Obadja
Inleiding
Inleiding

Obadja is de vierde in de rij van de twaalf kleine profeten van wie de boeken in de Nederlandse Bijbels aan het einde van het Oude Testament staan. Het bijbelboek dat zijn naam draagt, is het kleinste bijbelboek dat we in de Bijbel hebben. Je moet de volgorde van de kleine profeten wel uit je hoofd kennen, om zonder al te veel moeite dit boekje te vinden.

Maar we zouden veel hebben gemist als we zijn boodschap niet in de Bijbel hadden. Zijn boodschap is net zo krachtig en waardevol als die van de andere profeten. Uniek is dat hij zijn boodschap niet richt tot Gods volk, maar tot een volk dat Gods volk uiterst vijandig gezind is. Daarbij is het treffend dat dit vijandige volk een broedervolk is. Dit geeft aan de boodschap van Obadja een bijzondere betekenis.

Laten we luisteren naar de boodschap van deze man van God. We zullen ontdekken dat ook zijn boodschap weer veel bevat dat voor ons herkenbaar en actueel is.

“Want het oordeel zal onbarmhartig zijn over hem die geen barmhartigheid gedaan heeft” (Jk 2:13a13Want het oordeel zal onbarmhartig zijn over hem die geen barmhartigheid gedaan heeft; barmhartigheid roemt tegen oordeel.). Dit vers van Jakobus kan goed als opschrift boven het boek Obadja geplaatst worden. Het geeft krachtig weer wat de inhoud van het boek is. Misschien dat we ons afvragen of het verontwaardigde profetische geluid van Obadja wel spoort met de nieuwtestamentische boodschap van vergeving. Maar evengoed kunnen we ons afvragen of wij niet zelf gevangenzitten in, wat iemand eens noemde, ‘een soort versuikerd christendom’.

Kennen wij dat nog wel, de verontwaardiging om dingen die eenvoudigweg niet kunnen, dingen waarover God toornt? Obadja is ondersteboven van de arrogantie en het leedvermaak van Edom ten aanzien van Israël, nota bene een broedervolk. Maar Edom is een broedervolk in een andere zin dan Moab en Ammon. Moab en Ammon zijn nakomelingen van Lot, de zoon van een broer van Abraham. Het is ook een ander broedervolk dan de Ismaëlieten want die stammen wel van Abraham af, maar niet via Sara. Bij Edom gaat het om een zoon van Izak, de beloofde zoon van het welbehagen van de HEERE. Dichter bij Israël kan niet. Dan blijkt: hoe nauwer de band, hoe dieper de kloof. Naarmate we in onze overdenking van dit boek vorderen, zal de juistheid van de opstelling van Obadja tegen Edom steeds duidelijker worden.

Obadja, waar hij profeteerde en waarover

Obadja betekent ‘dienaar van de HEERE’. In het Oude Testament luisteren meerdere personen naar die naam (1Kn 18:3-163Achab riep Obadja, de hofmeester. Nu vreesde Obadja de HEERE zeer.4Het was namelijk gebeurd, toen Izebel de profeten van de HEERE uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam en ze per vijftig man in een grot verborg en hen met brood en water onderhield.5Achab zei tegen Obadja: Ga het land in, naar alle waterbronnen en alle beken. Misschien zullen wij gras vinden, zodat wij de paarden en de muildieren in leven zullen houden en wij geen van de dieren hoeven af te maken.6En zij verdeelden het land onder elkaar om er doorheen te trekken. Achab ging – alleen – de ene kant op, en Obadja ging – alleen – de andere kant op.7Toen Obadja onderweg was, zie, Elia [kwam] hem tegemoet. Hij herkende hem, wierp zich met zijn gezicht [ter aarde] en zei: Bent u het, mijn heer Elia?8Hij zei: Ik ben het. Ga, zeg tegen uw heer: Zie, Elia is [hier].9Maar hij zei: Wat heb ik gezondigd, dat u uw dienaar in de hand van Achab geeft om mij te doden?10[Zo waar] de HEERE, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk waarheen mijn heer [geen boden] heeft gestuurd om u te zoeken. En als zij zeiden: Hij is hier niet, dan liet hij dat koninkrijk of dat volk zweren dat zij u niet konden vinden.11En nu zegt u: Ga, zeg uw heer: Zie, Elia is [hier].12En mocht het gebeuren dat ík van u zou weggaan en de Geest van de HEERE u zou opnemen, ik weet niet waarheen, en ik zou komen om Achab de boodschap te brengen, en hij zou u niet vinden, dan zou hij mij doden, terwijl [ik], uw dienaar, vanaf mijn jeugd de HEERE vrees.13Is mijn heer niet verteld wat ik heb gedaan, toen Izebel de profeten van de HEERE doodde? Dat ik van de profeten van de HEERE honderd man heb verborgen, per vijftig man in een grot, en dat ik die met brood en water onderhouden heb?14En nu zegt u: Ga, zeg uw heer: Zie, Elia is [hier]. Hij zou mij doden.15Elia zei: [Zo waar] de HEERE van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, voorzeker, vandaag zal ik mij aan hem vertonen!16Toen ging Obadja Achab tegemoet en vertelde het hem, en Achab ging Elia tegemoet.; 1Kr 12:99Ezer was het hoofd, Obadja de tweede, Eliab de derde,; 2Kr 17:1717uit Benjamin Eljada, een strijdbare held, en met hem tweehonderdduizend [strijdbare helden], die met boog en schild gewapend waren;). Onder hen bevindt zich de profeet van wie we een boek – dit geval beter: een boodschap – in de Bijbel hebben. Hij is met geen enkele andere Obadja te identificeren. De enige keer dat we zijn naam tegenkomen, is in dit bijbelboek. Om meer van hem te weten te komen zullen we bij de inhoud van zijn boodschap te rade moeten gaan.

Als we die boodschap lezen, blijkt de plaats van handeling de stad Jeruzalem te zijn en de naaste omgeving daarvan, het bergland van Juda. Sion, de heilige berg van God (Ob 1:16,17,2116Want zoals u op Mijn heilige berg gedronken hebt,
zullen alle heidenvolken voortdurend drinken;
zij zullen drinken en slurpen;
zij zullen worden alsof zij er niet geweest waren!17Maar op de berg Sion zal ontkoming zijn:
die zal een heilige plaats zijn;
zij die van het huis van Jakob zijn,
zullen hun bezittingen [weer] in bezit nemen.21Verlossers zullen de berg Sion opgaan
om het bergland van Ezau te oordelen,
en het koningschap zal van de HEERE zijn.
)
, vormt daarvan het centrum. Toch heeft de profetie van Obadja niet Jeruzalem of Juda als onderwerp, maar Edom. Edom krijgt te horen dat het gestraft zal worden om wat het de kinderen van Juda heeft aangedaan, nadat Jeruzalem is ingenomen.

Wanneer profeteerde Obadja

Obadja is een van de eerste van de kleine profeten. Aangenomen wordt dat hij tijdens de regering van Joram (848-841 v.Chr.) profeteert. Voor die aanname pleiten enkele geschiedkundige bijbelse gegevens. In de tijd van Joram vallen de Filistijnen en de Arabieren Juda binnen en plunderen Jeruzalem (2Kr 21:16-1716Toen wekte de HEERE tegen Jehoram de geest op van de Filistijnen en van de Arabieren die in de nabijheid van de Cusjieten [woonden].17Zij trokken op tegen Juda, baanden zich een weg, en voerden alle bezittingen weg die in het huis van de koning gevonden werden. Bovendien [voerden zij] zijn kinderen en zijn vrouwen [als gevangenen weg], zodat hij geen zoon overhield dan [alleen] Joahaz, zijn jongste zoon.; Jl 3:3-53Zij hebben het lot geworpen over Mijn volk.
Zij gaven een jongen voor een hoer;
zij verkochten een meisje voor wijn, zodat zij konden drinken.4En ook,
wat wilt u van Mij, Tyrus en Sidon,
en alle gebieden van Filistea?
Wilt u Mij [Mijn] handelwijze vergelden?
Als u Mij dat wilt aandoen,
zal Ik snel en onmiddellijk
uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren,5omdat u Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen,
het beste van Mijn kostbaarheden naar uw tempels hebt gebracht.
; Am 1:66Zo zegt de HEERE:
Vanwege drie overtredingen van Gaza,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij [Mijn volk] volkomen in ballingschap gevoerd hebben
om hen uit te leveren aan Edom.
)
. Onder Joram maken de Edomieten zich los van de overheersing door Juda (2Kn 8:20-2220In zijn dagen kwam Edom in opstand tegen het gezag van Juda en stelde een koning over zich aan.21Daarom stak Jehoram over naar Zaïr, met al [zijn] strijdwagens bij hem. Hij stond ‘s nachts op en versloeg Edom, dat zich rondom hem en de bevelhebbers van [zijn] strijdwagens bevond, en het volk vluchtte naar zijn tenten.22Toch kwam Edom in opstand tegen het gezag van Juda tot op deze dag; toen kwam Libna in opstand.). Nog een aanwijzing is te vinden in de vergelijking met wat Jeremia in zijn profetie over Edom zegt (Jr 49:7-227Over Edom.
Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Is er geen wijsheid meer in Teman?
Is de raad van verstandige [mensen] vergaan?
Is hun wijsheid overbodig geworden?
8Vlucht, keer u om, verblijf in diepgelegen [plaatsen],
inwoners van Dedan!
Want Ik heb de ondergang van Ezau over hem gebracht,
de tijd [dat] Ik hem straf.
9Als er druivenplukkers bij u komen,
laten zij [dan] geen nalezing over?
Als er dieven in de nacht [komen],
zouden zij [dan geen] verderf aanrichten tot zij genoeg hebben?
10Ik echter, Ik zal Ezau ontbloten,
Ik zal zijn verborgen plaatsen blootleggen,
zodat hij zich niet kan verstoppen.
Zijn nageslacht wordt verdelgd, [evenals] zijn broers
en zijn buren – en hij is er niet [meer].
11Laat uw wezen achter, Ík zal hen in het leven behouden,
en laten uw weduwen op Mij vertrouwen.
12Want zo zegt de HEERE: Zie, zij die niet verdienden om de beker te moeten drinken, moeten [hem] beslist drinken. Zou u [dan] in enig opzicht voor onschuldig gehouden worden? U zult niet voor onschuldig gehouden worden, maar u moet [hem] beslist drinken!13Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt de HEERE, dat Bozra zal worden tot een verschrikking, tot smaad, tot een verwoeste [plaats] en tot een vloek. Al zijn steden zullen tot eeuwige puinhopen worden.
14Ik heb een bericht gehoord van de HEERE,
een gezant is uitgezonden onder de heidenvolken:
Verzamel u, kom ertegen [op],
sta op voor de strijd!
15Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenvolken,
veracht onder de mensen.
16De schrik voor u heeft u bedrogen,
de overmoed van uw hart,
u die woont in rotskloven,
u die zich vastklemt aan hoge heuvels.
Al zou u uw nest [zo] hoog maken als de arend,
vandaar zal Ik u neerhalen,
spreekt de HEERE.
17Edom zal worden tot een verschrikking. Ieder die er voorbij trekt, zal zich ontzetten en sissen [van afschuw] over al zijn wonden.18Zoals Sodom, Gomorra en hun naburige [plaatsen] ondersteboven zijn gekeerd, zegt de HEERE, zal daar niemand wonen en zal geen mensenkind erin verblijven.
19Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen
uit de glorie van de Jordaan, tegen de sterke woonplaats;
want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.
En wie [daarvoor] uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.
Want wie is Mij gelijk en wie zou Mij dagvaarden?
En wie is die herder dat hij voor Mijn aangezicht standhouden zou?
20Daarom, hoor het raadsbesluit van de HEERE
dat Hij over Edom genomen heeft,
en Zijn plannen die Hij bedacht heeft
tegen de inwoners van Teman:
Voorwaar, de geringsten van de kudde zullen hen wegslepen!
Voorwaar, men zal hun woonplaats boven hen verwoesten!
21Van het geluid van hun val beeft de aarde,
het geschreeuw – bij de Schelfzee wordt het geluid daarvan gehoord.
22Zie, als een arend stijgt hij op, komt hij aanzweven, spreidt hij zijn vleugels uit over Bozra. Het hart van de helden van Edom zal op die dag zijn als het hart van een vrouw in [barens]nood.
)
. Dat komt sterk overeen met wat Obadja zegt.

Hoewel de kleine profeten niet strikt chronologisch gerangschikt zijn, geeft ook de plaats die hij inneemt een aanwijzing dat hij tot de oudere profeten behoort. De kleine profeten zijn in hoofdgroepen toch wel zo te verdelen dat de profeten die vóór de wegvoering hebben geprofeteerd eerst staan, terwijl de drie profeten die de rij van twaalf sluiten, hebben geprofeteerd na de terugkeer uit ballingschap.

Edom, dat is Ezau

Om de profetie beter te begrijpen is het nuttig om eens te kijken naar de oorsprong van Edom. Ezau kreeg de naam Edom in verbinding met het verkopen van zijn eerstgeboorterecht (Gn 25:3030Toen zei Ezau tegen Jakob: Laat mij toch slurpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe. Daarom gaf men hem de naam Edom.). Bij die gelegenheid wordt hij in zijn ware aard openbaar. Met zijn daad toont hij zijn verachting van de gave van God. Hij geeft de voorkeur aan de ogenblikkelijke bevrediging van een lichamelijke behoefte. Hij wordt verworpen omdat hij de gave van God verwerpt (Hb 12:16-1716dat niet iemand een hoereerder is of een ongoddelijke zoals Ezau, die voor één gerecht zijn eerstgeboorterecht verkocht,17want u weet dat hij ook daarna, toen hij de zegen wilde erven, verworpen werd, want hij vond geen plaats voor berouw, hoewel hij die met tranen zocht.).

Ezau persoonlijk is nooit vervloekt. Hij heeft zelfs ook een zegen van Izak ontvangen (Hb 11:2020Door [het] geloof zegende Izaäk Jakob en Ezau ook aangaande toekomstige dingen.), hoewel daarin de Naam van God niet voorkomt (Gn 27:39-4039Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tegen hem:
Zie, van de vruchtbare streken van de aarde
zal je woongebied zijn,
en van de dauw van de hemel van boven.
40Van je zwaard zul je leven
en je broer zul je dienen.
Maar als je tot macht komt,
zul je zijn juk van je nek afrukken.
)
. Als hij zijn jongere broer Jakob zou hebben gediend, zoals God bij zijn geboorte had bepaald (Gn 25:23b23De HEERE zei toen tegen haar:
Er zijn twee volken in uw schoot,
en twee naties zullen zich uit uw lichaam  vaneenscheiden.
Het ene volk zal sterker zijn dan het  andere
en de meerdere zal de mindere dienen.
)
, zou er voor hem ook zegen geweest zijn.

Pas na een lange geschiedenis van openbaring van haat en vijandschap tegen zijn broeder heeft God gezegd dat Hij hem heeft gehaat (Ml 1:33en Ezau heb Ik gehaat.
Ik heb zijn bergen gemaakt [tot] een woestenij,
en zijn erfelijk bezit [prijsgegeven] aan de jakhalzen van de woestijn.
)
. Die haat van God betreft dan ook niet Ezau persoonlijk, maar Ezau in zijn nageslacht. Drie keer staat in de lijst met nakomelingen van Ezau dat Ezau Edom is (Gn 36:1,19,431Dit zijn de afstammelingen van Ezau, dat is Edom.19Dit waren de zonen van Ezau, en dit waren hun stamhoofden; hij is Edom.43het stamhoofd Magdiël, en het stamhoofd Iram. Dit waren de stamhoofden van Edom, volgens hun woongebieden in het land dat zij in bezit hadden. Dit was Ezau, de vader van Edom.). Edom is de naam van het nageslacht van Ezau als volk.

Edoms haat tegen Israël

De eerste vijandschap van Edom openbaart zich in Numeri 20. De Israëlieten zijn onderweg naar het beloofde land en moeten daarvoor door het land van Edom. Het verzoek daartoe wordt door Edom met veel vertoon van macht geweigerd (Nm 20:14-2114En Mozes stuurde uit Kades boden naar de koning van Edom, [met de boodschap]: Dit zegt uw broeder Israël: U weet zelf van al de moeite die ons getroffen heeft,15dat onze vaderen naar Egypte vertrokken zijn, en dat wij vele dagen in Egypte gewoond hebben, en dat de Egyptenaren ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.16Toen riepen wij tot de HEERE. Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte. En zie, wij zijn in Kades, een stad aan het uiterste van uw grens.17Laat ons toch door uw land trekken. Wij zullen niet door akkers of wijngaarden trekken, en wij zullen geen water uit een put drinken. Wij zullen de koninklijke weg nemen, wij zullen niet naar rechts of naar links afwijken, totdat wij door uw gebied getrokken zijn.18Maar Edom zei tegen hem: U mag niet door mijn [land] trekken, anders ga ik u met het zwaard tegemoet!19Toen zeiden de Israëlieten tegen hem: Wij zullen langs de hoofdweg trekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, dan zal ik daarvoor de prijs betalen. Ik wil alleen maar te voet doortrekken, meer niet.20Maar hij zei: U mag er niet doortrekken! En Edom trok eropuit, hem tegemoet, met een zwaar [bewapend] volk, en met sterke hand.21Zo weigerde Edom [toestemming] aan Israël om door zijn gebied te trekken [en] daarom week Israël van hem af.). Ondanks alle voorkomendheid van Mozes en het volk, blijft Edom zijn vijandschap tonen. Ze luisteren naar niets anders dan naar de boosaardige en trotse influisteringen van hun eigen hart. Deze grondhouding van vijandschap hebben ze altijd gekoesterd.

Later onderwerpt David hen door Joab (2Sm 8:1414Hij legde garnizoenen in Edom; in heel Edom legde hij garnizoenen, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.). Onder Joram worden ze afvallig (2Kn 8:20-2220In zijn dagen kwam Edom in opstand tegen het gezag van Juda en stelde een koning over zich aan.21Daarom stak Jehoram over naar Zaïr, met al [zijn] strijdwagens bij hem. Hij stond ‘s nachts op en versloeg Edom, dat zich rondom hem en de bevelhebbers van [zijn] strijdwagens bevond, en het volk vluchtte naar zijn tenten.22Toch kwam Edom in opstand tegen het gezag van Juda tot op deze dag; toen kwam Libna in opstand.). Naarmate Juda en Israël steeds meer in verval raken, gaat Edom zich steeds arroganter gedragen en verheugt hij zich over het kwaad dat Gods volk treft (Ps 137:77HEERE, denk aan de Edomieten,
aan de dag dat Jeruzalem [viel],
toen zij zeiden: Haal neer, haal neer [die stad],
tot op haar fundament!
)
. In Psalm 83 zien we hoe Edom deel uitmaakt van het laatste bondgenootschap tegen Jeruzalem met de bedoeling de naam van Israël van de aarde weg te vagen (Ps 83:6-96Want samen hebben zij [in hun] hart beraadslaagd;
[dezen] hebben een verbond tegen U gesloten:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal, Ammon en Amalek,
Filistea met de bewoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten,
zij zijn voor de zonen van Lot een [sterke] arm geweest. /Sela/
)
. Ezechiël 35 spreekt ook over deze altijddurende haat van Edom en laat zien dat deze al van het begin af openbaar is (Ez 34:1-61Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?3U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet.4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen.5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt.).

Enkele nakomelingen van Ezau

De haat van Edom tegen Gods volk wordt in zijn nakomelingen scherp getekend. Amalek bijvoorbeeld is een kleinzoon van Ezau (Gn 36:1212Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde Amalek aan Elifaz. Dit waren de zonen van Ada, de vrouw van Ezau.). De nakomelingen van Amalek zijn de eersten die Israël na de uittocht uit Egypte aanvallen (Ex 17:88Toen kwam Amalek en bond de strijd aan met Israël in Rafidim.). De HEERE zegt van hen dat Hij “de herinnering aan Amalek onder de hemel geheel zal uitwissen” (Ex 17:1414Toen zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek en prent het Jozua in dat Ik de herinnering aan Amalek van onder de hemel geheel zal uitwissen.). Hij zal dat doen door middel van Zijn eigen volk (Dt 25:17-1917Denk aan wat Amalek u onderweg aangedaan heeft, toen u uit Egypte wegtrok:18hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achterhoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitgeput was; en hij vreesde God niet.19Als de HEERE, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijanden van rondom, in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, moet het [zó] zijn dat u de gedachtenis aan Amalek van onder de hemel uitwist. Vergeet het niet!).

Er zijn nog enkele Edomieten die van zich doen spreken. Zo is daar Haman, de Agagiet (Es 3:1-101Na deze gebeurtenissen maakte koning Ahasveros Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, groot en hij verhoogde hem. En hij plaatste zijn zetel boven al de vorsten die bij hem waren.2En alle dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, knielden en bogen zich voor Haman neer, want zo had de koning dat bevolen ten aanzien van hem. Mordechai echter knielde niet en boog zich niet neer.3De dienaren van de koning die in de poort van de koning waren, zeiden tegen Mordechai: Waarom overtreedt u het gebod van de koning?4Het gebeurde nu, toen zij [dit] van dag tot dag tegen hem zeiden en hij niet naar hen luisterde, dat zij het aan Haman vertelden om te zien of de woorden van Mordechai stand zouden houden, want hij had hen verteld dat hij een Jood was.5Toen Haman zag dat Mordechai niet knielde en zich niet voor hem neerboog, werd Haman met woede vervuld.6Maar het was in zijn ogen verachtelijk om alleen aan Mordechai de hand te slaan, want zij hadden hem verteld [tot welk] volk Mordechai [behoorde]. En Haman zocht [een manier] om alle Joden, die in heel het koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, weg te vagen.7In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het 'pur', dat is het lot, in de tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, [tot] de twaalfde maand, dat is de maand Adar.8Toen zei Haman tegen koning Ahasveros: Eén volk is er dat verstrooid en verspreid is onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan [die van] alle volken en er is niemand die de wetten van de koning uitvoert. Het past de koning niet hen met rust te laten.9Als het de koning goeddunkt, laat er dan geschreven worden dat men hen ombrengt. Dan zal ik tienduizend talent zilver afwegen op de handen van hen die het werk doen, om die naar de schatkist van de koning te brengen.10Toen nam de koning zijn zegelring van zijn hand en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van de Joden.; 8:3,53Esther sprak opnieuw in de tegenwoordigheid van de koning. Zij viel aan zijn voeten neer, huilde en smeekte hem het onheil van Haman, de Agagiet, en zijn plan dat hij tegen de Joden had bedacht, weg te nemen.5Zij zei: Als het de koning goeddunkt en als ik genade bij hem heb gevonden, en deze zaak juist is in de ogen van de koning en ik aangenaam ben in zijn ogen, laat er dan een schrijven uitgaan om de brieven te herroepen met het plan van Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, die hij heeft geschreven om de Joden om te brengen in alle gewesten van de koning.; 9:2424Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van alle Joden, had immers tegen de Joden [het plan] bedacht hen om te brengen, en hij had het 'pur', dat is het lot, geworpen om hen in verwarring te brengen en hen om te brengen.), die maar van één ding bezield is en dat is het uitroeien van het Joodse volk. De naam Agag is de titel van de koningen van Amalek. Ook horen we van ‘de Edomiet Doëg’, die vijfentachtig priesters van de HEERE vermoordt en de priesterstad Nob uitmoordt (1Sm 22:17-1917De koning zei tegen de lijfwachten, die bij hem stonden: Treed toe en dood de priesters van de HEERE, omdat ook zij op de hand van David zijn, en omdat zij wisten dat hij op de vlucht was, maar het niet voor mijn oor onthuld hebben. Maar de dienaren van de koning wilden hun hand niet uitsteken om de priesters van de HEERE dood te steken.18Toen zei de koning tegen Doëg: Treedt u dan toe en steekt u de priesters dood. Toen trad Doëg, de Edomiet, toe en híj stak de priesters dood. Hij doodde op die dag vijfentachtig mannen die het linnen priesterhemd droegen met de scherpte van het zwaard.19Hij sloeg ook [de inwoners van] Nob, de stad van deze priesters, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen toe. Zelfs de runderen, de ezels en de schapen [sloeg hij] met de scherpte van het zwaard.). De haat van Edom tegen Gods volk en zijn moordzucht kenmerkt ook de familie van Herodes. Herodes de Grote is een Edomiet. Hij is berucht door zijn kindermoord te Bethlehem. Zijn zoon Herodes Antipas laat Johannes de doper onthoofden. Een andere zoon, Herodes Agrippa I, doodt Jakobus en wilde ook Petrus doden.

God komt voor Zijn volk op

De voorgaande profeten, Hosea, Joël en Amos, hebben gesproken tot Juda en Israël. Zij hebben het volk zijn ontrouw aan God voorgehouden en de tuchtigingen die God daarom heeft moeten geven. Obadja richt zich niet tot Juda of Israël. Hij spreekt wel over Juda, maar zegt niets ten nadele van hen. Als God door Obadja tot Zijn eigen volk zou hebben gesproken, had Hij dat op dezelfde wijze moeten doen als de andere profeten. Maar Hij spreekt tot Edom. Daarom gaat Hij aan het falen van Zijn eigen volk voorbij en spreekt naar Zijn eigen voornemen.

Het is ermee als met Zijn spreken door Bileam (Numeri 23-24). Terwijl Mozes in meerdere toespraken tegen Israël zegt dat zij opstandelingen zijn, laat God Bileam in tegenwoordigheid van Balak zeggen: “Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob; ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan. De HEERE, zijn God, is met hem, en de [jubelklank] van de Koning is bij hem” (Nm 23:2121Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob;
ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.
De HEERE, zijn God, is met hem,
en de [jubel]klank van de Koning is bij hem.
)
. Als God Zich tegenover Zijn volk opstelt, handelt Hij met hen naar Zijn rechtvaardige eisen. Hij wijst hen op hun afwijking en tuchtigt hen voor hun zonden. Maar tegenover de vijand komt God altijd voor Zijn volk op (Ps 105:12-1512Toen zij [met] weinig mensen waren,
ja, [met] weinigen, en vreemdelingen daarin,
13en zij van volk naar volk zwierven,
van het ene koninkrijk naar het andere volk,
14liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken.
Ook bestrafte Hij koningen omwille van hen [en zei]:
15Raak Mijn gezalfden niet aan,
doe Mijn profeten geen kwaad.
)
.

Geen enkele vijand heeft het recht Gods volk te vernederen, te minachten of te plunderen. Als dat toch gebeurt, laat Hij zien wat Zijn volk voor Hem betekent en dat niemand straffeloos Zijn “oogappel” (Zc 2:88Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nadat [Hij] heerlijkheid [heeft beloofd],
heeft Hij Mij gezonden tot die heidenvolken die u beroven,
want wie u aanraakt,
raakt Zijn oogappel aan.
)
kan aanraken. Het is ermee als met een ongehoorzaam kind. De ouders zullen het kind bestraffen om zijn gedrag. Maar komt iemand anders hun kind te na, dan zullen ze voor hem opkomen.

God getuigt

Het is alsof God door de houding van de vijand wordt uitgedaagd tot het geven van een getuigenis van wat Zijn volk voor Hem betekent. Elke aanval van de vijand brengt naar voren wat er in Gods hart is voor de Zijnen. Als God Zijn hart opent over de Zijnen in hun waarde voor Hem boven hen die Hem en Zijn volk vijandig gezind zijn, horen we de mooiste en meest verheven dingen.

Prachtig is dat te zien bij het kruis. Daar is de vijandschap van de mens het meest openbaar geworden. Daartegenover is daar ook op grootse wijze openbaar geworden Wie God is als licht en liefde, juist tegenover de mens die Hem in Zijn Zoon verwerpt. “De voornaamste” van de zondaars, Paulus (1Tm 1:1515Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben.), kan daardoor iemand worden aan wie God Zijn heerlijkste verborgenheden meedeelt (Ef 3:2-112(waar u immers hebt gehoord van het rentmeesterschap van de genade van God, mij voor u gegeven,3<dat> mij door openbaring de verborgenheid is bekendgemaakt – zoals ik tevoren in het kort geschreven heb;4daardoor kunt u, als u dit leest, mijn inzicht opmerken in de verborgenheid van Christus –5die in andere geslachten de zonen van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in [de] Geest geopenbaard is aan Zijn heilige apostelen en profeten:6dat [zij uit] de volken mede-erfgenamen zijn en mede-ïngelijfden en mededeelgenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie,7waarvan ik een dienaar ben geworden naar de gave van de genade van God, die mij gegeven is naar de werking van Zijn kracht.8Mij, de allergeringste van alle heiligen, is deze genade gegeven om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus onder de volken te verkondigen,9en <voor allen> in het licht te stellen wat het rentmeesterschap is van de verborgenheid die van alle eeuwen verborgen was in God, Die alle dingen geschapen heeft;10opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse [gewesten] door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekendgemaakt wordt,11naar [het] eeuwig voornemen dat Hij heeft opgevat in Christus Jezus onze Heer,).

Edom, symbool van haat

In de haat van Edom komt nog een algemeen beginsel tot uiting. In Edom zien we de haat en vijandschap van het vlees tegenover God (Rm 8:7-87omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.8En zij die in [het] vlees zijn, kunnen God niet behagen.) en wat van God is. Edom is het symbool voor de haat tegen wat God uitkiest. Zolang Edom niet met Gods volk wordt geconfronteerd, wordt dit niet openbaar. Maar zodra die confrontatie er is, komt wat sluimerend aanwezig is in alle heftigheid naar boven.

Dit is ook te merken in evangelieprediking. Mensen die ogenschijnlijk netjes winkelend publiek zijn, uiten zich plotseling in bijtende spot of snauwende ergernis, als je hun een evangelieblaadje aanbiedt. Niemand kent zichzelf totdat hij in contact komt met wat van God is. Dat is de ware en doorslaggevende test voor de ziel. Christus is het volmaakte criterium en de volkomen standaard omdat alleen Hij de volmaakte openbaring van God is.

Indeling Obadja

De profetie van Obadja kan gedetailleerd als volgt worden ingedeeld:
I De boodschap van de HEERE (Obadja 1:1)
II De vernedering van Edom (Obadja 1:2-9)
   a. Edoms karakter (Obadja 1:2-4)
      1. Edoms toekomstige geringheid (Obadja 1:2)
      2. Edoms huidige hoogmoed (Obadja 1:3-4)
   b. Edoms rampspoed (Obadja 1:5-9)
      1. Edoms plundering (Obadja 1:5-6)
      2. Edom in de val gelopen (Obadja 1:7)
      3. Gods initiatief (Obadja 1:8-9)
III De aanklacht tegen Edom (Obadja 1:10-14)
   a. De reden voor de aanklacht (Obadja 1:10)
   b. De verklaring van de aanklacht (Obadja 1:11-14)
      1. De aanklacht beschreven (Obadja 1:11)
      2. De aanklacht herhaald en aangevuld (Obadja 1:12-14)
IV. De dag van de HEERE (Obadja 1:15-21)
      a. Het oordeel over Edom (Obadja 1:15-18)
      b. De bezetting van Edom en andere gebieden (Obadja 1:19-20)
      c. Het koningschap van de HEERE (Obadja 1:21)

Een meer globale indeling is in drie delen:
I De ondergang van Edom en zijn verwoesting (Obadja 1:1-9), met
   1. het raadsbesluit van de HEERE om Edom door vijandige volken klein te maken en van zijn zekere hoogte van rotsburchten te storten (Obadja 1:1-4); en
   2. een schildering in felle kleuren hoe Edom door vijanden geheel uitgeplunderd en door zijn bondgenoten en vrienden verlaten en bedrogen wordt en machteloos ten onder gaat (Obadja 1:5-9).
II De oorzaak van zijn ondergang (Obadja 1:10-14).
III De uitoefening van gerechtigheid over de naties en Edom en de vestiging van het koninkrijk in Israël en zijn herstel en overwinning (Obadja 1:15-21).


Lees verder