Numeri
1-3 Wat de Levieten van het land krijgen 4-5 Grootte van de weidegrond 6 Zes vrijsteden 7-8 Achtenveertig Levietensteden 9-15 Vrijsteden zijn voor de doodslager 16-21 Wanneer de doodslager moet sterven 22-25 De vrijstad als woonplaats 26-29 Alleen veilig in de vrijstad 30 Twee getuigen 31-32 Geen losgeld 33-34 Het land mag niet worden ontheiligd
Wat de Levieten van het land krijgen

1De HEERE sprak tot Mozes, in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho: 2Gebied de Israëlieten dat zij van hun eigen erfelijk bezit steden aan de Levieten moeten geven om [erin] te wonen; ook moet u de Levieten de weidegrond geven die rondom die steden ligt. 3Die steden moeten zij hebben om [erin] te wonen, maar de bijbehorende weidegronden zijn voor hun vee, hun bezittingen en voor al hun dieren.

Er zijn niet alleen vorsten, zoals in het vorige hoofdstuk, er zijn ook Levieten die een belangrijke rol spelen in het verdelen van het land. Levieten hebben geen eigen erfdeel (Nm 1:47-5347Maar de Levieten uit de stam van hun vaderen werden onder hen niet [mee]geteld,48want de HEERE had tot Mozes gesproken:49Alleen de stam Levi mag u niet [mee]tellen en hun aantal mag u niet onder de Israëlieten opnemen.50Wat u betreft, stel de Levieten aan over de tabernakel van de getuigenis en over alle bijbehorende voorwerpen, ja, over alles wat erbij hoort. Zíj moeten de tabernakel en alle bijbehorende voorwerpen dragen. Zíj moeten dienen, en zij moeten hun kamp rondom de tabernakel opslaan.51En wanneer de tabernakel moet opbreken, dienen de Levieten hem uit elkaar te nemen, en wanneer de tabernakel halt moet houden, dienen de Levieten hem [weer] op te bouwen. En de onbevoegde die te dicht bij komt, moet ter dood gebracht worden.52De Israëlieten moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn [eigen] kamp en ieder bij zijn [eigen] vaandel, [ingedeeld] overeenkomstig hun legers,53maar de Levieten moeten hun kamp opslaan rondom de tabernakel van de getuigenis; dan zal er geen grote toorn op de gemeenschap van de Israëlieten [komen]. Zo moeten de Levieten de voorschriften met betrekking tot de tabernakel van de getuigenis in acht nemen.). Zij krijgen hun eigen steden met weidegronden eromheen. Dat is voor het vee dat ze hebben.

De steden van de Levieten zullen over het hele land verspreid zijn. Ze zullen dus niet, zoals ze in de woestijn vlak bij de tabernakel hun kamp hebben gehad, in het land allemaal vlak bij de tempel wonen. Hun verspreiding over het land is een vervulling van de profetie van Jakob (Gn 49:77Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.
)
. God maakt zo een zaak die in zichzelf een oordeel betekent – Levi heeft geweld gepleegd en oordeel verdiend –, tot een zaak die tot zegen is. Door hun verspreiding door het land zijn ze namelijk in staat overal Gods inzettingen aan het volk te leren, want dat is hun taak (Dt 17:99Dan moet u naar de Levitische priesters gaan, en naar de rechter die er in die dagen is, en [hen] raadplegen. Zij zullen dan een gerechtelijke uitspraak voor u doen.; 33:1010Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
; Lv 10:10-1110zowel om onderscheid te kunnen maken tussen het heilige en het onheilige, tussen het onreine en het reine,11als om de Israëlieten in al de verordeningen te kunnen onderwijzen die de HEERE door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.; 2Kr 19:8-108Bovendien stelde Josafat in Jeruzalem [enkelen] van de Levieten en de priesters, en [enkelen] van de familiehoofden van Israël aan voor de rechtspraak van de HEERE en voor de rechtszaken van de inwoners van Jeruzalem.9Hij gebood hun: Dit moet u in de vreze des HEEREN, in trouw en met een volkomen hart doen.10En [bij] elk geschil dat door uw broeders die in hun steden wonen, aan u wordt voorgelegd over bloedschuld, over wet en gebod, verordeningen en bepalingen, moet u hen waarschuwen, zodat zij niet schuldig worden tegenover de HEERE, en er grote toorn op u en op uw broeders rust. [Als] u zo handelt, zult u niet schuldig worden.; Ml 2:4-74Dan zult u weten dat Ik dit gebod
tot u gezonden heb,
opdat Mijn verbond met Levi blijven zou,
zegt de HEERE van de legermachten.5Mijn verbond met hem was:
het leven en de vrede.
Die gaf Ik hem, [tot] vrees [voor Mij],
en hij vreesde Mij
en in de tegenwoordigheid van Mijn Naam
was hij verschrikt.6Betrouwbaar [onderwijs in] de wet was in zijn mond,
geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.
In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij
en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.
7Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.
).

We lezen hier voor het eerst over steden die het volk in het land zal bezitten. Een stad spreekt ook van de gemeente, maar dan als een afspiegeling van de stad van God (Op 21:1010En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God). Levietensteden zijn allemaal afspiegelingen van de stad van God waar Hij gediend wordt, dag en nacht. Zo zijn plaatselijke gemeenten afspiegelingen van de ene gemeente van God. In een Levietenstad zijn alle Levieten bezig om de priesterdienst te bevorderen. Het is te wensen dat iedere gelovige in een plaatselijke gemeente zo bezig is.


Grootte van de weidegrond

4De weidegronden die bij de steden horen, die u aan de Levieten moet geven, moeten vanaf de stadsmuur naar buiten aan alle kanten duizend el [meten]. 5U moet buiten de stad aan de oostzijde tweeduizend el afmeten, aan de zuidzijde tweeduizend el, aan de westzijde tweeduizend el en aan de noordzijde tweeduizend el, met de stad in het midden. Dat moeten zij hebben [als] weidegronden die bij de steden horen.

De weidegrond is bestemd voor het vee van de Levieten en niet om te bebouwen. Ze hoeven niet te zaaien en te maaien en voorraadschuren te hebben. God voorziet in hun levensonderhoud door de tienden van de opbrengst van het werk van anderen. Daardoor kunnen zij zich toeleggen op de bestudering van de wet en het onderwijzen daarvan aan het volk van God.

De grootte van de weidegrond bepaalt tegelijk de grootte van hun bezit. Het zullen nooit grootgrondbezitters worden met een enorme veestapel. Dat heeft God ook niet bedoeld voor de Levieten. God geeft Zijn dienaren wat ze nodig hebben om te offeren en om hun werk te kunnen doen.


Zes vrijsteden

6Wat nu de steden betreft die u aan de Levieten moet geven, zes [daarvan] moeten de vrijsteden zijn, die u moet geven zodat degene die een doodslag begaan heeft, daarheen zou kunnen vluchten; bovendien moet u [hun nog] tweeënveertig steden geven.

In Exodus 21 wordt voor de eerste keer over een vrijplaats gesproken (Ex 21:12-1412Wie iemand [zó] slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden.13Maar [voor het geval] dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten.14Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt [en] hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven.). Daar betreft het nog geen stad, maar gaat het om het altaar. Eenmaal in het land zal de weg naar het altaar in Jeruzalem in veel gevallen te ver zijn om uit handen van de bloedwreker te blijven (Dt 19:66Anders zou de bloedwreker degene die een doodslag begaan heeft, achtervolgen terwijl zijn hart verhit is, en, als de weg te lang zou zijn, zou hij hem inhalen en hem om het leven brengen, terwijl hij niet de doodstraf [verdiend] heeft, want hij haatte hem tevoren niet.). Daarom heeft God vrijsteden gegeven. Dat zijn letterlijk toevluchtsteden.

In Deuteronomium 4 en 19 wordt ook op de vrijsteden gewezen. In Jozua 20 worden ze alle zes genoemd en als zodanig aangewezen. In Jozua 21 volgt de verdeling van de achtenveertig Levietensteden, inclusief de vrijsteden.

De tijd die een doodslager in zo’n stad zou moeten doorbrengen, kan wel eens lang duren. Al die tijd is hij daar als vreemdeling onder het directe onderwijs van de Levieten.


Achtenveertig Levietensteden

7Al de steden die u de Levieten moet geven, moeten [bij elkaar] achtenveertig steden zijn, te weten de [steden] met hun weidegronden. 8En wat de steden betreft die u van het bezit van de Israëlieten moet geven, moet u van degene die er veel heeft, veel nemen, en van degene die er weinig heeft, weinig. Ieder moet afhankelijk van zijn erfelijk bezit, dat hij ontvangen zal hebben, [een aantal] van zijn steden aan de Levieten geven.

De achtenveertig steden die voor de Levieten zijn, moeten door de overige stammen naar verhouding van hun erfdeel aan de Levieten worden gegeven. Het getal achtenveertig kan gezien worden als het resultaat van de vermenigvuldiging van zes en acht. Het getal zes is het getal van de mens, die op de zesde dag geschapen werd. Het getal acht stelt een nieuw begin voor. We zien dit bij Levi, die om zijn zonde is geoordeeld, maar bij wie het oordeel door God is veranderd in iets nieuws.

Elke stam die een stad als Levietenstad levert, zal daarmee zijn dankbaarheid bewijzen aan God voor een dergelijk voorrecht. Het is een voorrecht voor de gemeente om overal trouwe leraren te hebben die onderwijs over en uit Gods Woord geven. De waardering van dit voorrecht zal blijken uit het geven aan die leraren wat nodig is, opdat zij hun tijd aan de bestudering van het Woord van God en het doorgeven ervan kunnen geven (Gl 6:66En laat hij die in het Woord wordt onderwezen, hem die onderwijst van alle goede dingen meedelen.).


Vrijsteden zijn voor de doodslager

9De HEERE sprak tot Mozes: 10Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt, het land Kanaän in, 11dan moet u voor uzelf steden kiezen [die] u tot vrijsteden zullen dienen, zodat iemand die een doodslag begaan heeft, die zonder opzet iemand om het leven gebracht heeft, daarheen zou kunnen vluchten. 12Deze steden moeten u dienen tot een wijkplaats voor de [bloed]wreker, opdat degene die een doodslag begaan heeft, niet zal sterven, voordat hij voor de gemeenschap heeft terechtgestaan. 13De steden nu die u moet geven, moeten u dienen tot zes vrijsteden. 14Drie steden moet u aan deze kant van de Jordaan geven en drie steden moet u in het land Kanaän geven; vrijsteden zullen het zijn. 15Die zes steden moeten voor de Israëlieten, voor de vreemdeling en voor de bijwoner in hun midden tot een wijkplaats dienen, zodat ieder daarheen kan vluchten die zonder opzet iemand om het leven gebracht heeft.

Vrijsteden zijn voor de doodslager. Bij doodslag hebben we met het volgende te maken:
1. de daad, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen doodslag die per ongeluk plaatsvindt en doodslag met voorbedachten rade;
2. de doodslager vlucht naar de dichtstbijzijnde vrijstad om uit handen van de bloedwreker te blijven – de bloedwreker is de naastbestaande van de gedode, die opkomt voor diens belangen;
3. de oudsten van de vrijstad onderzoeken of de doodslag per ongeluk is gebeurd of met voorbedachten rade;
4. als het om doodslag met voorbedachten rade blijkt te gaan wordt de doodslager uitgeleverd aan de bloedwreker, die dan de doodslager doodt;
5. als het om doodslag zonder opzet gaat, mag de doodslager in de vrijstad blijven en is hij vrij van de wraak van de bloedwreker; wel moet hij in deze stad blijven tot de dood van de hogepriester, want zodra hij zich tijdens het leven van de hogepriester buiten de stad begeeft, is de bloedwreker gerechtigd hem alsnog te doden; veiligheid is alleen in de stad gegarandeerd.

Er zijn drie vrijsteden in het land en drie in het Overjordaanse. De drie steden in het land liggen alle drie in de hoogte, zodat ze van verre al te zien zijn. “Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen zijn” (Mt 5:14b14U bent het licht van de wereld; een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.).

Met de veronderstelling dat er in het land doodslagers kunnen zijn, wijst God op abnormale omstandigheden in het land. Het land betekent immers voor het volk leven in overvloed. Maar hier voorziet God het tegendeel. In de toepassing kunnen we denken aan Israël, maar ook aan de christenheid.

Israël heeft de Messias gedood, maar het is onwetend gedaan. Daarom is er hoop voor het volk. De doodslag van de Messias wordt het volk niet toegerekend als zou die met voorbedachten rade zijn geschied. We horen dat in de woorden van de Heer Jezus aan het kruis: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lk 23:3434<Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.> En om Zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.). Ongeveer vijftig dagen later zegt Petrus iets dergelijks:En nu, broeders, ik weet dat u het uit onwetendheid hebt gedaan, zoals ook uw oversten” (Hd 3:1717En nu, broeders, ik weet dat u het uit onwetendheid hebt gedaan, zoals ook uw oversten;).

Petrus zet in Handelingen 2 in zijn oproep tot bekering als het ware de poorten van de vrijstad open. Drieduizend mensen geven er gehoor aan en worden aan de gemeente toegevoegd (Hd 2:4141Zij dan die zijn woord aannamen, werden gedoopt, en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.). Op hen en allen die verder uit de Joden de Heer Jezus als Heiland hebben aangenomen, is van toepassing: “Wij, die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop aan te grijpen” (Hb 6:1818opdat wij door [deze] twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke vertroosting hebben, wij die de toevlucht hebben genomen om de voorgestelde hoop aan te grijpen.). Dit maakt Christus tot de ware vrijstad.

Maar niet alleen de Joden zijn schuldig aan de dood van de Heer Jezus. De heidenen zijn het ook. Maar ook zij hebben het in onwetendheid gedaan: “Want als zij haar hadden gekend, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben” (1Ko 2:7-87maar wij spreken Gods wijsheid in verborgenheid, de bedekte [wijsheid], die God vóór alle eeuwen heeft voorbestemd tot onze heerlijkheid,8die geen van de oversten van deze wereld heeft gekend (want als zij haar hadden gekend, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben);). Voor berouwvolle Joden en heidenen fungeert de gemeente als vrijstad.

De vrijstad is ook een type van de vrijstad voor de heidenen, want ook vreemdelingen en bijwoners kunnen van het voorrecht van deze vrijsteden gebruikmaken (vers 1515Die zes steden moeten voor de Israëlieten, voor de vreemdeling en voor de bijwoner in hun midden tot een wijkplaats dienen, zodat ieder daarheen kan vluchten die zonder opzet iemand om het leven gebracht heeft.). Zo wordt in Christus Jezus geen verschil gemaakt tussen Griek en Jood. Niet-Joden, die door het geloof de toevlucht nemen tot Christus, zullen in Hem veilig en behouden zijn, want voor beiden geldt: Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn” (Rm 8:11Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn;).

Maar niet alleen de Joden en de heidenen zijn schuldig. Het beginsel van doodslag is ook op de gemeente als verantwoordelijk getuigenis op aarde van toepassing. In geestelijke zin is de gemeente, in de zin van de christenheid, ook een doodslager geworden. Ze heeft de Heer Jezus van Zijn Hoofdschap beroofd en dat zelf in handen genomen. De aanmatiging van het in de rechten treden van Christus is het duidelijkst in het pausdom te zien. Hetzelfde geldt voor alle menselijke inzettingen die de werking van Gods Geest in de gemeente loochenen of inperken.

Wie zich daarvan bewust wordt, zal behoefte voelen aan een vrijplaats. Hij zal zoeken naar een vrijplaats waar de rechten en het gezag van de Heer Jezus door Zijn Woord en Geest wel worden erkend. In zo’n vrijplaats wordt de Geest niet uitgeblust (1Th 5:1919Blust de Geest niet uit.) door menselijke regels en geboden. Die regels kunnen in belijdenisgeschriften zijn vastgelegd, maar ook ongeschreven regels van traditie zijn dodelijk voor het beleven van het werk van Gods Geest Die Christus wil verheerlijken.

Ook de gemeente heeft te maken met “de bloedwreker”, dat is God Zelf. Hij heeft de takken van de olijfboom niet, dat is Israël, niet gespaard. Hij heeft Zijn volk voor een tijd terzijde gesteld. Evenmin zal Hij de gemeente, gezien als de belijdende christenheid, sparen als zij niet blijft in het besef dat zij helemaal afhankelijk is van de goedertierenheid van God (Rm 11:21-2221want heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, Hij mocht ook u niet sparen!22Zie dan [de] goedertierenheid en [de] strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, maar goedertierenheid van God over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u worden afgehouwen.).

Het gaat ten diepste om het volk van God dat woont in het erfdeel. Daar zijn de Levietensteden, die voor een deel ook toevluchtsteden zijn voor christenen die doodslagers zijn geworden. Doodslagers verstikken het ware leven van God. We herkennen hen in mensen die belijden christen te zijn, die het erfdeel claimen, terwijl hun ware aard is dat zij valse leer verkondigen aangaande de Heer Jezus. Zij loochenen de maagdelijke geboorte, Zijn kruisdood, Zijn opstanding. Daardoor doden zij het geloof van velen. Als zulke mensen tot inkeer komen, kunnen zij tot een vrijstad de toevlucht nemen.

Een plaatselijke gemeente behoort een zichtbare plaats te zijn, een stad op een berg die niet verborgen kan zijn. Dan zullen de velen die op de vlucht zijn er hun toevlucht toe kunnen nemen. Staan wij zo bekend?


Wanneer de doodslager moet sterven

16Maar als hij hem met een ijzeren voorwerp geslagen heeft, zodat hij stierf, dan is hij een moordenaar; degene die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden. 17Ook als hij hem geslagen heeft met een steen [in] de hand, waardoor hij zou kunnen sterven, en hij stierf, [dan] is hij een moordenaar; degene die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden. 18Of als hij hem heeft geslagen met een houten voorwerp [in] de hand, waardoor hij zou kunnen sterven, en hij stierf, [dan] is hij een moordenaar; hij die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden. 19De bloedwreker, díe moet hem die een doodslag begaan heeft, doden; als hij hem aantreft, mag híj hem doden. 20Ook als hij hem uit haat een duw heeft gegeven, of met opzet [iets] naar hem toe heeft gegooid, zodat hij stierf; 21of wanneer hij hem uit vijandschap met zijn hand [zo] geslagen heeft, dat hij stierf, moet degene die [hem] geslagen heeft, zeker gedood worden: hij is een moordenaar. De bloedwreker mag degene die een doodslag begaan heeft, doden als hij hem aantreft.

Voordat de doodslager asiel kan krijgen, moet worden vastgesteld of hij per ongeluk iemand heeft gedood of het met voorbedachten rade heeft gedaan. Als er opzet in het spel is, zal de bloedwreker de moordenaar doden. Vergoten bloed moet gewroken worden. De schuld die op het land is komen te liggen door het vergieten van bloed, kan alleen uitgewist worden door het bloed van de schuldige.

Er wordt opzet verondersteld als de doodslager de ander heeft geslagen met iets in de hand. Hij heeft moeten weten dat hij daarmee de ander een dodelijke slag kan toebrengen en zou dat voorwerp dus nooit tegen de ander hebben mogen gebruiken. Er is ook sprake van opzet bij haat en vijandschap. Dan komt een duw of een klap voort uit een moorddadige gezindheid.

De bloedwreker is iemand die opkomt voor de familierechten. Het woord voor ‘bloedwreker’ – in het Hebreeuws goël – wordt ook gebruikt voor ‘losser’ in het geval van lossing van een verloren gegaan familiebezit (Lv 25:4848dan geldt voor hem het recht op loskoping, nadat hij zich heeft verkocht. Een van zijn broers mag hem vrijkopen,; Ru 3:33Was je dan en zalf je en doe je [beste] kleren aan en ga naar de dorsvloer, [maar zorg ervoor] dat je niet door de man wordt opgemerkt, voordat hij klaar is met eten en drinken.). Ook dan treedt hij op ten gunste van het familierecht.


De vrijstad als woonplaats

22Maar als hij hem onverwachts zonder vijandschap een duw gegeven heeft, of zonder opzet welk voorwerp dan ook naar hem toe gegooid heeft, 23of zonder het te zien een of andere steen, waardoor men zou kunnen sterven, op hem heeft laten vallen, zodat hij stierf, terwijl hij geen vijand van hem was en niet zijn onheil zocht, 24dan moet de gemeenschap overeenkomstig deze bepalingen oordelen tussen hem die een doodslag begaan heeft, en de bloedwreker. 25De gemeenschap moet hem die een doodslag begaan heeft, redden uit de hand van de bloedwreker, en de gemeenschap moet hem laten terugkeren naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was. Dan moet hij daar blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.

Er zijn gevallen dat de doodslager in de vrijstad mag wonen. Dat is het geval als de doodslager iemand per ongeluk een duw of een klap heeft gegeven of met een steen geraakt en de ander gedood heeft. Deze gebeurtenis heeft dan plaatsgevonden zonder het doel de ander kwaad te doen. Dan is er sprake van dood zonder opzet. Wie dat overkomt, mag in de vrijstad blijven, hij hoeft niet te sterven, de bloedwreker mag hem niet doden.

Al wordt hem genade bewezen dat hij niet hoeft te sterven, hij mag niet terugkeren naar zijn erfdeel. Pas na de dood van de hogepriester die er is ten tijde van de doodslag, is de doodslager helemaal vrij om weer terug te keren tot zijn erfdeel. Dit aspect wordt alleen in Numeri behandeld.

De dood van de hogepriester stelt in type het einde van het hogepriesterschap van de Heer Jezus voor zoals Hij dat nu uitoefent. Het priesterschap van Christus nu is een getuigenis dat Israël nog steeds verworpen is. Het is een hogepriesterschap in de hemel waarin Hij “met onze zwakheden kan mee lijden” (Hb 4:1515Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.). Dit hogepriesterschap zien we in beeld in Aäron.

Als Hij ons, de gemeente, uit deze wereld heeft weggenomen, hebben we Hem als zodanig niet meer nodig. Maar dan zal Hij voor Israël verschijnen als de Hogepriester naar de orde van Melchizédek om Zijn volk weer in het bezit van hun erfdeel te stellen.


Alleen veilig in de vrijstad

26Maar als hij die een doodslag begaan heeft, de grens van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was, ook maar even overschrijdt, 27en de bloedwreker vindt hem buiten de grens van zijn vrijstad, dan mag de bloedwreker hem die een doodslag begaan heeft, doden; [dan] is het voor hem geen bloedschuld. 28Want hij die een doodslag begaan heeft, had in zijn vrijstad moeten blijven tot de dood van de hogepriester; pas na de dood van de hogepriester mag hij terugkeren naar het land dat hij bezit. 29Dit zal voor u als een rechtsverordening gelden, [al] uw generaties door, in al uw woongebieden.

De doodslager is alleen veilig in de vrijstad. Als hij zich buiten de vrijstad begeeft en hij valt in handen van de bloedwreker, wordt hij alsnog gedood. De vrijstad is een plaats van afzondering, met het karakter van een Levietenstad. Gelovigen die zich buiten de plaatselijke gemeente begeven, daar niet meer hun bescherming en steun zoeken, zullen het leven verliezen. We kunnen dit toepassen op het nalaten van het bezoeken van de samenkomsten tot opbouw van het geloof. Als er geen behoefte meer is aan geestelijk voedsel en geestelijke vorming en als gelegenheden waar Gods Woord wordt gebracht niet meer worden bezocht, heeft dat in het algemeen de geestelijke dood tot gevolg.


Twee getuigen

30[Wat betreft] allen die iemand om het leven gebracht hebben: op grond van de verklaring van [meerdere] getuigen moet men degene die een doodslag begaan heeft, doodslaan. Er mag echter niet [slechts] één getuige tegen een persoon getuigen, zodat die zou moeten sterven.

Om tot een afdoende getuigenis te komen in een zaak van een doodslager moeten minstens twee getuigen een verklaring afleggen. Eén getuige is niet voldoende. Het is naar Gods gedachten zo, en Paulus handelt daarnaar: “In de mond van twee of drie getuigen zal elke zaak vast staan” (2Ko 13:11Dit is [de] derde keer dat ik naar u toe kom: in [de] mond van twee of drie getuigen zal elke zaak vaststaan.; Mt 18:1616als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.; 1Tm 5:1919Neem tegen een oudste geen beschuldiging aan, tenzij onder twee of drie getuigen.). Zelfs de Heer Jezus zegt dat Zijn getuigenis niet waar is als Hij van Zichzelf getuigt (Jh 5:3131Als Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis niet waar.), dat wil zeggen dat het niet als rechtsgeldig aanvaard kan worden. Zo heeft Hij het Zelf in de wet laten vastleggen (Dt 19:1515Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men [ook] zou kunnen doen. Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast.). Een getuigenis kan alleen aanvaard worden als er getuigen zijn die de zaak kunnen bevestigen.


Geen losgeld

31U mag geen losgeld aannemen voor het leven van degene die een doodslag begaan heeft die des doods schuldig is. Ja, hij moet zeker gedood worden. 32U mag ook geen losgeld aannemen voor degene die naar zijn vrijstad is gevlucht, zodat hij voor de dood van de [hoge]priester terug kan keren om in het land te wonen.

Geen bedrag, hoe hoog ook, geen enkele inspanning, hoe groot ook, kan een schuldige doodslager zijn straf laten ontlopen. Voor ons geldt dat er alleen door geloof in de kracht van het bloed van de Heer Jezus redding is (1Pt 1:18-1918daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,19maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van Christus.; Rm 3:19,23-2619Nu weten wij, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond wordt gestopt en de hele wereld strafschuldig wordt voor God.23Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God,24en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.25Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door <het> geloof, in Zijn bloed, tot betoning van Zijn gerechtigheid wegens het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God;26tot betoning van Zijn gerechtigheid in de tegenwoordige tijd, opdat Hij rechtvaardig is en hem rechtvaardigt die op grond van geloof in Jezus is.).

Alleen de dood van de hogepriester geeft recht op terugkeer naar zijn land. Het volk dat nu, in onze dagen, naar het land is teruggekeerd, doet dat vóór de dood van de hogepriester. De Heer Jezus is nog steeds bezig als Hogepriester in de hemel. Het volk dat is teruggekeerd, doet dat in ongeloof. Zij zullen onder de antichrist in opstand komen tegen God en onder de toorn van de terugkerende Messias omkomen.


Het land mag niet worden ontheiligd

33U mag het land waarin u woont niet ontheiligen, want het bloed ontheiligt het land. Voor het land kan geen verzoening gedaan worden over het bloed dat erin vergoten wordt, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft. 34Verontreinig dus het land niet waarin u woont, in het midden waarvan Ik woon; immers Ik, de HEERE, woon in het midden van de Israëlieten.

Als God in Zijn land woont, mag het niet worden verontreinigd. Het bloed van iemand die met opzet is gedood, verontreinigt het land. Die verontreiniging kan alleen worden weggenomen door het bloed te vergieten van de doodslager. Dat betekent dat het land alleen kan worden gereinigd door allen die er wonen te doden, want het hele volk staat schuldig aan de dood van de Heer Jezus. Het wonder van Gods genade is nu dat het bloed van de Onschuldige het land heeft gereinigd. De hele schepping zal op grond van Zijn vergoten bloed worden gereinigd.

Dit laatste betreft niet allen mensen, maar alle dingen: “Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van zijn kruis, door Hem, hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen. En u, die er vroeger vreemd aan was en vijandig gezind was door uw boze werken, heeft Hij echter nu verzoend” (Ko 1:19-2119Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen20en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.21En u, die er vroeger vreemd aan was en vijandig gezind was door uw boze werken, heeft Hij echter nu verzoend). Het laatste gedeelte van het citaat maakt duidelijk dat allen die in het geloof Christus en Zijn werk hebben aanvaard, “nu“ al zijn gereinigd en verzoend.


Lees verder