Psalmen
Inleiding 1-4 Oprechtheid in de koning 5-8 Oprechtheid in de regering
Inleiding

Deze psalm beschrijft de beginselen waarnaar de Koning Zichzelf, Zijn huis en Zijn land zal regeren. Het is de laatste psalm van de reeks psalmen die over de Koning en Zijn regering gaan (Psalmen 93-101).


Oprechtheid in de koning

1Een psalm van David.
Ik zal zingen van goedertierenheid en recht,
voor U zal ik psalmen zingen, HEERE.
2Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.
Wanneer zult U tot mij komen?
Ik zal binnen mijn huis wandelen
met een oprecht hart.
3Ik zal mij geen verdorven praktijken
voor ogen stellen.
Ik haat wat de afvalligen doen,
[hun daden] zullen zich niet aan mij hechten.
4Het slinkse hart zal [ver] van mij weggaan,
de kwaaddoener zal ik niet kennen.

De psalm is “een psalm van David” (vers 1a1Een psalm van David.
Ik zal zingen van goedertierenheid en recht,
voor U zal ik psalmen zingen, HEERE.
)
. Hij zegt daarin dat hij “zal zingen van goedertierenheid en recht” (vers 1b1Een psalm van David.
Ik zal zingen van goedertierenheid en recht,
voor U zal ik psalmen zingen, HEERE.
)
. ‘Goedertierenheid en recht’ zijn de basis van zijn regering. Dat is bij David een wens geweest waaraan hij niet altijd heeft beantwoord. Het is bij de Zoon van David, de Messias, volmaakt waar. Dat geldt voor alles in deze psalm. We zien in wat David zegt, een beschrijving van de Messias.

Dat de Messias over goedertierenheid en recht zingt, is omdat Hij er zijn vreugde in vindt om in Zijn regering deze beide kenmerken te tonen. Die kenmerken bezit Hij omdat het de kenmerken van de HEERE zijn. Daarom zingt Hij psalmen voor de HEERE. Hij eert Hem daarmee.

Een koning moet “verstandig handelen”, met wijs beleid regeren, zonder zich te laten beïnvloeden in zijn regering en rechtspraak (vers 22Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.
Wanneer zult U tot mij komen?
Ik zal binnen mijn huis wandelen
met een oprecht hart.
)
. Dat zien we bij de Messias (Js 52:1313Zie, Mijn Knecht zal verstandig handelen,
Hij zal verhoogd worden en verheven, ja, zeer hoog verheven worden.
)
. Hij is persoonlijk onberispelijk en gaat “de volmaakte weg”. Dit is in de eerste plaats noodzakelijk. Een volmaakte weg is een weg die volledig in overeenstemming met Gods wil is. Alleen de Heer Jezus is de volmaakte weg gegaan. De psalm gaat in de eerste plaats over Hem.

De Koning vraagt aan de HEERE om Zijn aanwezigheid, Zijn nabijheid. Daardoor zal Hij in staat zijn om verstandig te handelen en de volmaakte weg te gaan. Het toont Zijn afhankelijkheid van God. Hij zal laten zien dat hij erop uit is om naar de wil van God te handelen en te wandelen door in Zijn huis “met een oprecht” hart te wandelen. Een oprecht hart is een hart dat er altijd op uit is het juiste te doen, zodat het tot Gods eer is. Zijn “huis” is het huis van Israël.

De oprechtheid van hart blijkt uit Zijn afschuw van elke vorm van kwaad. De Messias begint ermee te zeggen wat hij niet voor ogen zal stellen (vers 33Ik zal mij geen verdorven praktijken
voor ogen stellen.
Ik haat wat de afvalligen doen,
[hun daden] zullen zich niet aan mij hechten.
)
. Hij zal Zijn oog niet richten op “verdorven praktijken”. Wat er in Zijn hart is, Zijn oprechtheid, is onverenigbaar met praktijken die verderf veroorzaken. Dat Hij er niet naar zal kijken, houdt in dat hij er zelfs geen ‘oogcontact’ mee zal hebben. Zeker zal Hij als Koning verdorven praktijken zien en oordelen, maar hier gaat het om Zijn persoonlijke oprechtheid tegenover Zijn God (Ps 119:3737Wend mijn ogen af, zodat zij niet zien wat nutteloos is;
maak mij levend door Uw wegen.
; Js 33:15-1715Hij die wandelt in gerechtigheid en billijk spreekt,
die winstbejag door afpersing verwerpt,
die zijn handen [afwerend] schudt om geen geschenken aan te nemen,
die zijn oor dichtstopt om niet van bloedvergieten te horen,
die zijn ogen sluit om het kwaad niet te zien –
16die zal wonen op de hoogten;
bergvestingen [op] de rotsen zullen zijn veilige vesting zijn,
zijn brood wordt [hem] gegeven, van water is hij verzekerd.
17Uw ogen zullen de Koning aanschouwen in Zijn schoonheid.
Ze zullen een wijd uitgestrekt land zien.
)
. Job is in een bepaald opzicht een navolger van Hem (Jb 31:11Ik heb een verbond gesloten met mijn ogen;
hoe kan ik dan [begerig] naar een jonge vrouw kijken?
)
.

In Zijn hart is geen verbinding met het kwaad. Wat er wel in Zijn hart is, is “haat” voor “wat afvalligen doen”. Daarom zullen de daden van afvalligen “zich niet aan mij hechten”. Er is geen enkel aanknopingspunt in Hem waardoor verdorven praktijken en afvalligen Hem zouden kunnen beïnvloeden. Deze negatieve kenmerken zijn een bekrachtiging van Zijn volkomen toewijding aan God (vgl. Ps 1:1-21Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
2maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
)
.

In vers 44Het slinkse hart zal [ver] van mij weggaan,
de kwaaddoener zal ik niet kennen.
keert de psalmist terug naar het hart. “Het slinkse hart” staat tegenover het “oprechte hart” van vers 22Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.
Wanneer zult U tot mij komen?
Ik zal binnen mijn huis wandelen
met een oprecht hart.
. Het slinkse hart doet de Messias ver van zich weg. Dat betreft niet alleen wat in Hem is. Hij zal “de kwaaddoener … niet kennen”. De kwaaddoener volgt de ingevingen van zijn slinkse hart. Met hem wil de Godvrezende Koning, de Messias, niets te doen hebben. Hij kent hem niet eens (vgl. Mt 7:21-2321Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar hij die de wil doet van Mijn Vader Die in de hemelen is.22Velen zullen in die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet door Uw Naam geprofeteerd en door Uw Naam demonen uitgedreven en door Uw Naam vele krachten gedaan?23En dan zal Ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, werkers van de wetteloosheid!). Deze kwaaddoener is de antichrist die de afvalligen, die ook allemaal kwaaddoeners zijn, voorgaat in verdorven praktijken.


Oprechtheid in de regering

5Wie zijn naaste in het geheim lastert,
hem zal ik ombrengen.
Wie hoogmoedige ogen heeft en een trots hart,
hem zal ik niet verdragen.
6Mijn ogen zijn gericht op de trouwe [mensen] in het land,
opdat zij bij mij zullen zitten.
Wie op de volmaakte weg gaat,
die zal mij dienen.
7Wie bedrog pleegt,
zal binnen mijn huis niet verblijven.
Wie leugens spreekt,
zal voor mijn ogen geen stand houden.
8Elke morgen zal ik
alle goddelozen in het land ombrengen,
door allen die onrecht bedrijven,
uit de stad van de HEERE uit te roeien.

Dat de Koning verafschuwt en haat wat de afvalligen doen, komt tot uiting in Zijn oordeel over hun daden. Hij kan geen enkele vorm van ongerechtigheid in Zijn koninkrijk dulden. Wie zich in Zijn directe omgeving bevindt, moet net zo oprecht zijn als Hij, wat inhoudt dat zo iemand Zijn natuur heeft. Dan bezit hij dezelfde oprechtheid.

Bij wie dat anders is, bijvoorbeeld iemand die “zijn naaste in het geheim lastert”, brengt Hij om (vers 55Wie zijn naaste in het geheim lastert,
hem zal ik ombrengen.
Wie hoogmoedige ogen heeft en een trots hart,
hem zal ik niet verdragen.
)
. Hier zien we dat de Koning ook weet wat in het verborgene plaatsvindt, al is het een in het geheim uitgesproken lastering (Sp 20:88Een koning die op de rechterstoel zit,
schift met zijn ogen alle kwaad.
)
. Valse beschuldigingen bewijzen dat iemand “hoogmoedige ogen heeft en een trots hart”. De Messias kan dat “niet verdragen” en oordeelt dat (Dt 19:18-1918en de rechters moeten [de zaak] goed onderzoeken. En zie, is de getuige een valse getuige, heeft hij vals getuigd tegen zijn broeder,19dan moet u met hem doen zoals hij met zijn broeder dacht te doen. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.).

Wie Hij in Zijn omgeving wel kan verdragen en ook kan gebruiken voor het uitvoeren van Zijn orders, zijn ”de trouwe [mensen] in het land” (vers 66Mijn ogen zijn gericht op de trouwe [mensen] in het land,
opdat zij bij mij zullen zitten.
Wie op de volmaakte weg gaat,
die zal mij dienen.
)
. Op hen zijn Zijn ogen gericht (vgl. vers 3a3Ik zal mij geen verdorven praktijken
voor ogen stellen.
Ik haat wat de afvalligen doen,
[hun daden] zullen zich niet aan mij hechten.
)
. Bij hen ziet Hij dezelfde gezindheid die ook in Hem is. Mensen kunnen intelligent en kundig zijn en ervaring hebben, maar deze belangrijke eigenschappen zijn waardeloos als ze niet trouw zijn. Trouw is het belangrijkste in het bezig zijn voor de Heer (1Ko 4:22Verder wordt hier van de rentmeesters vereist, dat men trouw wordt bevonden.; Mt 25:21,2321Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.23Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.).

De trouwe mensen mogen bij Hem zitten, in Zijn directe nabijheid. Zitten kan betekenen aan Zijn tafel zitten en met Hem eten (vgl. 2Sm 9:11,1311En Ziba zei tegen de koning: Overeenkomstig alles wat mijn heer de koning zijn dienaar gebiedt, zo zal uw dienaar doen; Mefiboseth zal aan mijn tafel eten als een van de zonen van de koning.13Zo woonde Mefiboseth in Jeruzalem, omdat hij voortdurend aan de tafel van de koning at. Hij was kreupel aan zijn beide voeten.). Het kan ook betekenen met Hem op een troon zitten om met Hem te regeren (Mt 19:2828Jezus nu zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.; Op 4:44en rondom de troon waren vierentwintig tronen, en op de tronen zaten vierentwintig oudsten, bekleed met witte kleren en op hun hoofden gouden kronen.). De Messias omringt Zich met mensen die op dezelfde weg gaan als de weg waarop Hij gaat, dat is “op de volmaakte weg” (vgl. vers 22Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.
Wanneer zult U tot mij komen?
Ik zal binnen mijn huis wandelen
met een oprecht hart.
)
. Zij mogen Hem “dienen” door zegen van Hem uit te delen aan allen over wie Hij regeert.

Daartegenover verwijdert Hij uit Zijn huis “wie bedrog pleegt” (vers 77Wie bedrog pleegt,
zal binnen mijn huis niet verblijven.
Wie leugens spreekt,
zal voor mijn ogen geen stand houden.
)
. Dit zijn de fraudeurs, de huichelaars, de mensen die doen alsof ze oprecht zijn, maar in hun hart zich niet voor de Messias hebben gebogen. Ze hebben een schijn van Godsvrucht, maar de kracht ervan verloochenen ze (2Tm 3:55Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af.).

Na het doen van recht in Zijn eigen leven en in Zijn regering doet de Koning recht “in het land” en “de stad”, dat is Jeruzalem (vers 88Elke morgen zal ik
alle goddelozen in het land ombrengen,
door allen die onrecht bedrijven,
uit de stad van de HEERE uit te roeien.
)
. In het vrederijk is de duivel wel gebonden, maar is de mens nog wel in staat om te zondigen (Js 65:2020Daar zal niet meer zijn
een zuigeling die [maar enkele] dagen [leeft]
of een oude man
die zijn dagen niet zal volmaken,
want een jonge man zal sterven als een honderdjarige,
maar een zondaar, al is hij honderd jaar, zal vervloekt worden.
)
. Het wegdoen van de goddelozen en allen die onrecht bedrijven is een bezigheid waarmee de Messias in het vrederijk elke dag begint (Jr 21:1212huis van David. Zo zegt de HEERE:
Verschaf 's morgens recht,
en red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt,
anders laait Mijn grimmigheid op als een vuur
en brandt [die] zo, dat niemand blussen kan,
vanwege uw slechte daden.
; Zf 3:55De rechtvaardige HEERE is in haar midden,
Hij doet geen onrecht.
Elke morgen brengt Hij Zijn recht aan het licht,
er ontbreekt niets aan.
Maar wie onrecht doet, kent geen schaamte.
)
.


Lees verder