Prediker
Inleiding 1 Wie is wijs? 2-8 Eerbied voor het door God gegeven gezag 9-13 Het raadsel van de regering van God 14-17 Wat op aarde plaatsvindt en Gods werk
Inleiding

In dit hoofdstuk worden we steeds weer geconfronteerd met ons onvermogen om ons eigen bestaan te regelen en te beheersen. De wijze zal dat inzien en zich bescheiden opstellen en afstand bewaren van aanmatigende meningen.


Wie is wijs?

1Wie is als de wijze
en wie weet de verklaring van de dingen?
De wijsheid van de mens verlicht zijn gezicht,
zodat de stuursheid van zijn gezicht wordt veranderd.

“De wijze” over wie de Prediker hier spreekt, van wie hij zich afvraagt wie zo is, is iemand die inzicht heeft in de zin van het zwoegen van de mens op aarde. Die wijze “weet de verklaring van de dingen”. Maar zo’n wijze is er niet. Zelfs de Prediker, de meest wijze mens op aarde, is niet zo’n wijze, want hij heeft ondanks diep en breed onderzoek geen verklaring kunnen vinden.

Toch is er een vorm van wijsheid die wel aanwezig kan zijn en dat is het aanvaarden van het feit dat de verklaring van de dingen buiten het begrip van de mens ligt. Dat is geen gelatenheid, maar de erkenning van de eigen beperkingen en het eigen onvermogen. Daardoor valt er een last van de mens af en zijn gezicht wordt “verlicht”, de somberheid verdwijnt. “De stuursheid” of norsheid die op zijn gezicht te lezen staat omdat hij geen vat op het leven heeft, “wordt veranderd”. Zijn gelaatstrekken worden zacht omdat hij inziet dat God alles bestuurt en dat hij erop mag vertrouwen dat Hij tot Zijn doel komt, zowel met de wereld als met hem persoonlijk.

De wijze schikt zich in wat over hem komt, omdat hij beseft dat hij niet alles kan verklaren en dat ook niet hoeft. De wijze is bescheiden en matigt zich niet aan dat hij voor alles wat in het leven van een mens kan gebeuren een verklaring weet of zal kunnen vinden. Daardoor krijgt hij een blij gezicht en ook licht om zich in die omstandigheden op een gepaste wijze te gedragen.

De wijze weet wat hij moet doen omdat hij de omstandigheden aan de hand van Gods Woord beoordeelt (Hs 14:1010Wie is [zo] wijs, dat hij deze dingen begrijpt,
en [zo] verstandig dat hij ze kent?
De wegen van de HEERE zijn immers recht.
De rechtvaardigen zullen daarop wandelen,
maar de overtreders zullen erop struikelen.
; Ps 107:4343Wie is wijs? Laat hij op deze [dingen] letten,
en de goedertierenheid van de HEERE aandachtig opnemen.
; Jk 3:1313Wie is wijs en verstandig onder u? Laat hij zijn werken tonen uit zijn goede wandel in wijze zachtmoedigheid.)
. Alleen omgang met God geeft wijsheid en verstand waardoor men “de verklaring van de dingen” aan de weet komt. Jozef en Daniël konden dingen verklaren, zoals de dromen van de machthebbers onder wie zij leefden, de farao en Nebukadnezar. Zij waren wijs door hun omgang met God.


Eerbied voor het door God gegeven gezag

2Ik [zeg]: Houd u aan het bevel van de koning,
en wel vanwege de eed aan God.
3Haast u niet bij hem vandaan te gaan.
Houd niet vast aan een kwade zaak,
want hij doet alles wat hem behaagt,
4omdat het woord van de koning zeggenschap heeft.
Wie zal tegen hem zeggen: Wat doet u?
5Wie het gebod in acht neemt,
ondervindt geen kwaad.
Het hart van de wijze kent
tijd en gelegenheid.
6Want voor elk voornemen
is er een tijd en gelegenheid,
ja, het kwaad van de mens is overvloedig over hem.
7Want hij weet niet
wat er gebeuren zal.
Wie zal hem immers bekendmaken
wanneer het gebeuren zal?
8Er is geen mens die macht heeft over de geest,
om de geest in te houden.
Hij heeft geen zeggenschap over de dag van de dood,
er is geen vrijstelling in [deze] strijd
en de goddeloosheid laat de bedrijvers ervan niet ontkomen.

Wijsheid wordt in de eerste plaats gezien in het zich buigen onder de regering die God heeft ingesteld (vers 22Ik [zeg]: Houd u aan het bevel van de koning,
en wel vanwege de eed aan God.
; Rm 13:1-71Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.2Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling van God; en zij die weerstaan, zullen oordeel voor zichzelf ontvangen.3Want de overheidspersonen zijn niet voor het goede, maar voor het kwade werk te vrezen. Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben,4want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.5Daarom is het nodig onderdanig te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten.6Want daarom betaalt u ook belasting; immers, zij zijn dienaars van God, juist daarin voortdurend werkzaam.7Geeft aan allen wat hun toekomt: belasting, aan wie belasting; tol, aan wie tol; vrees, aan wie vrees; eer, aan wie eer [toekomt].)
. Daarop wijst de Prediker met nadruk als hij uitspreekt: “Ik zeg.” Rekening houden met het door God ingestelde gezag is wijsheid. Wij moeten regeringen niet beïnvloeden. Ook als een regering onrechtvaardig is en willekeurige wetten maakt, is het wijsheid zich daaronder te schikken en niet in opstand te komen. Een voorbeeld van die houding zien we in Daniël en zijn vrienden (Dn 1:1-201In het derde regeringsjaar van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en belegerde het.2En de Heere gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, [naar] het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schatkamer van zijn god.3Toen beval de koning aan Aspenaz, het hoofd van zijn hovelingen, dat hij [enigen] van de Israëlieten moest laten komen, namelijk uit het koninklijk geslacht en uit de edelen,4jongemannen zonder enig gebrek, knap van uiterlijk, bedreven in alle wijsheid, ervaren in wetenschap, helder van verstand, en die in staat waren om dienst te doen in het paleis van de koning, en dat men hen moest onderwijzen in de geschriften en de taal van de Chaldeeën.5De koning nu stelde een dagelijkse hoeveelheid voor hen vast van de gerechten van de koning en van de wijn die hij dronk, om hen in drie jaar zo op te voeden, dat zij aan het einde daarvan in dienst konden treden bij de koning.6Onder hen waren uit de Judeeërs: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja.7Het hoofd van de hovelingen gaf hun [andere] namen. Daniël noemde hij Beltsazar, Hananja Sadrach, Misaël Mesach en Azarja Abed-Nego.8Daniël nu nam zich in zijn hart voor om zich niet te verontreinigen met de gerechten van de koning of met de wijn die hij dronk. Daarom verzocht hij het hoofd van de hovelingen of hij zich niet zou hoeven te verontreinigen.9God gaf Daniël genade en barmhartigheid bij het hoofd van de hovelingen.10Want het hoofd van de hovelingen zei tegen Daniël: Ik ben bevreesd voor mijn heer de koning, die uw eten en uw drinken heeft vastgesteld. Want waarom zou hij zien dat uw gezichten er slechter uitzien dan die van de [andere] jongemannen van uw groep? U zou bij de koning mijn hoofd met schuld beladen.11Toen zei Daniël tegen de kamerheer, die het hoofd van de hovelingen had aangesteld over Daniël, Hananja, Misaël en Azarja:12Stel uw dienaren toch tien dagen op de proef, en laat men ons plantaardig voedsel geven, zodat wij [dat] eten, en water, zodat we [dat] drinken.13En laat [dan] in uw tegenwoordigheid ons uiterlijk en het uiterlijk van de [andere] jongemannen, die de gerechten van de koning eten, bezien worden, en doe [dan] met uw dienaren naar wat u ziet.14Hij luisterde naar hen in deze zaak. Tien dagen stelde hij hen op de proef.15Aan het einde van [die] tien dagen zag men dat hun uiterlijk knapper was en [zagen] zij er gezonder [uit] dan al de jongemannen die de gerechten van de koning aten.16Toen gebeurde het dat de kamerheer hun gerechten en de wijn die zij moesten drinken, wegnam en dat hij hun plantaardig voedsel gaf.17Aan deze vier jongemannen nu gaf God kennis en verstand van alle geschriften, en wijsheid, en Daniël gaf Hij inzicht in alle visioenen en dromen.18Aan het einde van de dagen waarvan de koning had gezegd dat men hen moest laten komen, liet het hoofd van de hovelingen hen bij koning Nebukadnezar komen.19De koning sprak met hen. Maar onder hen allen werd niemand gevonden als Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Zij traden in dienst van de koning.20[In] alle zaken [waar het aankomt op] een wijs inzicht, waarover de koning hen ondervroeg, vond hij hen tienmaal beter dan alle magiërs [en] bezweerders die er in heel zijn koninkrijk waren.).

De Prediker gaat ervan uit dat de koning absolute autoriteit bezit (Sp 24:21-2221Mijn zoon, vrees de HEERE en de koning,
laat je niet in met hen die op veranderingen uit zijn,
22want hun ondergang zal plotseling opdagen
en wie kent de verdrukking door hen beiden [teweeggebracht]?
)
. Verzet tegen de koning is daarom dwaasheid, want door zijn autoriteit is hij sterker dan wij. Bovendien is het ongehoorzaamheid tegenover God, want God heeft hem die macht gegeven. Alleen ingeval de koning of de overheid iets van ons vraagt dat tegen Gods Woord ingaat, moeten we “God meer gehoorzamen dan mensen” (Hd 5:2929Petrus en de apostelen echter antwoordden en zeiden: Men moet God meer gehoorzamen dan mensen.). Daarom hebben de vrienden van Daniël zich niet gebogen voor het beeld dat Nebukadnezar had opgericht ondanks zijn bevel dat iedereen daarvoor moest knielen. Aan dat bevel konden ze niet gehoorzamen, wat de consequenties ook waren (Dn 3:14-1814Nebukadnezar antwoordde en zei tegen hen: Is het waar, Sadrach, Mesach en Abed-Nego, dat u mijn goden niet vereert en het gouden beeld dat ik heb opgericht, niet aanbidt?15Nu dan, als u bereid bent op het ogenblik dat u het geluid van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, panfluit, en allerlei muziekinstrumenten hoort, neer te vallen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb, [dan is het goed], maar als u het niet aanbidt, dan zult u op hetzelfde ogenblik midden in de brandende vuuroven worden geworpen. En wie is [dan] de god die u uit mijn handen kan verlossen?16Sadrach, Mesach en Abed-Nego antwoordden en zeiden tegen koning Nebukadnezar: Wij hoeven u hierop geen antwoord te geven.17Als het moet, kan onze God, Die wij vereren, ons verlossen uit de brandende vuuroven, en Hij zal ons, o koning, uit uw hand verlossen.18En zo niet, het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht, niet zullen aanbidden.).

Aan onze gehoorzaamheid aan de koning als hoogste gezagsdrager in een koninkrijk ligt “de eed aan God” ten grondslag (vgl. 2Sm 5:1-31Toen kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees.2Al eerder, toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël.3Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En koning David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël.; 2Kn 11:1717En Jojada sloot een verbond tussen de HEERE, de koning en het volk, om een volk voor de HEERE te zijn; en [ook] tussen de koning en het volk.; 1Kr 29:2424Alle bevelhebbers en helden en ook alle zonen van koning David gaven de hand, [als teken] dat zij onder koning Salomo [trouw] zouden zijn.). Die eed kan slaan op onszelf. Wij leggen geen eed in de gebruikelijke zin van het woord af; als wij echter zeggen ons te onderwerpen aan Gods Woord, dan houdt dat de verplichting in dat wij ons aan de koning onderwerpen. Wij verzetten ons dan niet tegen de koning en zullen nog minder tegen hem in opstand komen, maar zijn hem onderdanig (1Pt 2:13-1613Weest aan elke menselijke instelling onderdanig om ‘s Heren wil; hetzij aan een koning als hoogste,14hetzij aan stadhouders als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van hen die goeddoen.15Want zo is het de wil van God, dat u door goeddoen de onwetendheid van de dwaze mensen tot zwijgen brengt;16als vrijen, en niet door de vrijheid als een dekmantel van de boosheid te hebben, maar als slaven van God.).

Het is verkeerd om ons aan de verplichtingen te onttrekken die we tegenover de koning hebben en in een opwelling van boosheid tegen hem te keren (vers 33Haast u niet bij hem vandaan te gaan.
Houd niet vast aan een kwade zaak,
want hij doet alles wat hem behaagt,
)
. Als we haastig bij de koning vandaan gaan, geven we daarmee te kennen dat we hem niet langer erkennen. We kunnen menen daar onze redenen voor te hebben, bijvoorbeeld dat hij niet aan onze wensen of verwachtingen beantwoordt.

Het is “een kwade zaak” een dergelijke houding aan te nemen en daaraan vast te houden, want de koning is de door God gegeven gezagsdrager. God heeft hem de zwaardmacht gegeven en hij oefent die uit zoals het hem behaagt. Dat kan op een goede manier zijn, maar ook op een kwade manier. Daarom moet niet de manier waarop hij regeert onze houding bepalen, maar de gezagspositie die hij van God heeft gekregen.

Dit is ook van belang voor andere gebieden van ons leven. Je kunt zo teleurgesteld raken in je echtgenoot, dat je besluit bij hem vandaan te gaan met de gedachte dat je gelukkiger wordt met een nieuwe echtgenoot. Je kunt in de gemeente gemakkelijk teleurgesteld worden in de leiders. Sommige mensen gaan daar dan weg, in de veronderstelling dat ze dit soort frustraties niet bij een andere gemeente zullen ervaren. Dit principe geldt ook voor de baan die we hebben. Het ‘groener-gras-syndroom’ – het idee dat het gras bij de buren altijd groener is – is erg misleidend. Met onze pogingen om onze problemen te ontvluchten kunnen we bij onszelf, en ook bij anderen, veel verdriet en pijn veroorzaken.

Er is geen kans om aan de koning te ontsnappen, want ‘hij heeft veel ogen, veel oren en veel en lange handen’. De macht van de koning is onbegrensd. We zien dat bij een goede koning als Salomo (1Kn 2:29-4629En aan koning Salomo werd bekendgemaakt dat Joab naar de tent van de HEERE was gevlucht, en zie, hij bevond zich bij het altaar. Toen stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, [erheen] en zei: Ga, steek hem dood.30Benaja kwam bij de tent van de HEERE en zei tegen hem: Dit zegt de koning: Kom naar buiten. Maar hij zei: Nee, want hier zal ik sterven. En Benaja bracht verslag uit aan de koning en zei: Dit heeft Joab gesproken, ja, dit heeft hij mij geantwoord.31De koning zei tegen hem: Doe zoals hij gesproken heeft, steek hem dood en begraaf hem, en neem [zo] het bloed dat Joab zonder reden vergoten heeft, van mij en van het huis van mijn vader weg.32Zo zal de HEERE zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, neergestoken en hen met het zwaard gedood heeft, terwijl mijn vader David [er] niet [van] wist: Abner, de zoon van Ner, de bevelhebber van het leger van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de bevelhebber van het leger van Juda.33Zo zal hun bloed op het hoofd van Joab terugkeren, en op het hoofd van zijn nageslacht, voor eeuwig; maar David, zijn nageslacht, zijn huis en zijn troon zullen van de HEERE voor eeuwig vrede hebben.34Benaja, de zoon van Jojada, ging [op weg], stak hem neer en doodde hem. Hij werd begraven in zijn huis in de woestijn.35En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats aan over het leger, en de priester Zadok stelde de koning aan in de plaats van Abjathar.36Daarna stuurde de koning [een bode] en liet Simeï roepen en zei tegen hem: Bouw een huis voor uzelf in Jeruzalem en ga daar wonen. Ga daar echter niet vandaan, waar dan ook heen.37Want het zal gebeuren, op de dag dat u [de stad] uitgaat en de beek Kidron oversteekt, dat u zeker weten kunt dat u beslist zult sterven. Uw bloed zal op uw hoofd rusten.38Simeï zei tegen de koning: [Dit] woord is goed. Zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw dienaar doen. En Simeï woonde vele dagen in Jeruzalem.39Maar na verloop van drie jaar gebeurde het dat twee slaven van Simeï wegliepen, naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath. En men vertelde Simeï: Zie, uw slaven zijn in Gath.40Toen stond Simeï op, zadelde zijn ezel en ging naar Gath, naar Achis, om zijn slaven te zoeken. Simeï ging [op weg] en bracht zijn slaven uit Gath terug.41Aan Salomo werd bekendgemaakt dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath gegaan en [weer] teruggekomen was.42Toen stuurde de koning [een bode] en liet Simeï roepen en zei tegen hem: Heb ik u niet bij de HEERE laten zweren, u gewaarschuwd en gezegd: Op de dag dat u [de stad] uitgaat, waar dan ook heen, kunt u zeker weten dat u beslist zult sterven? En u zei tegen mij: Het woord dat ik gehoord heb, is goed.43Waarom hebt u [uw] eed bij de HEERE, en het gebod dat ik u heb opgelegd, dan niet in acht genomen?44Verder zei de koning tegen Simeï: Ú weet al het kwaad – waar uw hart weet van heeft – dat u mijn vader David aangedaan hebt. Daarom heeft de HEERE uw kwaad op uw hoofd doen terugkeren.45Maar koning Salomo is gezegend, en de troon van David zal voor het aangezicht van de HEERE voor eeuwig zeker zijn.46En de koning gaf Benaja, de zoon van Jojada, bevel en hij ging naar buiten en stak hem neer, zodat hij stierf. Zo werd het koningschap in de hand van Salomo bevestigd.) en bij een slechte koning als Herodes (Mt 14:9-109En hoewel de koning bedroefd werd, beval hij om de eden en om hen die mee aanlagen, het te geven.10En hij zond [een knecht] en onthoofdde Johannes in de gevangenis,). Het gaat hier om de macht als zodanig, niet om de manier waarop die wordt uitgeoefend.

De Heer Jezus roept nergens op om een kwade macht omver te werpen. Hij heeft Zich ook onderworpen aan de heersende macht van de Romeinen, hoe corrupt die macht ook was. Hij zegt tegen de goddeloze Pilatus: “U zou geen enkele macht [of: gezag, bevoegdheid] tegen Mij hebben, als het u niet van boven gegeven was” (Jh 19:1111Jezus antwoordde <hem>: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven was gegeven; daarom heeft hij die Mij aan u heeft overgeleverd, een grotere zonde.). De Heer erkent de positie van Pilatus. Later zal Pilatus zich voor Hem moeten verantwoorden over de manier waarop hij met die aan hem verleende macht is omgegaan. Dat was toen nog niet aan de orde.

De reden waarom het wijs is om te doen wat de koning zegt, is “omdat het woord van de koning zeggenschap heeft” (vers 44omdat het woord van de koning zeggenschap heeft.
Wie zal tegen hem zeggen: Wat doet u?
)
. Er gaat macht van zijn woorden uit. Zijn woord heeft gezag en er moet aan worden gehoorzaamd. We zijn verplicht te voldoen aan wat hij ons oplegt (vgl. 1Sm 8:10-1810Daarop maakte Samuel al de woorden van de HEERE bekend aan het volk, dat een koning van hem verlangde.11Hij zei: Dit zal de handelwijze zijn van de koning die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen om hen voor zich in te zetten bij zijn wagens en zijn ruiterij, en om hen voor zijn wagen uit te laten lopen.12Hij zal hen aanstellen tot bevelhebbers over duizend en tot bevelhebbers over vijftig. Zij zullen zijn akker moeten ploegen, zijn oogst binnenhalen en zijn strijdwapens en zijn wagentuig maken.13Uw dochters zal hij nemen als zalfbereidsters, kooksters en baksters.14Uw akkers, uw wijngaarden en uw olijfgaarden, de beste zal hij nemen en ze aan zijn dienaren geven.15Van uw zaaigoed en uw wijngaarden zal hij het tiende deel nemen en dat aan zijn hovelingen en zijn dienaren geven.16Hij zal uw slaven, uw slavinnen, uw beste jongemannen en uw ezels nemen om daarmee zijn werk te doen.17Hij zal het tiende deel van uw kudden nemen, en u zult hem tot slaven zijn.18U zult het in die dagen uitschreeuwen vanwege uw koning, die u zich gekozen hebt, maar de HEERE zal u op die dag niet antwoorden.). Hij heeft de macht gekregen om te regeren, niet wij.

De koning staat boven zijn volk. Wij kunnen hem niet ter verantwoording roepen. Zijn macht is een afspiegeling van de regeringsmacht van God, Die wij ook niet ter verantwoording kunnen roepen (Jb 9:1212Zie, neemt Hij weg, wie zal het Hem laten teruggeven?
Wie zal tegen Hem zeggen: Wat doet U?
; Js 45:99Wee hem die het tegen zijn Formeerder opneemt
– een potscherf tussen aarden scherven.
Zal het leem soms tegen zijn formeerder zeggen: Wat maakt u?
Of [zal] uw werk [zeggen]: Hij heeft geen handen?
; Rm 9:2020Ja maar, mens, wie bent u, dat u tegen God het woord opneemt? Zal het maaksel tegen zijn maker zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?)
.

Als we het gebod dat de koning heeft uitgevaardigd in acht nemen, zullen we geen kwaad van hem te duchten hebben (vers 55Wie het gebod in acht neemt,
ondervindt geen kwaad.
Het hart van de wijze kent
tijd en gelegenheid.
)
. Dit is het directe loon van God voor goed gedrag (Rm 13:3-43Want de overheidspersonen zijn niet voor het goede, maar voor het kwade werk te vrezen. Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben,4want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.). Hoe slecht sommige regeringen ook zijn, zonder regering is er anarchie. Het is beter een slechte regering te hebben dan geen regering.

Wie de wil van de koning kent en daarmee rekening houdt, toont dat hij een wijs hart heeft. Een wijze doet op de juiste tijd en bij de juiste gelegenheid of op de juiste manier wat de koning van hem verwacht. De hoogste wijsheid is zich te onderwerpen aan het gebod dat het hoogste gezag heeft uitgevaardigd. Een bijkomend gevolg is dat het leven daardoor veel gemakkelijker wordt. In het algemeen krijg je geen problemen met de koning als je doet wat hij heeft gezegd. Wie zich netjes aan de snelheid houdt, loopt geen kans op een bekeuring.

Het in acht nemen van het gebod geldt in de hoogste mate voor de geboden van God. Alle geboden van God zijn geboden ten leven. Wie zich daaraan houdt, zal het goede en niet het kwade ondervinden. Geboden zijn er om ons op de weg van gehoorzaamheid veilig en gelukkig te laten zijn. Het is de weg van zelfbehoud en van harmonie met onze omgeving. Het grote gebod voor ons is het gebod dat wij elkaar liefhebben. “Daarom is de liefde [de] vervulling van [de] wet” (Rm 13:1010De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde [de] vervulling van [de] wet.). Liefde zal nooit tot de overtreding van enig gebod van de wet voeren, maar juist elk gebod van de wet vervullen.

Het hart van de wijze denkt na over de tijd waarin hij leeft en de gelegenheid die hij heeft om te leven. Hij kan de beslissingen van de overheid doorzien in het licht van de omstandigheden en weet hoe hij zich daartegenover moet gedragen. De wijze kent de tijd van God en ziet de gelegenheid of procedure om te handelen. Voorbeelden van zulke wijze mensen zijn Jonathan ten opzichte van David (1Sm 19:4-64En Jonathan sprak met zijn vader Saul goed over David en zei tegen hem: Laat de koning niet zondigen tegen zijn dienaar David. Hij heeft immers niet tegen u gezondigd, en wat hij doet is heel goed voor u.5Hij heeft zijn leven immers in de waagschaal gesteld en de Filistijn verslagen. De HEERE heeft voor heel Israël een grote verlossing teweeggebracht. U hebt het gezien en bent er blij mee geweest. Waarom zou u dan tegen onschuldig bloed zondigen, door David zonder reden te doden?6Saul luisterde naar de stem van Jonathan en Saul zwoer: Zo waar de HEERE leeft, hij zal niet gedood worden!), Nathan ten opzichte van David (2Sm 12:1-141En de HEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.2De rijke had heel veel schapen en runderen.3Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at [mee] van zijn stuk [brood], dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem.4Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen [een] van zijn [eigen] schapen en runderen te nemen, om [een maaltijd] te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.5Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods!6En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.7Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered.8Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en [bovendien] de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.9Waarom hebt u [dan] het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.10Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn.11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik breng onheil over u uit uw [eigen] huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen.12Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.13Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.14Omdat u echter door deze zaak de vijanden van de HEERE zeer hebt doen lasteren, zal wel de zoon die u geboren is, zeker sterven.) en Esther ten opzichte van Ahasveros (Es 7:2-42zei de koning ook op de tweede dag bij het drinken van de wijn tegen Esther: Wat is uw vraag, koningin Esther? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek? Het zal ingewilligd worden, al was het ook de helft van het koninkrijk.3Toen antwoordde koningin Esther en zei: Als ik genade in uw ogen heb gevonden, koning, en als het de koning goeddunkt, dat men mij dan op mijn vraag mijn leven zal geven, en op mijn verzoek [het leven] van mijn volk.4Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, om te worden weggevaagd, gedood en omgebracht. Zouden wij als slaven en als slavinnen verkocht zijn, [dan] zou ik hebben gezwegen, hoewel [ook dan] de tegenstander de schade voor de koning zeker niet zou kunnen vergoeden.).

Als een mens de geboden overtreedt, is het gevolg dat “het kwaad … overvloedig over hem” komt (vers 66Want voor elk voornemen
is er een tijd en gelegenheid,
ja, het kwaad van de mens is overvloedig over hem.
)
. Dit gebeurt naar de regel van zaaien en oogsten die aan elke handeling verbonden is (Gl 6:77Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.). Als de tijd en de gelegenheid er rijp voor zijn, komt de oogst, in welke vorm dan ook.

“Iedere gebeurtenis”, ook de beslissing van een regering, vindt plaats in een bepaald tijdsgewricht dat ook de gelegenheid voor die bepaalde gebeurtenis biedt. Omdat de wereld in de zonde ligt, komt alles wat er gebeurt niet ten goede van de mens, maar brengt het een overvloedig kwaad over hem. Het kan in het begin lijken alsof het beter gaat omdat de mens meer te besteden heeft. Maar de welvaart wordt zijn dood. “Het kwaad” kan ook bestaan uit frustratie, stress, verwarring en desoriëntatie. Het zijn dingen die het leven bijzonder onaangenaam maken.

Alles wat de mens zonder God bezit of uitvindt, voert hem naar het verderf. Sommige uitvindingen kunnen wel de duur van zijn leven rekken, maar niet de kwaliteit ervan. Vaak neemt met de duur namelijk ook de smart toe. Om daarvoor een ‘uitweg’ te bieden is ‘vrijwillige euthanasie’ bedacht, zodat een mens een einde aan zijn leven kan (laten) maken. Wie denkt eraan dat hij daarna in een kwaad komt waar hij in eeuwigheid niet uit bevrijd kan worden en het kwaad altijd overvloedig over hem zal zijn?

Het kwaad van vers 66Want voor elk voornemen
is er een tijd en gelegenheid,
ja, het kwaad van de mens is overvloedig over hem.
wordt vooral veroorzaakt door het feit dat de mens geen grip heeft op de toekomst, “hij weet niet wat er gebeuren zal” (vers 77Want hij weet niet
wat er gebeuren zal.
Wie zal hem immers bekendmaken
wanneer het gebeuren zal?
)
. De mens zonder God weet niets over de toekomst. Niemand kan hem die vertellen, zeker de waarzeggers niet. Alleen God kent de toekomst en weet wat er zal gebeuren (Js 46:10-1110Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn,
van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben;
Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand
en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
11Die een roofvogel roept uit het oosten,
een man van Mijn raad uit een ver land.
Ja, Ik heb gesproken, Ik zal het ook doen komen;
Ik heb [het] geformeerd, Ik zal het ook doen.
)
. Hij maakt die toekomst ook bekend en zegt wanneer bepaalde dingen gebeuren. Met het oog op de toekomst waarschuwt hij de mens.

Voor de mens die niet op God vertrouwt, wordt de onzekerheid van de toekomst een drukkende last die hem tot waanzin voert (Lk 21:25-2625En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder [de] volken, in radeloosheid door [het] bruisen van zee en watergolven,26terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen; want de krachten van de hemelen zullen wankelen.). Hij wil graag weten hoe de politiek zich ontwikkelt en hoe de wereldeconomie zal verlopen, zodat hij de juiste beslissingen kan nemen en winst zal boeken. Dit geldt voor speculaties, maar ook voor een opleiding en aankopen.

Er worden hier vier dingen genoemd die een grens stellen aan elk gezag (vers 88Er is geen mens die macht heeft over de geest,
om de geest in te houden.
Hij heeft geen zeggenschap over de dag van de dood,
er is geen vrijstelling in [deze] strijd
en de goddeloosheid laat de bedrijvers ervan niet ontkomen.
)
. Het zijn dingen die bewijzen dat de mens niet in staat is de omstandigheden naar zijn hand te zetten:

1. “Er is geen mens die macht heeft over de geest, om de geest in te houden.” Het woord voor ‘geest’ is ook ‘wind’ of ‘adem’. Over dit alles heeft de mens geen zeggenschap. De adem of geest van de mens is in Gods hand (Dn 5:2323U hebt zich verheven tegenover de Heere van de hemel, want de voorwerpen van Zijn huis heeft men bij u gebracht. En u, uw machthebbers, uw vrouwen en bijvrouwen hebben wijn eruit gedronken, en u hebt [uw] goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen geprezen, die niet kunnen zien en niet kunnen horen en geen kennis hebben. U hebt echter de God in Wiens hand uw adem is en aan Wie al uw wegen toebehoren, niet verheerlijkt.), wat inhoudt dat God macht heeft over leven en dood. God geeft de geest of adem en Hij houdt die ook in of neemt die terug.
Een andere gedachte is, dat een mens geen macht heeft over de geest van een ander, zoals hij dat ook niet heeft over zijn eigen geest. We zien dat bijvoorbeeld bij Nebukadnezar die wil dat zijn wijzen hem vertellen welke droom hij heeft gehad (Dn 2:1-121In het tweede regeringsjaar van Nebukadnezar had Nebukadnezar dromen. Daardoor werd zijn geest verontrust en was het met zijn slaap gedaan.2Toen zei de koning dat men de magiërs, de bezweerders, de tovenaars en de Chaldeeën moest roepen om de koning zijn dromen bekend te maken. Zij nu kwamen en gingen vóór de koning staan.3De koning zei tegen hen: Ik heb een droom gehad, en mijn geest is [zo] verontrust dat ik die droom wil weten.4Toen spraken de Chaldeeën tot de koning, [in het] Aramees: O koning, leef in eeuwigheid! Vertel uw dienaren de droom, dan zullen wij de uitleg [ervan] te kennen geven.5De koning antwoordde en zei tegen de Chaldeeën: De zaak staat wat mij betreft vast. Als u mij de droom en de uitleg ervan niet laat weten, zult u in stukken worden gehouwen, en zullen uw huizen tot een mesthoop worden gemaakt.6Maar als u de droom en de uitleg ervan [wel] te kennen geeft, zult u geschenken, een beloning en bijzondere eer van mij ontvangen. Daarom, geef mij de droom en de uitleg ervan te kennen.7Zij antwoordden voor de tweede keer en zeiden: Laat de koning zijn dienaren de droom vertellen, dan geven wij de uitleg [ervan] te kennen.8De koning antwoordde en zei: Ik weet zeker dat u tijd probeert te winnen, omdat u ziet dat de zaak wat mij betreft vaststaat.9Als u mij de droom niet laat weten, dan is er voor u één vonnis! U hebt met elkaar afgesproken om een leugenachtig en bedrieglijk woord tegen mij te zeggen, totdat de tijd zou veranderen. Daarom, vertel mij de droom, dan weet ik dat u mij [ook] de uitleg ervan te kennen kunt geven.10De Chaldeeën antwoordden in de tegenwoordigheid van de koning en zeiden: Er is geen mens op de aardbodem die de zaak van de koning te kennen zou kunnen geven. Daarom is er ook geen koning, hoe groot of machtig ook, die een zaak als deze gevraagd heeft van welke magiër, bezweerder of Chaldeeër dan ook.11Want de zaak waar de koning om vraagt, is te moeilijk. Er is niemand anders die het in de tegenwoordigheid van de koning te kennen kan geven dan de goden, die hun verblijf niet bij de schepselen hebben.12Hierdoor werd de koning woedend en zeer verbolgen, en hij beval dat men al de wijzen in Babel om moest brengen.). Dat is natuurlijk een onmogelijke en dwaze vraag. Er blijkt dan ook dat hij met al zijn macht niet in staat is hun geest zodanig te beïnvloeden, dat zij hem zijn droom vertellen.

2. De mens heeft ook “geen zeggenschap over de dag van de dood”. Die zeggenschap heeft alleen God (Dt 32:3939Zie nu [in] dat Ik, Ik Die ben,
er is geen God naast Mij.
Ík dood en Ik maak levend,
Ik verwond en Ík genees
en er is niemand die uit Mijn hand redt!
)
. Onze tijden zijn in Zijn hand (Ps 31:1616Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij
uit de hand van mijn vijanden en van mijn vervolgers.
; 39:55HEERE, maak mij mijn einde bekend
en wat de maat van mijn dagen is,
zodat ik weet hoe vergankelijk ik ben.
; Jb 14:55Als zijn dagen vastgesteld zijn,
het getal van zijn maanden bij U [bekend] is,
[en] U zijn grenzen bepaald hebt, die hij niet kan overschrijden,
)
. Als de mens zelf een einde aan zijn leven maakt en ook nog eens de dag en het middel ervan bepaalt, lijkt het alsof hij spot met dit woord van God. Hij beseft echter niet dat hij tot die daad wordt aangezet door de mensenmoordenaar van het begin, de satan, de grote tegenstander van God. Het leven van een mens wordt bepaald door God of onder toelating van God door de satan en niet door hemzelf.

3. “In [deze] strijd”, dat is de strijd tegen de dood, “is geen vrijstelling”. Het woord “vrijstelling” zinspeelt op de verplichting tot militaire dienst van alle Israëlitische mannen van boven de twintig jaar oud (Nm 1:33[Het gaat om] ieder in Israël die met het leger uittrekt, van twintig jaar oud en daarboven. Die moet u tellen, [ingedeeld] naar hun legers, u en Aäron.). Daarvan werden bepaalde categorieën vrijgesteld (Dt 20:5-85Daarna zullen de beambten tot het volk spreken: Wie is de man die een nieuw huis heeft gebouwd en het [nog] niet in gebruik genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders het in gebruik neemt.6En wie is de man die een wijngaard heeft geplant, maar de vrucht ervan [nog] niet gegeten heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders die eet.7En wie is de man die met een vrouw in ondertrouw is gegaan, maar haar [nog] niet [tot vrouw] genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft, en een andere man haar [tot vrouw] neemt.8Daarna zullen de beambten opnieuw tegen het volk spreken, en zeggen: Wie is de man die bevreesd is, en week van hart? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat het hart van zijn broeders niet smelt, zoals zijn hart.), maar van de strijd die de Prediker bedoelt, de strijd tegen de dood, geldt voor niemand een uitzondering. Er is voor niemand “vrijstelling in [deze] strijd”, niemand ontkomt aan de strijd met de dood, een strijd die hij altijd verliest. Iedereen is een zondaar en heeft met het gevolg van zijn zonden te maken: de onvermijdelijke dood (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.).

4. Ook “de goddeloosheid laat de bedrijvers ervan niet ontkomen” aan de dood. Wat de goddeloze in zijn goddeloosheid ook aan trucs bedenkt om eraan te ontkomen, het is zinloos. In rouwadvertenties lees je wel eens dat iemand ‘de ongelijke strijd verloren’ heeft. Het gaat dan bijvoorbeeld over de strijd tegen een ongeneeslijke ziekte waaraan iemand is overleden. De bekende voetballer Johan Cruyff zei op een bepaald moment dat hij in zijn strijd tegen de kanker in zijn lichaam met 2-0 voorstond in een wedstrijd die nog niet was afgelopen. Hij voegde eraan toe: ‘Maar ik weet zeker dat ik als winnaar uit de strijd kom.’ Wat een aanmatigende kortzichtigheid. Hij heeft de strijd verloren en is niet aan de dood ontkomen. Zijn dood werd bekendgemaakt met de woorden dat hij ‘na een felle strijd tegen kanker’ is overleden.


Het raadsel van de regering van God

9Dit alles heb ik gezien,
toen ik mij er met [heel] mijn hart op toelegde
al het werk [te begrijpen]
dat er plaatsvindt onder de zon:
er is een tijd dat de [ene] mens heerst over de [andere] mens, hem ten kwade.
10Evenzo heb ik gezien [hoe] de goddelozen begraven werden en ingingen, terwijl zij die oprecht gehandeld hadden, uit de heilige plaats moesten gaan en vergeten werden in de stad. Ook dat is vluchtig. 11Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen. 12Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaaddoet, verlengt [God] zijn [dagen]. Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. 13Maar de goddeloze zal het niet goed gaan en hij zal [zijn] dagen niet verlengen. Hij zal zijn als een schaduw, want hij vreest niet voor Gods aangezicht.

De Prediker ziet niet alleen, neemt niet alleen met zijn ogen waar, hij overdenkt ook “met [heel] zijn hart” om te begrijpen wat hij ziet, wat er “plaatsvindt onder de zon” (vers 99Dit alles heb ik gezien,
toen ik mij er met [heel] mijn hart op toelegde
al het werk [te begrijpen]
dat er plaatsvindt onder de zon:
er is een tijd dat de [ene] mens heerst over de [andere] mens, hem ten kwade.
)
. De woorden “hem ten kwade” betreffen degene over wie wordt geheerst. Macht verderft. Een mens met macht, maar zonder God, gebruikt zijn gezag altijd verkeerd.

De Prediker heeft nog iets gezien en dat is de behandeling die “de goddelozen” kregen toen zij “begraven werden en ingingen” in het graf en wat er gebeurde met hen “die oprecht gehandeld hadden” (vers 1010Evenzo heb ik gezien [hoe] de goddelozen begraven werden en ingingen, terwijl zij die oprecht gehandeld hadden, uit de heilige plaats moesten gaan en vergeten werden in de stad. Ook dat is vluchtig.). Er zijn weinig dingen zo stuitend als de aanblik van goddelozen die het voor de wind gaat. Wat nog misselijker maakt, is wanneer goddelozen sterven en dan gerespecteerd worden en de zegen van de godsdienst meekrijgen. Zij krijgen een plechtige uitvaart en worden met pracht en praal begraven. De mooie woorden die over hen worden gesproken, komen uit de monden van hun bewonderaars die net zo zijn of hadden willen zijn als die goddelozen.

Waar je helemaal ziek van wordt, is het lot van hen “die oprecht gehandeld” hebben tegen de achtergrond van de eer die goddelozen krijgen. Zij worden gedwongen “uit de heilige plaats”, Jeruzalem, te gaan. Jeruzalem wordt zo genoemd omdat de tempel daar staat. Deze lastposten, die vromen, die niet meededen aan de bewondering van de goddelozen, moeten vergeten worden. Zij herinneren in hun gedrag en woorden aan de rechtvaardige God. Daarom: Weg ermee! Dat betekent ook dat er voor hen geen begrafenis is in de heilige stad, wat voor een Godvrezende Jood heel erg is.

De verdorven mens denkt dat er helemaal geen oordeel is en dat God afwezig is omdat het oordeel over de boze daden uitblijft (vers 1111Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen.). Als er al een gedachte aan God is, dan wordt het geduld van de hemel uitgelegd als een bewijs van goedkeuring. Dat is een extra prikkel om door te gaan met kwaaddoen. Het “hart van de mensenkinderen” blijft namelijk “in hen vervuld van kwaaddoen”, wat wil zeggen dat het hart niet deugt; het hart is de bron en die blijft boos.

De mens heeft geen oog voor de lankmoedigheid van God Die wil dat hij tot bekering komt. In plaats daarvan gaat hij door met zondigen en hoopt zo voor zichzelf “toorn op in [de] dag van [de] toorn en van [de] openbaring van [het] rechtvaardig oordeel van God, Die ieder zal vergelden naar zijn werken” (Rm 2:5-65Maar naar uw hardheid en onbekeerlijk hart hoopt u voor uzelf toorn op in [de] dag van [de] toorn en van [de] openbaring van [het] rechtvaardig oordeel van God,6Die ieder zal vergelden naar zijn werken;).

Het eerste deel van vers 1212Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaaddoet, verlengt [God] zijn [dagen]. Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. sluit direct aan op de constatering van vers 1111Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen.. Op aarde zien we dat een zondaar “honderd[maal]” kan zondigen zonder dat hem een strobreed in de weg wordt gelegd. Hij ervaart – uiteraard onbewust – de waarheid van vers 1111Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen., dat het vonnis over zijn slechte daad niet snel wordt geveld. Daarom gaat hij onvermoeibaar voort met zondigen, wel honderd keer, zonder ook maar iets van een oordeel te merken.

Dan zien we in het tweede deel van vers 1212Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaaddoet, verlengt [God] zijn [dagen]. Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. iets van het geloof van de Prediker. Hij kan zich niet verzoenen met de gedachte dat de goddeloze altijd door zijn gang kan gaan en ook nog aan het langste eind zal trekken. Dat is ook niet zo. Hij weet dat er een ogenblik komt dat God hem zal oordelen. De Prediker heeft kennis van God.

Hij weet dat God niet met de zondaar is, maar met hen die Hem “vrezen”, dat is eerbied voor Hem hebben en rekening houden met Zijn wil. Hij voegt er ter bevestiging aan toe dat zulke mensen “voor Zijn aangezicht vrezen”, dat wil zeggen dat zij in gemeenschap met Hem leven, met hun hart en oog gericht op Hem. Met hen zal het goed gaan.

De goddeloze, die ogenschijnlijk ongestoord zijn gang kan gaan, zal het daarentegen niet goed gaan. Hij zal zijn dagen niet verlengen, want hij heeft niet gevreesd voor Gods aangezicht. Hij heeft zijn leven buiten de gemeenschap met God geleefd en zal na zijn leven in de eeuwige dood zijn, buiten de gemeenschap met God.

In vers 1313Maar de goddeloze zal het niet goed gaan en hij zal [zijn] dagen niet verlengen. Hij zal zijn als een schaduw, want hij vreest niet voor Gods aangezicht. voegt de Prediker eraan toe wat het lot van de goddeloze is. Als we dat lezen, lijkt er tussen vers 1212Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaaddoet, verlengt [God] zijn [dagen]. Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. en vers 1313Maar de goddeloze zal het niet goed gaan en hij zal [zijn] dagen niet verlengen. Hij zal zijn als een schaduw, want hij vreest niet voor Gods aangezicht. een tegenstelling te zijn. In vers 1212Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaaddoet, verlengt [God] zijn [dagen]. Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. staat dat God de dagen van de zondaar verlengt en in vers 1313Maar de goddeloze zal het niet goed gaan en hij zal [zijn] dagen niet verlengen. Hij zal zijn als een schaduw, want hij vreest niet voor Gods aangezicht. dat de goddeloze zijn dagen niet zal verlengen. Deze schijnbare tegenstelling verdwijnt als we vers 1212Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaaddoet, verlengt [God] zijn [dagen]. Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. in het licht van het leven op aarde en vers 1313Maar de goddeloze zal het niet goed gaan en hij zal [zijn] dagen niet verlengen. Hij zal zijn als een schaduw, want hij vreest niet voor Gods aangezicht. in het licht van de eeuwigheid zien.

Om te zien dat het ene vers niet in strijd is met het andere vers, moeten we verder kijken dan dit aardse leven. Dat doet de Prediker hier, zonder dat aspect uitdrukkelijk te noemen. Zijn woorden houden geloof in de opstanding in (Ps 73:18-2018Ja, U zet hen op gladde plaatsen,
U doet hen in verwoesting vallen.
19Hoe worden zij in een ogenblik tot een verwoesting!
Zij worden weggevaagd, komen om door verschrikkingen.
20Zoals een droom [vervaagt] bij het ontwaken,
zult U, Heere, als [U] wakker wordt, hun beeld verachten.
)
. De dagen van de zondaar kunnen op aarde wel worden verlengd, maar na zijn dood zal hij opstaan in de opstanding van het oordeel omdat hij het kwade heeft bedreven (Jh 5:29b29zij die het goede hebben gedaan tot [de] opstanding van [het] leven, en zij die het kwade hebben bedreven tot [de] opstanding van [het] oordeel.). Het gaat wel goed in de opstanding met hen die God vrezen. Zij zullen deelhebben aan de opstanding tot het leven omdat zij het goede hebben gedaan (Jh 5:29a29zij die het goede hebben gedaan tot [de] opstanding van [het] leven, en zij die het kwade hebben bedreven tot [de] opstanding van [het] oordeel.). Zij zullen tot in lengte van dagen voor Gods aangezicht leven.


Wat op aarde plaatsvindt en Gods werk

14Er is iets vluchtigs wat op de aarde plaatsvindt: er zijn rechtvaardigen die het vergaat naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen die het vergaat naar het werk van de rechtvaardigen. Ik zeg dat ook dit vluchtig is. 15Daarom prees ik de blijdschap, omdat de mens niets beters heeft onder de zon dan te eten, te drinken en zich te verblijden. Dat zal hem immers vergezellen bij zijn zwoegen, de dagen van zijn leven die God hem geeft onder de zon. 16Toen ik mij met [heel] mijn hart erop toelegde wijsheid te kennen en de bezigheid te zien die op aarde plaatsvindt, dat men zelfs overdag of 's nachts de slaap niet met zijn ogen ziet, 17toen zag ik al het werk van God, dat de mens niet kan ontdekken, het werk dat onder de zon plaatsvindt. Hoezeer de mens zwoegt bij het zoeken, hij zal het niet ontdekken. Zelfs als de wijze zegt het te weten, zal hij het [toch] niet kunnen ontdekken.

In vers 1414Er is iets vluchtigs wat op de aarde plaatsvindt: er zijn rechtvaardigen die het vergaat naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen die het vergaat naar het werk van de rechtvaardigen. Ik zeg dat ook dit vluchtig is. is de Prediker weer terug bij zijn waarnemingen onder de zon. Dat maakt hij duidelijk door te spreken over wat “op de aarde plaatsvindt”. Hij heeft geconstateerd dat de zaken op zijn kop staan, dat er dingen gebeuren die tegendraads zijn, die ieder oprecht mens met weerzin vervullen. Het gaat over de situatie dat er rechtvaardigen zijn die het vergaat naar het werk van de goddelozen en omgekeerd dat er goddelozen zijn die het vergaat naar het werk van de rechtvaardigen.

Als het er op aarde zo aan toe gaat, is het zinloos je in te zetten om nog iets van het leven te maken. Wanneer het bestaan van de mens beperkt zou blijven tot zijn leven op aarde, dan was het inderdaad “iets vluchtigs”, iets als een damp, die een korte tijd wordt gezien en dan is verdwenen. Pas in het licht van de eeuwigheid gaat het vluchtige over in vastigheid.

De constatering van vers 1414Er is iets vluchtigs wat op de aarde plaatsvindt: er zijn rechtvaardigen die het vergaat naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen die het vergaat naar het werk van de rechtvaardigen. Ik zeg dat ook dit vluchtig is. brengt de Prediker tot de verzuchting dat een mens het beste af is met eenvoudige vormen van genot (vers 1515Daarom prees ik de blijdschap, omdat de mens niets beters heeft onder de zon dan te eten, te drinken en zich te verblijden. Dat zal hem immers vergezellen bij zijn zwoegen, de dagen van zijn leven die God hem geeft onder de zon.). Het verandert niets aan het zwoegen, maar het maakt het wat draaglijker (Pr 2:2424Is het [dan] niet goed voor de mens dat hij eet en drinkt en zichzelf in zijn zwoegen het goede laat genieten? Ook dit heb ik gezien: het komt uit de hand van God.). Alles is beter dan dat je stank voor dank krijgt of dat je geen waardering krijgt omdat de goddeloze er met de eer vandoor gaat die jij verdient. Blijdschap is het mooiste wat een mens die alleen gericht is op zijn aardse loopbaan, kan bereiken. Hij breekt zich niet het hoofd over de onoplosbare raadsels van de Voorzienigheid, maar geniet dagelijks onbezorgd van de goede gaven van de Schepper, al is het zonder Hem ervoor te danken.

De blijdschap van de nieuwtestamentische gelovige is niet verbonden met de dingen die de aarde biedt, maar met de hemel, waar hij mag genieten van de gemeenschap met de Vader en de Zoon (1Jh 1:44En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.). Die gemeenschap geeft een volkomen blijdschap. Christus is de Bron van onze blijdschap (Jh 15:1111Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u is en uw blijdschap volkomen wordt.; 16:2222Ook u hebt dan nu wel droefheid; maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand neemt uw blijdschap van u weg.). We kunnen elkaar helpen om blijdschap te kennen en eraan meewerken dat anderen blij worden (2Ko 1:2424Niet dat wij heersen over uw geloof, maar wij zijn medewerkers aan uw blijdschap; want door het geloof staat u.), zodat ze hun weg met blijdschap gaan (Hd 8:3939Toen zij nu uit het water waren opgekomen, rukte [de] Geest van [de] Heer Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap.).

Het onderzoek dat de Prediker met heel zijn hart heeft verricht om achter de diepere zin van het leven te komen, heeft alleen het besef opgeleverd dat alle bezigheid op aarde geen enkel blijvend resultaat oplevert, ook al zou iemand zich dag en nacht afbeulen zonder een ogenblik slaap (vers 1616Toen ik mij met [heel] mijn hart erop toelegde wijsheid te kennen en de bezigheid te zien die op aarde plaatsvindt, dat men zelfs overdag of 's nachts de slaap niet met zijn ogen ziet,). Alle inspanning heeft, horizontaal bekeken, geen zin.

Er is ook nog iets anders wat de Prediker heeft ontdekt en dat is dat God werkt (vers 1717toen zag ik al het werk van God, dat de mens niet kan ontdekken, het werk dat onder de zon plaatsvindt. Hoezeer de mens zwoegt bij het zoeken, hij zal het niet ontdekken. Zelfs als de wijze zegt het te weten, zal hij het [toch] niet kunnen ontdekken.). Het gaat niet om Zijn scheppingswerk, maar om Zijn hand in de geschiedenis. In het licht van de eeuwigheid speelt zich in de wereldgeschiedenis en ook in ons eigen leven Gods werk af waarbij Hij recht op Zijn doel afgaat. Dáár ligt de diepere zin van het leven.

De constatering dát God werkt, geeft de Prediker echter niet het antwoord op de vraag waaróm God werkt zoals Hij doet. Zien dat God werkt, betekent niet dat we weten hoe Hij werkt en waar Hij naartoe werkt. Dat is door geen mens te ontdekken, hoe hard hij er ook voor zwoegt om het te ontdekken (Pr 3:1111Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden.; Jb 11:7-97Kun jij vinden wat God onderzoekt?
Kun jij de volmaaktheid van de Almachtige doorgronden?
8Zij is hoger dan de hemel, wat kun jij [daar] doen?
Zij is dieper dan de hel, wat kun jij [daarvan] weten?
9Haar reikwijdte is langer dan de aarde,
en breder dan de zee.
)
. En als er een wijze is die beweert het te weten, dan is dat een aanmatiging, want geen sterveling kan de diepten van Gods werk ontdekken.

Toch kan de constatering dát God werkt, rust geven. We hoeven ons niet uit te sloven om Gods werk te doorgronden. Dat kunnen we eenvoudigweg niet. Bij alle raadsels die we in het leven kunnen tegenkomen, de verdraaiing van goed en kwaad, kunnen we erop vertrouwen dat dwars door alles heen God Zijn werk doet en Zijn doel bereikt. Dat wij over talloos veel dingen alleen vragen en geen antwoorden hebben, hoeft ons dan niet wanhopig te maken.

Laten we beseffen dat God God is en dat Hij niet verplicht is aan ons rekenschap af te leggen van Zijn handelen. Hij kan dingen voor Zich houden omdat Hij het niet nuttig vindt dat wij die weten. Job heeft dat ervaren in zijn zoektocht naar de zin van het lijden dat over hem is gekomen. Hij is met al zijn waaromvragen op God aangelopen. God heeft Job laten uitrazen en daarna een aantal vragen aan hem gesteld. Die vragen maken duidelijk dat Hij alles in Zijn schepping bestuurt, dat Hij aan het werk is en dat niets Hem uit de hand loopt. Dat was Zijn antwoord op de vragen van Job.


Lees verder