Numeri
1-2 Elke rustplaats wordt genoteerd 3-4 De start van de reis 5-49 Plaatsen en voorvallen tijdens de reis 50-56 Hoe het volk in het land kan wonen
Elke rustplaats wordt genoteerd

1Dit zijn de rustplaatsen van de Israëlieten, die uit het land Egypte vertrokken zijn, [ingedeeld] naar hun legers, door de dienst van Mozes en Aäron. 2Mozes schreef hun vertrekpunten op, van rustplaats tot rustplaats, op bevel van de HEERE. Dit nu zijn hun rustplaatsen, [ingedeeld] naar hun vertrekpunten.

Het is tijd voor een terugblik op de reis. Alle plaatsen waar het volk geweest is, worden opgesomd. Dat gebeurt niet in opdracht van Mozes, maar “op bevel van de HEERE”. Híj ziet terug op de reis van Zijn volk door de woestijn.

Als Hij terugkijkt op onze reis, is dat vaak anders dan zoals wij erop terugzien. Als wíj erop terugkijken, valt ons op: onze grote ontrouw enerzijds en de grote trouw van God anderzijds (Dt 8:2-32Ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop de HEERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u zou verootmoedigen, [en] u op de proef zou stellen om te weten wat er in uw hart was, of u Zijn geboden in acht zou nemen of niet.3Hij verootmoedigde u, Hij liet u hongerlijden en Hij liet u het manna eten, dat u niet kende en [ook] uw vaderen niet gekend hadden, om u te laten weten dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond van de HEERE komt.). Veel zijn wij ook al vergeten. De woestijnwind heeft veel sporen van onze reis uitgewist. Maar God ziet nog elke voetstap van ons in het woestijnzand.

Als Gód op de reis terugkijkt, is dat om te laten zien hoe Zijn volk voor Zijn aangezicht heeft gewandeld, hoe het telkens is opgebroken en zich gelegerd heeft. Hij spreekt in deze opsomming niet over opstand, maar over voortgang. Als we alleen deze lijst van plaatsen zouden hebben, zouden we kunnen concluderen dat Israël vanuit Egypte tot Moab in goede orde getrouw van de ene naar de andere plaats trok.

De situatie is dat de nieuwe generatie in de plaats van de oude is gekomen. Het verslag geeft echter de gedachte dat er nooit een eerdere generatie is geweest. Het volk dat in de vlakten van Moab aankomt, wordt gezien als het volk dat uit Egypte is getrokken. Met dit verslag geeft God aan dat Zijn plannen en voornemens zullen worden gerealiseerd, ondanks het verlies en het verdwijnen van een hele generatie.

Er worden wel bepaalde gebeurtenissen genoemd, maar dat zijn geen gebeurtenissen die verwijzen naar zonden van het volk. Bij elke plaats kunnen we denken aan onze weg met Hem en Zijn weg met ons. Hij wil dat we daarover net zo gaan denken als Hij. Zulke herinneringen kunnen er alleen zijn, nadat we een weg zijn gegaan. Dan pas kunnen we terugkijken en God stelt hier voor dat te doen met Zijn ogen.

Het is goed om in verbinding met de aanstaande intrede in het land van de belofte nog een keer herinnerd te worden aan Gods visie op onze reis. We zien daarin Zijn belangstelling voor al ons doen en laten, voor elke stap die wij in de woestijn hebben gezet, voor elke ervaring die we daar hebben opgedaan.

Er is ook geen sprake van leiding door de wolkkolom. Bij het langsgaan van de plaatsen komt de gedachte naar boven aan de geestelijke energie die het volk steeds weer toonde door zo van plaats tot plaats te trekken. Het is natuurlijk wel onder leiding van de wolkkolom gebeurd (Nm 9:15-2315Op de dag dat de tabernakel werd opgebouwd, bedekte de wolk de tabernakel, de tent van de getuigenis; en 's avonds was hij op de tabernakel als een verschijning van vuur, tot de [volgende] morgen.16Zo was het voortdurend: de wolk bedekte hem en 's nachts was hij [als] een verschijning van vuur.17Maar als de wolk opgeheven werd van boven de tent, braken de Israëlieten daarna op; en op de plaats waar de wolk bleef rusten, daar sloegen de Israëlieten hun kamp op.18Op het bevel van de HEERE braken de Israëlieten op, en op het bevel van de HEERE sloegen zij hun kamp op. Alle dagen waarop de wolk op de tabernakel bleef rusten, bleven zij in hun kamp.19Als de wolk vele dagen boven de tabernakel bleef staan, namen de Israëlieten de voorschriften van de HEERE in acht en braken zij niet op.20Als het gebeurde dat de wolk maar weinig dagen op de tabernakel was, bleven zij op het bevel van de HEERE in hun kamp, en op het bevel van de HEERE braken zij op.21En als het gebeurde dat de wolk er vanaf de avond tot de [volgende] morgen was, wanneer de wolk 's morgens opgeheven werd, dan braken zij op; overdag of 's nachts, als de wolk opgeheven werd, braken zij op.22Of als de wolk twee dagen of een maand, of [vele] dagen [lang] op de tabernakel bleef rusten, bleven de Israëlieten in hun kamp en braken zij niet op; maar als hij opgeheven werd, braken zij op.23Op het bevel van de HEERE sloegen zij hun kamp op en op het bevel van de HEERE braken zij op. Zij namen de voorschriften van de HEERE in acht, op het bevel van de HEERE, door de dienst van Mozes.), maar vanuit dat gezichtspunt wordt de reis hier niet beschreven. Al het goede van het volk schrijft God hier als het ware aan henzelf toe.

We kunnen dit ook toepassen op de reis van de christenheid door de eeuwen heen. Daarin ziet Hij ook een kern die voor Hem het ware christendom heeft vertolkt. Ook op die reis kijkt Hij op die manier terug. Voor Zijn aandacht staan dan de gelovigen die in geestelijke energie de weg zijn gegaan, met alle oefeningen die dat met zich heeft meegebracht. Zij hebben de fakkel van het getuigenis steeds doorgegeven.

De reis wordt beschreven van rustplaats tot rustplaats. Tegelijk wijst de beschrijving erop dat het telkens slechts een tijdelijke rust is geweest. Elke plaats van rust heeft een ervaring gegeven. Na de opgedane ervaring zijn ze weer verder moeten trekken, op naar een volgende plaats, een nieuwe ervaring. God weet op elk moment op welke plaats we zijn.


De start van de reis

3Zij braken op van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het Pascha, vertrokken de Israëlieten door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren, 4terwijl de Egyptenaren hen begroeven die de HEERE onder hen getroffen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE strafgerichten voltrokken over hun goden.

Vanaf het begin van de beschrijving van de reis tot het einde ervan gaat het om hetzelfde volk, hoewel het feitelijk aan het einde van de reis uit heel andere personen bestaat. God ziet het volk niet in hen die zijn gevallen, maar in hen die staande zijn gebleven. Letterlijk zijn de ‘zij’ van vers 33Zij braken op van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het Pascha, vertrokken de Israëlieten door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren, omgekomen in de woestijn. Maar de HEERE ziet in het volk de ware kern.

Hun trektocht begint met de uittocht uit Egypte. Elke plaats die ze daarna aandoen, wordt gevolgd door een nieuwe uittocht. Nergens is er in de woestijn een definitieve plaats van rust, net zomin als Egypte dat is geweest (vgl. Hb 11:13-1413In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.14Want wie zulke dingen zeggen, tonen duidelijk dat zij een vaderland zoeken.). Zo is het gegaan met de christenheid. Altijd is daar de rode draad van het getuigenis van God. Hij heeft steeds tijden van rust en verkwikking gegeven. Daar zijn ervaringen opgedaan en zijn lessen geleerd, waarna opgebroken moest worden.

Dat geldt ook in toepassing op de plaatselijke gemeente. Het kan nodig zijn om op te breken om een nieuwe rustplaats te vinden. Als er moeilijkheden komen, moeten we ons afvragen hoe we daaruit kunnen optrekken. Zijn er oplossingen in het Woord, waardoor we als plaatselijke gemeente uit de moeilijkheden kunnen optrekken?

Bij het optrekken uit Egypte wordt nog vermeld dat het gebeurt “de dag na het Pascha”. Dat veronderstelt de directe verbinding tussen wat het Pascha voorstelt en de verlossing uit de slavernij van Egypte. Ook is er sprake van “een opgeheven hand”. Dat ziet op de hoge hand van de HEERE. Het stelt Zijn verheven en machtige daad in de verlossing voor. Alleen Hij is in staat tot zoiets geweldigs.

Wat God in de verlossing bewerkt, doet Hij niet in het geheim. Het gebeurt “voor de ogen van alle Egyptenaren”, zij zijn er getuigen van. En dat niet alleen. De “opgeheven hand” van de HEERE waardoor Hij Zijn volk uitleidt, is een hand die in oordeel Egypte heeft geslagen. Terwijl Gods volk uittrekt, moet Egypte zich bezighouden met de resultaten van Gods oordeel. Elke begrafenis is een tastbaar en voor hen noodlottig bewijs van Gods verhevenheid boven hun goden.


Plaatsen en voorvallen tijdens de reis

5De Israëlieten braken op van Rameses en sloegen hun kamp op in Sukkoth.
6Zij braken op van Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, dat aan de rand van de woestijn ligt.
7Zij braken op van Etham en keerden terug naar Pi-Hachiroth, dat tegenover Baäl-Sefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol.
8Zij braken op van Pi-Hachiroth en staken over, midden door de zee, naar de woestijn; zij gingen drie dagreizen de woestijn Etham in, en sloegen hun kamp op in Mara.
9Zij braken op van Mara, en kwamen in Elim – in Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen – en zij sloegen daar hun kamp op.
10Zij braken op van Elim en sloegen hun kamp op aan de Schelfzee.
11Zij braken op van de Schelfzee en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin.
12Zij braken op uit de woestijn Sin en sloegen hun kamp op in Dofka.
13Zij braken op van Dofka en sloegen hun kamp op in Aluz.
14Zij braken op van Aluz en sloegen hun kamp op in Rafidim; maar daar was geen water voor het volk om te drinken.
15Zij braken op van Rafidim en sloegen hun kamp op in de woestijn Sinaï.
16Zij braken op uit de woestijn Sinaï en sloegen hun kamp op in Kibroth-Taäva.
17Zij braken op van Kibroth-Taäva en sloegen hun kamp op in Hazeroth.
18Zij braken op van Hazeroth en sloegen hun kamp op in Rithma.
19Zij braken op van Rithma en sloegen hun kamp op in Rimmon-Perez.
20Zij braken op van Rimmon-Perez en sloegen hun kamp op in Libna.
21Zij braken op van Libna en sloegen hun kamp op in Rissa.
22Zij braken op van Rissa en sloegen hun kamp op in Kehelatha.
23Zij braken op van Kehelatha en sloegen hun kamp in het bergland van Safer.
24Zij braken op van het bergland van Safer en sloegen hun kamp op in Harada.
25Zij braken op van Harada en sloegen hun kamp op in Makheloth.
26Zij braken op van Makheloth en sloegen hun kamp op in Tachath.
27Zij braken op van Tachath en sloegen hun kamp op in Tarah.
28Zij braken op van Tarah en sloegen hun kamp op in Mithka.
29Zij braken op van Mithka en sloegen hun kamp op in Hasmona.
30Zij braken op van Hasmona en sloegen hun kamp op in Moseroth.
31Zij braken op van Moseroth en sloegen hun kamp op in Bene-Jaäkan.
32Zij braken op van Bene-Jaäkan en sloegen hun kamp op in Hor-Haggidgad.
33Zij braken op van Hor-Haggidgad en sloegen hun kamp op in Jotbatha.
34Zij braken op van Jotbatha en sloegen hun kamp op in Abrona.
35Zij braken op van Abrona en sloegen hun kamp op in Ezeon-Geber.
36Zij braken op van Ezeon-Geber en sloegen hun kamp op in de woestijn Zin, dat is Kades.
37Zij braken op van Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom.
38Toen beklom de priester Aäron de berg Hor, op bevel van de HEERE, en hij stierf daar, in het veertigste jaar nadat de Israëlieten uit het land Egypte vertrokken waren, in de vijfde maand, op de eerste van de maand. 39En Aäron was honderddrieëntwintig jaar oud toen hij stierf op de berg Hor.
40De koning van Harad, de Kanaäniet, die in het Zuiderland woonde, in het land Kanaän, hoorde dat de Israëlieten in aantocht waren.
41Zij braken op van de berg Hor en sloegen hun kamp op in Zalmona.
42Zij braken op van Zalmona en sloegen hun kamp op in Punon.
43Zij braken op van Punon en sloegen hun kamp op in Oboth.
44Zij braken op van Oboth en sloegen hun kamp op bij de ruïnes van Abarim, in het grensgebied van Moab.
45Zij braken op van de ruïnes [van Abarim] en sloegen hun kamp op in Dibon-Gad.
46Zij braken op van Dibon-Gad en sloegen hun kamp op in Almon-Diblathaïm.
47Zij braken op van Almon-Diblathaïm en sloegen hun kamp op in de bergen van Abarim, voor Nebo.
48Zij braken op van de bergen van Abarim en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho.
49En zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan, van Beth-Jesimoth tot aan Abel-Sittim, in de vlakten van Moab.

In deze opsomming van aangedane plaatsen en gebeurtenissen tijdens de tocht worden de veertig jaren van de woestijnreis weergegeven. Er worden plaatsen genoemd die we alleen in deze opsomming tegenkomen. Andere plaatsen roepen gebeurtenissen voor de geest die we in Exodus of Numeri opgetekend vinden. Hieronder een overzicht van de plaatsen waar iets is gebeurd en waar ze worden genoemd:
Rameses – Oordeel over Egypte en uittocht uit Egypte Ex 1:11Dit nu zijn de namen van de zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte waren gekomen. Ieder kwam er met zijn gezin:
Sukkoth Ex 12:3737Zo trokken de Israëlieten van Rameses naar Sukkoth, ongeveer zeshonderdduizend [man] te voet, mannen alleen, [vrouwen en] kleine kinderen niet meegerekend.
Etham – Ligt aan de rand van de woestijn Ex 13:2020Zo braken zij op uit Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, aan de rand van de woestijn.
Pi-Hachiroth – Door de Rode Zee en drie dagreizen door de woestijn van Etham Ex 14:22Spreek tot de Israëlieten [en zeg] dat zij terugkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en de zee, voor Baäl-Zefon. Daartegenover moet u uw kamp opslaan, bij de zee.
Mara Ex 15:2323Toen kwamen zij bij Mara. Zij konden echter het water uit Mara niet drinken, want het was bitter. Daarom gaf men het de naam Mara.
Elim – 12 waterbronnen en 70 palmbomen Ex 15:2727Toen kwamen zij bij Elim. Daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Zij sloegen daar hun kamp op aan het water.
Woestijn Sin Ex 16:11Zij braken op uit Elim en heel de gemeenschap van de Israëlieten kwam in de woestijn Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt. [Dat was] op de vijftiende dag van de tweede maand nadat zij uit het land Egypte waren vertrokken.
Rafidim – Geen water te drinken voor het volk Ex 17:11Daarna brak heel de gemeenschap van de Israëlieten uit de woestijn Sin op [en trok] van rustplaats tot rustplaats, op bevel van de HEERE, en zij sloegen hun kamp op in Rafidim. Daar was echter geen water voor het volk om te drinken.
Woestijn Sinaï Ex 19:11In de derde maand, op dezelfde dag dat de Israëlieten uit het land Egypte waren vertrokken, kwamen zij in de woestijn Sinaï.
Kibroth-Taäva Nm 11:3434Daarom gaf men die plaats de naam Kibroth-Taäva, want daar hadden zij het volk dat zo gulzig geweest was, begraven.
Hazeroth Nm 11:3535Van Kibroth-Taäva trok het volk verder naar Hazeroth, en zij bleven in Hazeroth.
Woestijn Zin Nm 20:11De Israëlieten kwamen in de woestijn Zin, heel de gemeenschap, in de eerste maand, en het volk bleef in Kades. Daar stierf Mirjam, en zij werd er begraven.
Berg Hor Aäron sterft, 123 jaar, 40 jaar na uittocht, op 1-5; Kanaäniet hoort van nadering Israëlieten Nm 20:22,24-2922Toen braken de Israëlieten van Kades op en zij kwamen, heel de gemeenschap, bij de berg Hor.24Aäron zal met zijn voorgeslacht verenigd worden, want hij zal niet in het land komen dat Ik aan de Israëlieten gegeven heb, omdat u bij het water van Meriba ongehoorzaam bent geweest aan Mijn bevel.25Neem Aäron en Eleazar, zijn zoon, en laat hen de berg Hor opklimmen.26En trek Aäron zijn kleding uit en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan, want Aäron zal met zijn voorgeslacht verenigd worden en daar sterven.27Mozes deed zoals de HEERE geboden had: zij klommen de berg Hor op, voor de ogen van heel de gemeenschap.28En Mozes trok Aäron zijn kleding uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan. En Aäron stierf daar, op de top van de berg. Mozes daalde van de berg af, met Eleazar.29Toen heel de gemeenschap zag dat Aäron de geest gegeven had, beweenden zij Aäron dertig dagen, heel het huis van Israël.
Oboth Nm 21:1010Toen braken de Israëlieten op en zij sloegen hun kamp op in Oboth.
Puinhopen Abarim Nm 21:1111Daarna braken zij op vanuit Oboth en sloegen hun kamp op bij de ruïnes van Abarim, in de woestijn die ten oosten van Moab ligt, waar de zon opkomt.
Gebergte Abarim Nm 27:1212Daarna sprak de HEERE tot Mozes: Klim deze berg Abarim op, en bezie het land dat Ik de Israëlieten gegeven heb.
Vlakten van Moab – van Beth-Jesimoth tot Abel-Sittim Nm 22:11Daarna braken de Israëlieten op en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan deze zijde van de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho.

Zo is het ook met ons leven. Sommige gebeurtenissen staan ons helder voor de geest, andere weten we niet meer. Maar God heeft het overzicht van ons hele leven vastgelegd (Jb 31:44Ziet Hij mijn wegen niet,
en telt Hij niet al mijn voetstappen?
)
. Uit de film van ons leven is geen fragment weggesneden. We zullen het in zijn geheel voor ons krijgen wanneer voor de rechterstoel van Christus ons leven geopenbaard zal worden (2Ko 5:1010Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.).


Hoe het volk in het land kan wonen

50En de HEERE sprak tot Mozes in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho: 51Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt naar het land Kanaän, 52dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw [ogen] verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen. 53En u moet het land in bezit nemen en daarin wonen, want Ik heb u dat land gegeven om het in bezit te nemen. 54En u moet het land in erfelijk bezit nemen door het lot, overeenkomstig uw geslachten: voor hen die [met] velen zijn, moet u hun erfelijk bezit groot maken, en voor hen die [met] weinig zijn, moet u hun erfelijk bezit minder [groot] maken. Waarop voor iemand het lot valt, dat zal hij hebben; overeenkomstig de stammen van uw vaderen zult u [het land] in erfbezit nemen. 55Maar als u de inwoners van het land niet van voor uw [ogen] verdrijft, dan zal het gebeuren dat zij die u van hen liet overblijven, als doornen zullen worden in uw ogen en tot prikkels in uw zijden; zij zullen u benauwen in het land waar u woont. 56En het zal gebeuren dat Ik met u zal doen zoals Ik met hen dacht te doen.

Na een terugblik krijgen we nu een vooruitblik. Na de beschrijving van de achter hen liggende woestijnreis wordt de blik van het volk op het land gericht. De woestijnreis leert ons dat we onderweg zijn naar onze eigenlijke bestemming. Maar het is veelzeggend dat, terwijl het volk nog niet in het land is, de gedachten van het volk toch al op het verblijf in het land worden gericht. In Numeri 15 is dat ook het geval. Daar gaat het om iets wat in het land gaat gebeuren. Hier is het anders. Hier gaat het om het land zelf.

We lezen in de Bijbel veel over ons verblijf als christenen op aarde, over de moeiten en oefeningen die dat met zich meebrengt. Dat herkennen we ook in de praktijk. Wat ons als christenen vaak minder voor de aandacht staat, is dat wij ons nu al mogen bezighouden met het hemelse land. Ook daarover kunnen we lezen in Gods Woord.

Hierin is een belangrijk onderscheid met Israël op te merken. Bij Israël is het een opeenvolging van gebeurtenissen: eerst de woestijnreis, daarna het land. Voor ons is zowel het een als het ander nu al waar: we leven zowel in de woestijn als in het land. Niet, dat we beide op hetzelfde ogenblik beleven. Als we het moeilijk hebben door ziekte of problemen in het gezin of op het werk, ervaren we dat we in de woestijn zijn. Maar op een ander moment, als we Gods Woord lezen en nadenken over onze zegeningen in Christus, ervaren we dat we in het hemelse land zijn. Wat bij Israël letterlijk gebeurt, is voor ons geestelijk waar.

Israël is aangekomen in de vlakten van Moab. De ervaringen van de woestijn zijn achter de rug. Nu mogen ze zich richten op de zegeningen van het land. In het boek Deuteronomium wordt daarop uitvoerig ingegaan, in het boek Jozua worden ze veroverd. We vinden hier in Numeri als het ware een stukje Jozua. In dit gedeelte spreekt de HEERE tot de Israëlieten over het uitroeien van de afgoden en de verdeling van het land (vgl. Nm 26:53-5653Onder deze [stammen] moet het land als erfelijk bezit verdeeld worden, overeenkomstig het aantal namen.54Voor degenen die [met] velen zijn, moet u het erfelijk bezit groot maken en voor degenen die [met] weinig zijn, moet u het erfelijk bezit minder [groot] maken; aan ieder moet zijn erfelijk bezit gegeven worden overeenkomstig degenen van hen die geteld zijn.55Het land zal echter door het lot verdeeld worden; volgens de namen van de stammen van hun vaderen zullen zij [het] in erfelijk bezit nemen.56Volgens het lot zal ieders erfelijk bezit tussen velen en weinigen [in aantal] verdeeld worden.).

Het hoort bij de voorbereiding van de verovering van het land. We moeten weten wat we gaan doen, we moeten de kosten berekenen. We moeten ons realiseren dat er vijanden zijn en afgoden.

In het land van de belofte vinden we afgoden. Ze stellen boosheden en machten in de hemelse gewesten voor. Daarmee hebben we te maken in de christenheid. Juist daar is de namaak van de dienst aan God aanwezig. Die namaak wordt gevoed door demonen die gebruik maken van naamchristenen. Het weer invoeren van de wet is afgoderij, een werk van demonen (Gl 4:8-108Maar destijds, toen u God niet kende, hebt u hen gediend die van nature geen goden zijn;9en thans, nu u God kent, ja nog meer, nu u door God gekend bent, hoe wendt u zich weer tot de zwakke en arme elementen, die u weer opnieuw wilt dienen?10U onderhoudt dagen en maanden, tijden en jaren.). Afgoderij is het stellen van dingen die niet van de Heer zijn in de plaats van de Heer.

Het gevolg van het in stand laten van afgoderij in welke vorm ook is dat de zegen van het land niet in bezit genomen wordt. Daarom moet afgoderij radicaal worden uitgeroeid. Dan zullen we als stammen, als afzonderlijke plaatselijke gemeenten, kunnen genieten van het erfdeel dat ons door de Heer gegeven is. Een voorbeeld dat elke plaatselijke gemeente een eigen erfdeel heeft gekregen, zien we in het Nieuwe Testament in de brieven die aan afzonderlijke gemeenten zijn geschreven.

Het is voor Israël een gevaarlijke menslievendheid de vijanden van God te sparen. Het komt neer op een door ongeloof sparen van zichzelf in de strijd met deze vijanden. Het leidt maar al te dikwijls tot een verbinding met hen. Het gevolg is dat men deelt in het oordeel dat op deze vijanden van God rust. Jozua waarschuwt in zijn afscheidsrede het volk met dezelfde woorden (Jz 23:11-1311Wees daarom, omwille van uw leven, zeer op uw hoede dat u de HEERE, uw God, liefhebt.12Want als u zich op enigerlei wijze [hiervan] afkeert en u vastklampt aan de rest van deze volken, deze [hier] die bij u overgebleven zijn, en u huwelijksbanden met hen aangaat, en u zich met hen zult inlaten en zij met u,13weet [dan] zeker dat de HEERE, uw God, niet zal doorgaan met het uit [hun] bezit te verdrijven van deze volken van voor uw [ogen]. Maar zij zullen een strik en een val voor u zijn, een gesel op uw zijden en prikkels in uw ogen, tot u verdwenen bent uit dit goede land, dat de HEERE, uw God, u gegeven heeft.).


Lees verder