Prediker
Inleiding
Inleiding

Er staan drie boeken van de hand van Salomo in de Bijbel: Spreuken, Prediker en Hooglied. De Joodse traditie zegt dat hij
1. Hooglied in zijn jonge jaren heeft geschreven
2. Spreuken wanneer hij op middelbare leeftijd is,
3. Prediker wanneer hij oud is.

Daar valt wel wat voor te zeggen als we het verloop van het leven van Salomo kennen:
1. In Hooglied beschrijft hij zijn gevoelens voor de vrouw met wie hij zijn leven wil delen en hoe hij en zij bij elkaar komen.
2. In Spreuken is hij getrouwd. Hij spreekt tot zijn zoon en over de moeder van zijn zoon.
3. Het boek Prediker zal hij hebben geschreven wanneer hij oud en ontrouw is geworden aan God, maar ook door genade weer is hersteld in zijn relatie met God.

In Prediker schrijft hij over zijn ervaringen in het leven zonder gemeenschap met God, dat wil zeggen over de periode waarin hij van God is afgeweken. Hij leeft dan een leven ‘onder de zon’ zonder een directe, open verbinding met de hemel. Dat heeft hem tot zingevingsvragen gebracht: Wat is de zin van mijn leven? Is er iets wat mijn leven waardevol maakt? Wat is echte wijsheid? Hoe moet ik de dood een plaats geven in mijn bestaan? Welke plaats heeft God in mijn leven? De Prediker nodigt ons in zijn boek uit over dit soort vragen na te denken.

De filosofen van de wereld hebben er hun beroep van gemaakt om over dit soort vragen na te denken. Alleen doen ze dat in hun dwaasheid zonder God erbij te betrekken. Daarom heeft niemand iets aan al hun filosofische bespiegelingen. Kennisnemen van hun gedachtespinsels is alleen maar vermoeiend (Pr 12:1212Wat erbovenuit gaat, mijn zoon, wees gewaarschuwd! Er komt geen einde aan vele boeken te maken, en veel studeren vermoeit het lichaam.). Zij zouden er goed aan doen bij de Prediker in de leer te gaan.

De Prediker is een filosoof die het geloof in God niet heeft prijsgegeven. Dat maakt hem tot een echte wijze. God is op de achtergrond aanwezig bij alles wat hij overweegt. Het is voor ieder denkend mens onmogelijk Hem te negeren. De Prediker gelooft zeker wel in God en houdt ook rekening met Hem. Hij komt na al zijn onderzoekingen uiteindelijk ook uit bij God. Zijn bedoeling met dit boek is om ons te waarschuwen niet in dezelfde fouten als hij te vallen. Dit doet hij door zijn ervaringen aan ons – en in het bijzonder jonge mensen – door te geven.

Ger de Koning

Middelburg, november 2016

Inleiding op Prediker

De Prediker is Salomo. Na een goed begin als koning maakt Salomo later in zijn leven een diepe val. Hij wendt zich in zijn hart van God, de Bron van alle genade, af (1Kn 11:44Het was in de tijd van Salomo’s ouderdom [dat] zijn vrouwen zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan, zodat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David,). In zijn goede jaren heeft hij zijn zoon erop gewezen zijn hart te bewaren (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
en op te passen voor vreemde vrouwen (Sp 2:1616om je te redden van de vreemde vrouw,
de onbekende [die] met haar woorden vleit,
)
. Hij heeft echter zelf zijn hart niet bewaard en is gevallen in de kuil van vreemde vrouwen. We zien in Salomo waartoe de meest wijze mens op aarde kan komen als hij zijn voortdurende afhankelijkheid van God vergeet.

Het kan niet anders of Salomo is na zijn val weer hersteld. Er zijn enkele argumenten die aantonen dat hij “Jedid-Jah”, de geliefde van Jahweh, is gebleven (2Sm 12:2525en zond een [boodschap] door de dienst van de profeet Nathan en noemde zijn naam Jedid-Jah, omwille van de HEERE.):
1. Salomo is een beeld van de Messias in Zijn vrederijk. Daarom is het ondenkbaar dat hij uiteindelijk toch verworpen zou zijn.
2. We zien ook dat het afsluitende commentaar op zijn leven over zijn wijsheid gaat, niet over zijn afwijking (1Kn 11:4141Het overige nu van de geschiedenis van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet beschreven in het boek met de geschiedenis van Salomo?).
3. Verder wordt hij in één adem genoemd met zijn vader David als het gaat om de weg die beiden zijn gegaan (2Kr 11:1717Zo versterkten zij het koninkrijk Juda en maakten zij Rehabeam, de zoon van Salomo sterk, drie jaar; want drie jaar [lang] gingen zij in de weg van David en Salomo.).
4. Ook zien we dat de geschiedschrijver van 2 Kronieken aan de zonden van Salomo voorbijgaat, wat niet juist zou zijn geweest als die niet vergeven zouden zijn.

Nog een argument is dat het ontstaan van het boek Prediker alleen te verklaren is als we in Salomo een man aan het woord horen die is teruggekeerd bij God. Hij heeft na zijn najagen van wind zijn wijsheid van God teruggekregen. In wat hij in Prediker 7 zegt (Pr 7:2626Ik vond iets wat bitterder is dan de dood:
de vrouw die een vangnet is.
Haar hart is een sleepnet,
haar handen zijn boeien.
Wie goed is voor het aangezicht van God,
zal aan haar ontkomen,
maar een zondaar wordt door haar gevangen.
)
, lijkt hij zijn verkeerde weg te belijden. Alles spreekt er dan ook voor dat het boek is ontstaan nadat de schrijver weer zijn enige en volle voldoening in God heeft teruggevonden.

Het is denkbaar dat hij door zijn slechte voorbeeld anderen op het slechte pad heeft gebracht. Ook en juist hen wil hij leren. Nu hij tot bekering is gekomen, wil hij anderen voor deze rampzalige weg waarschuwen. Iemand die van een dwaalweg is teruggekeerd, zal ernaar verlangen anderen voor het gaan van een dwaalweg te waarschuwen (Ps 51:14-1514Geef mij de vreugde over Uw heil terug,
ondersteun mij met een geest van vrijmoedigheid.15Dan zal ik overtreders Uw wegen leren
en zondaars zullen zich tot U bekeren.
; Lk 22:3232Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden; en jij, als je eens bekeerd bent, versterk je broeders.)
.

Het thema van het boek is wijsheid. Het woord ‘wijsheid’ of ‘wijze’ komt bijna vijftig keer voor. Dit is geen aangeboren wijsheid, maar door ervaring opgedane en verkregen wijsheid; we kunnen ook zeggen dat het over een wijsheid gaat die door schade en schande opgedaan en verkregen is. Het betreft de wijsheid om zich verstandig te gedragen in dit leven (Pr 7:1212Immers, wijsheid [biedt] schaduw en geld [biedt] schaduw.
Het voordeel van kennis is echter dat wijsheid haar bezitters het leven geeft.
)
. De oudere onderwijst de jongere op grond van zijn ervaring. Hij deelt zijn verworven ervaringen mee aan de jongeren.

Het boek Spreuken is ook een wijsheidsboek. In dat boek gaat het om de wijsheid die wij nodig hebben om onze weg tot het einde toe veilig te kunnen gaan. Spreuken leidt de mens in het licht van de vreze Gods, om daarin te blijven. Prediker leidt de mens rond in de duisternis van de wereld zonder God, maar toont ook lichtpunten, die des te helderder stralen naarmate de duisternis groter wordt. We kunnen misschien zeggen dat Prediker de inleiding op Spreuken is ofwel dat Spreuken begint waar Prediker ophoudt.

Het boek kan het best worden samengevat met de woorden die de Heer Jezus spreekt tegen de Samaritaanse vrouw die bij de bron van Sichar water komt putten: “Wie van dit water drinkt, zal weer dorst hebben” (Jh 4:1313Jezus antwoordde en zei tot haar: Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben;). De bron van Sichar is een beeld van een dorre, misleidende wereld waar geen blijvend geluk gevonden wordt. In die wereld worden we door de Prediker rondgeleid. Het merendeel van de mensen lijkt op de arme Samaritaanse vrouw voordat zij die gedenkwaardige ontmoeting met de Heer Jezus heeft. Zij houwen zichzelf bakken uit die geen water houden (Jr 2:1313Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:
Mij, de bron van levend water,
hebben zij verlaten,
om zich bakken uit te hakken,
lekkende bakken,
die geen water houden.
)
, dat wil zeggen dat ze genoegdoening zoeken in de dingen van de wereld die nooit de genoegdoening geven die ze zoeken.

Het boek beschrijft allerlei pogingen om op aarde gelukkig te worden, maar altijd is het tevergeefs. Globaal genomen gaat het om vijf aspecten van het leven die worden uitgeprobeerd om te zien of het bezit daarvan blijvend geluk geeft: wijsheid, plezier, bezit, macht en vroomheid. Salomo onderzoekt deze dingen om te zien of het bezit van een van deze dingen het hart blijvend geluk en voortdurende voldoening geeft.

Het zijn geen zondige dingen. Het betreft het bezig zijn met dingen die God geeft om ervan te genieten en wat het resultaat van dat genot is. Het hart rijst daarbij echter niet uit boven de schepping en blijft daarom ongelukkig. Als het erom gaat de ware zin van het leven te vinden in wat de schepping aan genot biedt, is de teleurstelling groot. Steeds blijkt dat op alle dingen op aarde vanwege de tijdelijkheid ervan het etiket ‘vluchtig’ of ‘zinloos’ geplakt zit.

We zouden kunnen zeggen: het hart blijft steken in de zegen en komt niet uit bij de Bron van de zegen. Een duidelijk voorbeeld vinden we al in het begin van de Bijbel. God heeft tegen de mens gezegd dat hij niet mag eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Eva spreekt in haar antwoord aan de slang echter niet over de boom, maar over de vrucht van de boom. Dat geeft aan dat haar aandacht is verplaatst van de Bron van zegen naar de zegen zelf. En dan zijn we op het terrein van Prediker

Christenen kunnen zich afvragen hoe de nadruk die in dit boek wordt gelegd op het gebruik en het genieten van het leven in overeenstemming te brengen is met het gebod in het Nieuwe Testament om de wereld niet lief te hebben (1Jh 2:1515Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.). Het antwoord is dat de leraar – de Prediker – volledig instemt met de verklaring van Johannes: “Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeerte” (1Jh 2:16-1716Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.17En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.). Er kan nauwelijks een betere verklaring van het hele thema van dit boek gegeven worden. De bevindingen van de Prediker die hij in dit boek neerlegt, bevestigen dat het leven in de wereld alleen betekenis heeft als de mens zich zijn Schepper herinnert (Pr 12:11Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd,
voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen
waarvan u zeggen zult:
Ik vind er geen vreugde in;
1sluit direct aan bij het voorgaande. Omdat de jonge jaren voorbij zijn voordat hij er erg in heeft (Pr 11:10), houdt de Prediker de jongeman voor: “Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd.” De jonge mens moet niet alleen denken aan zijn welzijn, maar vooral ook aan zijn Schepper, zijn Maker. “Denk aan” is niet slechts een herinnering om niet te vergeten, maar een gebod dat een volledige toewijding aan God inhoudt om Hem lief te hebben, te dienen en te vrezen. God wil dit ‘denken aan’ vertaald zien in de praktijk van het leven. Het gaat erom als rentmeesters te leven die verantwoording zullen afleggen aan onze Schepper over wat we met ons leven hebben gedaan.
)
.

De Prediker stelt het leven waarin het om het eigen ‘ik’ draait tegenover het leven waarin het om God draait. Afwisselend komen we de twee klassen tegen waaruit de mensheid bestaat. De ene klasse bestaat uit de Godvrezende (Pr 3:1414Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet [het] opdat men vreest voor Zijn aangezicht.
; 5:77Indien u onderdrukking van de arme en beroving van recht en gerechtigheid in het gewest ziet, wees dan over dat verschijnsel niet verbijsterd. Want een hooggeplaatste let op een [andere] hooggeplaatste, en [nog] hoger geplaatsten [letten] op hén.; 7:1818Het is goed dat u aan het ene vasthoudt
en daarbij uw hand niet van het andere aftrekt.
Immers wie God vreest, ontkomt aan dit alles.
; 8:12-1312Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaaddoet, verlengt [God] zijn [dagen]. Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.13Maar de goddeloze zal het niet goed gaan en hij zal [zijn] dagen niet verlengen. Hij zal zijn als een schaduw, want hij vreest niet voor Gods aangezicht.; 12:1313De slotsom van al wat [door u] gehoord is, [is dit]:
Vrees God,
en houd u aan Zijn geboden,
want dit [geldt voor] alle mensen.
)
, de rechtvaardige (Pr 3:1717Ik zei in mijn hart:
De rechtvaardige en de goddeloze
zal God oordelen,
want er is een tijd voor elk voornemen
en voor elk werk.
; 7:15-16,2015Dit alles heb ik gezien
in mijn vluchtige dagen:
er is een rechtvaardige die omkomt in zijn rechtvaardigheid,
en er is een goddeloze die bij [al] zijn slechtheid [zijn dagen] verlengt.
16Wees niet al te rechtvaardig
en acht uzelf niet bovenmate wijs.
Waarom zou u uzelf verwoesten?
20Voorzeker, er is geen mens rechtvaardig op de aarde,
die goeddoet en niet zondigt.
; 8:1414Er is iets vluchtigs wat op de aarde plaatsvindt: er zijn rechtvaardigen die het vergaat naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen die het vergaat naar het werk van de rechtvaardigen. Ik zeg dat ook dit vluchtig is.; 9:1-21Voorzeker, dit alles heb ik ter harte genomen, zodat ik dit alles zou kunnen verklaren: hoe de rechtvaardigen en de wijzen en hun werken in de hand van God zijn. Ook liefde, ook haat kent de mens niet: alles ligt vóór hem.2Eén [en] hetzelfde overkomt allen als alle [anderen]: de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en reine en de onreine, wie offert en wie niet offert, wie goed is [vergaat het] net als de zondaar, wie zweert net als wie bevreesd is een eed [af te leggen].)
, de goede (Pr 9:22Eén [en] hetzelfde overkomt allen als alle [anderen]: de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en reine en de onreine, wie offert en wie niet offert, wie goed is [vergaat het] net als de zondaar, wie zweert net als wie bevreesd is een eed [af te leggen].), en de wijze (Pr 2:1414De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis. Toen merkte ik ook dat één lot hen allen treft.; 4:1313Beter een arme maar wijze jongeman, dan een oude maar dwaze koning die van geen waarschuwing meer wil weten.; 10:22Het hart van een wijze is tot zijn rechterhand, maar het hart van een dwaas is tot zijn linkerhand.). De andere klasse bestaat uit de zondaars (Pr 2:2626Want Hij geeft wijsheid, kennis en blijdschap aan de mens die goed is voor Zijn aangezicht. Aan de zondaar echter geeft Hij de bezigheid om te verzamelen en te vergaren, om het te geven aan wie goed is voor Gods aangezicht. Ook dat is vluchtig en najagen van wind.; 7:2626Ik vond iets wat bitterder is dan de dood:
de vrouw die een vangnet is.
Haar hart is een sleepnet,
haar handen zijn boeien.
Wie goed is voor het aangezicht van God,
zal aan haar ontkomen,
maar een zondaar wordt door haar gevangen.
; 8:1111Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen.; 9:2,182Eén [en] hetzelfde overkomt allen als alle [anderen]: de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en reine en de onreine, wie offert en wie niet offert, wie goed is [vergaat het] net als de zondaar, wie zweert net als wie bevreesd is een eed [af te leggen].18Wijsheid is beter dan wapentuig, maar één zondaar bederft veel goeds.)
en de goddelozen (Pr 3:1717Ik zei in mijn hart:
De rechtvaardige en de goddeloze
zal God oordelen,
want er is een tijd voor elk voornemen
en voor elk werk.
; 7:1515Dit alles heb ik gezien
in mijn vluchtige dagen:
er is een rechtvaardige die omkomt in zijn rechtvaardigheid,
en er is een goddeloze die bij [al] zijn slechtheid [zijn dagen] verlengt.
; 8:10,12-1410Evenzo heb ik gezien [hoe] de goddelozen begraven werden en ingingen, terwijl zij die oprecht gehandeld hadden, uit de heilige plaats moesten gaan en vergeten werden in de stad. Ook dat is vluchtig.12Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaaddoet, verlengt [God] zijn [dagen]. Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.13Maar de goddeloze zal het niet goed gaan en hij zal [zijn] dagen niet verlengen. Hij zal zijn als een schaduw, want hij vreest niet voor Gods aangezicht.14Er is iets vluchtigs wat op de aarde plaatsvindt: er zijn rechtvaardigen die het vergaat naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen die het vergaat naar het werk van de rechtvaardigen. Ik zeg dat ook dit vluchtig is.; 9:22Eén [en] hetzelfde overkomt allen als alle [anderen]: de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en reine en de onreine, wie offert en wie niet offert, wie goed is [vergaat het] net als de zondaar, wie zweert net als wie bevreesd is een eed [af te leggen].)
. Zondaars en goddelozen zijn de opzettelijke schurken. Er is ook vaak sprake van de dwaas, van dwazen en van dwaasheid (Pr 2:14-1614De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis. Toen merkte ik ook dat één lot hen allen treft.15Toen zei ik in mijn hart: Zoals het lot van de dwaas ook mijzelf treft, waarom ben ik dan toen zo bovenmate wijs geweest? Ik sprak in mijn hart: Ook dat was vluchtig.16Er is immers voor eeuwig niet meer herinnering aan een wijze dan aan een dwaas. Wat er nu is, wordt in de dagen die komen, allemaal vergeten. Hoe sterft de wijze met de dwaas?; 10:12-1312Woorden uit de mond van een wijze zijn aangenaam, maar de lippen van een dwaas verslinden hemzelf.13Het begin van de woorden uit zijn mond is dwaasheid en het laatste uit zijn mond boosaardige zotternij.). De dwaas is iemand die goddeloos en slecht is (Ps 14:11Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
; 53:11Een onderwijzing van David, voor de koorleider, op Machalath.)
. Het is iemand die geen enkele moeite doet om de wil van God te ontdekken omdat hij God volledig negeert en doet alsof Hij niet bestaat.

De Prediker toont zich een meester in het doorprikken van allerlei beelden, zoals die over de waarde van kennis en wijsheid, het opgaan in plezier en genot, het belang van hard werken, het beheersen van je eigen leven en het streven naar recht en gerechtigheid. Hij weet waarover hij praat: hij heeft zich onder het volk begeven en is bij boeren en arbeiders langsgegaan, is in de huizen van rijken geweest, heeft plaatsen bezocht waar recht wordt gesproken en is aanwezig geweest op begrafenissen en bruiloften. Overal waar hij zijn gezicht heeft laten zien, heeft hij geluisterd naar wat er is gezegd en heeft hij zijn ogen goed de kost gegeven.

Zijn conclusie is dus niet gebaseerd op oppervlakkige waarneming. Hij trekt zijn conclusie na grondig onderzoek en diepe doordenking. Als hij na al zijn onderzoek als boodschap heeft dat alles vluchtig is, net zoals een ademtocht, dan weet hij wat hij zegt. Hij constateert dat er niets blijvend, niets duurzaam is. Alles is slechts beperkt houdbaar of heeft slechts een kortstondige uitwerking. Je kunt bijvoorbeeld wel streven naar gerechtigheid, maar je zult zien dat het recht op de straten blijft struikelen. Hij zegt niet dat het hard werken zinloos is, maar dat al het zwoegen van de mens niets blijvends oplevert. Onze idealen zijn net als onze adem in de frisse morgenlucht: we zien even een mooi wolkje en daarna is het weg, opgelost en ongrijpbaar verdwenen.

Indeling van het boek

    I. De zinloosheid van de natuur, de wijsheid en de rijkdom (Pr 1:1-2:231De woorden van Prediker, de zoon van David, koning in Jeruzalem.2Een en al vluchtigheid, zegt Prediker,
een en al vluchtigheid, alles is vluchtig.
)

        1. Het thema: Alles is frustratie (Pr 1:1-31De woorden van Prediker, de zoon van David, koning in Jeruzalem.2Een en al vluchtigheid, zegt Prediker,
een en al vluchtigheid, alles is vluchtig.3Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen
waarmee hij zwoegt onder de zon?
)

        2. De frustratie in de natuur en de geschiedenis (Pr 1:4-114[De ene] generatie gaat en [de andere] generatie komt,
maar de aarde blijft voor eeuwig staan.
5De zon gaat op, de zon gaat onder,
en zij hijgt naar haar plaats, waar zij opging.
6[De wind] gaat naar het zuiden
en draait naar het noorden.
[Al] draaiend [en] draaiend
gaat de wind,
en al draaiend
keert de wind [weer] terug.
7Alle rivieren gaan naar de zee,
toch raakt de zee niet vol.
Naar de plaats vanwaar de rivieren kwamen,
daarheen keren zij terug, om [vandaar weer] te gaan [stromen].
8Alle dingen zijn [zo] vermoeiend,
dat niemand het kan uitspreken.
Het oog wordt niet verzadigd van zien,
het oor wordt niet vol van horen.9Wat er geweest is, dat zal er [weer] zijn.
Wat er plaatsvindt, dat zal [weer] plaatsvinden.
Er is niets nieuws onder de zon.
10Is er iets waarvan men kan zeggen:
Kijk eens, dat is nieuw?
In de eeuwen die voor ons geweest zijn,
is het er al geweest.
11Er is geen herinnering aan de vroegere dingen.
Ook aan latere dingen, die [nog] komen,
zal geen herinnering zijn
bij hen die daarna komen.
)

        3. De frustratie van wijsheid (Pr 1:12-1812Ik, Prediker, was koning over Israël in Jeruzalem.13Ik legde mij met [heel] mijn hart erop toe met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren alles wat er onder de hemel plaatsvindt. Dat is een treurige bezigheid, die God aan de mensenkinderen gegeven heeft om zich ermee te vermoeien.14Ik heb alle werkzaamheden gezien die er onder de zon plaatsvinden, en zie, het was alles vluchtig en najagen van wind.
15Het kromme kan niet rechtgemaakt worden
en wat ontbreekt, kan niet meegeteld worden.
16Ik overwoog in mijn hart: Zie, ik heb [mijn] wijsheid vergroot en vermeerderd, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn [de hunne]. Mijn hart heeft veel wijsheid en kennis ontdekt.17Ik legde mij met [heel] mijn hart erop toe wijsheid te kennen, en onverstand en dwaasheid te leren kennen. Ik merkte dat ook dit [slechts] najagen van wind is.
18Want in veel wijsheid zit veel verdriet.
Wie kennis vermeerdert, vermeerdert leed.
)

        4. De frustratie van onbegrensde rijkdom (Pr 2:1-111Ik zei in mijn hart: Kom toch, ik zal u op de proef stellen met blijdschap, en zie [daarom] het goede aan. Maar zie, ook dat was vluchtig.2Over het lachen zei ik: Dwaasheid, en over de blijdschap: Wat brengt die teweeg?3Ik onderzocht mijn hart door mijn lichaam te verkwikken met wijn (mijn hart echter behield in wijsheid de leiding) en door dwaasheid aan te grijpen, totdat ik zou zien wat het beste is voor de mensenkinderen om onder de hemel te doen [tijdens] het getal van hun levensdagen.4Ik heb voor mijzelf grootse dingen tot stand gebracht:
Ik bouwde mij huizen,
ik plantte mij wijngaarden.
5Ik legde mij tuinen en boomgaarden aan
en plantte daarin allerlei vruchtbomen.
6Ik legde mij waterbekkens aan
om daaruit een bos met jonge bomen te bevochtigen.
7Ik verwierf slaven en slavinnen
en de [in] huis [geboren] kinderen behoorden mij toe.
Ook had ik grote kudden runderen en kleinvee,
meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn.
8Ik vergaarde mij ook zilver en goud,
kostbaarheden van koningen en gewesten.
Ik zorgde voor zangers en zangeressen,
en de genoegens van de mensenkinderen: genot in overvloed.
9Ik werd groter en nam toe,
meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn.
Ook bleef mijn wijsheid bij mij.
10Al wat mijn ogen verlangden,
onthield ik ze niet.
Ik ontzegde mijn hart
geen enkele blijdschap,
want mijn hart werd verblijd
vanwege al mijn zwoegen.
Dat was mijn deel voor al mijn zwoegen.
11Toen richtte ik [mijn aandacht] op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.
)

        5. De uiteindelijke frustratie: de dood (Pr 2:12-2312Daarna richtte ik [mijn aandacht] op het bezien van wijsheid, ook van onverstand en dwaasheid. Immers, hoe zal de mens die na de koning komt, [doen] wat al gedaan is?13Toen zag ik dat de wijsheid voorkeur heeft boven de dwaasheid, evenals het licht voorkeur heeft boven de duisternis.14De wijze heeft ogen in zijn hoofd, maar de dwaas wandelt in de duisternis. Toen merkte ik ook dat één lot hen allen treft.15Toen zei ik in mijn hart: Zoals het lot van de dwaas ook mijzelf treft, waarom ben ik dan toen zo bovenmate wijs geweest? Ik sprak in mijn hart: Ook dat was vluchtig.16Er is immers voor eeuwig niet meer herinnering aan een wijze dan aan een dwaas. Wat er nu is, wordt in de dagen die komen, allemaal vergeten. Hoe sterft de wijze met de dwaas?17Daarom haatte ik het leven, want het werk dat plaatsvindt onder de zon, leek mij kwaad. Het is immers alles vluchtig en najagen van wind.18Ik haatte ook al mijn zwoegen waarmee ik zwoegde onder de zon, zwoegen dat ik zou moeten overlaten aan de mens die er na mij zijn zal.19Want wie weet of die wijs zal zijn of dwaas? Toch zal hij beschikken over al mijn zwoegen waarmee ik, zij het met wijsheid, heb gezwoegd onder de zon. Ook dat is vluchtig.20Zo kwam ik ertoe mijn hart te doen wanhopen vanwege al het zwoegen waarmee ik had gezwoegd onder de zon.21Want is er een mens wiens zwoegen met wijsheid, met kennis en met bekwaamheid geschiedt, hij moet die [als] zijn deel overgeven aan een mens die er niet voor gezwoegd heeft. Ook dat is vluchtig en een groot kwaad.22Ja, wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en aan wat zijn hart najaagt, waarvoor hij zwoegt onder de zon?23Want al zijn dagen zijn [vol] leed, zijn bezigheid is verdriet. Zelfs in de nacht komt zijn hart niet tot rust. Ook dat is vluchtig.)

    II. De Goddelijke orde van het leven (Pr 2:24-3:2224Is het [dan] niet goed voor de mens dat hij eet en drinkt en zichzelf in zijn zwoegen het goede laat genieten? Ook dit heb ik gezien: het komt uit de hand van God.)

        1. Dagelijks leven om van te genieten (Pr 2:24-2624Is het [dan] niet goed voor de mens dat hij eet en drinkt en zichzelf in zijn zwoegen het goede laat genieten? Ook dit heb ik gezien: het komt uit de hand van God.25– Wie eet en wie geniet er immers meer van dan ikzelf? –26Want Hij geeft wijsheid, kennis en blijdschap aan de mens die goed is voor Zijn aangezicht. Aan de zondaar echter geeft Hij de bezigheid om te verzamelen en te vergaren, om het te geven aan wie goed is voor Gods aangezicht. Ook dat is vluchtig en najagen van wind.)

        2. Gods plan voor het leven (Pr 3:1-81Voor alles is er een vastgestelde tijd,
en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.2Er is een tijd om geboren te worden
en een tijd om te sterven;
een tijd om te planten
en een tijd om het geplante uit te trekken;3een tijd om te doden
en een tijd om te genezen,
een tijd om af te breken
en een tijd om op te bouwen;4een tijd om te huilen
en een tijd om te lachen,
een tijd om rouw te bedrijven
en een tijd om te huppelen;5een tijd om stenen weg te werpen
en een tijd om stenen te verzamelen,
een tijd om te omhelzen
en een tijd om zich ver te houden van omhelzen;6een tijd om te zoeken
en een tijd om verloren te laten gaan,
een tijd om te bewaren
en een tijd om weg te werpen;7een tijd om stuk te scheuren
en een tijd om dicht te naaien,
een tijd om te zwijgen
en een tijd om te spreken;8een tijd om lief te hebben
en een tijd om te haten,
een tijd van oorlog
en een tijd van vrede.
)

        3. De delen en het geheel (Pr 3:9-159Welk voordeel heeft hij die werkt, van datgene waarvoor hij zwoegt?10Ik heb gezien welke bezigheid God de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te vermoeien.11Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden.12Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven,13ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God.14Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet [het] opdat men vreest voor Zijn aangezicht.
15Wat er is, was er al,
en wat er zijn zal, is er al geweest.
God zoekt wat voorbijgegaan is.
)

        4. De gevolgen van de sterfelijkheid (Pr 3:16-2216Verder heb ik ook gezien onder de zon:
op de plaats van het recht,
daar was goddeloosheid,
en op de plaats van de gerechtigheid,
daar was onrecht.
17Ik zei in mijn hart:
De rechtvaardige en de goddeloze
zal God oordelen,
want er is een tijd voor elk voornemen
en voor elk werk.18Wat de mensenkinderen betreft, zei ik in mijn hart dat God hen zal toetsen, en dat zij zullen inzien dat zij voor zichzelf [als] de dieren zijn.19Want wat de mensenkinderen overkomt, overkomt ook de dieren. Hun overkomt een [en] hetzelfde. Zoals de een sterft, zo sterft de ander, en zij hebben alle een [en] dezelfde adem. De mensen hebben niets voor op de dieren, want alles is vluchtig.
20Zij gaan allen naar één plaats:
zij zijn allen uit het stof
en zij keren allen terug tot het stof.
21Wie merkt op
dat de adem van de mensenkinderen
naar boven stijgt
en de adem van de dieren
naar beneden daalt naar de aarde?22Zo heb ik ingezien dat er niets beter is dan dat de mens zich verblijdt in zijn werken, want dat is zijn deel. Wie zal hem immers [zo ver] brengen dat hij ziet wat na hem gebeuren zal?
)

    III. De frustratie van de politiek (Pr 4:1-161Opnieuw zag ik al de onderdrukking die er onder de zon plaatsvindt. En zie, de tranen van de onderdrukten; zij hadden echter geen trooster. Aan de kant van hun onderdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen trooster.2Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden, [omdat] die nog steeds in leven zijn.3Beter af dan die beiden is wie er nog nooit is geweest, die niet gezien heeft het kwaaddoen dat er onder de zon plaatsvindt.4Verder zag ik [van] al het zwoegen en alle bekwaamheid bij het werk, dat het iemand afgunst [oplevert] van zijn naaste. Ook dat is vluchtig en najagen van wind.5De dwaas vouwt zijn handen samen en eet zijn eigen vlees.6Een hand vol rust is beter dan beide vuisten vol zwoegen en najagen van wind.7Opnieuw zag ik iets vluchtigs onder de zon.8Er is er één, en geen tweede. Hij heeft ook geen kind of broer en toch komt er geen einde aan al zijn zwoegen. Ook wordt zijn oog niet verzadigd van rijkdom. [Nooit is het:] Voor wie tob ik mij af en laat ik mijzelf het goede ontbreken? Ook dat is vluchtig en een treurige bezigheid.9Twee zijn beter dan één, want [samen] krijgen zij een goede beloning voor hun zwoegen.10Want als zij vallen, helpt de één zijn metgezel overeind. Maar wee die ene die valt, terwijl er geen tweede is om hem overeind te helpen.11Ook als er twee [bij elkaar] liggen, hebben zij warmte, maar hoe moet één [alleen] warm worden?12En als iemand de één overweldigt, zullen die twee tegen hem standhouden. Een drievoudig snoer wordt niet snel gebroken.13Beter een arme maar wijze jongeman, dan een oude maar dwaze koning die van geen waarschuwing meer wil weten.14Ja, [iemand] komt uit de gevangenis om koning te worden, terwijl iemand die in zijn koninkrijk is geboren, verarmt.15Ik zag al de levenden onder de zon omgaan met de jongeman, de tweede, die voor hem in de plaats kwam.16Er komt geen einde aan al het volk, aan allen die er vóór hen waren. Ook zullen zij die later komen, zich niet over hem verblijden. Ja, ook dat is vluchtig en najagen van wind.)

    IV. De frustratie van het leven (Pr 5:1-7:291Wees niet te snel met uw mond,
en laat uw hart zich niet haasten
een woord te uiten voor het aangezicht van God.
Want God is in de hemel
en u bent op de aarde.
Laat daarom uw woorden weinig [in aantal] zijn.
2Want [zoals] de droom komt door veel bezigheid,
zo ook het gepraat van de dwaas door veelheid van woorden.3Wanneer u aan God een gelofte doet,
stel [dan] niet uit die na te komen,
want Hij heeft geen welgevallen aan dwazen.
Kom na wat u belooft.
4Het is beter dat u niet belooft,
dan dat u belooft maar niet nakomt.
5Sta uw mond niet toe,
uw vlees te doen zondigen.
Zeg ook niet in de tegenwoordigheid van de engel:
dat was een vergissing.
Waarom zou God zeer toornig worden om wat u zegt,
en het werk van uw handen te gronde richten?
6Want zoals er in een veelheid aan dromen [veel] vluchtigs is,
zo is het ook met de veelheid van woorden.
Daarom: vrees God!7Indien u onderdrukking van de arme en beroving van recht en gerechtigheid in het gewest ziet, wees dan over dat verschijnsel niet verbijsterd. Want een hooggeplaatste let op een [andere] hooggeplaatste, en [nog] hoger geplaatsten [letten] op hén.
)

        1. Stil voor God (Pr 5:1-71Wees niet te snel met uw mond,
en laat uw hart zich niet haasten
een woord te uiten voor het aangezicht van God.
Want God is in de hemel
en u bent op de aarde.
Laat daarom uw woorden weinig [in aantal] zijn.
2Want [zoals] de droom komt door veel bezigheid,
zo ook het gepraat van de dwaas door veelheid van woorden.3Wanneer u aan God een gelofte doet,
stel [dan] niet uit die na te komen,
want Hij heeft geen welgevallen aan dwazen.
Kom na wat u belooft.
4Het is beter dat u niet belooft,
dan dat u belooft maar niet nakomt.
5Sta uw mond niet toe,
uw vlees te doen zondigen.
Zeg ook niet in de tegenwoordigheid van de engel:
dat was een vergissing.
Waarom zou God zeer toornig worden om wat u zegt,
en het werk van uw handen te gronde richten?
6Want zoals er in een veelheid aan dromen [veel] vluchtigs is,
zo is het ook met de veelheid van woorden.
Daarom: vrees God!7Indien u onderdrukking van de arme en beroving van recht en gerechtigheid in het gewest ziet, wees dan over dat verschijnsel niet verbijsterd. Want een hooggeplaatste let op een [andere] hooggeplaatste, en [nog] hoger geplaatsten [letten] op hén.
)

        2. Geld en de dood (Pr 5:8-208De opbrengst van het land is er voor iedereen. [Ook] een koning wordt gediend met [de opbrengst van] het veld.9Wie het geld liefheeft, wordt van geld nooit verzadigd, en wie de overvloed liefheeft, niet van inkomsten. Ook dat is vluchtig.10Waar het goed vermeerdert, vermeerderen zij die het opeten. Welk voordeel hebben dan de bezitters ervan, behalve dat hun ogen [ernaar] kunnen kijken?11De slaap van de arbeider is zoet, of hij nu weinig of veel te eten heeft, maar de overvloed van een rijke houdt hem uit de slaap.12Er is een ziekmakend kwaad dat ik zag onder de zon: rijkdom door zijn bezitters bewaard tot hun [eigen] kwaad.13Vergaan echter die rijkdommen door boosaardige praktijken, en verwekt hij een zoon, dan heeft die totaal niets in zijn hand.14Zoals hij voortgekomen is uit de buik van zijn moeder, zal hij naakt terugkeren om te gaan zoals hij kwam. Hij zal van zijn zwoegen niets meenemen wat hij met zijn hand kan dragen.15Daarom is ook dit een ziekmakend kwaad: op geheel dezelfde wijze als hij gekomen is, gaat hij heen. Welk voordeel heeft hij, dat hij zwoegt voor de wind?16Al zijn dagen eet hij ook in duisternis. Veel verdriet had hij, bovendien [had hij] zijn ziekte en ergernis.17Zie, wat ik gezien heb: een goede zaak die voortreffelijk is, [namelijk] te eten en te drinken en het goede te genieten bij al zijn zwoegen waarmee hij zwoegt onder de zon [tijdens] het getal van zijn levensdagen, die God hem gegeven heeft, want dat is zijn deel.18Ook elke mens aan wie God rijkdom en bezittingen geeft en toestaat om daarvan te eten en zijn deel [ervan] te nemen om zich in zijn zwoegen te verblijden, dat is een gave van God.19Ja, hij zal niet veel [meer] denken aan zijn levensdagen, want God verhoort [hem] in de blijdschap van zijn hart.)

        3. Het onvervulde leven (Pr 6:1-91Er is een kwaad dat ik gezien heb onder de zon, en het komt veel voor onder de mensen:2een man, aan wie God rijkdom, bezittingen en eer geeft, heeft voor zichzelf geen gebrek aan al wat hij verlangt, maar God staat hem niet toe iets ervan te gebruiken. Iemand anders, een onbekende, verbruikt het. Dat is vluchtig. Een bittere kwelling is dat.3Als iemand honderd [kinderen] verwekt
en vele jaren leeft,
zodat de dagen van zijn jaren vele zijn,
maar hij zichzelf niet verzadigt met het goede,
en er zelfs geen graf voor hem is,
[dan is,] zeg ik, een misgeboorte beter af dan hij.
4Want die komt tevergeefs [ter wereld],
gaat heen in duisternis
en zijn naam wordt in de duisternis bedekt.
5Ook heeft hij de zon niet gezien
of gekend:
hij heeft meer rust dan die [man].
6Ja, al leefde hij tweemaal duizend jaar,
maar hij had het goede niet gezien –
gaan zij niet allen naar een [en] dezelfde plaats?7Al het zwoegen van de mens is voor zijn mond
en toch wordt de begeerte niet vervuld.
8Wat heeft immers de wijze vóór op de dwaas?
Wat baat het de arme dat hij weet
met de levenden om te gaan?
9Beter is het zien van de ogen
dan het gaan [in de weg van] de begeerte.
Ook dat is vluchtig en najagen van wind.
)

        4. Wat is goed? (Pr 6:10-1210Wat iemand ook is, zijn naam is al genoemd. Het is bekend dat hij een mens is. Hij kan niet in het geding treden tegen Hem Die sterker is dan hij.11Immers, hoe meer woorden er zijn, hoe meer vluchtigheid. Wat baat het de mens [dan nog]?12Want wie weet wat goed is voor de mens in dit leven, [tijdens] het getal van de dagen van zijn vluchtige leven, die hij als een schaduw doorbrengt? Wie zal de mens bekendmaken wat er na hem zal zijn onder de zon?)

        5. Praktische adviezen voor het dagelijks leven (Pr 7:1-141Een [goede] naam is beter dan goede olie
en de dag van de dood [is beter] dan de dag dat iemand geboren wordt.
2Het is beter naar een klaaghuis te gaan dan naar een huis te gaan [waar] een feestmaal [gehouden wordt].
Dat is immers het einde van ieder mens, en de levende moet het ter harte nemen.
3Verdriet is beter dan lachen,
want bij een treurig gezicht gaat het goed [met] het hart.
4Het hart van wijzen is in een klaaghuis,
maar het hart van dwazen in een huis van blijdschap.
5Het is beter te luisteren naar de bestraffing van een wijze
dan dat iemand luistert naar het lied van dwazen.
6Want als het knetteren van de dorens onder de [kook]pot,
zo is het lachen van de dwaas.
Ook dat is vluchtig.7Voorzeker, onderdrukking zou een wijze waanzinnig maken,
en geschenken bederven het hart.
8Het einde van een zaak is beter dan zijn begin.
Beter een geduldige geest dan een hoogmoedige geest.
9Wees niet te snel geërgerd in uw geest,
want ergernis rust in de boezem van dwazen.
10Zeg niet: Hoe komt het
dat de dagen van vroeger beter waren dan deze?
Want niet uit wijsheid
zou u dat vragen.11Wijsheid is goed met een erfelijk bezit:
een voordeel voor hen die de zon zien.
12Immers, wijsheid [biedt] schaduw en geld [biedt] schaduw.
Het voordeel van kennis is echter dat wijsheid haar bezitters het leven geeft.13Bezie het werk van God,
want wie kan rechtmaken wat Hij krom gemaakt heeft?
14Geniet op de dag van voorspoed
van het goede,
maar bedenk
op de dag van tegenspoed
dat God zowel de ene als de andere
gemaakt heeft,
zodat de mens niet kan doorgronden iets wat na hem zijn zal.
)

        6. Matigheid aanbevolen (Pr 7:15-2215Dit alles heb ik gezien
in mijn vluchtige dagen:
er is een rechtvaardige die omkomt in zijn rechtvaardigheid,
en er is een goddeloze die bij [al] zijn slechtheid [zijn dagen] verlengt.
16Wees niet al te rechtvaardig
en acht uzelf niet bovenmate wijs.
Waarom zou u uzelf verwoesten?
17Wees niet al te goddeloos
en wees niet [al te] dwaas.
Waarom zou u sterven vóór uw tijd?
18Het is goed dat u aan het ene vasthoudt
en daarbij uw hand niet van het andere aftrekt.
Immers wie God vreest, ontkomt aan dit alles.19De wijsheid maakt de wijze sterker
dan tien machthebbers die in de stad zijn.
20Voorzeker, er is geen mens rechtvaardig op de aarde,
die goeddoet en niet zondigt.
21Zet ook uw hart niet
op alle woorden die men spreekt,
opdat u niet hoort dat uw knecht u vervloekt.
22Want uw hart heeft
ook vele keren erkend
dat ook u
anderen hebt vervloekt.
)

        7. Slechte relaties (Pr 7:23-2923Dit alles heb ik met wijsheid beproefd.
Ik zei: Ik wil wijs worden,
maar [de wijsheid] bleef ver bij mij vandaan.
24Veraf is dat wat gebeurd is.
[Het zit] heel diep: wie kan het [terug]vinden?
25Ik kwam ertoe, ook [met] mijn hart, om te kennen en na te speuren,
wijsheid te zoeken en [tot] een slotsom [te komen],
om in te zien dat goddeloosheid dwaas
en dwaasheid onverstand is.26Ik vond iets wat bitterder is dan de dood:
de vrouw die een vangnet is.
Haar hart is een sleepnet,
haar handen zijn boeien.
Wie goed is voor het aangezicht van God,
zal aan haar ontkomen,
maar een zondaar wordt door haar gevangen.
27Zie, dit heb ik gevonden,
zegt Prediker,
het ene bij het andere,
om [tot] een slotsom te komen,
28die ik nog [altijd] zoek,
maar niet heb gevonden.
Eén man onder duizend heb ik gevonden.
Een vrouw onder die allen heb ik echter niet gevonden.
29Alleen, zie, dit heb ik gevonden:
dat God de mens oprecht gemaakt heeft,
maar zij hebben vele uitvluchten gezocht.
)

    V. Het leven met het oog op de dood (Pr 8:1-9:181Wie is als de wijze
en wie weet de verklaring van de dingen?
De wijsheid van de mens verlicht zijn gezicht,
zodat de stuursheid van zijn gezicht wordt veranderd.2Ik [zeg]: Houd u aan het bevel van de koning,
en wel vanwege de eed aan God.
3Haast u niet bij hem vandaan te gaan.
Houd niet vast aan een kwade zaak,
want hij doet alles wat hem behaagt,
4omdat het woord van de koning zeggenschap heeft.
Wie zal tegen hem zeggen: Wat doet u?
5Wie het gebod in acht neemt,
ondervindt geen kwaad.
Het hart van de wijze kent
tijd en gelegenheid.
6Want voor elk voornemen
is er een tijd en gelegenheid,
ja, het kwaad van de mens is overvloedig over hem.
7Want hij weet niet
wat er gebeuren zal.
Wie zal hem immers bekendmaken
wanneer het gebeuren zal?
8Er is geen mens die macht heeft over de geest,
om de geest in te houden.
Hij heeft geen zeggenschap over de dag van de dood,
er is geen vrijstelling in [deze] strijd
en de goddeloosheid laat de bedrijvers ervan niet ontkomen.9Dit alles heb ik gezien,
toen ik mij er met [heel] mijn hart op toelegde
al het werk [te begrijpen]
dat er plaatsvindt onder de zon:
er is een tijd dat de [ene] mens heerst over de [andere] mens, hem ten kwade.
)

        1. De onvermijdelijkheid van de dood (Pr 8:1-141Wie is als de wijze
en wie weet de verklaring van de dingen?
De wijsheid van de mens verlicht zijn gezicht,
zodat de stuursheid van zijn gezicht wordt veranderd.2Ik [zeg]: Houd u aan het bevel van de koning,
en wel vanwege de eed aan God.
3Haast u niet bij hem vandaan te gaan.
Houd niet vast aan een kwade zaak,
want hij doet alles wat hem behaagt,
4omdat het woord van de koning zeggenschap heeft.
Wie zal tegen hem zeggen: Wat doet u?
5Wie het gebod in acht neemt,
ondervindt geen kwaad.
Het hart van de wijze kent
tijd en gelegenheid.
6Want voor elk voornemen
is er een tijd en gelegenheid,
ja, het kwaad van de mens is overvloedig over hem.
7Want hij weet niet
wat er gebeuren zal.
Wie zal hem immers bekendmaken
wanneer het gebeuren zal?
8Er is geen mens die macht heeft over de geest,
om de geest in te houden.
Hij heeft geen zeggenschap over de dag van de dood,
er is geen vrijstelling in [deze] strijd
en de goddeloosheid laat de bedrijvers ervan niet ontkomen.9Dit alles heb ik gezien,
toen ik mij er met [heel] mijn hart op toelegde
al het werk [te begrijpen]
dat er plaatsvindt onder de zon:
er is een tijd dat de [ene] mens heerst over de [andere] mens, hem ten kwade.
10Evenzo heb ik gezien [hoe] de goddelozen begraven werden en ingingen, terwijl zij die oprecht gehandeld hadden, uit de heilige plaats moesten gaan en vergeten werden in de stad. Ook dat is vluchtig.11Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen.12Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaaddoet, verlengt [God] zijn [dagen]. Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.13Maar de goddeloze zal het niet goed gaan en hij zal [zijn] dagen niet verlengen. Hij zal zijn als een schaduw, want hij vreest niet voor Gods aangezicht.14Er is iets vluchtigs wat op de aarde plaatsvindt: er zijn rechtvaardigen die het vergaat naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen die het vergaat naar het werk van de rechtvaardigen. Ik zeg dat ook dit vluchtig is.
)

        2. Leven om van te genieten (Pr 8:15-9:1015Daarom prees ik de blijdschap, omdat de mens niets beters heeft onder de zon dan te eten, te drinken en zich te verblijden. Dat zal hem immers vergezellen bij zijn zwoegen, de dagen van zijn leven die God hem geeft onder de zon.)

        3. Onzekerheid en onrechtvaardigheid (Pr 9:11-1813Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien en voor mij was zij groot:14Er was een kleine stad met weinig mensen erin. Een groot koning trok ertegen op en omsingelde die. Hij bouwde er grote bolwerken tegenaan.15Daar trof men een arme, wijze man aan. Hij redde de stad door zijn wijsheid, maar geen mens dacht aan die arme man.
16Toen zei ik:
Wijsheid is beter dan kracht,
maar de wijsheid van de arme wordt veracht
en zijn woorden worden door niemand gehoord.
17Woorden van wijzen, in rust aangehoord, zijn beter dan het geroep van hem die over de dwazen heerst.18Wijsheid is beter dan wapentuig, maar één zondaar bederft veel goeds.
)

    VI. Spreuken (Pr 10:1-201Een dode vlieg doet de zalf van de zalfbereider stinkend gisten. Zo [doet ook] een kleine dwaasheid met kostbare wijsheid en eer.2Het hart van een wijze is tot zijn rechterhand, maar het hart van een dwaas is tot zijn linkerhand.3Ook wanneer de dwaas op de weg loopt, ontbreekt zijn verstand: hij zegt tegen iedereen dat hij een dwaas is.4Als de geest van de heerser zich tegen u keert, verlaat [dan] uw plaats niet, want het is een medicijn, het voorkomt grote zonden.5Er is een kwaad [dat] ik gezien heb onder de zon, een soort dwaling die van de machthebber afkomstig is:6de dwaas wordt op grote hoogten geplaatst, maar de rijken zitten in de laagte.7Ik heb dienaren te paard gezien en vorsten die als dienaren [te voet] over de aarde gingen.8Wie een kuil graaft, zal erin vallen. Wie een gat slaat in een muur, een slang zal hem bijten.9Wie stenen lostrekt, zal daardoor bezeerd worden. Wie hout klooft, zal daardoor gevaar lopen.10Als het ijzer bot wordt en iemand slijpt de snede niet, dan moet hij meer kracht zetten. Het voornaamste om te slagen is wijsheid.11Als de slang vóór de bezwering bijt, heeft de meesterbezweerder geen nut.12Woorden uit de mond van een wijze zijn aangenaam, maar de lippen van een dwaas verslinden hemzelf.13Het begin van de woorden uit zijn mond is dwaasheid en het laatste uit zijn mond boosaardige zotternij.14De dwaas gebruikt veel woorden, maar de mens weet niet wat er gebeuren zal. Wat er na hem zal gebeuren, wie zal het hem bekendmaken?15Het zwoegen van de dwazen maakt hen moe, omdat zij niet weten [hoe zij] naar de stad moeten gaan.16Wee u, land, als uw koning een kind is, als uw vorsten 's morgens maaltijd houden.17Gelukkig bent u, land, als uw koning een zoon van edelen is en uw vorsten op de juiste tijd maaltijd houden, tot versterking en niet om zich te bedrinken.
18Door grote luiheid zakt het gebinte ineen.
Door slapheid van handen gaat het huis lekken.
19Men richt maaltijden aan om te lachen,
wijn verblijdt de levenden,
en het geld verantwoordt alles.
20Vervloek zelfs in uw gedachten een koning niet en vervloek een rijke niet in uw slaapkamer, want de vogels in de lucht zouden het geluid mee kunnen voeren: wat vleugels bezit, zou het woord bekend kunnen maken.
)

        1. Wijze relaties (Pr 10:1-71Een dode vlieg doet de zalf van de zalfbereider stinkend gisten. Zo [doet ook] een kleine dwaasheid met kostbare wijsheid en eer.2Het hart van een wijze is tot zijn rechterhand, maar het hart van een dwaas is tot zijn linkerhand.3Ook wanneer de dwaas op de weg loopt, ontbreekt zijn verstand: hij zegt tegen iedereen dat hij een dwaas is.4Als de geest van de heerser zich tegen u keert, verlaat [dan] uw plaats niet, want het is een medicijn, het voorkomt grote zonden.5Er is een kwaad [dat] ik gezien heb onder de zon, een soort dwaling die van de machthebber afkomstig is:6de dwaas wordt op grote hoogten geplaatst, maar de rijken zitten in de laagte.7Ik heb dienaren te paard gezien en vorsten die als dienaren [te voet] over de aarde gingen.)

        2. Wijze planning (Pr 10:8-118Wie een kuil graaft, zal erin vallen. Wie een gat slaat in een muur, een slang zal hem bijten.9Wie stenen lostrekt, zal daardoor bezeerd worden. Wie hout klooft, zal daardoor gevaar lopen.10Als het ijzer bot wordt en iemand slijpt de snede niet, dan moet hij meer kracht zetten. Het voornaamste om te slagen is wijsheid.11Als de slang vóór de bezwering bijt, heeft de meesterbezweerder geen nut.)

        3. Wijze taal en gedachten (Pr 10:12-2012Woorden uit de mond van een wijze zijn aangenaam, maar de lippen van een dwaas verslinden hemzelf.13Het begin van de woorden uit zijn mond is dwaasheid en het laatste uit zijn mond boosaardige zotternij.14De dwaas gebruikt veel woorden, maar de mens weet niet wat er gebeuren zal. Wat er na hem zal gebeuren, wie zal het hem bekendmaken?15Het zwoegen van de dwazen maakt hen moe, omdat zij niet weten [hoe zij] naar de stad moeten gaan.16Wee u, land, als uw koning een kind is, als uw vorsten 's morgens maaltijd houden.17Gelukkig bent u, land, als uw koning een zoon van edelen is en uw vorsten op de juiste tijd maaltijd houden, tot versterking en niet om zich te bedrinken.
18Door grote luiheid zakt het gebinte ineen.
Door slapheid van handen gaat het huis lekken.
19Men richt maaltijden aan om te lachen,
wijn verblijdt de levenden,
en het geld verantwoordt alles.
20Vervloek zelfs in uw gedachten een koning niet en vervloek een rijke niet in uw slaapkamer, want de vogels in de lucht zouden het geluid mee kunnen voeren: wat vleugels bezit, zou het woord bekend kunnen maken.
)

    VII. Wijsheid voor de toekomst en het heden (Pr 11:1-101Werp uw brood uit over het water,
want na vele dagen zult u het vinden.
2Verdeel het in zevenen
of zelfs in achten,
want u weet niet
welk kwaad er over de aarde komen zal.
3Als de wolken vol zijn geworden,
gieten zij regen uit op de aarde.
Of een boom naar het zuiden valt
of naar het noorden,
op de plaats waar de boom valt,
daar blijft hij liggen.
4Wie op de wind blijft letten, zal niet zaaien.
Wie naar de wolken blijft kijken, zal niet oogsten.
5Evenmin als u weet wat de richting van de wind is, [of] hoe het [gaat] met de beenderen in de buik van een zwangere [vrouw], evenmin kent u het werk van God, Die alles maakt.6Zaai uw zaad in de morgen en trek uw hand in de avond niet terug. U weet immers niet of dit zal slagen of dat, of dat het allebei goed zal zijn.7Het licht is aangenaam,
en het doet de ogen goed de zon te zien.
8Ja, indien de mens vele jaren leeft,
laat hij zich dan al die [tijd] verblijden,
maar laat hij ook denken aan de dagen van duisternis,
want die zullen er veel zijn. Al wat [nog] komt, is een zucht.
9Verblijd u, jongeman, in uw jeugd,
en laat uw hart vrolijk zijn in de dagen van uw jeugd.
Ga in de wegen van uw hart
en [volg] wat uw ogen zien,
maar weet dat God u over dit alles
in het gericht zal brengen.
10Weer dus de wrevel uit uw hart,
en doe het kwade weg uit uw lichaam.
De jeugd en jonge jaren zijn immers een zucht.
)

        1. De onzekere toekomst en het huidige gedrag (Pr 11:1-61Werp uw brood uit over het water,
want na vele dagen zult u het vinden.
2Verdeel het in zevenen
of zelfs in achten,
want u weet niet
welk kwaad er over de aarde komen zal.
3Als de wolken vol zijn geworden,
gieten zij regen uit op de aarde.
Of een boom naar het zuiden valt
of naar het noorden,
op de plaats waar de boom valt,
daar blijft hij liggen.
4Wie op de wind blijft letten, zal niet zaaien.
Wie naar de wolken blijft kijken, zal niet oogsten.
5Evenmin als u weet wat de richting van de wind is, [of] hoe het [gaat] met de beenderen in de buik van een zwangere [vrouw], evenmin kent u het werk van God, Die alles maakt.6Zaai uw zaad in de morgen en trek uw hand in de avond niet terug. U weet immers niet of dit zal slagen of dat, of dat het allebei goed zal zijn.
)

        2. De zekere toekomst en het huidige gedrag (Pr 11:7-107Het licht is aangenaam,
en het doet de ogen goed de zon te zien.
8Ja, indien de mens vele jaren leeft,
laat hij zich dan al die [tijd] verblijden,
maar laat hij ook denken aan de dagen van duisternis,
want die zullen er veel zijn. Al wat [nog] komt, is een zucht.
9Verblijd u, jongeman, in uw jeugd,
en laat uw hart vrolijk zijn in de dagen van uw jeugd.
Ga in de wegen van uw hart
en [volg] wat uw ogen zien,
maar weet dat God u over dit alles
in het gericht zal brengen.
10Weer dus de wrevel uit uw hart,
en doe het kwade weg uit uw lichaam.
De jeugd en jonge jaren zijn immers een zucht.
)

    VIII. De frustratie van de ouderdom (Pr 12:1-81Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd,
voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen
waarvan u zeggen zult:
Ik vind er geen vreugde in;
2voordat de zon verduisterd wordt, evenals het licht
en de maan en de sterren,
en de wolken terugkeren
na de regen,
3op die dag, wanneer de bewakers van het huis zullen beven,
de sterke mannen zich zullen krommen,
de maalsters ophouden, omdat ze met weinigen zijn,
en zij die door de vensters kijken, verduisterd worden;
4wanneer de beide deuren naar de straat gesloten worden,
het geluid van de molen verzwakt,
men opstaat bij het geluid van de vogels,
en alle zangeressen neergebogen zullen worden,
5men ook gaat vrezen voor de hoogte,
en er verschrikkingen zijn op de weg,
de amandelboom gaat bloeien,
de sprinkhaan zichzelf tot last wordt,
en de kapperbes niet meer helpt
– de mens gaat immers naar zijn eeuwig huis:
rouwklagers doen de ronde in de straat –
6voordat het zilveren koord verwijderd wordt
en de gouden oliehouder verbrijzeld,
de kruik bij de bron stukgebroken wordt
en het rad bij de waterput verbrijzeld,
7het stof terugkeert naar de aarde zoals het was,
en de geest terugkeert
tot God, Die hem gegeven heeft.1sluit direct aan bij het voorgaande. Omdat de jonge jaren voorbij zijn voordat hij er erg in heeft (Pr 11:10), houdt de Prediker de jongeman voor: “Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd.” De jonge mens moet niet alleen denken aan zijn welzijn, maar vooral ook aan zijn Schepper, zijn Maker. “Denk aan” is niet slechts een herinnering om niet te vergeten, maar een gebod dat een volledige toewijding aan God inhoudt om Hem lief te hebben, te dienen en te vrezen. God wil dit ‘denken aan’ vertaald zien in de praktijk van het leven. Het gaat erom als rentmeesters te leven die verantwoording zullen afleggen aan onze Schepper over wat we met ons leven hebben gedaan.7beschrijft de Prediker het verval van de mens als gevolg van ouderdom. We zien hier de waarheid van het gezegde: ouderdom komt met gebreken. Ook de vereenzaming als gevolg van ouderdom speelt een rol die duidelijk maakt dat de rol is uitgespeeld. Kinderen hebben hun eigen drukke bezigheden en leeftijdgenoten zijn er nauwelijks meer, en als ze er zijn, hebben ze met dezelfde problemen te maken.8Een en al vluchtigheid,
zegt de Prediker,
alles is vluchtig.
)

    IX. Epiloog (Pr 12:9-149Overigens, Prediker was een wijze: voortdurend onderwees hij het volk in kennis, hij was opmerkzaam en onderzocht, hij stelde vele spreuken op.10Prediker zocht aangename woorden te vinden: het geschrevene is oprecht, woorden van waarheid.11De woorden van wijzen zijn als prikkels en als spijkers, diep ingeslagen door meesters in het verzamelen. Zij zijn gegeven door één Herder.12Wat erbovenuit gaat, mijn zoon, wees gewaarschuwd! Er komt geen einde aan vele boeken te maken, en veel studeren vermoeit het lichaam.13De slotsom van al wat [door u] gehoord is, [is dit]:
Vrees God,
en houd u aan Zijn geboden,
want dit [geldt voor] alle mensen.
14God zal namelijk elke daad
in het gericht brengen,
met alles wat verborgen is,
hetzij goed, hetzij kwaad.
)

        1. De geloofwaardigheid van de auteur (Pr 12:9-129Overigens, Prediker was een wijze: voortdurend onderwees hij het volk in kennis, hij was opmerkzaam en onderzocht, hij stelde vele spreuken op.10Prediker zocht aangename woorden te vinden: het geschrevene is oprecht, woorden van waarheid.11De woorden van wijzen zijn als prikkels en als spijkers, diep ingeslagen door meesters in het verzamelen. Zij zijn gegeven door één Herder.12Wat erbovenuit gaat, mijn zoon, wees gewaarschuwd! Er komt geen einde aan vele boeken te maken, en veel studeren vermoeit het lichaam.)

        2. De slotsom van de zaak (Pr 12:13-1413De slotsom van al wat [door u] gehoord is, [is dit]:
Vrees God,
en houd u aan Zijn geboden,
want dit [geldt voor] alle mensen.
14God zal namelijk elke daad
in het gericht brengen,
met alles wat verborgen is,
hetzij goed, hetzij kwaad.
)


Lees verder