Openbaring
1-7 Een rivier van levenswater 8-14 Mijn loon is bij Mij 15-21 Ja, Ik kom spoedig
Een rivier van levenswater

1En hij toonde mij een rivier van levenswater, blinkend als kristal, die uitging vanuit de troon van God en van het Lam. 2In [het] midden van haar straat en aan beide zijden van de rivier was [de] boom van [het] leven, die twaalf vruchten draagt en elke maand zijn vrucht geeft; en de bladeren van de boom zijn tot genezing van de naties. 3En er zal geen enkele vervloeking meer zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en Zijn slaven zullen Hem dienen, 4en zij zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn. 5En er zal geen nacht meer zijn en lamplicht en zonlicht hebben zij niet nodig, want [de] Heer, God, zal over hen lichten; en zij zullen regeren tot in alle eeuwigheid. 6En hij zei tegen mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Heer, de God van de geesten van de profeten, heeft Zijn engel gezonden om Zijn slaven te tonen wat met spoed moet gebeuren. 7En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.

V11En hij toonde mij een rivier van levenswater, blinkend als kristal, die uitging vanuit de troon van God en van het Lam.. De woorden “en hij toonde mij” luiden een nieuw gedeelte in. Toch vormt dit gedeelte een geheel met het voorgaande gedeelte, want het gaat nog steeds over de stad. Johannes krijgt “een rivier van levenswater” te zien. Deze rivier is een beeld van de Heer Jezus (vgl. Op 21:66En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.). De rivier spreekt ook van het eeuwige leven dat Gods kinderen nu al door de Geest mogen genieten (Jh 7:3838Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.).

Het water is “blinkend als kristal”. Er is geen enkele vervuiling aanwezig, het water is totaal zuiver, zonder enige vermenging met iets anders. Dat zou ook niet kunnen, want de oorsprong van dit water is “de troon van God en van het Lam”. De troon spreekt van heerschappij, van gezag. Waar God en het Lam gezag hebben, komt er ruimte voor het leven in heerlijk verkwikkende stromen. Dood en vloek krijgen geen kans het genot van het leven te verstoren. Het leven kan met volle teugen worden genoten.

Wat Johannes ziet, doet denken aan het tafereel in Ezechiël 47 (Ez 47:1-121Daarna bracht Hij mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er stroomde water uit, van onder de drempel van het huis naar het oosten, want de voorkant van het huis lag naar het oosten. Het water stroomde naar beneden van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar.2Vervolgens bracht Hij mij naar buiten via de noorderpoort en leidde mij buitenom rond naar de buitenpoort, in de richting die naar het oosten gekeerd is. En zie, uit de rechterzijde borrelde water.3Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels.4Hij mat [weer] duizend [el] en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de knieën. Toen mat Hij er [weer] duizend en liet mij erdoor gaan: het water kwam tot de heupen.5[Nog eens] mat Hij duizend [el]: het was een beek waar ik niet door kon gaan, want het water was [heel] hoog – water waar men [alleen] zwemmend [door kon], een beek waar men [anders] niet door kon gaan.6Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek.7Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant.8Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond.9Het zal gebeuren [dat] alle levende wezens die er wemelen, overal waar een van beide beken naartoe komt, zullen leven. Daar zal zeer veel vis zijn, omdat dit water daarheen komt, en alles waarheen deze beek komt, zal gezond worden en leven.10Verder zal het gebeuren dat er vissers langs zullen staan vanaf Engedi tot En-Eglaïm. Er zullen droogplaatsen voor sleepnetten zijn. Hun vis zal van elke soort zijn, zeer talrijk, zoals de vis in de Grote Zee.11Maar de moerassen ervan en de poelen ervan zullen niet gezond worden: ze zijn aan het zout prijsgegeven.12En langs de beek, langs de oever ervan, zullen aan deze kant en aan de andere kant allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan het blad niet zal verwelken en waarvan de vrucht niet zal opraken. Elke maand zullen ze nieuwe vruchten voortbrengen, want het water ervoor stroomt uit het heiligdom. De vrucht ervan zal tot voedsel dienen en het blad ervan tot genezing.). Maar er is wel een groot verschil. Daar gaat het om een letterlijke rivier in het aardse Jeruzalem, terwijl het hier gaat om het hemelse Jeruzalem met een symbolische voorstelling van zaken.

V22In [het] midden van haar straat en aan beide zijden van de rivier was [de] boom van [het] leven, die twaalf vruchten draagt en elke maand zijn vrucht geeft; en de bladeren van de boom zijn tot genezing van de naties.. Dan wordt de blik gericht op “[de] boom van [het] leven”. Hij staat “in [het] midden van haar straat”, dat is de straat van de stad, en tegelijk aan beide zijden van de rivier. Het is één boom en toch staat hij op meerdere plaatsen tegelijk. Dat is niet logisch te verklaren. In elk geval is deze boom van het leven een beeld van de Heer Jezus.

Helemaal aan het begin van de Bijbel lees je ook over de boom van het leven (Gn 2:99En de HEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook de boom des levens, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.). God plaatste de boom van het leven midden in het paradijs. Daarnaast plaatste Hij de boom van de kennis van goed en kwaad. Over de boom van de kennis van goed en kwaad hoor je hier niet meer. Hier staat alleen de boom van het leven. De Heilige Geest verbindt hier begin en einde van de Schrift met elkaar.

In Genesis 2 is sprake van twee bomen. Daar is ook sprake van een rivier, maar die splitst zich in vier stromen (Gn 2:1010Een rivier kwam voort uit Eden om de hof te bevochtigen. En vandaar splitste hij zich en vormde vier hoofd[stromen].). Er is hier echter maar één boom en één rivier. Er is hier geen sprake meer van de verantwoordelijkheid van de mens. De mens kan in het vrederijk niet worden verzocht door de satan zoals in het paradijs. De satan is immers tijdens de duur van het vrederijk gebonden (Op 20:1-31En ik zag een engel neerdalen uit de hemel, die de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand had.2En hij greep de draak, de oude slang, dat is [de] duivel en de satan, en bond hem duizend jaren;3en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de naties niet meer zou misleiden voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.). Daarom staat hier alleen de boom van het leven. Daar mag de mens voortdurend van eten, om de constante zegen van het vrederijk te genieten.

Het wijst op een voortdurende afhankelijkheid van de Heer Jezus. Hij geeft kracht om op die ene straat te wandelen en Hij geeft verkwikking, ongeacht aan welke kant van de rivier iemand woont. De gemeente zal “elke maand” van de duizend jaren op een nieuwe manier van Hem mogen genieten, want de vruchten zullen voor de inwoners van de stad zijn.

De bladeren van de boom zijn voor de volken op aarde tot genezing. Alle conflicten en onenigheden zullen door de Heer Jezus tot een einde worden gebracht. Er zullen geen oorlogen meer zijn, alle wonden zullen genezen zijn.

V33En er zal geen enkele vervloeking meer zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en Zijn slaven zullen Hem dienen,. In deze heerlijke situatie “zal geen enkele vervloeking meer zijn”, want de Heer Jezus regeert. Aan Zijn regering is zegen verbonden, geen vervloeking. Vervloeking is een gevolg van de zonde. Alles wat met zonde te maken heeft, krijgt geen kans zijn invloed ook maar op enige manier in het nieuwe Jeruzalem uit te oefenen. Ook het wegnemen van de vervloeking doet denken aan het begin, toen de vloek in de wereld kwam (Gn 3:1717En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten,
is de aardbodem omwille van u vervloekt;
met zwoegen zult u daarvan eten,
al de dagen van uw leven;
)
. Hier is hij weggenomen. Zo is de eindtoestand in alle opzichten de tegenhanger van de begintoestand. Op aarde zal nog wel zonde worden gevonden (Ps 101:88Elke morgen zal ik
alle goddelozen in het land ombrengen,
door allen die onrecht bedrijven,
uit de stad van de HEERE uit te roeien.
; Js 65:2020Daar zal niet meer zijn
een zuigeling die [maar enkele] dagen [leeft]
of een oude man
die zijn dagen niet zal volmaken,
want een jonge man zal sterven als een honderdjarige,
maar een zondaar, al is hij honderd jaar, zal vervloekt worden.
)
. In de stad zal dat niet het geval zijn.

Opnieuw wordt de nadruk gelegd op de troon van God en van het Lam als de bron van zegen. Het genieten van de zegen wil niet zeggen dat er niet wordt gediend. De gelovigen die het nieuwe Jeruzalem vormen, worden hier “slaven” genoemd. Dat is geen benaming voor onderdrukte mensen, maar een titel van vrijwillig gehoorzame mensen. Zij willen uit liefde Hem dienen voor Wie ze gekocht zijn, God, en door Wie ze gekocht zijn, het Lam. Het dienen is hier ook niet het verrichten van slavenarbeid, maar dienen in godsdienstige zin, het dienen als priesters in een eredienst. Dit is het grootste voorrecht van een mens.

Opmerkelijk is ook dat er staat dat zij “Hem” (enkelvoud) zullen dienen, terwijl het toch om twee Personen gaat: God en het Lam. Dat geeft aan dat God en het Lam één God zijn. Deze wijze van schrijven over God en de Heer Jezus ben je ook tegengekomen in de brieven die Johannes heeft geschreven. Soms weet je niet of hij het over God of over de Heer Jezus heeft. Dat is ook niet erg, want het gaat bij beide Personen over God.

V44en zij zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.. Behalve omgeven te zijn door zegeningen en de onbeperkte mogelijkheid om daarvan te genieten is er een nog groter voorrecht. Dat nog grotere voorrecht is het zien van het aangezicht van God en het Lam. Dat wil zeggen dat er een directe en vrije toegang tot en omgang met God en het Lam is. Het is de beloning voor hen die rein van hart zijn (Mt 5:88Gelukkig de reinen van hart, want zij zullen God zien.). Naar buiten toe zal Zijn Naam “op hun voorhoofden zijn”. Het is de openlijke verkondiging dat zij aanbidders van God en het Lam zijn (vgl. Op 13:1616En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;; 17:55En op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde.).

V55En er zal geen nacht meer zijn en lamplicht en zonlicht hebben zij niet nodig, want [de] Heer, God, zal over hen lichten; en zij zullen regeren tot in alle eeuwigheid.. Er zullen geen natuurlijke lichtbronnen in de stad meer nodig zijn (Op 21:2323En de stad heeft de zon of de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlichtte haar en haar lamp is het Lam.). God Die licht is (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.), heeft alle duisternis verdreven. Wat Johannes in zijn eerste brief al als beginsel van het nieuwe leven heeft verkondigd – dat de gelovige, wat betreft het nieuwe leven dat hij heeft ontvangen, in het licht wandelt (1Jh 1:77Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.) –, is dan werkelijkheid voor het hele hemelse bestel van dingen.

Een terugkeer van de duisternis is niet mogelijk. In het nieuwe Jeruzalem, dat wordt gevormd door mensen die allen het nieuwe, eeuwige leven bezitten in de Zoon Die het eeuwige leven is, zal het eeuwig dag zijn. In die situatie komt ook na het vrederijk geen verandering. We zullen eeuwig met Christus regeren. Na het vrederijk is onze regering met Christus niet afgelopen, hoewel de regeringsvorm zal veranderen (1Ko 15:2424Daarna is het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht tenietgedaan heeft.). Het koninkrijk van de Heer Jezus als de Zoon des mensen zal duizend jaar duren. Als de Zoon van God zal Hij eeuwig regeren, zonder dat Hij ophoudt Mens te zijn.

V66En hij zei tegen mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Heer, de God van de geesten van de profeten, heeft Zijn engel gezonden om Zijn slaven te tonen wat met spoed moet gebeuren.. Johannes krijgt de verzekering dat er niet getwijfeld kan worden aan wat is gezegd, tenzij iemand dat bewust doet. “Deze woorden zijn getrouw en waarachtig.” Dat zijn ze, omdat Hij, Die ze heeft gesproken, zo is (Op 19:1111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.). Gods Woord is boven alle twijfel verheven. Dat is natuurlijk altijd zo, maar toch wordt het hier benadrukt.

God geeft een dergelijke verzekering aangaande Zijn Woord omdat Hij weet dat je zwak kunt zijn in je geloof in Zijn Woord. Houd er maar aan vast dat de profeten erover hebben gesproken op een manier die vergissingen uitsluit. De Heer, Hij Die over alles gezag heeft, is “de God van de geesten van de profeten”. Dat wil zeggen dat Hij de geesten, dat is het geestelijk innerlijk, van de profeten heeft bestuurd in wat zij moesten opschrijven.

Het gaat om dingen die “met spoed” moeten “gebeuren”. Deze woorden ben je ook aan het begin van dit boek tegengekomen (Op 1:11Openbaring van Jezus Christus, die God Hem heeft gegeven om Zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren; en Hij heeft die door Zijn engel gezonden en aan Zijn slaaf Johannes te kennen gegeven.), zodat het einde van het boek als het ware de cirkel weer sluit. Het is een herinnering aan het doel van het boek en dat is dat je zult uitzien naar de komst van de Heer Jezus. Er is niets wat nog moet gebeuren wil de Heer Jezus voor de gemeente kunnen komen. Als dat al voor Johannes en Paulus gold, hoeveel te meer voor ons.

V77En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.. De engel heeft Johannes verteld dat de gebeurtenissen van dit boek spoedig in vervulling zullen gaan. Dat maakt je verlangen naar de Heer groter. Wat is het dan prachtig de Heer Jezus Zelf te horen zeggen dat Hij spoedig komt. Het is alsof Hij je oog van de toekomstige gebeurtenissen naar Zichzelf wil richten. Zijn verlangen gaat ernaar uit om alles in vervulling te doen gaan wat in dit boek geschreven staat. Je kijkt dan ook niet in de eerste plaats uit naar gebeurtenissen, maar naar een Persoon.

Tot dat moment heb je de beschikking over “de woorden van de profetie van dit boek”. Als je die bewaart, ben je “gelukkig”. Altijd is het bewaren van het Woord van God een bron van geluk. Het geeft je licht op je weg en laat je zien wat je toekomst is omdat je toekomst met Christus verbonden is. De Heer verbindt bijzondere zegeningen aan het lezen van dit boek dat helaas zo vaak door veel gelovigen als een onbegrijpelijk boek ongelezen wordt gelaten.

Lees nog eens Openbaring 22:1-7.

Verwerking: Noem de zegeningen die verbonden zijn aan de rivier van levenswater.


Mijn loon is bij Mij

8En ik, Johannes, ben het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik ze hoorde en zag, viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel die mij deze dingen toonde. 9En hij zei tegen mij: Zie toe, [doe dit] niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders, de profeten, en van hen die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God! 10En hij zei tegen mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij. 11Laat hij die onrecht doet, nog meer onrecht doen; en die vuil is, zich nog vuiler maken; en die rechtvaardig is, nog meer gerechtigheid doen; en die heilig is, zich nog meer heiligen. 12Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden zoals zijn werk is. 13Ik ben de Alfa en de Oméga, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde. 14Gelukkig zij die hun lange kleren wassen, opdat zij recht hebben op de boom van het leven en zij door de poorten de stad binnengaan.

V88En ik, Johannes, ben het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik ze hoorde en zag, viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel die mij deze dingen toonde.. Wat Johannes heeft gehoord en gezien, maakt grote indruk op hem. Als hij zegt “ik, Johannes”, maakt dat duidelijk dat hij alles wat hij “hoorde en zag”, heel persoonlijk heeft beleefd. Het was maar niet een tot zich nemen van allerlei wetenswaardige gebeurtenissen, zodat hij nu wist hoe de toekomst er uitzag. Hij was er met zijn hele persoon bij betrokken.

Dat is ook voor jou van groot belang. Nu je aan het einde van dit boek bent gekomen, mag je jezelf afvragen wat het boek met je heeft gedaan, zoals ik me moet afvragen wat het met mij heeft gedaan. Ben je er alleen in feitenkennis op vooruitgegaan of heeft het je innerlijk diep geraakt? Vind je het alleen interessant dat je nu weet hoe de geschiedenis gaat verlopen of ben je echt gaan verlangen naar de komst van de Heer?

Johannes is er zo diep van onder de indruk, dat hij tot aanbidding komt. Maar hij schenkt deze aanbidding aan iemand die er geen recht op heeft. Dat is ook een gevaar voor jou. Je loopt het risico om Gods werktuig te bewonderen in plaats van Hem Die jou door dat werktuig wordt voorgesteld. De Heilige Geest wil je aandacht niet richten op een engel, of op Johannes, of op welk mens ook, maar op de Heer Jezus.

V99En hij zei tegen mij: Zie toe, [doe dit] niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders, de profeten, en van hen die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God!. Johannes wordt door de engel tot de orde geroepen. Hij heeft al een keer eerder deze fout gemaakt (Op 19:1010En ik viel voor zijn voeten neer om hem te aanbidden; en hij zei tegen mij: Zie toe, [doe dit] niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie.). Ook toen is hij door de engel tot de orde geroepen. Dat hij voor de tweede keer deze fout maakt, laat zien dat het toch wel moeilijk is om alleen de Heer Jezus de eer te geven en niet een schepsel, tegen wie we soms wel hoog kunnen opkijken. Maar hoeveel waardering we ook kunnen en mogen hebben voor personen die ons hebben geholpen Gods waarheid beter te leren kennen, er is slechts één Persoon Die onze aanbidding toekomt. Iedereen neemt een ondergeschikte plaats in ten aanzien van de Heer Jezus en een gelijke plaats ten opzichte van elkaar, met oog voor de verschillen die de Heer Jezus heeft aangebracht.

De engel noemt zich “een medeslaaf” van Johannes, hoezeer hij Johannes ook van dienst is geweest in de uitleg van de toekomstige gebeurtenissen. De engel spreekt ook over “de profeten” als “broeders” van Johannes. Johannes en alle profeten van God hebben gesproken over toekomstige gebeurtenissen. Zij hebben dat alleen kunnen doen omdat God hun heeft laten zien wat Hij van plan is. Die plannen heeft Hij aan al de Zijnen bekendgemaakt in Zijn Woord en in het bijzonder in dit bijbelboek.

Allen die de woorden van dit bijbelboek bewaren, noemt de engel ook zijn medeslaven. Ook het woord ‘slaaf’ ben je in het begin van dit boek tegengekomen. Het boek kan alleen worden begrepen door gelovigen die als antwoord op wat God in Zijn Woord bekendmaakt, hun leven aan Hem toewijden. Dat is de ware aanbidding van God.

V1010En hij zei tegen mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij.. Toen Daniël aan het einde van zijn boek was gekomen, kreeg hij te horen dat hij het boek moest verzegelen tot de eindtijd (Dn 12:44Maar u, Daniël, houd deze woorden geheim en verzegel dit boek tot de tijd van het einde. Velen zullen het onderzoeken en de kennis zal toenemen.). Dat was, omdat in de tijd van Daniël het einde nog ver weg was. Hij leefde in een andere tijdsperiode van Gods heilsgeschiedenis. De verzegeling van zijn boek betekende dat de profetieën die erin staan, onaantastbaar zijn gemaakt en veilig worden bewaard tot de vervulling. Het verbreken van de verzegeling mag alleen door de daartoe bevoegde persoon gebeuren (vgl. Op 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.).

Maar voor ons is de tijd nabij (vgl. Mt 25:66Maar te middernacht klonk een geroep: Zie, de bruidegom! Gaat uit, <hem> tegemoet!). Sinds de dood van Christus is alles vervuld en zijn we in het ‘laatste uur’ gekomen (1Jh 2:1818Kinderen, het is [het] laatste uur; en zoals u hebt gehoord dat [de] antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het [het] laatste uur is.). Op ons zijn de einden van de eeuwen gekomen (1Ko 10:1111<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.). Daarom krijgt Johannes te horen dat hij de profetie van dit boek niet moet verzegelen. God heeft alles geopenbaard. De tijd van de komst van Zijn Zoon is aanstaande om alles in vervulling te doen gaan. Het is God erom te doen dat door deze openbaring, die niet verzegeld wordt – waardoor je weet dat Zijn Zoon elk ogenblik kan komen – jij met verlangen zult uitzien naar Hem Die alles gaat vervullen.

V1111Laat hij die onrecht doet, nog meer onrecht doen; en die vuil is, zich nog vuiler maken; en die rechtvaardig is, nog meer gerechtigheid doen; en die heilig is, zich nog meer heiligen.. Als alle gebeurtenissen van dit boek zo dichtbij zijn gekomen, zal dat een schifting onder de mensen bewerken. Er zijn slechts twee reacties mogelijk:
1. Er zijn er die het Woord van God verwerpen en geen rekening houden met wat spoedig gaat gebeuren.
2. Er zijn er die zich aan het Woord van God onderwerpen en uitzien naar de vervulling ervan.

Hoe meer de tijd nabij komt, des te meer wordt het werkelijke karakter van ieder mens openbaar:
1. De eerste categorie mensen zal steeds meer “onrecht” gaan doen en daardoor zichzelf steeds “vuiler”, smeriger, maken. Je ziet dat in de wereld en ook en vooral in de zogenaamde christelijke wereld. De mensen doen steeds meer onrecht en komen steeds onbeschaamder met hun vuiligheid voor de dag.
2. De tweede categorie mensen wijdt zich steeds meer toe aan God. Zij leven rechtvaardig en doen “nog meer gerechtigheid”, waardoor zij zich steeds meer “heiligen” ten opzichte van de vuiligheid van de mensen om hen heen. Hun heiligheid wordt steeds duidelijker gezien door de tegenstelling met de toenemende smerigheid van de wereld. Het contrast met de wereld zal steeds groter worden.

In het licht van de komst van de Heer wordt alles beslist met betrekking tot ons leven op aarde. In dat licht wordt gezien waarvoor we leven.

V1212Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden zoals zijn werk is.. Je denkt misschien dat het niet eenvoudig is om rechtvaardig en heilig te leven in een zo smerige wereld, waar de vuiligheid je aan alle kanten tegemoet springt. Daarom zijn de woorden van de Heer een geweldige bemoediging. Je hoort Christus zeggen dat Hij spoedig komt. Dat is al bemoedigend. Maar dan hoor je nog dat Hij aan Zijn spoedige komst een beloning verbindt. Christus zal elk teken van gerechtigheid in je leven weten te waarderen en Hij zal daar de gepaste beloning voor geven.

Als je op aarde voor Hem hebt gekozen, ben je misschien wel veel waardering van mensen misgelopen. Maar de Heer zal dat overvloedig vergoeden bij Zijn komst. De ongelovigen hebben hun loon al op aarde ontvangen (vgl. Mt 6:2,5,162Wanneer u dan weldadigheid bewijst, bazuin het niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagogen en op de straten, opdat zij door de mensen geëerd worden. Voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon al.5En wanneer u bidt, zult u niet zijn zoals de huichelaars; want zij houden ervan in de synagogen en op de hoeken van de straten te staan bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon al.16Wanneer u nu vast, toont dan niet een droevig gezicht zoals de huichelaars; want zij maken hun gezichten ontoonbaar om zich aan de mensen te vertonen wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon al.). Daarom is er voor hen niets bij als de Heer komt. Integendeel. Zij zullen vergelding ontvangen voor hun boze daden.

V1313Ik ben de Alfa en de Oméga, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde.. Voor de derde en laatste keer hoor je dat de Heer Jezus “de Alfa”, de eerste letter van het Griekse alfabet, en de “Oméga”, de laatste letter van het Griekse alfabet, is (Op 1:88Ik ben de Alfa en de Oméga, zegt [de] Heer, God, Hij Die is en Die was en Die komt, de Almachtige.; 21:66En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.). Hij is het Woord van God, de volkomen openbaring van God. Alles wat God te zeggen heeft, heeft Hij in Christus gezegd. Christus zal alles tot op de letter vervullen zoals God het heeft gezegd (vgl. Jz 21:4545Van al de goede woorden die de HEERE tot het huis van Israël gesproken had, is er niet [één] woord onvervuld gebleven: alles is uitgekomen.; Mt 5:17-1817Meent niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen.18Want voorwaar, Ik zeg u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal niet één jota of één tittel van de wet voorbijgaan totdat alles is gebeurd.).

Hij, Die boven de geschiedenis van de schepping staat, is in de geschiedenis binnengetreden. Hij is “de Eerste en de Laatste” van de geschiedenis (Op 1:1717En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste,; 2:88En schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is en [weer] levend geworden:; Js 44:66Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël,
zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten:
Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste,
en buiten Mij is er geen God.
; 48:1212Luister naar Mij, Jakob,
Israël, Mijn geroepene:
Ik ben Dezelfde, Ik ben de Eerste,
ook ben Ik de Laatste.
)
. Hij staat aan “het Begin” van alles als de Eerste en Hij staat aan “het Einde” van alles als de Laatste. Hij is er nog als alles wat was, voorbij is. Hij is zowel de oorsprong als het doel van de schepping (Ko 1:15-1715Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,16want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.17En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.). Hij Die Zelf geen begin en geen einde heeft, de eeuwige God, omspant alles. Er is niets buiten Hem waar Hij niets mee te maken heeft. Alles heeft aan Hem zijn begin te danken en alles zal in verbinding met Hem voltooid en tot volheid worden gebracht. Je ziet hoe groot Hij is!

V1414Gelukkig zij die hun lange kleren wassen, opdat zij recht hebben op de boom van het leven en zij door de poorten de stad binnengaan.. Voor de zevende en laatste keer wordt het “gelukkig” uitgesproken. Het betreft hen “die hun lange kleren wassen”. Het valt op dat hier “wassen” staat, wat duidt op een doorgaand proces van wassen. Dat is anders dan wat je elders in dit boek hebt gelezen, waar staat “hebben … gewassen” (Op 7:1414En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.). Dit laatste ziet op de bekering. Dat is een eenmalig iets. Toen jij je bekeerde, zijn al je zonden van je afgewassen door het bloed van het Lam. Maar in dit vers gaat het over jouw verantwoordelijkheid.

Je komt dit verschil tussen ‘wassen’ en ‘hebben gewassen’ ook tegen in Johannes 13. Daar spreekt de Heer Jezus over ‘gebaad’ zijn, dat is helemaal gewassen zijn, en zich ‘de voeten te laten wassen’ (Jh 13:1010Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.). Het helemaal gewassen zijn is een eenmalige gebeurtenis bij de bekering. Het zich de voeten laten wassen moet telkens gebeuren, omdat het leven in de wereld de gelovige verontreinigt.

Zich de voeten laten wassen, of zoals hier staat, zijn lange kleren wassen, is een verantwoordelijkheid van de gelovige. De kleren spreken van het uiterlijke gedrag. Jij zult door je wandel bewijzen dat je gewassen bent. Je kleding, dat wil zeggen je gedrag, vertoont geen vlek. Zodra er een vlek op komt door het begaan van een zonde, zal er belijdenis zijn, waardoor het kleed weer zuiver is. Zo zal er op je praktische leefwijze niets aan te merken zijn, waardoor je recht hebt op de boom van het leven. Het wil zeggen dat je deel hebt aan het genot ervan.

Je mag in de stad van God leven, in Zijn tegenwoordigheid. Je hebt deel aan de zegeningen van de boom en de stad op grond van het bloed van Christus. Dat is genade. Maar ieder die deel heeft aan die genade, zal er ook naar willen leven. Zo toon je dat je er recht op hebt. Het is een recht dat wat jou betreft, gegrond is op genade, maar het is een genade die God verleent op grond van het recht dat Hij heeft door het bloed van Christus.

Lees nog eens Openbaring 22:8-14.

Verwerking: Waaruit kan het loon van de Heer Jezus bestaan dat Hij bij Zijn komst bij Zich heeft?


Ja, Ik kom spoedig

15Buiten zijn de honden, de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die [de] leugen liefheeft en doet. 16Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster. 17En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet. 18Ik betuig aan een ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand aan deze dingen toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn; 19als iemand van de woorden van het boek van deze profetie afneemt, zal God zijn deel afnemen van de boom van het leven en uit de heilige stad, van de dingen die in dit boek beschreven zijn. 20Hij Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen, kom, Heer Jezus! 21De genade van de Heer Jezus <Christus> zij met alle <heiligen>. <Amen.>

V1515Buiten zijn de honden, de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die [de] leugen liefheeft en doet.. De tegenstelling met het voorgaande vers is groot en dramatisch. “Buiten” de stad, ‘buiten’ de nieuwe wereld, zijn allen die geen recht hebben op de boom en het ingaan in de stad. ‘Buiten’ is meer dan alleen een geografische plaats. Het is zeker een geografische plaats, maar het is vooral de plaats van eeuwige kwelling (Op 21:88Maar voor de bangen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, hoereerders, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood.). Het karakter van de mensen die buiten zijn, bevestigt dat zij terecht ‘buiten’ de stad met al haar zegeningen zijn. Het geeft aan waaraan zij zich in dienst van de satan hebben overgegeven.

1. Het eerste wat hun karakter kenmerkt, wordt aangegeven door het begrip “honden”. ‘Hond’ is een benaming voor een boosdoener die zonder enig gevoel te werk gaat (Ps 22:17,2117Want honden hebben mij omsingeld,
een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
21Red mijn ziel van het zwaard,
mijn eenzame [ziel] van het geweld van de hond.
; Js 56:1010Zijn wachters zijn allen blind,
zij weten van niets.
Zij allen zijn stomme honden,
zij kunnen niet blaffen;
slaperig liggen zij neer,
zij hebben het sluimeren lief.
; Fp 3:22Kijkt uit voor de honden, kijkt uit voor de boze arbeiders, kijkt uit voor de versnijdenis.; vgl. Dt 23:1818U mag geen hoerenloon of hondengeld in het huis van de HEERE, uw God, brengen [ter inlossing] van welke gelofte dan ook, want die zijn beide een gruwel voor de HEERE, uw God.)
. Alle categorieën hebben dit kenmerk.
2. “Tovenaars” willen macht over anderen uitoefenen.
3. “Hoereerders” zoeken ten koste van anderen bevrediging van hun lusten.
4. “Moordenaars” benemen anderen het leven.
5. “Afgodendienaars” leveren zich willoos uit aan demonen.

Het geheel is ingekaderd in de leugen die men liefheeft en doet. Van al dit soort mensen zal de hel vol zijn.

V1616Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster.. Hier is de Heer Jezus weer aan het woord. Hij vestigt de aandacht op Zichzelf met de woorden “Ik, Jezus”. Hij is de Almachtige, de Koning van de koningen en de Heer van de heren, de Schepper van het heelal en de Onderhouder van alle dingen, maar Hij stelt Zichzelf hier voor met de naam die kenmerkend is voor Zijn vernedering.

Hij is tevens de Gebieder van de engelen. Hij zendt ze waarheen Hij wil met de boodschap waarvan Hij wil dat die gebracht wordt. Hij richt Zich door Zijn engel tot de gemeenten. Dat zijn de plaatselijke gemeenten waar gelovigen samenkomen en samenwonen in het besef dat zij deel uitmaken van de wereldwijde gemeente. Zulke gelovigen wensen niets anders dan in de plaatselijke gemeente waar te maken wat voor de wereldwijde gemeente geldt.

De Heer voegt nog enkele aspecten van Zijn Persoon aan Zijn mededelingen toe. Hij noemt Zichzelf “de Wortel en het Geslacht van David”. Dat is Hij voor Israël, waarvan Hij de wortelscheut is (Op 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.; Js 11:1,101Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
10Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.
)
, waaruit dus het hele volk voortkomt. Tevens is Hij voor Israël het Geslacht – dat wil zeggen ‘Zoon’ – van David. Hij is uit dit volk voortgekomen, opdat in Hem alle beloften betreffende het koninkrijk van God werkelijkheid worden, met zegeningen voor Israël en de volken.

De Heer is ook nog “de blinkende Morgenster”. Dat is Hij voor Zijn gemeente. Zo zal Israël Hem nooit kennen. De gemeente hoeft niet te wachten tot Hij als de Zon der gerechtigheid verschijnt. Als de Zon der gerechtigheid zal Hij voor Israël en de wereld verschijnen (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
, maar de Morgenster gaat aan het opgaan van de Zon vooraf. Als het goed is, is de Morgenster al opgegaan in je hart (2Pt 1:1919En [zo] hebben wij het profetische woord des te vaster, en u doet er goed aan daarop acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat [de] dag aanbreekt en [de] morgenster opgaat in uw harten.), dat wil zeggen dat je met verlangen uitziet naar Zijn komst voor de gemeente.

V1717En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.. Als de Heer Jezus zo Zijn stem heeft laten horen en gewezen heeft op Zichzelf als de vervulling van alle beloften, kunnen de Geest en de bruid niet zwijgen. De Geest is wel op aarde, maar als een tijdelijke verblijfplaats. De Geest woont hier net zolang als de gemeente, de bruid, hier is. Maar Hij voelt Zich hier niet thuis. Zo voelt ook de bruid zich niet thuis in de wereld. Ze is hier nog steeds gescheiden van haar Bruidegom. Maar als ze Zijn stem hoort, klinkt ook haar stem in volkomen harmonie met de stem van de Geest en zegt ze tegen haar Bruidegom: “Kom!”

De bruid is de gemeente als geheel. Het geheel van de gemeente zegt ‘kom!’, ook al verlangt niet ieder die tot de bruid behoort even vurig naar de Heer. Daarom komt ook de oproep tot ieder individueel om te zeggen: “Kom!” Het verlangen van de een kan aanstekelijk werken op het gedoofde verlangen van de ander.

Dan wordt nog een derde groep aangesproken. Die groep maakt nog geen deel uit van de bruid, maar zou dat wel willen, er is dorst. Ieder die dorst heeft, wordt nog uitgenodigd om van het levenswater te nemen en wel gratis (Js 55:11O, alle dorstigen, kom tot de wateren,
en u die geen geld hebt, kom,
koop en eet, ja, kom, koop zonder geld,
zonder prijs, wijn en melk.
)
. Dit water ziet op de verkwikking die de Heer Jezus door Zijn Geest wil geven aan ieder die moe is van het leven in de zonde (Jh 4:10-1510Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de gave van God kende en Wie Hij is Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.11De vrouw zei tot Hem: Heer, U hebt geen putemmer en de put is diep; waar hebt U dan het levende water vandaan?12Bent U soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft gegeven en die er zelf uit heeft gedronken, en zijn zonen en zijn vee?13Jezus antwoordde en zei tot haar: Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben;14maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.15De vrouw zei tot Hem: Heer, geef mij dat water, opdat ik geen dorst heb en ik niet meer hier kom om te putten.; 7:3737En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!).

V1818Ik betuig aan een ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand aan deze dingen toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn;. De Heer waarschuwt er in krachtige woorden, “Ik betuig”, voor om niets toe te voegen aan de inhoud van de woorden van de profetie die in dit bijbelboek zijn opgenomen. Er moet en mag niets toegevoegd worden aan alle beschreven gebeurtenissen (vgl. Sp 30:66Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders zal Hij u straffen,
omdat u een leugenaar zou blijken te zijn.
; Dt 4:22U mag aan het woord dat ik u gebied, niets toevoegen en er [ook] niets van afdoen, opdat u de geboden van de HEERE, uw God, die ik u gebied, in acht neemt.; 12:3232Dit alles wat ik u gebied, moet u nauwlettend in acht nemen. U mag er niets aan toevoegen en er [ook] niets van afdoen.)
. Eraan toevoegen betekent de aanmatiging als zou God niet alles hebben gezegd wat Hij te zeggen had. Dit is de zonde waartoe de satan Eva heeft verleid (Gn 3:1-31De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?2En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen in de hof mogen wij eten,3maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten en hem niet aanraken, anders sterft u.) en waardoor haar de aangekondigde straf van de dood werd toegevoegd.

De satan zal nog steeds alles in het werk stellen om de woorden van de profetie van dit boek voor de mensen gesloten te houden, of ze zo te verdraaien, dat de ware kracht ervan verloren gaat. Als de satan zijn leugen kan toevoegen aan de woorden van de profetie van dit boek, woorden waarin zijn einde wordt weergegeven, kan hij zoveel mogelijk mensen meeslepen naar de hel. Maar de Heer Jezus waarschuwt hier om niet in deze valstrik te lopen. Toevoegen aan wat volmaakt is, betekent toegevoegd krijgen van de plagen die in dit boek beschreven zijn. Die plagen kunnen niet heviger worden dan ze beschreven zijn. Ze kunnen wel meer in aantal worden.

V1919als iemand van de woorden van het boek van deze profetie afneemt, zal God zijn deel afnemen van de boom van het leven en uit de heilige stad, van de dingen die in dit boek beschreven zijn.. De volgorde is anders dan in het vorige vers. Hier gaat het om de volledig afgeronde boodschap van het boek als geheel. Daarvan kan niets worden afgenomen. Mensen nemen af of weg van het Woord van God wat ze niet begrijpen. Het hoogmoedige verstand van de mens verwerpt van Gods Woord wat hem onaanvaardbaar lijkt. Je kunt hierbij denken aan bijbelkritiek. Een dergelijke houding tekent de vermetelheid van het ongeloof.

Maar wie zo met Gods Woord afrekent, met hem zal God afrekenen. Zo iemand ontvangt geen deel aan de boom en de stad. Door zijn houding geeft hij aan dat hij helemaal geen zin heeft om deel te hebben aan dingen waar de gelovige van geniet. Hij zal er dan ook nooit deel aan krijgen. Het is hem voorgehouden, hij heeft erover gelezen, maar hij verwerpt het. Hij had er deel aan kunnen krijgen, maar wilde niet. Daarom wordt het hem aangeboden deel van hem weggenomen.

Het gaat hier absoluut niet om het wegnemen van iets waaraan een gelovige deel heeft gekregen. Het deel van een gelovige kan hem nooit worden afgenomen. Een gelovige zal ook nooit iets van de woorden van het boek van deze profetie afnemen. Dat je als gelovige niet alles begrijpt en er vragen over hebt, is van totaal andere orde dan het verwerpen van iets wat God heeft gezegd. En over dat laatste gaat het hier.

V2020Hij Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen, kom, Heer Jezus!. De Heer Jezus besluit het boek met een laatste getuigenis dat het boek van Hem Zelf komt. Christus is de absoluut betrouwbare Getuige van de in dit boek geopenbaarde dingen. In aansluiting daarop zegt Hij: “Ja, Ik kom spoedig!” Dit is het antwoord op de roep van de Geest en de bruid in vers 1717En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.. Met zijn ‘ja’ bevestigt Hij dat er niet de geringste twijfel hoeft te zijn aan alles wat is gezegd. Vervolgens zegt Hij dat Hij op het punt staat om te komen. Er is geen enkele vervulling van enige profetie nodig, voordat Hij voor Zijn bruid zou kunnen komen.

De reactie op de toezegging van de Heer dat Hij spoedig komt, is: “Amen, kom, Heer Jezus.” Dit klinkt uit de mond van allen die Hem liefhebben. Twee keer eerder heeft de Heer gezegd dat Hij spoedig komt (verzen 7,127En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.12Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden zoals zijn werk is.). De reactie daarop is anders dan de reactie hier. In vers 77En zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart. wordt de toezegging gevolgd door een aansporing om Gods Woord te bewaren. In vers 1212Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden zoals zijn werk is. wordt de toezegging gevolgd door de belofte van beloning. In dit vers wordt de toezegging van de Heer gevolgd door een spontane uiting van verlangen naar Hem Zelf, naar Zijn Persoon. Hiermee sluit het boek eigenlijk af.

V2121De genade van de Heer Jezus <Christus> zij met alle <heiligen>. <Amen.>. Toch volgt er nog een zegenwens van Johannes voor “alle heiligen”, die nodig is zolang de Heer Jezus nog niet is gekomen. Tot het moment van Zijn komst mogen alle heiligen op Zijn “genade” rekenen. Hierop kan alleen een instemmend “amen” volgen. Een prachtig slot.

Lees nog eens Openbaring 22:15-21.

Verwerking: Wat betekent voor jou de gedachte dat de Heer spoedig komt?