Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-3 Hulpgeroep 4-12 Opgetild en neergeworpen 13-18 God ontfermt Zich over Sion 19-23 Verzekering van herstel van Sion 24-29 Hij blijft Dezelfde
Inleiding

Deze psalm wordt een boetpsalm genoemd, de vijfde van de zeven die zo worden genoemd (Psalmen 6; 32; 38; 51; 102; 130; 143). Dat is niet terecht. In de boetpsalmen lijdt de psalmist onder de last van zijn zonden. In deze psalm spreekt de psalmist echter niet over zijn zonden, maar over de grote ellende waarin hij verkeert.

Het is een Messiaanse psalm. De Messias is hier aan het woord. Dat blijkt uit de aanhaling van de verzen 26-2826U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
27Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
28Maar U blijft Dezelfde,
aan Uw jaren zal geen einde komen.
in Hebreeën 1 waar de aanhaling op Christus betrekking heeft (Hb 1:10-1210En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen.11Zij zullen vergaan, maar U blijft;12en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’.). Het gaat in deze psalm niet over het verzoenend lijden van Christus, maar over Zijn lijden in verbinding met het oordeel dat God over Israël en Jeruzalem heeft moeten brengen. Hij maakt zich een met Zijn volk, het gelovig overblijfsel, dat lijdt onder dat oordeel.

Het lijden dat in deze psalm beschreven wordt, is niet alleen Zijn lijden in Gethsémané of voor Pilatus en Herodes en bij Zijn kruisiging. Zijn hele leven vanaf Zijn geboorte is lijden geweest. Dit betekent niet dat Hij Zijn hele leven onder de toorn van God is geweest. Dat is een absoluut verwerpelijke lering. Hij is Zijn hele leven een welbehagen voor God geweest. Hij heeft part noch deel aan de zonde gehad en juist daardoor tegelijk een volmaakte aanvoeling ervan. Dat heeft Hem een voor ons niet te bevatten lijden bezorgd. Dat lijden heeft Hem terneergedrukt.

Wat het gelovig overblijfsel als een terecht lijden erkent, heeft Hij vrijwillig ervaren door Mens te worden. Het is een lijden in Zijn ziel bij het zien van de gevolgen van de zonde. De Heer heeft bijvoorbeeld gehuild bij het graf van Lazarus. Hij heeft op die manier Zijn medegevoel getoond in het verdriet van Maria en Martha. Toch is Zijn verdriet veel dieper dan dat van de zussen, want Hij kent volmaakt de oorzaak van de dood, dat is de zonde. Hij heeft niet zozeer gehuild om het verlies. Hij wist dat Hij Lazarus enkele ogenblikken later uit de dood tot het leven zou roepen. Hij heeft gehuild om de oorzaak ervan.


Opschrift

1Een gebed van een ellendige, wanneer hij bezweken is en zijn klacht uitstort voor het aangezicht van de HEERE.

We horen in deze psalm Christus als Mens spreken over de gevoelens van Zijn hart te midden van omstandigheden die Hem terneerdrukken. Dat moeten we steeds voor ogen houden bij het lezen ervan. Tegelijk mogen we nooit vergeten dat Hij God Zelf is. Daaraan worden we op indrukwekkende wijze in de laatste verzen van de psalm herinnerd.

Christus noemt Zich “een ellendige”. Hij is er ellendig aan toe omdat Gods volk voor hun ontrouw door God zwaar is gestraft. De oorzaak van dat oordeel, het besef van de noodzaak ervan, drukt zo zwaar op Hem, dat Hij eronder is bezweken. Hij kan alleen nog klagen. Het is één grote klacht. Die stort Hij uit “voor het aangezicht van de HEERE”.

Hij heeft persoonlijk uiteraard geen enkel aandeel in hun ontrouw, maar Hij deelt in de gevolgen ervan. Hij voelt mee met het gelovig overblijfsel dat door Zijn medegevoel bijzonder gesterkt zal worden. Zo helpt Hij hen de gevolgen van hun ontrouw te dragen. Het is een van de vele gelegenheden tijdens Zijn leven waaruit blijkt dat Hij in al hun benauwdheden benauwd is geweest (Js 63:99In al hun benauwdheid
was Hij benauwd;
de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost.
Door Zijn liefde en door Zijn genade
heeft Híj hen bevrijd;
Hij hief hen op en droeg hen
al de dagen van weleer.
)
.

Hij legt Zijn klacht niet neer voor God, maar stort die uit. ‘Uitstorten’ geeft de kracht aan waarmee Hij bidt. Dat Hij het doet “voor het aangezicht van de HEERE”, laat zien op Wie Hij Zijn hoop heeft gevestigd, bij Wie Hij hulp zoekt. Dit is een voorbeeld voor ons als wij in grote nood zijn.


Hulpgeroep

2HEERE, luister naar mijn gebed,
laat mijn hulpgeroep tot U komen.
3Verberg Uw aangezicht niet voor mij;
neig Uw oor tot mij
op de dag van [mijn] benauwdheid;
op de dag dat ik roep, verhoor mij spoedig.

De Heer Jezus is de Bidder. Zoals gezegd, zien we Hem in deze psalm als waarachtig Mens. Hij vraagt aan de HEERE om naar Zijn gebed te luisteren en Zijn hulpgeroep tot Hem te laten komen (vers 22HEERE, luister naar mijn gebed,
laat mijn hulpgeroep tot U komen.
)
. Hij is in grote nood en roept tot God om naar Zijn hulpgeroep te luisteren. Daarom richt Hij Zich zo indringend tot Hem. De Heer Jezus heeft gehuild bij het zien van Jeruzalem (Lk 19:4141En toen Hij naderde en de stad zag, weende Hij over haar). Hij heeft gewenst dat de stad zou mogen erkennen wat tot haar vrede dient.

Hij vraagt ook aan God om Zijn aangezicht niet voor hem te verbergen omdat hij de indruk heeft dat God dit wel doet (vers 33Verberg Uw aangezicht niet voor mij;
neig Uw oor tot mij
op de dag van [mijn] benauwdheid;
op de dag dat ik roep, verhoor mij spoedig.
)
. Nederig smekend vraagt Hij of God Zijn oor tot Hem wil neigen. Het is een smeekbede om Zijn aandacht. Hij verlangt vurig naar het luisterende oor van God.

Het is voor hem “de dag van benauwdheid”. Het is daarom de dag dat Hij roept en uitziet naar een spoedige verhoring. Dagen van benauwdheid zijn dagen van bijzondere beproeving en grote nood. God laat zulke dagen toe om het hart van Zijnen op de proef te stellen en te zien waar zij hun hulp zoeken. Bij de Heer Jezus is God altijd Zijn toevlucht geweest, Hij is op Hem geworpen van de baarmoeder af.


Opgetild en neergeworpen

4Want mijn dagen zijn als rook vervlogen,
mijn beenderen zijn uitgebrand als een haard.
5Mijn hart is geslagen en verdord als gras,
zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
6Mijn beenderen kleven aan mijn vlees
door mijn luide zuchten.
7Ik lijk op een kauw in de woestijn,
ik ben geworden als een steenuil te midden van de puinhopen.
8Ik lig wakker, ik ben geworden
als een eenzame mus op het dak.
9Mijn vijanden honen mij de hele dag;
wie [tegen] mij razen, gebruiken mijn naam als een vloek.
10Want ik eet as als brood,
wat ik drink, meng ik met tranen,
11vanwege Uw gramschap en Uw grote toorn,
want U hebt mij opgetild en weer neergeworpen.
12Mijn dagen zijn als een langer wordende schaduw
en ík verdor als gras.

Het lijden van de Messias tijdens Zijn leven op aarde is diep geweest. Om ons enigszins te kunnen inleven in de werkelijkheid van Zijn gevoelens die Hij in deze verzen met ons deelt, hebben we de hulp van Gods Geest nodig. Vaak gaat het met ons als met Petrus, Jakobus en Johannes. De Heer Jezus vraagt hun met Hem te waken, terwijl Hij bedroefd en zeer beangst wordt vanwege het werk dat Hij op het kruis gaat volbrengen. Maar zij vallen in slaap, terwijl Hij in zware strijd is en Hij aan hen heeft gevraagd om met Hem te waken (Mt 26:36-4336Toen kwam Jezus met hen aan een plaats, Gethsémané geheten, en Hij zei tot de discipelen: Gaat hier zitten terwijl Ik heenga en daar bid.37En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mee en begon bedroefd en zeer beangst te worden.38Toen zei Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd tot [de] dood toe; blijft hier en waakt met Mij.39En Hij ging iets verder, viel op Zijn aangezicht en bad aldus: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker Mij voorbijgaan; echter niet zoals Ik wil, maar zoals U [wilt].40En Hij kwam bij de discipelen en vond hen in slaap, en Hij zei tot Petrus: Je was dus niet in staat één uur met Mij te waken?41Waakt en bidt, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.42Opnieuw, voor [de] tweede keer ging Hij weg en bad aldus: Mijn Vader, als deze niet kan voorbijgaan tenzij Ik hem drink, moge Uw wil gebeuren.43En opnieuw, toen Hij kwam, vond Hij hen in slaap, want hun ogen waren zwaar geworden.; Mk 14:32-4032En zij kwamen aan een plaats, Gethsémané geheten, en Hij zei tot Zijn discipelen: Gaat hier zitten terwijl Ik bid.33En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee. En Hij begon ontsteld en zeer beangst te worden,34en Hij zei tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd tot [de] dood toe; blijft hier en waakt.35En Hij ging iets verder, viel op de aarde en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem mocht voorbijgaan.36En Hij zei: Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze drinkbeker van Mij weg; maar niet wat Ik wil, maar wat U [wilt].37En Hij kwam en vond hen in slaap, en Hij zei tot Petrus: Simon, slaap je? Was je niet in staat één uur te waken?38Waakt en bidt, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.39En opnieuw ging Hij weg en bad, terwijl Hij hetzelfde woord sprak.40En toen Hij opnieuw kwam, vond Hij hen in slaap, want hun ogen waren zeer zwaar geworden, en zij wisten niet wat zij Hem moesten antwoorden.).

Hij klaagt dat Zijn dagen “als rook vervlogen” zijn (vers 44Want mijn dagen zijn als rook vervlogen,
mijn beenderen zijn uitgebrand als een haard.
)
. Zo snel en vluchtig ziet Hij Zijn dagen gaan, terwijl er geen resultaat zichtbaar is. De inzet van Zijn leven in de dienst van Zijn God heeft Hem alles gekost, maar het lijkt allemaal tevergeefs te zijn geweest (vgl. Js 49:4a4Ik, Ik zei: Voor niets heb Ik Mij vermoeid,
nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.
Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE,
en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.
)
. Zijn “beenderen zijn uitgebrand als een haard”. De beenderen geven kracht om te bewegen. Die kracht is weg, uitgebrand.

Zijn hart is aangeslagen door de ellende waarin Hij is (vers 55Mijn hart is geslagen en verdord als gras,
zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
)
. Het is “verdord als gras”. Het leven is eruit. Hij wordt zo in beslag genomen door de ellende, dat Hij heeft vergeten zijn “brood te eten”. De ellende van Jeruzalem, die Hij als Zijn ellende voelt, heeft Hem volledig in beslag genomen, Hij kan aan niets anders denken.

Zijn innerlijke lijden is uiterlijk zichtbaar. Door zijn “luide zuchten” kleven Zijn beenderen aan Zijn vlees (vers 66Mijn beenderen kleven aan mijn vlees
door mijn luide zuchten.
; vgl. Jb 19:2020Mijn beenderen kleven aan mijn huid en aan mijn vlees;
en slechts mijn tandvlees bleef mij over.
)
. Het luide zuchten kost Hem al Zijn energie, waardoor Hij sterk vermagert en ‘vel over been’ wordt. Zijn beenderen worden door Zijn huid heen zichtbaar.

Daarbij komt Zijn grote eenzaamheid. Hij voelt Zich als “een kauw in de woestijn” en “als een steenuil te midden van de puinhopen” (vers 77Ik lijk op een kauw in de woestijn,
ik ben geworden als een steenuil te midden van de puinhopen.
)
. Een kauw werd vroeger als huisdier gehouden. Het is een energieke vogel die wegkwijnt als hij alleen is. Dat hij hier wordt voorgesteld ‘in de woestijn’, vergroot het gevoel van eenzaamheid.

De steenuil is een vogel die alleen leeft. Hij heeft puinhopen als zijn natuurlijke leefomgeving. Zo is de Heer geworden. Niemand heeft Hem begrepen, Zijn familie niet en ook Zijn discipelen niet. Hij is alleen geweest in Zijn volmaakte aanvoeling van de werkelijke situatie van Jeruzalem en Sion die tot een puinhoop zijn geworden. Daaronder heeft Hij geleden.

Zijn lijden is er niet alleen overdag. Hij klaagt dat Hij wakker ligt (vers 88Ik lig wakker, ik ben geworden
als een eenzame mus op het dak.
)
. De ellende is zo groot, dat Hij er niet van kan slapen. In de nacht wordt de eenzaamheid vaak nog dieper gevoeld dan overdag. De Heer zegt dat Hij is geworden “als een eenzame mus op het dak”. De mus leeft veelal met andere mussen samen. Een eenzame mus op het dak is een toonbeeld van eenzaamheid, wat hem tegelijk kwetsbaar maakt voor roofvogels, zijn natuurlijke vijanden.

Dat de Heer Jezus eenzaam is, betekent niet dat Hij met rust wordt gelaten. Aan de pijn van eenzaamheid wordt de hoon van Zijn vijanden toegevoegd die zij de hele dag over Hem uitstorten (vers 99Mijn vijanden honen mij de hele dag;
wie [tegen] mij razen, gebruiken mijn naam als een vloek.
; vgl. Js 53:33Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.
)
. Er is niemand die medelijden met Hem heeft. Integendeel, Zijn vijanden benutten Zijn kwetsbaarheid om tegen Hem te razen. Daarbij gebruiken ze Zijn Naam “als een vloek”. Ze zweren bij Zijn Naam dat zij Hem kwaad zullen doen. Het is niet slechts een enkeling die Hem kwaad wil doen, maar een hele groep.

Dagelijks voedsel bestaat uit brood en drinken. Voor de Heer is dat niet zo geweest. In vers 55Mijn hart is geslagen en verdord als gras,
zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
zegt Hij dat Hij heeft vergeten Zijn brood te eten. Nu zegt Hij dat Hij “as als brood” heeft gegeten. Brood dient tot versterking (Ps 104:1414Hij doet het gras groeien voor de dieren,
het gewas ten dienste van de mens.
Hij brengt voedsel uit de aarde voort:
)
. Uit as is alle leven verdwenen. As spreekt van de dood en het verdriet dat daarmee gepaard gaat (Jr 6:2626Dochter van Mijn volk, omgord u met een rouwgewaad,
wentel u in de as,
bedrijf rouw over een enig [kind],
betoon een zeer bittere rouwklacht,
want plotseling zal over ons
de verwoester komen.
)
. Wat Hij heeft gedronken, heeft Hij “met tranen” gemend (vers 1010Want ik eet as als brood,
wat ik drink, meng ik met tranen,
; vgl. Ps 42:44Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
)
. Drinken dient tot verkwikking, maar tranen worden veroorzaakt door verdriet. Tranen drinken betekent verdriet drinken. Dat verkwikt niet, maar drukt terneer.

Wij denken misschien dat de Heer Jezus slechts twee keer heeft gehuild, de twee keer die in de evangeliën worden genoemd (Jh 11:3535Jezus weende.; Lk 19:4141En toen Hij naderde en de stad zag, weende Hij over haar). Maar hier lezen wij dat Zijn leven gekenmerkt is door tranen en verdriet. We krijgen hier een diepe blik in de ziel, het gevoelsleven van de Heer. Als wij daar oog en hart voor krijgen, terwijl wij met Hem meelopen, hoeveel kostbaarder wordt Hij dan voor ons!

Dan spreekt de Messias erover wat God met Hem heeft gedaan (vers 1111vanwege Uw gramschap en Uw grote toorn,
want U hebt mij opgetild en weer neergeworpen.
)
. Hij neemt alles aan uit de hand van Zijn God. Hij zegt tegen de HEERE, Zijn God, dat Hij Hem heeft “opgetild”, ofwel verheven, om de Messias van Zijn volk te zijn. Maar in plaats van het koninkrijk in bezit te kunnen nemen heeft Hij Hem “neergeworpen” ofwel vernederd (vgl. Ps 30:88– [Want,] HEERE, door Uw goedgunstigheid
had U mijn berg vast doen staan. –
[Maar toen] U Uw aangezicht verborg,
werd ik door schrik overmand.
)
.

In plaats van een lang leven in de gunst van God als Messias van Zijn volk zijn Zijn dagen “als een langer wordende schaduw” (vers 1212Mijn dagen zijn als een langer wordende schaduw
en ík verdor als gras.
)
. Als de schaduwen langer worden, geeft dat aan dat de zon spoedig ondergaat en het nacht wordt. De Messias ziet het niet licht worden, maar Hij ziet dat binnenkort de nacht over Zijn leven valt. Hij voorziet Zijn dood. Hij ervaart dat Hij “als gras” verdort. Alle voorspoed verdwijnt uit Zijn leven.


God ontfermt Zich over Sion

13Maar U, HEERE, U blijft voor eeuwig,
de gedachtenis aan U van generatie op generatie.
14Ú zult opstaan, U zult Zich ontfermen over Sion,
want de tijd om haar genadig te zijn,
want de vastgestelde tijd is gekomen.
15Want Uw dienaren zijn haar stenen goedgezind
en hebben medelijden met haar gruis.
16De heidenvolken zullen de Naam van de HEERE vrezen,
alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid,
17wanneer de HEERE Sion heeft opgebouwd,
in Zijn heerlijkheid verschenen is,
18Zich gewend heeft tot het gebed van de allerarmsten,
en hun gebed niet heeft veracht.

De Messias wendt Zich na de beschrijving van de ellende waarin Hij Zich bevindt en het leed dat Hij draagt tot de “HEERE” (vers 1313Maar U, HEERE, U blijft voor eeuwig,
de gedachtenis aan U van generatie op generatie.
)
. Het woord “maar” waarmee dit vers begint, geeft aan dat er een tegenstelling met het voorgaande volgt. De Messias lijdt, maar niet voor altijd, omdat Hij weet dat de HEERE voor eeuwig blijft en daarmee Zijn trouw aan wat Hij heeft beloofd. De naam ‘HEERE’, Jahweh, waarmee Hij God aanspreekt, geeft dat al aan. HEERE is immers de naam van God als de God van het verbond. De gedachtenis aan die Naam gaat “van generatie op generatie”.

Op grond van die Naam zal Hij “opstaan” en “Zich ontfermen over Sion” (vers 1414Ú zult opstaan, U zult Zich ontfermen over Sion,
want de tijd om haar genadig te zijn,
want de vastgestelde tijd is gekomen.
)
. In alle ellende is dit de zekerheid van het geloof in de HEERE. Hij zal ingrijpen ten gunste van Zijn volk en Zijn stad. Hij zal dat doen als Zijn oordelen het door Hem gewenste resultaat hebben. De tijd daarvoor bepaalt Hij. Als die tijd is gekomen, zal Hij Sion genadig zijn. Het volk heeft een totaal oordeel verdiend. Maar Hij bewaart een overblijfsel naar de verkiezing van Zijn genade. Op de vastgestelde tijd zal Hij Zijn volk weer aannemen. Het geloof ziet dat vooruit.

God zal een werk doen in Zijn dienaren. Hij zal hen liefde in hun hart geven voor “haar stenen”, wat aangeeft dat Sion is afgebroken (vers 1515Want Uw dienaren zijn haar stenen goedgezind
en hebben medelijden met haar gruis.
)
. Hij zal hen met medelijden vervullen voor “haar gruis”, wat aangeeft hoezeer Sion in puin ligt. We zien de voorvervulling ervan in mensen als Ezra en Nehemia, die vol liefde en medelijden voor Sion uit Babel naar Jeruzalem zijn teruggekeerd. In de eindtijd zal dat gebeuren door het gelovig overblijfsel.

Wij mogen onszelf wel afvragen hoe het met onze liefde en medelijden is voor de gemeente van God die ook een puinhoop is. Verlangen wij ernaar om te herbouwen wat in puin ligt? We kunnen dat doen door overal met Gods Woord te helpen waar mensen ernaar verlangen om gemeente te zijn zoals God dat in Zijn Woord heeft bekendgemaakt.

Als Sion is herbouwd, zullen de heidenvolken, die Israël omringen, “de Naam van de HEERE vrezen” (vers 1616De heidenvolken zullen de Naam van de HEERE vrezen,
alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid,
)
. De herbouw van Sion is het bewijs dat God niet tegen Zijn volk is, maar ervoor. De heidenvolken hebben tegen Gods volk smadelijk over Hem als een machteloze God gesproken (2Kr 32:9-179Hierna stuurde Sanherib, de koning van Assyrië, zijn dienaren naar Jeruzalem – hijzelf lag voor Lachis, en heel zijn legermacht met hem – naar Hizkia, de koning van Juda, en naar heel Juda in Jeruzalem, om te zeggen:10Dit zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarop vertrouwt u terwijl u onder belegering in Jeruzalem blijft?11Spoort Hizkia u niet aan, zodat hij u overgeeft om door honger en door dorst te sterven, door te zeggen: De HEERE, onze God, zal ons uit de hand van de koning van Assyrië redden?12Heeft hij, Hizkia, niet Zijn [offer]hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tegen Juda en tegen Jeruzalem gezegd: Voor één altaar moet u zich neerbuigen, en daarop [reukoffers] in rook laten opgaan?13Weet u niet wat ik gedaan heb, ik en mijn vaderen, met alle volken van de landen? Hebben de goden van de volken van die landen ooit hun land kunnen redden uit mijn hand?14Wie is er onder alle goden van die volken die mijn vaderen met de ban geslagen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijn hand, dat uw God u uit mijn hand zou kunnen redden?15Nu dan, laat Hizkia u niet bedriegen en u niet op deze manier aansporen; geloof hem niet. Want geen enkele god van enig volk en koninkrijk heeft zijn volk uit mijn hand en de hand van mijn vaderen kunnen redden. Hoeveel te minder zal uw God u uit mijn hand kunnen redden?16En nog meer spraken zijn dienaren tegen de HEERE God, en tegen Zijn dienaar Hizkia.17Ook schreef hij brieven om de HEERE, de God van Israël, te honen en over Hem te zeggen: Zoals de goden van de volken van de landen, die hun volk uit mijn hand niet gered hebben, zo zal de God van Hizkia Zijn volk niet uit mijn hand redden.). Op de door God vastgestelde tijd zullen ze zien dat Hij vóór Zijn volk is en daardoor vol ontzag voor Hem zijn.

Niet de dienaren bouwen Sion, maar de HEERE Zelf (vers 1717wanneer de HEERE Sion heeft opgebouwd,
in Zijn heerlijkheid verschenen is,
)
. Als Hij Sion, dat nu nog in puin ligt, heeft herbouwd, zal “Hij in Zijn heerlijkheid” verschijnen. Hij zal in Sion te midden van Zijn volk wonen. Van daaruit zal Zijn heerlijkheid overal op aarde gezien worden.

Hij zal Zijn herstellend werk doen als antwoord op “het gebed van de allerarmsten” en daarmee laten zien dat hij “hun gebed niet heeft veracht” (vers 1818Zich gewend heeft tot het gebed van de allerarmsten,
en hun gebed niet heeft veracht.
)
. De ‘allerarmsten’ zijn zij die geen enkele dunk van zichzelf hebben, “de armen van geest” (Mt 5:33Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.). Ze zijn het tegengestelde van de geest van Laodicéa (Op 3:1717Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent,). De Heer Jezus is de ware ‘Arme van geest’. Hij heeft nooit Zijn eigen eer gezocht, maar altijd die van Zijn God.

Wat is er door de eeuwen veel gebeden om het herstel van Sion. Dit geldt bovenal van de Messias, maar in navolging van Hem ook van het gelovig overblijfsel, dat God door de eeuwen heen altijd voor Zichzelf heeft bewaard.


Verzekering van herstel van Sion

19Dit wordt beschreven voor de volgende generatie.
Het volk dat geschapen wordt, zal de HEERE loven.
20Want Hij heeft uit Zijn heilige hoogte neergezien,
de HEERE heeft uit de hemel op de aarde [neer]gekeken,
21om het gekerm van de gevangenen te horen,
om los te maken wie ten dode zijn opgeschreven,
22zodat men van de Naam van de HEERE zal vertellen te Sion
en Zijn lof in Jeruzalem,
23wanneer de volken tezamen bijeen zullen komen,
en de koninkrijken, om de HEERE te dienen.

In deze verzen geeft de Heilige Geest een beschrijving van het herstel van Sion, dat is Jeruzalem, onder de regering van de Messias. “Dit wordt beschreven voor de volgende generatie” (vers 1919Dit wordt beschreven voor de volgende generatie.
Het volk dat geschapen wordt, zal de HEERE loven.
)
. Deze beschrijving ligt vast. Elke volgende generatie kan hier Gods plan voor de toekomst van Jeruzalem lezen. Het zal erop uitlopen dat er een volk is “dat geschapen wordt” en “de HEERE loven” zal. God bewerkt herstel en Hij schept een volk dat de zegeningen van dit herstel zal genieten.

Het woord “want” (vers 2020Want Hij heeft uit Zijn heilige hoogte neergezien,
de HEERE heeft uit de hemel op de aarde [neer]gekeken,
)
waarmee dit vers begint, geeft aan dat nu de reden volgt van wat in het vorige vers is gezegd. “Hij heeft uit Zijn heilige hoogte neergezien” (vgl. Dt 26:1515Zie neer uit Uw heilige woning, uit de hemel, en zegen Uw volk Israël en het land dat U ons gegeven hebt, zoals U onze vaderen gezworen hebt, een land dat overvloeit van melk en honing.; Js 63:1515Kijk [neer] uit de hemel en zie
uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,
Uw innerlijke bewogenheid
en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in.
)
. Hij is hoogverheven boven de aarde en in Zijn heiligheid ook volmaakt gescheiden van de zonde die daar welig tiert. Toch is Hij altijd betrokken geweest bij wat zich op aarde afspeelt en in het bijzonder bij wat Zijn volk wordt aangedaan. Hij “heeft uit de hemel op de aarde [neer]gekeken”.

In de hemel heeft Hij “het gekerm van de gevangenen” gehoord (vers 2121om het gekerm van de gevangenen te horen,
om los te maken wie ten dode zijn opgeschreven,
; vgl. Ex 2:23-2523Het gebeurde vele dagen daarna, toen de koning van Egypte gestorven was, dat de Israëlieten zuchtten en het uitschreeuwden vanwege de slavenarbeid. En hun hulpgeroep vanwege de slavenarbeid steeg omhoog tot God.24Toen hoorde God hun gekerm, en God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob.25En God zag naar de Israëlieten om en ontfermde Zich over hen.; 3:7-87De HEERE zei: Ik heb duidelijk de onderdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, gezien en heb hun geschreeuw [om hulp] vanwege hun slavendrijvers gehoord. Voorzeker, Ik ken hun leed.8Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.)
. Zijn voornemen is “om los te maken wie ten dode zijn opgeschreven”. De dood is een gevangenis. Daarin is niet alleen Israël gevangen, maar alle mensen zijn erin gevangen. Uit die gevangenis kan alleen Christus bevrijden. Hij is sterker dan dood en de duivel die de macht van de dood heeft (Hb 2:14-1514Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,15en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren.).

Door wat Hij met Zijn volk, het gelovig overblijfsel, zal doen, zal “men van de Naam van de HEERE zal vertellen te Sion en Zijn lof in Jeruzalem” (vers 2222zodat men van de Naam van de HEERE zal vertellen te Sion
en Zijn lof in Jeruzalem,
)
. Elk werk van herstel, of het nu gaat om Israël of in onze tijd om een individuele gelovige of een plaatselijke gemeente, heeft tot doel dat God wordt geloofd en geprezen.

Wie in verbinding met God en Christus is gebracht, is een levend bewijs van de macht van God om dingen ten goede te keren. Daarvan gaat een getuigenis uit, wat lof voor God bewerkt op de plaats waar Hij woont. Als de Heer Jezus regeert, zullen “de volken tezamen bijeen … komen” om Hem Zijn lof te vertellen (vers 2323wanneer de volken tezamen bijeen zullen komen,
en de koninkrijken, om de HEERE te dienen.
)
. “De koninkrijken” zullen komen “om de HEERE te dienen”. Alles en iedereen zal aan Hem onderworpen zijn en Hem met vreugde dienen.


Hij blijft Dezelfde

24Hij heeft mijn kracht op de weg neergedrukt,
mijn dagen heeft Hij verkort.
25Mijn God, zei ik, neem mij niet weg op de helft van mijn dagen,
Uw jaren duren voort van generatie op generatie.
26U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
27Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
28Maar U blijft Dezelfde,
aan Uw jaren zal geen einde komen.
29De kinderen van Uw dienaren zullen [veilig] wonen,
hun nageslacht zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.

Na het bemoedigende vooruitzicht van het herstel dat zal komen, horen we de lijdende Messias weer spreken (vers 2424Hij heeft mijn kracht op de weg neergedrukt,
mijn dagen heeft Hij verkort.
)
. De Messias ziet in wat Hem overkomt de hand van God. Hij neemt alles uit de hand van God aan. God heeft Zijn kracht op de weg die Hij op aarde is gegaan, neergedrukt. We zien hier de Messias in vernedering op aarde Zijn weg gaan. Hij maakt Zich weer een met Zijn volk, dat zich krachteloos gemaakt voelt op de weg die zij moeten gaan.

Behalve dat Hij krachteloos is gemaakt, zijn de dagen van Zijn verblijf op aarde verkort. Hij heeft ze niet vol kunnen maken. Daarover klaagt Hij tegen Zijn God en zegt tegen Hem: “Mijn God, …neem mij niet weg op de helft van mijn dagen” (vers 25a25Mijn God, zei ik, neem mij niet weg op de helft van mijn dagen,
Uw jaren duren voort van generatie op generatie.
; vgl. Js 38:1-31In die dagen werd Hizkia ziek, tot stervens toe. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, bij hem en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Regel [de zaken] van uw huis, want u zult sterven en niet leven.2Daarop keerde Hizkia zijn gezicht om naar de muur en bad tot de HEERE3en zei: Och HEERE, bedenk toch dat ik in trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde erg.)
. De dagen van een mens zijn zeventig jaar (Ps 90:10a10De dagen van onze jaren: daarin zijn zeventig jaren,
of, als wij zeer sterk zijn, tachtig jaren,
maar het beste daarvan is moeite en verdriet,
want het wordt snel afgesneden en wij vliegen heen.
)
. De Heer Jezus was drieëndertig jaar en daarmee in de kracht van Zijn leven als Mens. Als Hij over Zichzelf als het “groene hout” spreekt (Lk 23:3131Want als men dit doet met [het] groene hout, wat zal er met het dorre gebeuren?), beluisteren we daarin dezelfde gevoelens.

Als Godvrezende Israëliet heeft Hij, als Hij gehoorzaam is, de belofte van een lang leven in het land. Door Zijn onberispelijke leven heeft Hij dat ook verdiend. En nu wordt Hij uit het leven weggenomen. Als Mens is dat voor Hem een verschrikkelijk vooruitzicht. Niemand is ooit zo gehoorzaam en toegewijd aan God geweest en toch wordt Hij uitgeroeid, weggenomen uit het leven.

In vers 25b25Mijn God, zei ik, neem mij niet weg op de helft van mijn dagen,
Uw jaren duren voort van generatie op generatie.
verandert de Spreker en krijgt de Messias antwoord op Zijn vragen. Het bewijs dat het over de Messias gaat, vinden we in Hebreeën 1. Daar worden de verzen 26-2826U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
27Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
28Maar U blijft Dezelfde,
aan Uw jaren zal geen einde komen.
van deze psalm aangehaald om te bewijzen dat de Heer Jezus Jahweh Zelf is (Hb 1:10-1210En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen.11Zij zullen vergaan, maar U blijft;12en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’.). Daarom zegt God tegen Hem dat Zijn jaren voortduren “van generatie op generatie”. Hij wordt wel door de dood weggenomen op de helft van Zijn dagen, maar Hij zal uit de doden opstaan.

Vervolgens zegt Zijn God tegen Hem dat Hij de Schepper van de aarde en de hemel is (vers 2626U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
; Jh 1:33Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.; Ko 1:16-1716want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.17En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.; Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.)
. Hoe vernederd Hij als Mens op aarde ook mag zijn, Hij heeft “voorheen de aarde gegrondvest” en “de hemel is het werk” van Zijn handen. Hij staat aan het begin van alle dingen. Alle dingen hebben hun ontstaan te danken aan Hem Die Zelf niet is ontstaan, maar de Eeuwige is.

Hij heeft ook geen einde, terwijl Zijn werken dat wel hebben, want “die zullen vergaan” (vers 2727Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
)
. Spotters zeggen wel dat alles blijft zoals van het begin van de schepping (2Pt 3:44en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó [als] van [het] begin van [de] schepping.), maar zij zullen bedrogen uitkomen. De materiële wereld heeft in zichzelf geen leven en is ook niet eeuwig zoals de Schepper ervan. De overgang van vers 2626U hebt voorheen de aarde gegrondvest,
de hemel is het werk van Uw handen.
naar vers 2727Die zullen vergaan, maar Ú zult standhouden;
zij alle zullen verslijten als een kleed.
U zult ze verwisselen als een gewaad
en zij zullen verdwijnen.
is de overgang van ontstaan naar vergaan, van Genesis 1:1 naar Openbaring 21:1. Het geeft de enorme tegenstelling aan die er is tussen de Schepper en de schepping.

Het zal met de schepping gaan als met een “kleed”. Een kleed verslijt door het gebruik. Hij zal met de schepping handelen als met een “gewaad”. Hij doet ermee wat een mens doet als Hij een andere jas aantrekt. Dan doet hij de oude uit en trekt de nieuwe aan. In beide gevallen verdwijnt wat er eerst was. Het een na een proces, het ander door een korte handeling. Zo handelt de Zoon met de schepping. De oude schepping verdwijnt als oud. Hij verwisselt die voor een nieuwe schepping. Hij schept een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Op 20:1111En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.; 21:11En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.).

Maar de Zoon verandert niet. Hij “blijft Dezelfde” tot in eeuwigheid (vers 2828Maar U blijft Dezelfde,
aan Uw jaren zal geen einde komen.
; Hb 13:88Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.)
. Aan Zijn “jaren zal geen einde komen”. Zijn jaren zullen eindeloos voortduren, ook nu Hij Mens geworden is, want ook als Mens kent Hij geen einde. De schepping zal veranderd worden, maar Hijzelf is de Eeuwige en Onveranderlijke. Hij staat aan het begin van alle dingen en aan het einde van alle dingen is Hij er nog.

Dit is ook met het oog op de komende generaties een grote bemoediging (vers 2929De kinderen van Uw dienaren zullen [veilig] wonen,
hun nageslacht zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.
)
. We kunnen ons soms afvragen hoe het met hen zal gaan. Dan mogen we naar Hem kijken. Hij is voor elke generatie wat Hij voor eerdere generaties is geweest. Generaties en omstandigheden veranderen, maar Hij verandert niet.

Daarom wonen de kinderen veilig en zal het nageslacht van deze kinderen voor Gods aangezicht “bevestigd worden”. Zij zullen niet meer uit hun erfelijk bezit en uit hun land worden verjaagd of weggevoerd. Daar staat de toezegging van Jahweh gerant voor. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Zijn woorden zullen niet voorbijgaan (Mt 5:1818Want voorwaar, Ik zeg u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal niet één jota of één tittel van de wet voorbijgaan totdat alles is gebeurd.; 24:3535De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.).


Lees verder