmen zijn, “voor de steenbokken” een gebied dat bescherming biedt. Op dezelfde wijze zijn “de rotsen … een toevluchtsoord voor de klipdassen”, die een onmachtig volk zijn (Sp 30:2626klipdassen zijn een volk zonder macht,
maar ze bouwen hun huis in de rots,
)
.


God regelt het dag- en nachtritme

19Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden,
de zon weet wanneer hij ondergaat.
20U brengt de duisternis teweeg en het wordt nacht;
daarin gaan alle dieren in het woud naar buiten.
21De jonge leeuwen brullen om een prooi
en verlangen van God hun voedsel.
22Wanneer de zon opgaat, trekken ze zich terug
en leggen zich neer in hun holen.
23De mens gaat [dan] op weg naar zijn werk,
naar zijn dienstwerk, tot de avond toe.

God heeft ook een unieke tijdregeling gemaakt (vers 1919Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden,
de zon weet wanneer hij ondergaat.
)
. Hier worden we herinnerd aan de vierde scheppingsdag (Gn 1:14-1914En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!15En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo.16En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.17En God plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,18om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.19Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag.). Deze klok van God loopt nooit voor en nooit achter, maar altijd op tijd. De mens kan er zijn klok op gelijkzetten. Hij kan er ook niets aan veranderen. Het is wijsheid als hij, voor zover mogelijk, zich hieraan aanpast. De 24 uurseconomie breekt met deze regelmaat, met veel ontwrichting van het gezins- en sociale leven.

De maan is door God gemaakt “voor de vaste tijden”. Daardoor heeft Hij de maanden als eenheid van tijd gemaakt. Deze vaste tijden heeft God ook aan Zijn volk gegeven met betrekking tot de diverse feestdagen of feesttijden die Hij wil dat ze voor Hem zullen houden (Lv 23:2,42Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: De feestdagen van de HEERE, die u moet uitroepen, zijn heilige samenkomsten. Dit zijn Mijn feestdagen:4Dit zijn de feestdagen van de HEERE, de heilige samenkomsten, die u op hun vastgestelde tijd moet uitroepen.).

“De zon” wordt voorgesteld als een hemellichaam dat “weet wanneer hij ondergaat”. Hij is altijd gehoorzaam aan het bevel van God daartoe. Hij gaat nooit voor zijn tijd onder. De mens weet precies waar hij met de zon aan toe is. Hetzelfde geldt voor de andere schepselen, in het bijzonder voor de nachtdieren, want die kunnen dan tevoorschijn komen. Alles dient tot welzijn van mens en dier.

De psalmist spreekt God weer direct aan als hij over de duisternis en de nacht spreekt (vers 2020U brengt de duisternis teweeg en het wordt nacht;
daarin gaan alle dieren in het woud naar buiten.
)
. God “brengt de duisternis teweeg en het wordt nacht”. De duisternis komt en de nacht valt als gevolg van een handeling van God. Dan houdt het leven niet op, maar beginnen de nachtdieren te leven. “Alle dieren in het woud” gaan “naar buiten”, op zoek naar voedsel.

“De jonge leeuwen” laten zich horen (vers 2121De jonge leeuwen brullen om een prooi
en verlangen van God hun voedsel.
)
. Ze “brullen om een prooi en verlangen van God hun voedsel”. God geeft het hun (vgl. Jb 39:1-21Kunt u voor de leeuwin op prooi jagen
en het verlangen van de jonge leeuwen vervullen,
2als zij zich bukken in de holen,
[en] in [hun] schuilplaats zitten te loeren?
; Ps 147:99Die aan het vee zijn voedsel geeft
en aan de jonge raven wanneer zij roepen.
)
. Daarin zijn ze talloze mensen tot voorbeeld die voedsel verorberen zonder enige gedachte aan God. De gelovige zal God om voedsel vragen en Hem danken voor voedsel dat Hij geeft (Mt 6:1111Geef ons vandaag ons toereikend brood.; 1Tm 4:4-54Want al [het] door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen,5want het wordt geheiligd door Gods Woord en door gebed.).

De nacht eindigt “wanneer de zon opgaat” (vers 2222Wanneer de zon opgaat, trekken ze zich terug
en leggen zich neer in hun holen.
)
. Het wordt licht en de duisternis wordt verdreven. Er ontstaat een nieuwe situatie. De nachtdieren weten dat hun tijd om zich van voedsel te voorzien voorbij is. Het is tijd om te gaan slapen. Ze “trekken zich terug en leggen zich neer in hun holen”. Daar zijn ze tot de zon weer ondergaat.

Bij het opgaan van de zon is het tijd voor de mens om wakker te worden, op te staan en “op weg naar zijn werk” te gaan (vers 2323De mens gaat [dan] op weg naar zijn werk,
naar zijn dienstwerk, tot de avond toe.
)
. Op zijn werkplek aangekomen begint hij aan “zijn dienstwerk”. Daarmee is hij bezig “tot de avond toe”. Hij vindt volle voldoening in zijn dienstwerk, dat hij met al zijn creativiteit en bekwaamheid mag doen.


God heeft alles met wijsheid gemaakt

24Hoe groot zijn Uw werken, HEERE,
U hebt alles met wijsheid gemaakt,
de aarde is vol van Uw rijkdommen.
25Daar ligt de zee, groot en wijd uitgestrekt;
daar [leeft] krioelend gedierte, niet te tellen,
kleine dieren en grote.
26Daar varen de schepen,
[daar gaat] de Leviathan, die U gevormd hebt
om [hem] erin te [laten] spelen.
27Zij allen wachten op U,
dat U hun voedsel geeft op zijn tijd.
28Geeft U het hun, zij verzamelen het,
doet U Uw hand open, zij worden met het goede verzadigd.
29Verbergt U Uw aangezicht, zij worden door schrik overmand,
neemt U hun adem weg, zij geven de geest
en keren terug tot hun stof.

Alle voorgaande structuren zijn door God met precisie geschapen. Alles grijpt in elkaar als de raderen van een uurwerk. Hij heeft alles in de schepping een vaste plaats en tijd gegeven en verzorgt zowel het leven als de levenloze materie. De hele cyclus van tijd en leven komt van Hem en Hij houdt die in stand. Wij kunnen niet anders dan vol bewondering met de psalmist uitroepen: “Hoe groot zijn Uw werken!” (vers 2424Hoe groot zijn Uw werken, HEERE,
U hebt alles met wijsheid gemaakt,
de aarde is vol van Uw rijkdommen.
)
.

De psalmist spreekt weer direct tot God. Hij zegt tegen Hem dat uit al Zijn werken Zijn wijsheid blijkt. Hij heeft “alles met wijsheid gemaakt”. Waar we ook op aarde kijken, overal zien we Zijn rijkdommen. De aarde is er vol van, zowel overdag als ‘s nachts. Het is allemaal van Hem, het is Zijn bezit. Wat is de mens, die meent dat de aarde en het leven daarop ‘toevallig’ is ontstaan en zich via evolutie heeft ontwikkeld, toch een arme, blinde dwaas.

Dan kijkt de psalmist naar de zee (vers 2525Daar ligt de zee, groot en wijd uitgestrekt;
daar [leeft] krioelend gedierte, niet te tellen,
kleine dieren en grote.
).
Wat hij ziet, overweldigt hem. Hij ziet hoe “groot en wijd uitgestrekt” de zee is. De zee is vol leven. Er leeft “krioelend gedierte” in. Hun aantal is zo groot, dat ze “niet te tellen” zijn. Ze zijn ook niet allemaal gelijk in grootte, want er zijn ”kleine dieren en grote”. God heeft ook in het leven in de zee voor een grote verscheidenheid gezorgd. Hier herkennen we de vijfde scheppingsdag (Gn 1:20-2320En God zei: Laat het water wemelen van wemelende levende wezens; en laten er vogels boven de aarde vliegen, langs het hemelgewelf!21En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.22En God zegende ze en zei: Wees vruchtbaar, word talrijk, en vervul het water van de zeeën; en laten de vogels talrijk worden op de aarde!23Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag.).

Op de zee “varen de schepen” (vers 2626Daar varen de schepen,
[daar gaat] de Leviathan, die U gevormd hebt
om [hem] erin te [laten] spelen.
)
. Dat valt ook op als de psalmist naar de zee kijkt. De zee draagt de schepen. Het is een wonderlijk schouwspel. De schepen steken de grote, wijd uitgestrekte zee over naar gebieden die anders onbereikbaar zijn. God heeft het mogelijk gemaakt dat de mens de zee kan bevaren.

Nog iets wat aan de zee opvalt, is dat het een speelterrein is voor een speciaal zeedier. God heeft “de Leviathan … gevormd … om [hem] erin te [laten] spelen”. Uit de beschrijving van dit dier in het boek Job blijkt dat het een ontembaar dier is dat de mens onmogelijk in staat is aan zich te onderwerpen. [Zie commentaar over Job 40:20-41:25.] Het dier is een beeld van de satan. Maar God gaat met ‘speels gemak’ met hem om. Hij wijst hem de ruimte waar hij zich kan bewegen. Verder kan hij niet gaan. Hij is volkomen in de macht van God.

Al het leven op aarde is van God afhankelijk. De dieren weten dat instinctief. Ze wachten, zo zegt de psalmist tegen God, allen “op U, dat U hun voedsel geeft op zijn tijd” (vers 2727Zij allen wachten op U,
dat U hun voedsel geeft op zijn tijd.
)
. Hiermee kunnen we de zesde scheppingsdag verbinden, die niet alleen gaat over de schepping van de dieren en de mens, maar ook over de voedselvoorziening voor mens en dier (Gn 1:29-3029En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen.30Maar aan al de dieren van de aarde, aan alle vogels in de lucht en aan al wat over de aarde kruipt, waarin leven is, [heb Ik] al het groene gewas tot voedsel [gegeven]. En het was zo.).

Ze hebben geen eigen voedselbronnen. God moet het hun geven. Ook als ze een voorraad kunnen aanleggen, is dat omdat God het hun geeft. Als God het geeft, gaan ze erop af en verzamelen het (vers 2828Geeft U het hun, zij verzamelen het,
doet U Uw hand open, zij worden met het goede verzadigd.
; vgl. Ex 16:44Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen. Het volk moet eropuit gaan en de per dag benodigde [hoeveelheid] verzamelen, zodat Ik het op de proef kan stellen of het naar Mijn wet wandelt of niet.; Ru 2:88Toen zei Boaz tegen Ruth: U hebt het gehoord, nietwaar, mijn dochter? Ga niet op een andere akker [aren] rapen. Ook moet u hier niet weggaan, maar u moet dicht bij de meisjes blijven [die] voor mij [werken].)
. Ze ontvangen voedsel uit Zijn geopende hand. De hand opendoen betekent geven (Dt 15:8,118Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.11Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.). Zo worden ze “met het goede verzadigd”. Als God Zijn hand opendoet om te geven, geeft Hij met milde hand. Hij geeft ook altijd het goede en zoveel, dat de ontvanger erdoor verzadigd wordt.

Maar het kan ook zijn dat God Zijn aangezicht verbergt (vers 2929Verbergt U Uw aangezicht, zij worden door schrik overmand,
neemt U hun adem weg, zij geven de geest
en keren terug tot hun stof.
)
. Dat is een vreselijke zaak die zo’n grote schrik veroorzaakt, dat ze erdoor “overmand” worden. Nog erger is het als Hij “hun adem” wegneemt. Dan geven ze “de geest en keren terug tot hun stof”. Leven en dood zijn in de hand van God. Alles is afhankelijk van Hem. Alle leven eindigt als Hij Zich terugtrekt.


Gods glorie is eeuwig

30Zendt U Uw Geest uit, [dan] worden zij geschapen
en vernieuwt U het gelaat van de aardbodem.
31De heerlijkheid van de HEERE zij voor eeuwig,
laat de HEERE Zich verblijden in Zijn werken.
32Aanschouwt Hij de aarde, dan beeft hij,
raakt Hij de bergen aan, dan roken zij.

Het wegnemen van de adem is niet Gods laatste woord met betrekking tot Zijn schepping. De psalmist weet dat de Geest van God een nieuwe schepping kan bewerken en “het gelaat van de aardbodem” kan vernieuwen (vers 3030Zendt U Uw Geest uit, [dan] worden zij geschapen
en vernieuwt U het gelaat van de aardbodem.
)
. Dat zal ook gebeuren als het vrederijk wordt opgericht (Js 65:1717Want zie, Ik schep een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
Aan de vorige dingen zal niet [meer] gedacht worden,
ze zullen niet [meer] opkomen in het hart.
)
. Dat gebeurt na de periode van de grote verdrukking. Een beeld daarvan zien we in de zondvloed en daarna. Na de zondvloed, die een einde heeft gemaakt aan alle leven op aarde, komen Noach en zijn gezin op een aarde met een ‘vernieuwd gelaat’.

In het vrederijk is de “de heerlijkheid van de HEERE … voor eeuwig” op aarde aanwezig (vers 3131De heerlijkheid van de HEERE zij voor eeuwig,
laat de HEERE Zich verblijden in Zijn werken.
)
. Alle heerlijkheid van de mens is dan verdwenen. Alles wat er dan is, is het werk van God Zelf door Zijn Geest. In die tijd zal “de HEERE Zich verblijden in Zijn werken”. Allen die het vrederijk binnengaan, zullen zich met Hem daarin verblijden. Het is als de sabbat, de zevende dag, waarop God alles ziet wat Hij heeft gemaakt en ziet dat het zeer goed is (Gn 1:3131En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.; 2:1-31Zo zijn de hemel en de aarde voltooid, en heel hun legermacht.2Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.3En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.).

Hij blijft ook dan de Almachtige, de Heerser, Die het kwaad niet kan zien, maar moet oordelen. Alleen Zijn blik al is voldoende om de aarde te laten beven (vers 3232Aanschouwt Hij de aarde, dan beeft hij,
raakt Hij de bergen aan, dan roken zij.
; vgl. Hk 3:1010De bergen zagen U, zij beefden van angst.
Een vloed van water stroomde voorbij,
de watervloed liet zijn stem klinken,
hoog hief hij zijn handen op.
)
. En als Hij de onwankelbaar schijnende bergen met Zijn vinger aanraakt, “roken zij”. We zien dat bij de berg Sinaï als God daarop neerdaalt (Ex 19:1818De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.). We zien het nu bij vulkanen.


Wat blijft en wie verdwijnt

33Ik zal voor de HEERE zingen in mijn leven,
ik zal voor mijn God psalmen zingen, [mijn] leven lang.
34Mijn overdenking van Hem zal aangenaam zijn,
ík zal mij in de HEERE verblijden.
35De zondaars zullen van de aarde verdwijnen,
de goddelozen zullen er niet meer zijn.
Loof de HEERE, mijn ziel!
Halleluja!

Na zijn beschrijving van Gods wonderbare werk in de schepping komt de psalmist tot de uitroep dat hij “voor de HEERE” zal “zingen in mijn leven” (vers 3333Ik zal voor de HEERE zingen in mijn leven,
ik zal voor mijn God psalmen zingen, [mijn] leven lang.
)
. Hij zal ermee doorgaan en er nooit mee ophouden. Altijd zal hij nieuwe redenen zien om Hem te loven terwijl de vorige redenen blijven. Er zal eeuwig een toename van redenen zijn. De heerlijkheid van God is zo groot, dat die nooit ten volle zal worden doorgrond. Eeuwig zullen er nieuwe dingen zichtbaar worden die aanleiding zijn Hem te eren.

Dat brengt ten slotte tot de “overdenking van Hem” Zelf, van Zijn Persoon (vers 3434Mijn overdenking van Hem zal aangenaam zijn,
ík zal mij in de HEERE verblijden.
)
. Alles wat van God zichtbaar is geworden in Zijn werken, wijst op de grootheid van Hem Zelf. Om Hem gaat het. Zijn werken verwijzen naar Hem. Nadenken over Hem is “aangenaam”. Er is geen bezigheid die aangenamer is. De psalmist verblijdt zich “in de HEERE” Zelf.

Dit is de gemeenschap die tot volkomen blijdschap voert (1Jh 1:1-41Wat van [het] begin af was, wat wij gehoord, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd en onze handen betast hebben betreffende het Woord van het leven2(en het leven is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en ons geopenbaard is);3wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.4En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.). We zien het bij de drie vormen van roemen, waarover de apostel Paulus spreekt. De gelovige roemt “in de hoop op de heerlijkheid van God”, hij roemt “in de verdrukkingen”, en ten slotte roemt hij “in God” Zelf, door de Heer Jezus Christus (Rm 5:2,3,112door Wie wij ook de toegang verkregen hebben <door het geloof> tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in [de] hoop op de heerlijkheid van God.3En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding werkt,11En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in God door onze Heer Jezus Christus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.).

Zij die niet van harte met het loflied voor de HEERE instemmen, zijn “de zondaars” en “de goddelozen” (vers 3535De zondaars zullen van de aarde verdwijnen,
de goddelozen zullen er niet meer zijn.
Loof de HEERE, mijn ziel!
Halleluja!
)
. Zij erkennen Hem niet als de bron van al hun stoffelijke zegeningen Daarom hebben zij geen recht op een plaats op Gods aarde. Deze mensen zullen van de aarde verdwijnen en er niet meer zijn. Ze horen niet in een wereld die volledig door God is opgericht en wordt onderhouden en waarvan Christus het centrum en het voorwerp van aanbidding is.

De psalmist eindigt met dezelfde woorden als waarmee hij de psalm is begonnen: “Loof de HEERE, mijn ziel.” Zijn ziel is vol van alles wat hij heeft bezongen en vooral van Hem over Wie hij heeft gezongen.

Het slotwoord van de psalm, “halleluja”, betekent ook ‘loof de HEERE’. Het komt in het Oude Testament alleen in Psalmen voor, in deze psalm voor de eerste keer. Hierna wordt het nog drieëntwintig keer gebruikt. In het Nieuwe Testament komt het alleen in Openbaring voor, waar het vier keer wordt gebruikt (Op 19:1,3,4,61Hierna hoorde ik als een luide stem van een grote menigte in de hemel zeggen: Halleluja! De behoudenis en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God!3En voor de tweede maal zeiden zij: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheid.4En de vierentwintig oudsten en de vier levende wezens vielen neer en aanbaden God Die op de troon zat en zeiden: Amen, halleluja!6En ik hoorde als een stem van een grote menigte en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, die zeiden: Halleluja! Want [de] Heer, <onze> God, de Almachtige, heeft Zijn koningschap aanvaard.).


Lees verder