Numeri
1-2 Opdracht wraak te nemen op de Midianieten 3-6 Wie ten strijde moeten trekken 7-12 De strijd en het resultaat daarvan 13-20 Nadere bevelen van Mozes 21-24 Voorschriften voor ontzondiging 25-31 Hoe de buit moet worden verdeeld 32-47 Verdeling van de buit 48-54 De vrijwillige gave van de buit
Opdracht wraak te nemen op de Midianieten

1De HEERE sprak tot Mozes: 2Neem voor de Israëlieten wraak op de Midianieten; daarna zult u met uw voorgeslacht verenigd worden.

Mozes krijgt hier zijn laatste taak. Voordat het volk de zegeningen van het land in bezit kan gaan nemen, moet het volk de wraak van de HEERE over Midian voltrekken. De boze verbindingen met deze vijanden moeten worden verbroken, anders kan de zegen niet worden genoten. Die verbindingen zijn boos in Gods oog en vormen een verhindering voor Zijn zegen. God staat niet toe dat Zijn dienaar de wereld verlaat, voordat hij de volle verrekening heeft gezien. We zien hier ook dat een dienaar niet eerder wordt weggenomen dan nadat zijn taak volbracht is.

Midian is een broedervolk. Hij stamt ook af van Abraham, maar zijn moeder is Ketura (Gn 25:1-21Abraham nam weer een vrouw, van wie de naam Ketura was.2En zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah.). Zij zijn buren van Moab en hebben zich met hen verbonden om Israël in het verderf te storten (Nm 22:44Toen zei Moab tegen de oudsten van Midian: Nu zal deze menigte alles wat rondom ons is, afgrazen, zoals een rund het groen van het veld afgraast. Balak, de zoon van Zippor, was in die tijd koning van Moab.; 25:1-151Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab.2Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer.3Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde, ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.4De HEERE zei tegen Mozes: Neem alle hoofden van het volk en laat hen voor de HEERE in de volle zon ophangen, zodat de brandende toorn van de HEERE van Israël afgekeerd wordt.5Toen zei Mozes tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben.6En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische [vrouw] bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden [bij] de ingang van de tent van ontmoeting.7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.10Toen sprak de HEERE tot Mozes:11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.12Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.14De naam nu van de gedode Israëlitische man, die samen met de Midianitische [vrouw] gedood was, was Zimri, de zoon van Salu, een leider van een familie van de Simeonieten.15En de naam van de gedode Midianitische vrouw was Kozbi, dochter van Zur; hij was stamhoofd van een familie in Midian.). Op grond daarvan heeft God Zijn oordeel over hen uitgesproken (Nm 25:16-1816Verder sprak de HEERE tot Mozes:17Behandel de Midianieten als vijanden en versla hen.18Want zij hebben u als vijanden behandeld, met hun listen, die zij listig tegen u beraamden, in het geval van Peor en in het geval van hun zuster Kozbi, de dochter van een leider van de Midianieten, die gedood is op de dag van de plaag, in het geval van Peor.) en laat dat nu door Zijn volk uitvoeren.

Het is goed nog eens te zeggen dat het volk van God verschillende soorten strijd heeft te voeren. Een van die soorten is de strijd tegen Amalek. Dat is een verdedigingsstrijd die zich afspeelt in de woestijn. Deze strijd stelt voor ons de dagelijkse strijd voor die er is tegen wat ons omringt in de wereld waarin we leven. Een andere soort strijd is die tegen de Kanaänieten. Dat is een aanvalsstrijd, die zich afspeelt in het land om het te veroveren. Die strijd stelt voor ons de strijd voor die we hebben te strijden om ons de geestelijke zegeningen die God ons heeft gegeven eigen te maken.

Hier gaat het om de strijd tegen Midian. Dat is een aanvalsstrijd, die zich afspeelt in de woestijn. Maar er is een verschil met de strijd tegen Amalek. Aan de strijd tegen Amalek is niet te ontkomen. Die tegen Midian had wel voorkomen kunnen worden, maar is nodig geworden vanwege de eigen ontrouw van het volk. Het volk had zich met die vijand verbonden als gevolg van de leer van Bileam.

Het gebeurt wel dat we als vijanden tegenover de wereld komen te staan omdat we vriendschappelijke betrekkingen met haar hebben onderhouden. Die vriendschap is een valstrik voor ons geworden. Niettemin geeft God ons een volkomen overwinning, zodra we de wereld als vijandig gaan beschouwen. Alleen moet alles wat ons heeft verleid, totaal vernietigd worden, zonder compromis.

Dat is wat we ook in de christenheid vinden, bijvoorbeeld als een christen niet als vreemdeling in de wereld verblijft, maar zich ermee vermengt, vaak met fraaie, maar wel onbijbelse motieven. We kunnen pret maken met de mensen van de wereld. Maar waar is de grens? Als we ons bewust worden dat we te ver zijn gegaan, merken we hoeveel moeite het kost om ons ervan los te maken. Als we ons ergens in hebben begeven waar we niet horen, vraagt het strijd om er weer los van te komen. Dat zou niet nodig geweest zijn als we trouw zouden zijn gebleven.


Wie ten strijde moeten trekken

3En Mozes sprak tot het volk: Laten er mannen uit uw midden zich voor de strijd toerusten, en zich tegen Midian keren om de wraak van de HEERE aan Midian te voltrekken. 4Van alle stammen van Israël moet u er duizend per stam ten strijde laten trekken. 5Zo werden er uit de duizenden van Israël duizend per stam geleverd, twaalfduizend, toegerust voor de strijd. 6Mozes liet hen ten strijde trekken, duizend per stam, hen en Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester, ten strijde, met de heilige voorwerpen en de trompetten voor het geschal in zijn hand.

De HEERE spreekt over de wraak van de Israëlieten op de Midianieten (vers 11De HEERE sprak tot Mozes:). Als Mozes erover spreekt, heeft hij het over de wraak van de HEERE (vers 33En Mozes sprak tot het volk: Laten er mannen uit uw midden zich voor de strijd toerusten, en zich tegen Midian keren om de wraak van de HEERE aan Midian te voltrekken.). Met een klein deel van het volk moet er tegen de vijand worden gestreden, opdat duidelijk zal zijn dat God de overwinning heeft gegeven. Het hele volk, elk onderdeel ervan, moet een aandeel in die strijd hebben. Elke stam levert evenveel mannen.

De aanvoerder is niet Jozua maar Pinehas, de priester. De omstandigheden van het falen van het volk vereisen dat. Een priester is aanvoerder van deze strijd, omdat deze strijd reiniging moet bewerken van de besmetting die over Israël is gekomen door de verbinding met Midian. Pinehas leidt de strijd omdat hij zich al eerder heeft onderscheiden in de strijd tegen Midian (Nm 25:7-87Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.). Hij heeft zijn zwaard al een keer ten oordeel over Midian gebruikt. Als wij ons laten meeslepen, weg van God, en we willen terug, dan moet Pinehas voorop, met het zwaard. Hij is de man die de heiligheid van God kent.

Pinehas weet dat de overwinning van de HEERE moet komen. Daarom heeft hij de trompetten bij zich, opdat de HEERE die zal horen (Nm 10:99Wanneer u dan in uw land ten strijde trekt tegen de tegenstander die u benauwt, moet u met die trompetten een onderbroken klank laten horen. Dan zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden.). Priesters kunnen alarm blazen en Gods hulp inroepen in deze noodzakelijke strijd. Met “de heilige voorwerpen” worden waarschijnlijk de trompetten bedoeld. Dat ze daarna nog worden genoemd, betekent dan dat “de trompetten” een nadere omschrijving van die heilige voorwerpen zijn. Het lijkt niet waarschijnlijk dat met “de heilige voorwerpen” bijvoorbeeld de urim en de tummim (Ex 28:3030En u moet in de borsttas van de beslissing de urim en de tummim doen, zodat die op het hart van Aäron zijn, als hij binnenkomt voor het aangezicht van de HEERE. Zo zal Aäron de beslissing voor de Israëlieten voortdurend op zijn hart dragen voor het aangezicht van de HEERE.) worden bedoeld, omdat Pinehas nog geen hogepriester was.


De strijd en het resultaat daarvan

7En zij streden tegen Midian zoals de HEERE Mozes geboden had; zij doodden al wie mannelijk was. 8Behalve hen die door hen verslagen werden, doodden zij ook de koningen van Midian: Evi, Rekem, Zur, Hur en Reba, de vijf koningen van Midian; ook doodden zij Bileam, de zoon van Beor, met het zwaard. 9Maar de Israëlieten voerden de vrouwen van Midian en hun kleine kinderen als gevangenen weg en roofden al hun dieren, al hun vee en al hun vermogen. 10Ook verbrandden zij al hun steden in hun woongebieden en al hun tentenkampen met vuur. 11Zij namen heel de buit en alles wat meegenomen kon worden aan mensen en aan dieren, 12en zij brachten de gevangenen en wat aan buit meegenomen was, bij Mozes, bij de priester Eleazar en bij de gemeenschap van de Israëlieten in het kamp, in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho.

Alle mannen worden gedood. Dat niet het hele volk is uitgeroeid zien we later, als Midian weer een geduchte vijand van het volk is (Ri 6:1-31Maar de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen gaf de HEERE hen over in de hand van Midian, zeven jaar.2Toen Midian de overhand kreeg over Israël, maakten de Israëlieten vanwege Midian voor zichzelf de holen gereed die in de bergen zijn, en de grotten en de bergvestingen.3Want het gebeurde, telkens als Israël gezaaid had, dat Midian optrok. Ook Amalek en de mensen van het oosten trokken tegen hen op.). De vijf koningen zijn hoofden van Midianitische stammen (zie Numeri 25, waar Zur 'stamhoofd' wordt genoemd, Nm 25:1515En de naam van de gedode Midianitische vrouw was Kozbi, dochter van Zur; hij was stamhoofd van een familie in Midian., en Jozua 13 waar over ‘vorsten’ wordt gesproken, Jz 13:2121alle steden van de hoogvlakte, en heel het koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon regeerde, die Mozes verslagen heeft, met de vorsten van Midian, Evi, Rekem, Zur, Hur en Reba, vazallen van Sihon, inwoners van het land.).

Ook Bileam ontkomt niet aan het oordeel. Zijn naam wordt verbonden aan die van de vijf koningen. Het lijkt erop dat hij hun adviseur is geweest. Hij valt met de vijanden van Gods volk met wie hij zich heeft verbonden. Hij heeft gewenst de dood van de oprechten te sterven (Nm 23:1010Wie heeft het stof van Jakob geteld,
en het aantal, het vierde deel van Israël?
Moge mijn ziel de dood van de oprechten sterven
en mijn einde zijn als dat van hem.
)
, maar hij is in zijn boosheid blijven leven. Tot het volk van de oprechten heeft hij niet willen toetreden. Waar hij in zijn leven van is gescheiden, is hij in zijn dood van gescheiden en dat zal hij tot in eeuwigheid blijven.

In Zijn genade geeft God Zijn volk een grote overwinning met veel buit. Hij strijdt voor Zijn volk, omdat Zijn eer ermee gemoeid is. Als wij door valse invloeden worden meegesleept, is daar ook Gods eer mee gemoeid.


Nadere bevelen van Mozes

13Mozes, de priester Eleazar en alle leiders van de gemeenschap gingen buiten het kamp, hun tegemoet. 14Mozes werd erg kwaad op de aanvoerders van het leger, de bevelhebbers van duizend en de bevelhebbers van honderd die van de krijgsdienst [terug]kwamen. 15En Mozes zei tegen hen: Hebt u alle vrouwen laten leven? 16Zie, zíj waren door de raad van Bileam voor de Israëlieten de aanleiding tot trouwbreuk tegen de HEERE, in het geval van Peor, waardoor de plaag kwam onder de gemeenschap van de HEERE. 17Nu dan, dood al wie mannelijk is onder de kleine kinderen, en dood elke vrouw die gemeenschap met een man heeft gehad door met een man te slapen. 18Maar laat alle kinderen van het vrouwelijk geslacht die [nog] geen gemeenschap gehad hebben door met een man te slapen, voor u in leven. 19En u, sla uw kamp op buiten het kamp, zeven dagen [lang]. Ieder die een persoon gedood en ieder die een verslagene aangeraakt heeft, moet zich op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen, u en uw gevangenen. 20Ook moet u alle kleding, alle leren voorwerpen, alles wat van geiten[haar] gemaakt is, en alle houten voorwerpen ontzondigen.

Aan de zijde van het volk is er geen enkel verlies (vers 4949En zij zeiden tegen Mozes: Uw dienaren hebben het aantal opgenomen van de strijdbare mannen die onder ons bevel stonden; van ons ontbreekt niet één man.), een bewijs dat deze strijd van en voor God is. Maar nu moet het volk nog leren dat het kwaad radicaal moet worden uitgeroeid. Dat moeten wij ook leren. De mannen worden wel gedood, want zij vormen een groot gevaar door hun kracht. Maar ook de vrouwen moeten worden gedood, want hun gevaar is nog groter door hun verleiding. Juist zij zijn het die het volk zoveel onheil hebben bezorgd. Maar de maagden van Midian hoeven niet te worden gedood. Zij hebben zich niet geleend voor de hoererij. Dat leert ons dat wij onderscheid moeten maken in het uitoefenen van het oordeel.

Verder leren we dat bezig zijn met kwaad, ook al is het in opdracht van de Heer, verontreinigt. Het is noodzakelijk zich ervan te reinigen, zich te ontzondigen, door gebruik te maken van het reinigingswater. Het lezen van Gods Woord bewerkt die reiniging.


Voorschriften voor ontzondiging

21En de priester Eleazar zei tegen de krijgslieden die ten strijde getrokken waren: Dit is de wetsverordening die de HEERE Mozes geboden heeft. 22Alleen het goud, het zilver, het koper, het ijzer, het tin en het lood, 23elk ding dat vuurvast is, moet u door het vuur laten gaan, zodat het rein wordt; alleen moet het door het reinigingswater ontzondigd worden. Maar alles wat niet vuurvast is, moet u [alleen] door het water laten gaan. 24Ook moet u op de zevende dag uw kleren wassen, zodat u rein wordt; daarna mag u [weer] in het kamp komen.

Alles wat Israël heeft buitgemaakt, moet worden gereinigd. De reiniging vindt plaats door het in het vuur te brengen en daarna met water te wassen. Wat het vuur niet kan verdragen moet alleen met water worden gereinigd. De uitvoering van de reiniging gebeurt onder verantwoordelijkheid van Eleazar, die als hogepriester erop moet toezien dat de reiniging strikt naar het voorschrift van Numeri 19 gebeurt.

Niets kan door Israël worden gebruikt als het niet eerst door het vuur is gegaan. De buit die voortkomt uit onze ontrouw moet ook worden gereinigd, om zo geschikt te worden voor eigen gebruik. Alles wat in de handen van Midian is geweest en daardoor onrein is, moet worden gereinigd. Alle onbijbelse praktijken van doop en avondmaal zijn een gevolg van onze ontrouw. Als doop en avondmaal weer teruggebracht worden op de grondslag van de Bijbel, als ze worden gereinigd van wat daarmee in strijd is, kunnen ze weer als zegen uit Gods hand worden aangenomen en worden gebruikt tot Zijn eer.

Het vuur en het water moeten zo worden toegepast op elke waarheid die wij belijden en elke praktijk die wij daaraan verbinden om het te gebruiken voor God. Het vuur spreekt van oordeel, het water spreekt van het Woord van God. Vuur verteert wat niet voor God kan bestaan, water verwijdert vuil en maakt schoon. Alles wat onder Gods oordeel is geweest en in overeenstemming is met Gods Woord, kan worden gebruikt tot Zijn verheerlijking. Als we zover komen, is dat het gevolg van het hogepriesterlijk werk van de Heer Jezus dat Hij als de ware Eleazar voor ons verricht. Hij brengt ons ertoe alles zo te zien en te doen dat God het kan aanvaarden.


Hoe de buit moet worden verdeeld

25Verder sprak de HEERE tot Mozes: 26Neem het aantal op van wat meegenomen is aan gevangenen, aan mensen en aan dieren, u en de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap. 27En verdeel wat meegenomen is, in twee helften, tussen hen die aan de strijd deelgenomen hebben, die met het leger uitgetrokken zijn, en heel de gemeenschap. 28Daarna moet u de strijdbare mannen die met het leger uitgetrokken zijn, een heffing voor de HEERE opleggen, één op de vijfhonderd van de mensen, van de runderen, van de ezels en van de schapen. 29Van de voor hen [bestemde] helft moet u [dat] nemen en [dat] aan de priester Eleazar geven als een hefoffer voor de HEERE. 30Maar van de helft voor de Israëlieten moet u één gevangene op de vijftig nemen, van de mensen, van de runderen, van de ezels en van de schapen, van al de dieren, en ze aan de Levieten geven, die de taak ten behoeve van de tabernakel van de HEERE vervullen. 31Mozes en de priester Eleazar deden zoals de HEERE Mozes geboden had.

De buit moet in twee delen verdeeld worden. De ene helft is voor de strijders, de andere helft is voor het volk. Naar verhouding krijgen de krijgslieden meer. Maar zij hebben dan ook de moeiten, inspanningen en gevaren van de strijd ondergaan. De buit is dus niet alleen voor de krijgslieden. David handelt later op dezelfde manier (1Sm 30:21-2521Toen David bij de tweehonderd mannen kwam, die zó moe waren geweest dat zij David niet hadden kunnen volgen, en die zij bij de beek Besor hadden laten achterblijven, gingen die David en het volk dat bij hem was, tegemoet. David naderde tot het volk en vroeg naar hun welstand.22Toen namen alle slechte en verdorven mannen onder de mannen die met David meegetrokken waren, het woord en zeiden: Omdat zij niet met ons opgetrokken zijn, zullen wij hun niets geven van de buit die wij gered hebben, maar aan ieder [alleen] zijn vrouw en zijn kinderen. Laten zij die meevoeren en weggaan.23Maar David zei: Zo moeten jullie niet doen, mijn broeders, met wat de HEERE ons gegeven heeft. Hij heeft ons bewaard en heeft de bende die op ons afkwam, in onze hand gegeven.24Wie zou in deze zaak naar u luisteren? Want zoals het deel is van hen die mee ten strijde getrokken zijn, zo zal ook het deel zijn van hen die bij de bagage gebleven zijn; zij moeten samen delen.25En dit is van die dag af en voortaan zo geweest; want hij heeft het tot een verordening en bepaling ingesteld in Israël, tot op deze dag.; vgl. Jz 22:88zei hij tegen hen: Keer terug naar uw tenten met veel rijkdom en met zeer veel vee, met zilver, met goud, met koper, met ijzer en met zeer veel kleren. Deel de buit van uw vijanden met uw broeders.).

De HEERE zorgt ervoor dat iedere Israëliet in de blijdschap van de overwinning kan delen. Hij kiest wie aan de strijd deelnemen en eert hen. Maar Hij wil ook hen eren die naar Zijn soevereine wil achtergebleven zijn en die op de hun aangewezen plaats getrouw hun taak naar Zijn wil hebben vervuld.

Niet iedereen is even geschikt om aan de strijd deel te nemen. Als gelovigen geestelijke overwinningen behalen, moet de buit met allen worden gedeeld. De geestelijke rijkdom die iemand verwerft, moet met andere gelovigen worden gedeeld.

Petrus heeft een keer een val gemaakt. Hij heeft de Heer Jezus verloochend. De oorzaak daarvan is de verbinding die hij met de wereld is aangegaan. Hij is in hun midden gaan zitten (Lk 22:5555Toen zij nu vuur hadden ontstoken midden in de voorhof en zij samen waren gaan zitten, zat Petrus in hun midden.). De Heer heeft die verloochening zelfs voorzegd. Maar Hij heeft erbij gezegd dat Petrus zich van die kwalijke weg zou bekeren. En Hij verbindt er een opdracht aan voor Petrus: na die bittere ervaring zal Petrus een instrument tot zegen voor anderen worden (Lk 22:31-3431Simon, Simon, zie, de satan heeft dringend verlangd u [allen] te mogen ziften als de tarwe;32Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden; en jij, als je eens bekeerd bent, versterk je broeders.33Hij echter zei tot Hem: Heer, ik ben bereid met U zelfs in [de] gevangenis en in [de] dood te gaan.34Hij echter zei: Ik zeg je, Petrus, [de] haan zal vandaag niet kraaien voordat je driemaal hebt geloochend Mij te kennen.). Zijn brieven zijn er het bewijs van dat hij die opdracht heeft uitgevoerd.

De krijgslieden moeten ook een deel afstaan aan de HEERE. Dit deel komt ten goede aan de Levieten. Hun dienst staat ook in het teken van de priesterdienst. Levieten worden bemoedigd in hun taak als zij meedelen in de buit. Onze geestelijke overwinningen moeten bijdragen aan de bevordering van de Levietendienst en via hen ook aan de priesterdienst.

Alles staat in verbinding met de tabernakel (verzen 30,4730Maar van de helft voor de Israëlieten moet u één gevangene op de vijftig nemen, van de mensen, van de runderen, van de ezels en van de schapen, van al de dieren, en ze aan de Levieten geven, die de taak ten behoeve van de tabernakel van de HEERE vervullen.47van die helft voor de Israëlieten nam Mozes één gevangene uit vijftig, van de mensen en van de dieren; en hij gaf ze aan de Levieten, die de taak ten behoeve van de tabernakel van de HEERE vervulden, zoals de HEERE Mozes geboden had.) waar uiteindelijk de geestelijke winst van elke overwinning terechtkomt. Daar wordt God gediend en heeft Gods volk gemeenschap met Hem en met elkaar. De samenkomsten van de gelovigen worden dan plaatsen waar gelovigen rijker vandaan gaan dan ze er zijn gekomen.


Verdeling van de buit

32Wat meegenomen was, het overschot van de buit die het krijgsvolk geroofd had, waren zeshonderdvijfenzeventigduizend schapen, 33en tweeënzeventigduizend runderen, 34en eenenzestigduizend ezels; 35en mensen, namelijk vrouwen die [nog] geen gemeenschap hadden gehad door met een man te slapen, alles [bij elkaar] tweeëndertigduizend personen. 36De helft [daarvan, namelijk] het aandeel voor hen die met het leger uitgetrokken waren, was een aantal van driehonderdzevenendertigduizend vijfhonderd schapen.37De heffing voor de HEERE van de schapen was zeshonderdvijfenzeventig [schapen]. 38En [er waren] zesendertigduizend runderen, en de heffing daarvan voor de HEERE was tweeënzeventig. 39En [er waren] dertigduizend vijfhonderd ezels, en de heffing daarvan voor de HEERE was eenenzestig. 40En [er waren] zestienduizend mensen, en de heffing daarvan voor de HEERE was tweeëndertig personen. 41En Mozes gaf de schatting, het hefoffer voor de HEERE, aan de priester Eleazar, zoals de HEERE Mozes geboden had. 42En van de helft voor de Israëlieten, die Mozes van de mannen die gestreden hadden, afgescheiden had 43– de helft voor de gemeenschap bestond uit driehonderdzevenendertigduizend vijfhonderd schapen, 44zesendertigduizend runderen, 45dertigduizend vijfhonderd ezels, 46en zestienduizend mensen – 47van die helft voor de Israëlieten nam Mozes één gevangene uit vijftig, van de mensen en van de dieren; en hij gaf ze aan de Levieten, die de taak ten behoeve van de tabernakel van de HEERE vervulden, zoals de HEERE Mozes geboden had.

De buit en de verdeling ervan was als volgt:

Buit aan schapen: 675.000
- voor de soldaten: 337.500 waarvan 675 (=1/1000 v. 675.000) voor de HEERE
- voor het volk: 337.500 waarvan 6.750 (=1/100 v. 675.000) voor de Levieten

Buit aan runderen: 72.000
- voor de soldaten: 36.000 waarvan 72 voor de HEERE
- voor het volk: 36.000 waarvan 720 voor de Levieten

Buit aan ezels: 61.000
- voor de soldaten: 30.500 waarvan 61 voor de HEERE
- voor het volk: 30.500 waarvan 610 voor de Levieten

Buit aan mensen: 32.000
- voor de soldaten: 16.000 van wie 32 voor de HEERE
- voor het volk: 16.000 van wie 320 voor de Levieten


De vrijwillige gave van de buit

48Toen kwamen de aanvoerders van de duizenden van het leger, de bevelhebbers van duizend en de bevelhebbers van honderd, naar voren, bij Mozes. 49En zij zeiden tegen Mozes: Uw dienaren hebben het aantal opgenomen van de strijdbare mannen die onder ons bevel stonden; van ons ontbreekt niet één man. 50Daarom zullen wij de HEERE een offergave brengen, ieder wat hij gevonden heeft: een gouden voorwerp, een ketting, een armband, een ring, een oorring of een halssieraad, om voor ons leven verzoening te doen voor het aangezicht van de HEERE. 51Mozes en de priester Eleazar namen het goud van hen aan, allemaal kunstig gemaakte voorwerpen. 52Al het goud van het hefoffer dat zij de HEERE brachten, van de bevelhebbers van duizend en de bevelhebbers van honderd, bedroeg zestienduizend zevenhonderdvijftig sikkel. 53De krijgslieden hadden ieder voor zichzelf het nodige] geroofd. 54Zo namen Mozes en de priester Eleazar dat goud aan van de bevelhebbers van duizend en van honderd, en zij brachten het in de tent van ontmoeting, voor het aangezicht van de HEERE, tot gedachtenis voor de Israëlieten.

Er vindt een spontane actie van de oversten plaats en wel uit dankbaarheid. Ze zijn onder de indruk van het feit dat er niemand omgekomen is. Ze schrijven dat niet toe aan hun eigen bekwaamheid. Door hun ontrouw zijn er in Numeri 25 velen omgekomen. Nu er niemand is omgekomen, geven ze God daarvoor de eer.

De Heer Jezus zal er ook voor zorgen dat niemand die bij Hem hoort, verloren gaat (Jh 17:1212Toen Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam. Hen die U Mij hebt gegeven, heb Ik bewaakt en niemand van hen is verloren gegaan dan de zoon van het verderf, opdat de Schrift vervuld werd.). Er zal in de eeuwige heerlijkheid niemand gemist worden van allen die op aarde voor de Heer gestreden hebben. Allen die zich aan het Woord van God houden, bereiken de behoudenis. Zie het beeld hiervan in Handelingen 27, dat besluit met: “En zo gebeurde het, dat allen behouden aan land kwamen” (Hd 27:4444en de overigen deels op planken deels op wrakstukken van het schip. En zo gebeurde het, dat allen behouden aan land kwamen.). De Heer Jezus zal daarvoor tot in alle eeuwigheid de lof worden gebracht. Deze zekerheid zal ons er trouwens nu al toe brengen dat we Hem aanbidden in “de tent der samenkomst” (vers 5454Zo namen Mozes en de priester Eleazar dat goud aan van de bevelhebbers van duizend en van honderd, en zij brachten het in de tent van ontmoeting, voor het aangezicht van de HEERE, tot gedachtenis voor de Israëlieten.).

Van geestelijke aanvoerders mag worden verwacht dat zij meer begrip hebben van Gods goedheid. Hier staat zelfs vermeld dat deze dingen worden gegeven om verzoening te doen. Het is uitzonderlijk dat aan materialen verzoening wordt toegeschreven. Dat is altijd aan het bloed voorbehouden.

Toch zijn er uitzonderingen. Verzoening gebeurt in Numeri 16 ook door reukwerk, hoewel daar wel verbinding is met het altaar waar de kolen vandaan komen. In Exodus 30 vindt verzoening plaats door zilver. Om voor God te kunnen bestaan moet een prijs worden betaald. Dan gaat iemand tot de getelden behoren. Verzoening betekent bedekken.

Normaal is dat verzoening met zonden te maken heeft, dat die worden bedekt. Hier gaat het erom dat Gods heerlijkheid Zijn volk bedekt, nadat het gefaald heeft. Het gaat hier om de erkenning dat het alleen om Zijn heerlijkheid gaat en dat wij daarin willen schuilen, ook al betreft het oorzaken die we aan onszelf te wijten hebben.

Het goud wordt door Mozes en Eleazar in de tent der samenkomst gebracht (vgl. 1Kr 18:1111Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij meegebracht had van alle heidenvolken: van Edom, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen en van Amalek.; 2Kr 15:1818Ook bracht hij de geheiligde [gaven] van zijn vader in het huis van God, met zijn [eigen] geheiligde [gaven]: zilver, goud en [andere] voorwerpen.). Alle ervaringen zouden onze samenkomsten moeten verrijken. Elke samenkomst zou een afspiegeling moeten zijn van alle ervaringen die we de afgelopen week hebben opgedaan waardoor we onder de indruk van Gods goedheid en trouw en heerlijkheid zijn gekomen.

In de geschiedenis van dit hoofdstuk zien we een illustratie van het raadsel van Simson: hier gaat eten uit van de eter en zoetigheid van de sterke (Ri 14:1414Hij zei tegen hen: Eten kwam uit de eter, en zoetigheid kwam uit de sterke. En drie dagen [lang] konden zij het raadsel niet uitleggen.). Wat de vijand (de eter, de sterke) tot verderf van het volk wil doen zijn, werkt uit tot eer van God en zegen voor Zijn volk (eten en zoetigheid).


Lees verder