Numeri
Inleiding 1-5 Het Overjordaanse als bezit 6-15 De verontwaardiging van Mozes 16-19 Belofte om te helpen in de strijd 20-24 Mozes stemt in met de toezegging 25-27 Bevestiging van de afspraak 28-30 De gemaakte afspraak doorgegeven 31-32 Herhaling van de belofte 33-42 Verdeling van het Overjordaanse
Inleiding

Om de les van dit hoofdstuk te begrijpen moeten we weten wat het land voorstelt en wat het Overjordaanse voorstelt. Het land Kanaän is het land waarin het volk de zegen van God mag genieten. Voor de christen is Kanaän een beeld van de hemelse gewesten, waarin God hem “gezegend heeft met alle geestelijke zegening” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,).

Om in het land te komen moet de Jordaan worden overgestoken. Die rivier is een beeld van de dood en de opstanding van de Heer Jezus. Alleen wie in Hem gelooft, is in Christus gezet in de hemelse gewesten. Hemelse zegeningen zijn de specifieke zegeningen van de gelovige. Alleen wie zich dat ook bewust is, zal de zegen daarvan genieten.

Het Overjordaanse is het land aan de woestijnkant of oostkant van de Jordaan. Het Overjordaanse spreekt van de aardse zegeningen. Bij aardse zegeningen kunnen we denken aan gezondheid, kleding, onderdak, werk, gezin. Voor deze zegeningen hoef je de Jordaan niet over te steken. Van aardse zegeningen kunnen ook niet-christenen genieten.

Het verschil in genieten van de aardse zegeningen tussen de gelovige en de niet-gelovige is dat de gelovige voor die zegeningen de Heer zal danken (1Tm 4:33Zij verbieden te trouwen [en gebieden] zich van voedsel te onthouden, dat God geschapen heeft om met dankzegging te worden genuttigd door hen die geloven en de waarheid kennen.), terwijl de ongelovige zich die zegeningen toe-eigent als een door hemzelf verworven recht. Aardse zegeningen zijn dus niet specifiek voor de christen. De christen die tevreden is met alleen de aardse zegeningen, miskent het meerdere dat God gegeven heeft om samen met Hem te genieten.

Het Overjordaanse is eerst in handen geweest van de Ammonieten en daarna veroverd door de Amorietische koningen Sihon en Og. Daarom hebben de Israëlieten toestemming gekregen het veroveren (Nm 21:21-3521Toen stuurde Israël boden naar Sihon, de koning van de Amorieten, [met het verzoek]:22Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken door akkers of wijngaarden. Wij zullen het water uit de putten niet drinken. Wij zullen langs de koninklijke weg gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn.23Sihon stond Israël echter niet toe door zijn gebied te trekken, maar Sihon verzamelde al zijn volk en trok uit, Israël tegemoet, naar de woestijn. Toen kwam hij in Jahza en bond de strijd aan met Israël.24Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard en nam zijn land in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, tot aan [het gebied] van de Ammonieten, want het gebied van de Ammonieten was versterkt.25Zo nam Israël al deze steden in, en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, in Hesbon en in al de bijbehorende [plaatsen].26Want Hesbon was de [hoofd]stad van Sihon, de koning van de Amorieten. Hij had de strijd aangebonden met de vorige koning van Moab en had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.27Daarom zeggen de dichters:
Kom naar Hesbon, bouw
en versterk de stad van Sihon.
28Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon,
een vlam uit de stad van Sihon;
het heeft Ar van Moab verteerd,
de bezitters van Arnons hoogten.
29Wee u, Moab,
u bent verloren, volk van Kamos!
Hij moest zijn zonen [als] vluchtelingen,
en zijn dochters in gevangenschap overgeven
aan Sihon, de koning van de Amorieten.
30Wij hebben hen neergeveld.
Verloren is Hesbon, tot aan Dibon toe;
wij hebben [hen] verwoest tot aan Nofat,
dat tot aan Medeba [reikt].31Zo woonde Israël in het land van de Amoriet.32Daarna stuurde Mozes [mannen] om Jaëzer te verkennen. Zij namen de bijbehorende [plaatsen] in, en hij verdreef de Amorieten die er [woonden].33Toen keerden zij zich om en vertrokken in de richting van Basan. En Og, de koning van Basan, trok uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, in Edreï.34Maar de HEERE zei tegen Mozes: Wees niet bevreesd voor hem, want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land. U moet met hem doen zoals u gedaan hebt met Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde.35En zij versloegen hem, zijn zonen, en al zijn volk, zodat van hem niemand overbleef. En zij namen zijn land in bezit.
)
. Sihon heeft in het zuiden (Gilead) geheerst en Og in het noorden (Basan). Het is Gods bedoeling dat Zijn volk ook een stuk van het Overjordaanse zal erven. In het vrederijk krijgen alle stammen een deel toegewezen in het land en krijgt elke stam ook een deel in het Overjordaanse. Het is echter niet Gods bedoeling dat Zijn volk zich daar volledig zal vestigen. Hij wil niet dat het daar alleen mee tevreden is, zonder belangstelling voor het land waarvan Hij zegt: “Het land behoort Mij toe“ (Lv 25:2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.), het is Zijn land.


Het Overjordaanse als bezit

1Nu hadden de nakomelingen van Ruben veel vee; en de nakomelingen van Gad hadden geweldig veel [vee]. Zij bekeken het land Jaëzer en het land Gilead, en zie, die plaats was een [geschikte] plaats voor vee. 2Daarom kwamen de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben, en zeiden tegen Mozes en tegen de priester Eleazar en tegen de leiders van de gemeenschap, 3Ataroth, Dibon, Jaëzer, Nimra, Hesbon, Eleale, Sebam, Nebo, en Behon: 4Het land dat de HEERE voor de gemeenschap van Israël verslagen heeft, is een [geschikt] land voor vee; en uw dienaren hebben vee. 5Verder zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, laat dit land uw dienaren tot bezit gegeven worden; laat ons niet de Jordaan oversteken.

Ruben en Gad zijn onder hetzelfde vaandel gelegerd. Ze zullen met elkaar de situatie in ogenschouw hebben genomen en tot de conclusie zijn gekomen dat het veel voordeel oplevert als zij kunnen blijven waar ze zich nu bevinden: de vlakten van Moab. Ze hebben namelijk een rijke veestapel. En het gebied waarin ze zich op dit moment bevinden, voorziet naar hun waarneming in wat hun vee nodig heeft. Ze laten zich leiden door hun ogen: het land is een lust voor hun ogen en goed voor hun vee (vgl. Gn 13:10-1110En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte.11Daarom koos Lot voor zichzelf heel de Jordaanvlakte en Lot trok naar het oosten; en zij werden van elkaar gescheiden.).

Daarom vragen ze aan Mozes, Eleazar en de leiders om hun dit Overjordaanse land als hun bezitting te geven. Daarbij vragen ze om ervan verschoond te blijven over de Jordaan te moeten meetrekken. Ze vragen als het ware als een gunst om niet het land in te hoeven trekken. Dat moet Mozes pijn gedaan hebben, die er zo naar verlangde het land te mogen ingaan, maar het niet mocht. En wat zal dit het hart van de HEERE pijn gedaan hebben. Dit land heeft Hij voor Zijn volk uitgezocht en deze stammen zeggen dat ze er niet in willen.

De Gadieten en Rubenieten hebben alle beproevingen van de woestijn meegemaakt, ze zijn gespaard gebleven en vlak voor de Jordaan weigeren ze over te trekken. Dit is tragisch. Zij voeren hun grote veestapel aan als excuus om niet mee het land in te hoeven. Hun bezit is hun alles. Als wij onze aardse zegeningen voor onszelf gebruiken, worden ze een excuus om ons niet met de hemelse zegeningen bezig te houden.

Er zit in de houding van de beide stammen ook iets van ongeduld. Waarom wachten op zegeningen waarvan je maar moet afwachten hoe ze je bevallen, als je hier en nu al kunt genieten? Eén vogel in de hand is toch altijd beter dan tien in de lucht. Die instelling is bij ons terug te vinden als wij leven voor wat we op aarde bezitten, wat we kunnen tasten en proeven met onze natuurlijke zintuigen.


De verontwaardiging van Mozes

6Maar Mozes zei tegen de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben: Uw broeders zullen ten strijde trekken, en u wilt zelf hier blijven? 7Waarom zou u dan het hart van de Israëlieten onwillig maken om over te steken naar het land dat de HEERE hun gegeven heeft? 8Zo deden uw vaderen, toen ik hen van Kades-Barnea eropuit zond om dit land te bezien. 9Zij trokken op tot aan het dal Eskol, en bezagen het land, maar zij maakten het hart van de Israëlieten onwillig om naar het land te gaan dat de HEERE hun gegeven had. 10Op die dag ontbrandde de toorn van de HEERE, en Hij zwoer: 11De mannen die uit Egypte zijn vertrokken, van twintig jaar en daarboven, zullen het land niet zien dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb [te geven]! Want zij hebben er niet in volhard Mij na [te volgen], 12behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, en Jozua, de zoon van Nun, want die hebben er [wél] in volhard de HEERE na [te volgen]. 13Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël, en Hij liet hen veertig jaar in de woestijn rondzwerven, totdat de hele generatie die gedaan had wat slecht was in de ogen van de HEERE, omgekomen was. 14En zie, u bent opgestaan in de plaats van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, om nog toe te doen aan de brandende toorn van de HEERE tegen Israël. 15Als u zich van achter Hem afkeert, zal Hij het volk nog langer in de woestijn achterlaten, en u zult heel dit volk te gronde richten.

Mozes wijst op de gevaren van hun wens. Hij wijst op de negatieve invloed die hun wens kan hebben op de rest van het volk. Mozes ziet weer een weigerachtig volk dat het land niet wil ingaan. Het herinnert hem eraan aan wat veertig jaar eerder is gebeurd en dat stelt hij de twee stammen voor. Toen wilde ook het hele volk niet ingaan omdat een aantal verspieders een verkeerde voorstelling van zaken gaf. Die verkeerde voorstelling van zaken geven de twee stammen door aan te geven dat zij geen prijs stellen op het beloofde land.

Mozes is niet vleiend over hun voorgeslacht. Hij noemt hen “een menigte van zondige mensen” (vers 1414En zie, u bent opgestaan in de plaats van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, om nog toe te doen aan de brandende toorn van de HEERE tegen Israël.). Hij spreekt uit de volheid van zijn hart zijn verontwaardiging uit over de onwil van het volk destijds om het land binnen te gaan. Nu komen de kinderen van die ‘zondige mensen’ en die geven ook te kennen dat zij het land niet willen binnengaan. Hij is bang dat bij deze mannen, deze nieuwe generatie, eenzelfde onwil aanwezig is.


Belofte om te helpen in de strijd

16Toen naderden zij tot hem en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen. 17Maar wijzelf zullen ons toerusten [voor de strijd, ons] voor de Israëlieten uit haasten, totdat wij hen op hun plaats gebracht hebben. Onze kleine kinderen echter zullen in de versterkte steden blijven vanwege de inwoners van het land. 18Wij zullen niet terugkeren naar onze huizen, voordat iedere Israëliet zijn erfelijk bezit ontvangen heeft. 19Wij zullen immers niet met hen aan de overzijde van de Jordaan, en verderop, erfelijk bezit ontvangen, want ons erfelijk bezit valt ons ten deel aan deze zijde van de Jordaan, waar [de zon] opkomt.

De Rubenieten en Gadieten “naderden … tot hem”. Om een misverstand te voorkomen of om iets uit te leggen, moeten we naar elkaar toe gaan. We moeten naar elkaar toegaan, om naar elkaar te luisteren en om daardoor elkaar te leren begrijpen. Dan zijn de verschillen misschien niet weg, maar het conflict is dat wel.

De beide stammen maken duidelijk dat het geen onwil is. Ze willen wel het land mee ingaan, maar geven de voorkeur aan het gebied waar ze nu in zijn. Dat ze niet bang zijn om het land in te gaan, bewijzen ze door te beloven eerst mee te helpen het land te veroveren. Zij zijn gelovigen, geen weerspannigen. In plaats van hun broeders te ontmoedigen, willen ze hen bemoedigen door te beloven zelfs in de voorste gelederen te gaan strijden.

Maar ze laten wel hun vrouwen en kinderen thuis. Die zullen nooit het land leren kennen en waarderen. Integendeel, zij zorgen ervoor dat hun kinderen van alle gemakken worden voorzien in het gebied van hun eigen keuze. Ze zullen er steden voor bouwen. Zo zetten ze hun krachten in om het leven in dat gebied zo aangenaam te maken dat hun kinderen niet eens op de gedachte komen dat er hogere dingen zijn. Ouders vormen een hindernis voor hun kinderen om de hemelse dingen te zoeken als zij al hun tijd en kracht geven aan de aardse dingen.

Ze weigeren een permanent verblijf in het land, zelfs nadat ze hebben meegeholpen het te veroveren. Als ze het in zijn volle lengte en breedte zijn doorgetrokken en alles hebben gezien wat het land te bieden heeft, keren ze toch terug naar de andere kant van de Jordaan. Ze zijn zozeer daaraan gebonden, ze hebben daar zo hun hart aan verbonden, dat ze het land daarvoor prijs geven.

Zo kunnen wij anderen vertellen over de hemelse zegeningen, hen helpen ervan te genieten, terwijl we er zelf niet in leven. Dat komt omdat we helemaal in beslag zijn genomen door de aardse dingen. Er zijn excuses om niet op de uitnodiging in te gaan om te genieten wat God wil geven. De excuses zijn geen verkeerde dingen op zich, maar ze maken duidelijk waar ons hart werkelijk naar uitgaat.

In Lukas 14 worden allemaal geoorloofde dingen als excuus aangevoerd om niet op de uitnodiging in te gaan (Lk 14:18-2018En allen begonnen zich eenparig te verontschuldigen. De eerste zei tot hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet die noodzakelijk gaan bezien; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd.19En een ander zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die proberen; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd.20En een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen.). Dat christenen vaak de aardse zegeningen als het hoogste genot zien, en het zich bezighouden met de hemelse zegeningen als een vermoeiende bezigheid, komt omdat ze niet weten wat hun werkelijke deel is. Ze eigenen zich toe wat van een Ander is en hun slechts is toevertrouwd om er rentmeester over te zijn en ze eigenen zich niet toe wat hun gegeven is als hun bezit (Lk 16:1212En als u in dat van een ander niet trouw bent geweest, wie zal u het uwe geven?).

De Gadieten en Rubenieten hebben gekozen voor genot hier-en-nu, niet alleen voor henzelf, maar ook voor hun gezinnen. Later behoren zij tot de eersten die door de Assyriërs worden weggevoerd in ballingschap: Zij waren de God van hun vaderen echter ontrouw en pleegden overspel met de goden van de volken van het land, die God voor hun [ogen] had weggevaagd. Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag” (1Kr 5:25-2625Zij waren de God van hun vaderen echter ontrouw en pleegden overspel met de goden van de volken van het land, die God voor hun [ogen] had weggevaagd.26Toen wekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië op, en de geest van Tillegath-Pilneser, de koning van Assyrië. Deze voerde hen in ballingschap, te weten de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. Hij bracht hen in Halah, Habor, Hara en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.; 2Kn 15:2929In de dagen van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en [ook] Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead, Galilea en het hele land van Naftali; [en] hij voerde [de inwoners] weg naar Assyrië.).

Aardse zegeningen zijn geen bescherming voor geestelijke gevaren. Als ze die kwijtraken, hebben ze niets meer. Christenen die hun geloofsbeleving verbinden aan aardse zegeningen, gaan in die geloofsbeleving op en neer, als de schommelingen van de koersen op de beurs. En hun kinderen hebben geen enkel houvast. Vaak zien we dat zij in de wereld verdwijnen.


Mozes stemt in met de toezegging

20Toen zei Mozes tegen hen: Als u deze zaak doen zult, als u uzelf voor het aangezicht van de HEERE voor de strijd zult toerusten, 21en elke man van u die toegerust is [voor de strijd], de Jordaan zal oversteken voor het aangezicht van de HEERE, totdat Hij Zijn vijanden van voor Zijn aangezicht heeft verdreven, 22en het land voor het aangezicht van de HEERE onderworpen is, dan zult u terugkeren en onschuldig zijn voor de HEERE en voor Israël; en dit land zal u tot bezit zijn voor het aangezicht van de HEERE. 23Maar als u [dit] niet zo doet, zie, dan hebt u tegen de HEERE gezondigd; weet dan dat uw zonde u zal vinden! 24Bouw steden voor uw kleine kinderen en kooien voor uw schapen, en doe wat over uw lippen gekomen is.

Mozes stemt in met de garantie dat zij eerst mee zullen helpen. Hij zal hen niet langer tegenhouden en geeft hun de ruimte om te handelen naar hun eigen verlangens. Wel waarschuwt hij hen er nog voor niet tegen de HEERE te zondigen door zich niet aan hun belofte te houden. Hij stelt de zonde niet alleen voor als iets wat ontdekt zal worden, maar als een actieve persoon die hen zal ontdekken, die hen zal weten te vinden. Zij zullen zich niet van hun zonde kunnen scheiden en de straf die op de zonde ligt niet kunnen ontlopen.


Bevestiging van de afspraak

25Toen zeiden de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben tegen Mozes: Uw dienaren zullen doen zoals mijn heer gebiedt. 26Onze kleine kinderen, onze vrouwen, onze bezittingen en al ons vee zullen in de steden van Gilead blijven, 27maar uw dienaren zullen [de Jordaan] oversteken, ieder die toegerust is voor het aangezicht van de HEERE voor de strijd, zoals mijn heer gesproken heeft.

De Gadieten en Rubenieten bevestigen de afspraak. Ze zullen iedereen en alles achterlaten in Gilead en zelf ten strijde trekken.


De gemaakte afspraak doorgegeven

28Toen gaf Mozes aangaande hen opdracht aan de priester Eleazar, aan Jozua, de zoon van Nun, en aan de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten. 29En Mozes zei tegen hen: Als de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben met u de Jordaan oversteken, ieder die voor de strijd toegerust is, voor het aangezicht van de HEERE, en het land voor u onderworpen is, dan zult u hun het land Gilead tot bezit geven. 30Maar als zij níet toegerust [voor de strijd] met u oversteken, dan moeten zij in uw midden in het land Kanaän bezit verwerven.

Mozes zal niet bij de inlossing van de belofte aanwezig kunnen zijn en er geen controle op kunnen uitoefenen. Maar hij heeft een bekwame opvolger. Hij geeft de gemaakte afspraak door aan Eleazar en Jozua om daarnaar te handelen. Jozua handelt er later naar (Jz 22:1-41Toen riep Jozua de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse [bijeen],2en hij zei tegen hen: Wat u betreft, u hebt alles in acht genomen wat Mozes, de dienaar van de HEERE, u geboden heeft, en u hebt in alles wat ik u geboden heb naar mijn stem geluisterd.3U hebt deze lange tijd uw broeders niet verlaten, tot op deze dag, en u hebt de voorschriften met betrekking tot het gebod van de HEERE, uw God, in acht genomen.4Nu heeft de HEERE, uw God, uw broeders echter rust gegeven, zoals Hij hun toegezegd had. Keer daarom nu terug, en ga naar uw tenten, naar het land [dat] uw bezit is, dat Mozes, de dienaar van de HEERE, u gegeven heeft aan de overzijde van de Jordaan.).


Herhaling van de belofte

31De nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben antwoordden: Wat de HEERE tot uw dienaren gesproken heeft, dat zullen wij doen. 32Wij zullen zelf toegerust [voor de strijd] oversteken naar het land Kanaän, voor het aangezicht van de HEERE, maar ons eigen erfelijk bezit zullen wij aan deze kant van de Jordaan hebben.

De Gadieten en Rubenieten bevestigen in een samenvatting nog eens wat zij zullen doen en in ruil daarvoor zullen krijgen.


Verdeling van het Overjordaanse

33Toen gaf Mozes aan hen, aan de nakomelingen van Gad, aan de nakomelingen van Ruben en aan de halve stam Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, de koning van Basan, het land met de steden in hun gebieden, de steden van het land rondom. 34En de nakomelingen van Gad herbouwden Dibon, Ataroth, Aroër, 35Atroth-Sofan, Jaëzer, Jogbeha, 36Beth-Nimra en Beth-Haran, versterkte steden en schaapskooien. 37En de nakomelingen van Ruben herbouwden Hesbon, Eleale, Kirjathaïm, 38Nebo, en Baäl-Meon, waarvan zij de naam hadden veranderd, en Sibma; en zij gaven de steden die zij herbouwd hadden, andere namen. 39En de nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten die daar woonden. 40Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, de zoon van Manasse, en hij woonde daarin. 41Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hun dorpen in, en hij noemde die de dorpen van Jaïr. 42En Nobah ging heen en nam Kenath in, met de bijbehorende plaatsen, en noemde ze Nobah, naar zijn [eigen] naam.

Mozes verdeelt het Overjordaanse tussen de Gadieten, de Rubenieten en de halve stam Manasse. Dat gebeurt niet door het lot, zoals dat wel in het land zal gebeuren. Hij geeft hun het land van hun eigen keus. In het land krijgt iedere stam het deel van Gods keus.

Het lijkt erop dat, nadat de twee stammen de begeerde toezegging hebben gekregen, de helft van de stam Manasse zich bij hen voegt. Zij geven er ook de voorkeur aan hun erfdeel in het Overjordaanse te hebben. Het kan zijn dat hun keus toch beïnvloed is geworden door het pleidooi van de twee stammen. Dit zou dan betekenen dat door de opstelling van de twee stammen er in een andere stam een scheuring is gekomen. Onze verlangens en het kenbaar maken daarvan en onze inzet daarvoor, heeft altijd invloed op anderen.


Lees verder