Numeri
1-4 Dienst van de Kahathieten 5-6 Bedekking van de ark 7-8 Bedekking van de tafel van de toonbroden 9-10 Bedekking van de kandelaar 11-12 Bedekking van het gouden altaar 13-14 Bedekking van het koperen altaar 15 Wat de Kahathieten moeten dragen 16 De taak van Eleazar 17-20 De Kahathieten moeten blijven bestaan 21-28 Dienst van de Gersonieten 29-33 Dienst van de Merarieten 34-48 Tellingen per familie en het totaal 49 Geteld met het oog op de dienst
Dienst van de Kahathieten

1De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron: 2Neem het aantal op van de nakomelingen van Kahath, uit het midden van de nakomelingen van Levi, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, 3van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, ieder die tot de dienst verplicht is, om het werk in de tent van ontmoeting te verrichten. 4Dit is de dienst van de nakomelingen van Kahath in de tent van ontmoeting: [de zorg voor] het allerheiligste.

De eersten van wie de taak nader wordt ingevuld, zijn de nakomelingen van Kahath. Zij hebben de belangrijkste taak: de zorg voor de voorwerpen die in het heilige en het heilige der heiligen staan. Om hun taak te verrichten moeten ze tussen de dertig en vijftig jaar zijn. Voor ons zijn die leeftijden niet letterlijk, maar geestelijk toe te passen. Het is de periode van kracht. De zorg voor de heilige dingen vraagt geestelijke kracht. We moeten de Heer de beste jaren van ons leven geven. We kunnen hier ook de toepassing maken dat er taken in de gemeente zijn die een pasbekeerde niet kan vervullen (1Tm 3:66geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.).

Er is in verbinding met de dienst van de Levieten ook nog van andere leeftijden sprake. Zo mogen ze al vanaf vijfentwintig jaar bepaalde werkzaamheden verrichten (Nm 8:2424Dit geldt voor de Levieten: vanaf vijfentwintig jaar oud en daarboven is men tot de dienst in de tent van ontmoeting verplicht.). Later, in de tijd van David, mogen ze al op hun twintigste beginnen (1Kr 23:2424Dit zijn de nakomelingen van Levi [ingedeeld] naar hun families, de familiehoofden, overeenkomstig het aantal namen van hen die geteld waren, hoofd voor hoofd, om het dienstwerk van het huis van de HEERE te doen, van twintig jaar oud en daarboven.; Ea 3:88In het tweede jaar na hun komst naar het huis van God in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overigen van hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem waren gekomen [met de bouw]. Zij stelden de Levieten aan van twintig jaar en daarboven om toezicht te houden op het werk aan het huis van de HEERE.).

Voor het vervoeren van de voorwerpen van de tabernakel moeten deze in ‘reiskleding’ worden verpakt. Over de voorwerpen komen achtereenvolgens de volgende verschillende kleden:
De ark (verzen 5-65Bij het opbreken van het kamp moeten Aäron en zijn zonen komen en het voorhangsel ter afscherming losmaken, en daarmee moeten ze de ark van de getuigenis bedekken.6Zij moeten er een deken van zeekoeienhuid overheen leggen, en daarover een geheel blauwpurperen kleed uitspreiden en zijn draagbomen aanbrengen.): 1. het voorhangsel – 2. deken van zeekoeienhuid – 3. blauwpurperen kleed.
De tafel (verzen 7-87Ook over de tafel van de toon[broden] moeten zij een blauwpurperen kleed uitspreiden, en daarop de schotels en de schalen zetten, de kommen en de kannen voor het plengoffer; ook het brood [dat] voortdurend aanwezig [is], moet daarop liggen.8Daarna moeten zij een scharlakenrood kleed daarover uitspreiden en dat met een dekkleed van zeekoeienhuiden bedekken, en zij moeten zijn draagbomen aanbrengen.): 1. blauwpurperen kleed – 2. scharlakenrood kleed – 3. dekkleed van zeekoeienhuiden.
De kandelaar (verzen 9-109Dan moeten zij een blauwpurperen kleed nemen en [daarmee] de kandelaar [die] het licht [draagt], bedekken, en de bijbehorende lampen, de bijbehorende snuiters, de bijbehorende vuurschalen, en alle olievaatjes waarmee ze daaraan de dienst verrichten.10Zij moeten hem ook met alle bijbehorende voorwerpen in een dekkleed van zeekoeienhuiden leggen en [hem] op de draagbaar zetten.): 1. blauwpurperen kleed – 2. dekkleed van zeekoeienhuiden.
Het gouden altaar (verzen 11-1211En over het gouden altaar moeten zij een blauwpurperen kleed uitspreiden en dat met een dekkleed van zeekoeienhuiden bedekken, en zij moeten zijn draagbomen aanbrengen.12Zij moeten verder alle voorwerpen voor de dienst nemen, waarmee zij in het heiligdom de dienst verrichten, en die in een blauwpurperen kleed leggen, en die met een dekkleed van zeekoeienhuiden bedekken en het op de draagbaar zetten.): 1. blauwpurperen kleed –2. dekkleed van zeekoeienhuiden.
Het koperen altaar (verzen 13-1413Zij moeten de as van het altaar verwijderen, en daarover een roodpurperen kleed uitspreiden,14en daarop al zijn voorwerpen leggen, waarmee zij de dienst met betrekking tot [het altaar] verrichten: de vuurschalen, de vorken, de scheppen, de sprengbekkens, [kortom] alle voorwerpen voor het altaar; en zij moeten daarover een deken van zeekoeienhuiden uitspreiden, en zijn draagbomen aanbrengen.): 1. roodpurperen kleed – 2. dekkleed van zeekoeienhuiden.


Bedekking van de ark

5Bij het opbreken van het kamp moeten Aäron en zijn zonen komen en het voorhangsel ter afscherming losmaken, en daarmee moeten ze de ark van de getuigenis bedekken. 6Zij moeten er een deken van zeekoeienhuid overheen leggen, en daarover een geheel blauwpurperen kleed uitspreiden en zijn draagbomen aanbrengen.

Voordat de Kahathieten hun taak kunnen verrichten, moeten eerst de priesters in actie komen. Als eerste wordt de zorg voor de ark genoemd. De ark is voor God het belangrijkst. De priesters bedekken de ark met het voorhangsel, daarover leggen ze een deken van zeekoeienhuid en daaroverheen ten slotte een geheel blauwpurperen kleed. Dit laatste kleed wordt gezien als de ark aan de draagstokken door de woestijn wordt gedragen.

In dit alles zien we een mooie geestelijke betekenis voor ons. De ark stelt de Heer Jezus voor als God (goud) en Mens (hout), Die het verzoeningswerk (verzoendeksel) heeft volbracht waarmee Hij aan alle heilige eisen van God heeft voldaan (cherubs). Voordat wij als Kahathieten de waarheid van de Heer Jezus in de woestijn kunnen ronddragen, voordat wij die waarheid doorgeven aan anderen, moeten we eerst als priesters daarmee zijn bezig geweest. We moeten eerst een waarheid in aanbidding aan God hebben gebracht, voordat wij daarvan iets aan anderen kunnen laten zien en zo die waarheid doorgeven aan anderen. Pas dan kunnen we een waarheid ons geestelijk eigendom noemen. Het gaat er niet om een waarheid in ons verstand op te nemen, maar met ons hart.

De waarheden van de Heer Jezus en de gemeente kunnen niet open en bloot aan de wereld worden getoond. Als dat gebeurt, gebeurt waar de Heer Jezus voor waarschuwt: “Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw parels niet voor de varkens” (Mt 7:66Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw parels niet voor de varkens; opdat zij ze niet misschien met hun poten vertrappen en zich omkeren en u verscheuren.). Honden en varkens zijn onreine dieren. Die waarheden moeten met een passende bekleding door de wereld heen worden gedragen.

De ark wordt eerst bedekt met het voorhangsel, dat stelt de Heer Jezus in Zijn vlees, Zijn lichaam voor (Hb 10:2020langs [de] nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is Zijn vlees,). Mensen in de wereld hebben Hem als Mens gezien. Maar ze hebben niets aantrekkelijks in Hem gezien: Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht, als een wortel uit dorre aarde. Gestalte of glorie had Hij niet; als wij Hem aanzagen, was er geen uiterlijk dat wij Hem begeerd zouden hebben. Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, bekend met ziekte, en als iemand voor wie men het gezicht verbergt; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht” (Js 53:2-32Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
3Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.
)
. Dat wordt voorgesteld in de deken van zeekoeienhuid.

Deze deken is tevens een bescherming tegen allerlei weersinvloeden, zodat die geen vat zullen krijgen op de ark. Zo is ook de Heer Jezus in Zijn leven op aarde door niets wat buiten Hem is, aan te tasten geweest (Jh 14:3030Ik zal niet veel meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft in Mij helemaal niets;).

Het buitenste kleed is helemaal blauwpurper of hemelsblauw. Alles bij de Heer Jezus op aarde spreekt van de hemel. Nicodémus spreekt namens zijn ongelovige collega’s als hij zegt: “Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent” (Jh 3:22deze kwam ‘s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als Leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is.). Zijn hemelse afkomst is niet te loochenen. Zo geven wij ons getuigenis aangaande Hem in deze wereld.


Bedekking van de tafel van de toonbroden

7Ook over de tafel van de toon[broden] moeten zij een blauwpurperen kleed uitspreiden, en daarop de schotels en de schalen zetten, de kommen en de kannen voor het plengoffer; ook het brood [dat] voortdurend aanwezig [is], moet daarop liggen. 8Daarna moeten zij een scharlakenrood kleed daarover uitspreiden en dat met een dekkleed van zeekoeienhuiden bedekken, en zij moeten zijn draagbomen aanbrengen.

Vervolgens houden de priesters zich bezig met de tafel van de toonbroden. Eerst komt er een blauwpurperen kleed overheen. Daarop worden het tafelgerei en de toonbroden gelegd. Daarover wordt een scharlaken kleed uitgespreid. Het geheel wordt bedekt met een dekkleed van zeekoeienhuiden. Dan kunnen de draagbomen worden aangebracht om de tafel door de woestijn te dragen tot aan de volgende plaats waar het volk zijn kamp zal opslaan.

Ook de tafel (gemaakt van hout en goud) spreekt van de Heer Jezus, maar dan verbonden met de gemeente die wordt voorgesteld in de twaalf toonbroden. Ook bij de tafel zien we in het blauwpurperen kleed dat eerst over de tafel wordt gespreid, wat weer de hemelse oorsprong van de Heer Jezus voorstelt. Dat het brood daarop moet worden gelegd, geeft de nauwe verbinding van de gemeente met de Heer Jezus aan. De gemeente is ook hemels van oorsprong.

Zoals de tafel de toonbroden door de woestijn draagt, draagt de Heer Jezus Zijn gemeente door de wereld. Hij zorgt er door Zijn gaven aan de gemeente – waarvan de diverse voorwerpen die op de tafel liggen een beeld zijn – voor, dat de orde van de gemeente bewaard blijft. De orde van de gemeente wordt door de omgeving, ook de wereld, waargenomen (Ko 2:55Want al ben ik ook naar het lichaam afwezig, toch ben ik in de geest bij u en verblijd mij bij het zien van uw orde en de vastheid van uw geloof in Christus.).

Met het ontstaan van de gemeente is lijden verbonden. Dat wordt voorgesteld in het scharlakenrode kleed. De Heer Jezus heeft geleden en Zijn bloed gegeven om de gemeente te doen ontstaan (Hd 20:28b28Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].). Paulus heeft geleden om de waarheid van de gemeente te verkondigen (Ko 1:2424Thans verblijd ik mij in mijn lijden voor u en vul in mijn vlees aan wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus voor Zijn lichaam, dat is de gemeente,). Wat de wereld ervan ziet, wordt uitgebeeld in het kleed dat over het geheel gespreid wordt, een kleed van zeekoeienhuiden. In het dragen aan de draagbomen van de tafel met de toonbroden door de wereld kunnen we een beeld zien van de verkondiging van de waarheid van Christus en de gemeente. Deze waarheid heeft voor de wereld geen enkele aantrekkelijkheid.


Bedekking van de kandelaar

9Dan moeten zij een blauwpurperen kleed nemen en [daarmee] de kandelaar [die] het licht [draagt], bedekken, en de bijbehorende lampen, de bijbehorende snuiters, de bijbehorende vuurschalen, en alle olievaatjes waarmee ze daaraan de dienst verrichten. 10Zij moeten hem ook met alle bijbehorende voorwerpen in een dekkleed van zeekoeienhuiden leggen en [hem] op de draagbaar zetten.

Over de kandelaar moeten twee kleden worden gespreid. De kandelaar geeft licht in het heiligdom. Het heiligdom spreekt van de hemelse gewesten en de voorwerpen in het heiligdom spreken van de hemelse dingen, het zijn zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn” (Hb 9:2323Het was dus nodig dat wel de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere slachtoffers dan deze.). Om hemelse waarheden te kunnen kennen is het licht van de hemel nodig, dat ons wordt gegeven door de Heilige Geest. Dat zien we voorgesteld in de kandelaar die eerst met een blauwpurperen kleed wordt bedekt. Het dekkleed van zeekoeienhuiden is zichtbaar voor de wereld. Dat wijst erop dat het licht dat wij verspreiden en dat hemels van karakter behoort te zijn, voor de wereld niet aantrekkelijk is.


Bedekking van het gouden altaar

11En over het gouden altaar moeten zij een blauwpurperen kleed uitspreiden en dat met een dekkleed van zeekoeienhuiden bedekken, en zij moeten zijn draagbomen aanbrengen. 12Zij moeten verder alle voorwerpen voor de dienst nemen, waarmee zij in het heiligdom de dienst verrichten, en die in een blauwpurperen kleed leggen, en die met een dekkleed van zeekoeienhuiden bedekken en het op de draagbaar zetten.

Over het gouden reukaltaar gaat eerst een blauwpurperen kleed. De gebeden en aanbidding waaraan dit altaar doet denken (Ps 141:22Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen [als] het avondoffer zijn.
; Op 5:8b8En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.)
, zijn nodig voor de gemeente, opdat zij hun hemelse karakter bewaren tijdens de reis door de woestijn. Het dekkleed van zeekoeienhuiden brengt symbolisch tot uitdrukking dat dit soort activiteiten voor de wereld niets aantrekkelijks bezitten. De hemelse waarde ervan is verborgen voor de wereld.

Zo is het met alle dienst die in het heiligdom gebeurt: ze is hemels van karakter, verborgen voor de wereld en wat ze ervan ziet is voor haar onaantrekkelijk.


Bedekking van het koperen altaar

13Zij moeten de as van het altaar verwijderen, en daarover een roodpurperen kleed uitspreiden, 14en daarop al zijn voorwerpen leggen, waarmee zij de dienst met betrekking tot [het altaar] verrichten: de vuurschalen, de vorken, de scheppen, de sprengbekkens, [kortom] alle voorwerpen voor het altaar; en zij moeten daarover een deken van zeekoeienhuiden uitspreiden, en zijn draagbomen aanbrengen.

Het koperen altaar behoort ook tot de dienst van de Kahathieten, omdat het, net als bij de gouden vaten het geval is, een openbaring van God voorstelt. Dit altaar spreekt van het werk van Christus voor de zondaar, waarin God de zondaar uitnodigt tot Hem te komen.

Het koperen altaar wordt niet bedekt door een blauwpurperen kleed, omdat het niet een hemels karakter tot uitdrukking moet brengen, maar het werk dat op aarde is verricht. Het roodpurper spreekt van de koninklijke waardigheid van de Heer Jezus. De Heer Jezus zal als Koning regeren op grond van Zijn werk. Hij is nu door lijden tot heerlijkheid gebracht (Hb 2:99maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.). Deze heerlijkheid zal in het vrederijk voor allen zichtbaar zijn. Het lijden en de heerlijkheid daarna horen bij elkaar (1Pt 1:1111terwijl zij navorsten welke of wat voor tijd de Geest van Christus Die in hen was, aanduidde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat over Christus [zou komen] en van de heerlijkheden daarna.). Ook die waarheid heeft voor de wereld geen aantrekkelijkheid. Dat wordt tot uitdrukking gebracht in het buitenste kleed, dat van zeekoeienhuiden.

Alles wat de Kahathieten is toevertrouwd, moeten zij met hun handen dragen, hetzij aan draagbomen, hetzij op een draagbaar (verzen 6,8,10,11,12,146Zij moeten er een deken van zeekoeienhuid overheen leggen, en daarover een geheel blauwpurperen kleed uitspreiden en zijn draagbomen aanbrengen.8Daarna moeten zij een scharlakenrood kleed daarover uitspreiden en dat met een dekkleed van zeekoeienhuiden bedekken, en zij moeten zijn draagbomen aanbrengen.10Zij moeten hem ook met alle bijbehorende voorwerpen in een dekkleed van zeekoeienhuiden leggen en [hem] op de draagbaar zetten.11En over het gouden altaar moeten zij een blauwpurperen kleed uitspreiden en dat met een dekkleed van zeekoeienhuiden bedekken, en zij moeten zijn draagbomen aanbrengen.12Zij moeten verder alle voorwerpen voor de dienst nemen, waarmee zij in het heiligdom de dienst verrichten, en die in een blauwpurperen kleed leggen, en die met een dekkleed van zeekoeienhuiden bedekken en het op de draagbaar zetten.14en daarop al zijn voorwerpen leggen, waarmee zij de dienst met betrekking tot [het altaar] verrichten: de vuurschalen, de vorken, de scheppen, de sprengbekkens, [kortom] alle voorwerpen voor het altaar; en zij moeten daarover een deken van zeekoeienhuiden uitspreiden, en zijn draagbomen aanbrengen.). Niets ervan mag met het zand van de woestijn in aanraking komen.


Wat de Kahathieten moeten dragen

15Als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van het kamp het bedekken van het heiligdom en van alle voorwerpen in het heiligdom voltooid hebben, mogen de nakomelingen van Kahath daarna komen om [alles] te dragen; maar zij mogen dat heilige niet aanraken, opdat zij niet sterven. Dit is wat de nakomelingen van Kahath in de tent van ontmoeting moeten dragen.

We zien hier nog eens dat God een scherpe scheiding vaststelt tussen de dienst van de priesters en die van de Levieten. De Levieten mogen op straffe van de dood niets van het heilige aanraken. Alleen de priesters mogen “dat heilige” aanraken. Als toepassing kan worden gezegd dat niemand moet menen dat hij op grond van zijn gave zich mag bezighouden met de hemelse dingen, terwijl anderen dat recht niet zouden hebben. Wie dat meent, matigt zich iets aan wat niet van God komt. Door deze dwaling is het verwerpelijke onderscheid tussen geestelijken en leken ontstaan.

Het bezig zijn met de heilige dingen is het voorrecht van ieder kind van God. Het uitleggen van de waarheden van Gods Woord is een andere zaak. Dan maakt God gebruik van gaven die Hijzelf door Zijn Geest heeft gegeven.


De taak van Eleazar

16Eleazar nu, de zoon van de priester Aäron, heeft het opzicht over de olie voor het licht, het geurige reukwerk, het voortdurende graanoffer en de zalfolie. [Hij heeft] het opzicht over heel de tabernakel en alles wat zich daarin bevindt, over het heiligdom en de bijbehorende voorwerpen.

Eleazar is de derde zoon van Aäron. Hij staat in verbinding met het land waarheen het volk op reis is. Daar zal hij ook hogepriester zijn in de plaats van zijn vader Aäron. Maar nu al staat hij in een bijzondere relatie tot de Kahathieten en de heilige dingen (Nm 3:3232De leider [die boven] de leiders van Levi [stond] was Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Hij had het opzicht over hen die de taak ten behoeve van het heiligdom vervulden.).

Om onze dienst als Kahathieten goed te kunnen verrichten hebben we een hemelse hogepriester nodig. De Heer Jezus is die volmaakte hemelse Hogepriester. Hij weet volmaakt hoe alles tot eer van God functioneert. Hij kent de waarde van de olie voor het licht – de kracht van de Heilige Geest die nodig is om de hemelse dingen te leren kennen. Hij kent de waarde voor God van het geurige reukwerk – Hij voegt het toe aan de gebeden van de heiligen (Op 8:33En een andere Engel kwam en ging bij het altaar staan met een gouden wierookvat; en Hem werden veel reukwerken gegeven, opdat Hij [kracht] zou geven aan de gebeden van alle heiligen op het gouden altaar dat vóór de troon was.). Hij weet hoe het graan- of spijsoffer voor God tot een dagelijks welgevallen is – de herinnering aan de Heer Jezus in Zijn leven op aarde. Hij kent de waarde van de heilige zalfolie – de Heilige Geest, door Wie alleen de hele dienst aan God voor God aangenaam is.

Alles in de tabernakel staat onder toezicht van Eleazar. Het kan ook niet anders. In de gemeente is het niet anders. Daar staat alles onder toezicht van de Heer Jezus. Het is Zijn gemeente. Hij weet hoe alles daarin tot eer van God moet functioneren. Als we als ware Kahathieten ons aan Hem onderwerpen, ons Hem ter beschikking stellen, zal onze dienst aangenaam zijn voor God.


De Kahathieten moeten blijven bestaan

17De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron: 18U mag uit het midden van de Levieten de stam van de geslachten van de Kahathieten niet laten uitroeien. 19Maar dit moet u voor hen doen, opdat zij in leven blijven en niet sterven als zij tot het allerheiligste naderen: Aäron en zijn zonen moeten naar binnen gaan en hun [hun taken] opleggen, iedere man zijn dienst en wat hij dragen moet. 20Zij mogen echter niet naar binnen gaan om het heilige te zien, [al is het maar] een ogenblik, [want] dan zullen zij sterven.

De familie van de Kahathieten moet altijd in stand blijven. Zij moeten “in leven blijven en niet sterven” om hun dienst te verrichten. Hun leven hangt af van de manier waarop ze omgaan met de heilige dingen. Daarom is het van levensbelang dat zij de aanwijzingen van Aäron en zijn zonen nauwgezet opvolgen.

Het spreekt ervan dat gelovigen zich in hun dienst moeten onderwerpen aan de Heer Jezus en dat zij ook steeds hun dienst als priesters in het oog houden. Dienaren moeten steeds voor de aandacht hebben dat hun dienst alleen voor God betekenis heeft als die gebeurt in gehoorzaamheid aan de Heer Jezus en geleid wordt door priesterlijke gevoelens. Dat zal ieder duidelijk maken wat hij te doen of te dragen heeft. Wie zijn priesterdienst niet goed uitoefent, zal ook zijn Levietendienst niet goed uitoefenen.

Ook wordt weer gewezen op het gevaar voor de Levieten dat zij menen uitsluitend op grond van het feit dat zij dienaren zijn het recht te hebben het heilige binnen te gaan. Een dergelijke hoogmoed kan God niet toestaan en zal door Hem met de dood worden bestraft.


Dienst van de Gersonieten

21De HEERE sprak tot Mozes: 22Neem ook het aantal van de nakomelingen van Gerson op, [ingedeeld] naar hun families [en] naar hun geslachten. 23Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, moet u hen tellen, ieder die binnenkomt om nauwgezet dienst te doen, om de dienst in de tent van ontmoeting te verrichten. 24Dit is de dienst van de geslachten van de Gersonieten, bij het dienen en bij het dragen: 25zij moeten de gordijnen van de tabernakel en de tent van ontmoeting dragen; het bijbehorende dekkleed en het dekkleed van zeekoeienhuid dat daaroverheen ligt, en het gordijn voor de ingang van de tent van ontmoeting; 26de kleden van de voorhof, en het gordijn voor de ingang van de poort van de voorhof, die rondom bij de tabernakel en het altaar is; en de bijbehorende touwen, ook alle voorwerpen van de bijbehorende dienst, kortom, alles wat daarvoor verricht wordt, opdat zij kunnen dienen. 27Heel de dienst van de nakomelingen van de Gersonieten, bij heel hun dragen en bij heel hun dienen, moet gebeuren overeenkomstig het bevel van Aäron en zijn zonen. U moet aan hen [hun] taak bij alles wat zij moeten dragen, opleggen. 28Dit is de dienst van de geslachten van de nakomelingen van de Gersonieten in de tent van ontmoeting, hun taak onder leiding van Ithamar, de zoon van de priester Aäron.

Voor de Gersonieten gelden dezelfde leeftijdsgrenzen als voor de Kahathieten. Zij moeten alle gordijnen en kleden van de tent dragen, met de bijbehorende touwen en gereedschap. Hun dienst bestaat uit het ervoor te zorgen dat de gordijnen en kleden op de juiste plaats en op de juiste manier worden afgenomen, vervoerd en weer opgehangen of geplaatst.

De kleden spreken van ons gedrag, onze gewoonten, wat de mensen van ons zien. De Heer geeft dienaren die er speciaal op toezien dat gelovigen zich gedragen in overeenstemming met hun positie als behorend bij de gemeente van God. Zij zullen de gelovigen helpen te leven tot eer van de Heer. Hun dienst is erop gericht dat de gelovigen in hun leven de kenmerken van de Heer Jezus vertonen.

De kleden die onder de zorg van de Gersonieten vallen, spreken ook van afzondering. Ze schermen de tabernakel af van de omgeving. Het gaat echter niet alleen om afzondering van, maar ook om afzondering tot en wel tot God. De hele tabernakel is aan God gewijd. Hetzelfde geldt voor de gemeente, die afgezonderd van de wereld behoort te zijn en geheel aan God gewijd.


Dienst van de Merarieten

29[Wat betreft] de nakomelingen van Merari, die moet u tellen [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families. 30Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, moet u hen tellen, ieder die tot de dienst verplicht is, om de dienst in de tent van ontmoeting te verrichten. 31Dit is hun taak in het dragen, bij heel hun dienst in de tent van ontmoeting: de planken van de tabernakel, zijn dwarsbalken, zijn pilaren en zijn voetstukken; 32ook de pilaren rond de voorhof met hun voetstukken, hun pinnen en hun touwen, [kortom,] alle bijbehorende voorwerpen en heel hun dienst. De voorwerpen die zij overeenkomstig hun taak moeten dragen, moet u aan de hand van [hun] namen tellen. 33Dit is de dienst van de geslachten van de nakomelingen van Merari, bij heel hun dienst in de tent van ontmoeting, onder leiding van Ithamar, de zoon van de priester Aäron.

Na de dienst van de Gersonieten, die onder andere zorg hebben voor afzondering, volgt de dienst van de Merarieten, die bedacht zijn op eenheid. Voor de Merarieten gelden dezelfde leeftijdsgrenzen als voor de Kahathieten en de Gersonieten. Zij hebben de zorg voor de planken en pilaren, die stabiliteit aan het gebouw geven.

Planken zijn een beeld van de gelovigen. Dwarsbalken en pilaren zijn een beeld van dienaren die de gelovigen bevestigen in de waarheid (Gl 2:99en toen zij de genade die mij gegeven is, erkenden, gaven Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, mij en Barnabas [de] rechterhand van gemeenschap, opdat wij naar de volken en zij naar de besnedenen [gingen];). Hun onderwijs heeft tot doel dat ze “niet meer onmondigen zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van leer” (Ef 4:1414opdat wij niet meer onmondigen zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door [hun] sluwheid om door listen te doen dwalen,). Zij zorgen ervoor dat de gelovigen vast zijn in hun geloof en samen “vast aaneengesloten” zijn, één van denken en één van bedoeling” (1Ko 1:10b10Maar ik vermaan u, broeders, door de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt en dat er onder u geen scheuringen zijn; maar dat u vast aaneengesloten bent, één van denken en één van bedoeling.; Ko 2:55Want al ben ik ook naar het lichaam afwezig, toch ben ik in de geest bij u en verblijd mij bij het zien van uw orde en de vastheid van uw geloof in Christus.). Dan zullen ze in hun leven de dingen leren zien, zoals God ze ziet. Het zal hen ook bewaren voor afdrijven (Hb 2:11Daarom moeten wij des te sterker ons richten naar wat wij gehoord hebben, opdat wij niet misschien afdrijven.).


Tellingen per familie en het totaal

34Mozes en Aäron en de leiders van de gemeenschap telden de nakomelingen van de Kahathieten, [ingedeeld] naar hun geslachten en naar hun families, 35van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, ieder die tot de dienst verplicht is, om te dienen in de tent van ontmoeting. 36Zij die van hen geteld waren, [ingedeeld] naar hun geslachten, waren tweeduizend zevenhonderdvijftig. 37Dit zijn degenen van de geslachten van de Kahathieten die geteld waren, van ieder die in de tent van ontmoeting diende, die Mozes telde met Aäron, op bevel van de HEERE, door de dienst van Mozes. 38Ook zij die van de nakomelingen van Gerson geteld waren, [ingedeeld] naar hun geslachten en naar hun families, 39van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, ieder die tot de dienst verplicht was om in de tent van ontmoeting te dienen, 40[te weten] zij die van hen geteld waren, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, waren tweeduizend zeshonderddertig. 41Dit zijn degenen van de geslachten van de nakomelingen van Gerson die geteld waren, van ieder die in de tent van ontmoeting diende, die Mozes en Aäron telden, op bevel van de HEERE. 42En zij die van de geslachten van de nakomelingen van Merari geteld waren, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, 43van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, ieder die tot de dienst verplicht is, om te dienen in de tent van ontmoeting, 44degenen van hen die geteld waren, [ingedeeld] naar hun geslachten, waren drieduizend tweehonderd. 45Dit zijn degenen van hen die van de geslachten van de nakomelingen van Merari geteld waren, die Mozes en Aäron telden, op bevel van de HEERE, door de dienst van Mozes. 46Al degenen die geteld waren, die Mozes en Aäron en de leiders van Israël telden, van de Levieten, [ingedeeld] naar hun geslachten en naar hun families, 47van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, ieder die binnenkwam om de dienst van het dienen of de dienst van het dragen in de tent van ontmoeting te verrichten, 48[te weten] degenen die van hen geteld waren, waren achtduizend vijfhonderdtachtig.

Na de taakverdeling volgen de tellingen per familie en het totaal. Het totaal aantal van tweeëntwintigduizend Levieten vanaf één maand (Nm 3:3939Al degenen van de Levieten die geteld waren, die Mozes en Aäron, op bevel van de HEERE, [ingedeeld] naar hun geslachten telden, al wie mannelijk waren van één maand oud en daarboven, waren tweeëntwintigduizend.) is groot naar verhouding van de afmetingen van de tabernakel. Zij die daadwerkelijk dienst doen, dus tussen de dertig en vijftig jaar zijn, zijn achtduizend vijfhonderdtachtig in getal. Als iedere Leviet trouw zijn taak verricht, zal hij zijn werk goed aankunnen, want ze zijn met velen, terwijl het werk dat moet gebeuren naar verhouding gering is.

De Heer heeft ook Zijn dienaren vandaag geen zware en moeilijk te dragen lasten opgelegd, toen niet en ook nu niet, want Zijn “juk is zacht” en Zijn “last is licht” (Mt 11:3030want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.; vgl. Mt 23:44Zij nu binden zware <en moeilijk te dragen> lasten en leggen ze op de schouders van de mensen; maar zijzelf willen ze met hun vinger niet verroeren.). Naar de bedoeling van de Heer hoeft geen dienaar overbelast te zijn. Met zoveel dienaren kan men elkaar op tijd aflossen. Helaas verrichten veel ‘Levieten’ vandaag hun taak niet (vgl. Ne 3:55Daarnaast verrichtten de inwoners van Tekoa herstelwerk, maar de vooraanstaanden onder hen zetten hun schouders niet onder de dienst van hun heren.). De Heer spreekt er Zelf over als Hij zegt: “De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig” (Mt 9:3737Toen zei Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig;). Het gevolg is dat vaak te veel door te weinigen moet gebeuren.


Geteld met het oog op de dienst

49Men telde hen, op bevel van de HEERE, door de dienst van Mozes, iedere man overeenkomstig zijn dienst en overeenkomstig zijn last. Zij zijn degenen van hen die geteld waren, zoals de HEERE Mozes geboden had.

Iedere getelde heeft een eigen taak. Zo heeft ieder lid van de gemeente in het lichaam een eigen functie, die door geen ander lid kan worden overgenomen. God heeft de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild” (1Ko 12:1818Maar nu heeft God de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild.). Niemand heeft de vrijheid van functie te veranderen of te menen dat hij er niet toe doet (1Ko 12:14-2114Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid maar uit vele [leden].15Als de voet zegt: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, – is hij daarom niet van het lichaam?16En als het oor zegt: Omdat ik geen oog ben, ben ik niet van het lichaam, – is het daarom niet van lichaam?17Als het hele lichaam oog was, waar zou het gehoor zijn? Als het geheel gehoor was, waar zou de reuk zijn?18Maar nu heeft God de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild.19Waren zij alle één lid, waar zou het lichaam zijn?20Maar nu zijn er vele leden, maar het lichaam is één.21Het oog nu kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig; of ook het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig.).


Lees verder