Numeri
Inleiding 1 Mozes spreekt tot de stamhoofden 2 Gelofte van een man 3-5 Gelofte van een vrouw in haar jeugd 6-8 Gelofte van een verloofde vrouw 9 Gelofte van weduwe of verstoten vrouw 10-15 De gelofte van een getrouwde vrouw 16 Samenvatting
Inleiding

Het gaat nog steeds om een volk dat op het punt staat het beloofde land binnen te trekken. God bereidt Zijn volk daarop voor. Met het oog daarop heeft Hij in de vorige hoofdstukken gesproken over de offers, waarvan Hij verwacht dat Zijn volk die Hem zal brengen, met name op de feesten. Het betreft nationaal verplichte offers.

God verwacht nog iets van Zijn volk: hun toewijding. Dat komt in dit hoofdstuk aan de orde. Wij bieden Hem offers aan en wij bieden Hem onszelf aan. Het betreft hier persoonlijke vrijwillige geloften.

Niemand is verplicht een gelofte te doen. We moeten er goed over nadenken of we de gelofte kunnen nakomen, anders moeten we de gelofte niet doen. In algemene zin geldt deze regel: wie een gelofte doet aan de Heer, is gehouden die na te komen (Pr 5:3-43Wanneer u aan God een gelofte doet,
stel [dan] niet uit die na te komen,
want Hij heeft geen welgevallen aan dwazen.
Kom na wat u belooft.
4Het is beter dat u niet belooft,
dan dat u belooft maar niet nakomt.
)
.


Mozes spreekt tot de stamhoofden

1Mozes sprak tot de hoofden van de stammen van de Israëlieten: Dit is de zaak die de HEERE geboden heeft:

De stamhoofden worden aangesproken omdat het om een familieaangelegenheid gaat. Zij moeten erop toezien dat in de voorkomende gevallen naar dit gebod van de HEERE wordt gehandeld in de familie die of het huwelijk dat het betreft.


Gelofte van een man

2Wanneer een man de HEERE een gelofte doet of een eed zweert om een verplichting op zich te nemen, dan mag hij zijn woord niet schenden; overeenkomstig alles wat uit zijn mond komt, moet hij doen.

Er is verschil tussen een man en een vrouw die aanbieden iets voor de HEERE te doen of te laten. Een man is altijd verplicht de gelofte die hij doet, te houden. De gelofte kan zijn om iets van zijn eigendom aan de HEERE te geven of voor Hem te heiligen of om te vasten of zich van iets te onthouden.

De man is een beeld van Christus. Hij heeft gedaan “overeenkomstig alles wat uit zijn mond” is gekomen. De Heer Jezus heeft gezegd: “Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God” (Hb 10:99zei Hij daarna: ‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen’. Hij neemt het eerste weg om het tweede te stellen.; Ps 40:7-87U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer,
U hebt Mijn oren doorboord;
brandoffer en zondoffer
hebt U niet geëist.
8Toen zei Ik: Zie, Ik kom,
in de boekrol is over Mij geschreven.
)
. De verplichting die Hij daarin op Zich heeft genomen, is Hij ten volle nagekomen. Voor Hem is er geen weg terug geweest of een ontslagen worden van Zijn gelofte. Wanneer Hij vraagt aan de Vader om de drinkbeker weg te nemen, blijkt Zijn volmaakte toewijding uit de toevoeging “maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt” (Mk 14:3636En Hij zei: Abba, Vader, alles is U mogelijk, neem deze drinkbeker van Mij weg; maar niet wat Ik wil, maar wat U [wilt].).


Gelofte van een vrouw in haar jeugd

3Maar wanneer een vrouw de HEERE een gelofte doet, [en] in haar jeugd, terwijl ze [nog] in het huis van haar vader [woont], een verplichting [op zich] neemt, 4en haar vader van haar gelofte hoort en van haar verplichting, die zij op zich genomen heeft, en haar vader tegen haar zwijgt, dan zijn al haar geloften en elke verplichting die zij op zich genomen heeft, van kracht. 5Maar als haar vader haar [ervan] afhoudt, op de dag dat hij van al haar geloften hoort en van de verplichtingen die zij op zich genomen heeft, dan is het niet van kracht. De HEERE zal het haar vergeven, want haar vader heeft haar [ervan] afgehouden.

In deze verzen gaat het over de gelofte van een jeugdige, ongetrouwde vrouw die nog bij haar vader thuis woont. Als haar vader ervan hoort en zwijgt, stemt hij door zijn zwijgen ermee in en is de gelofte geldig. Als haar vader echter verbiedt dat zij die gelofte nakomt, dus weigert ermee in te stemmen, dan is de gelofte niet geldig. Ze heeft iets beloofd wat ze niet in staat is na te komen.

Dan schittert de genade van de HEERE: De HEERE zal haar te snel uitgesproken woorden vergeven (verzen 8,128Maar als haar man op de dag dat hij [ervan] hoort, haar [ervan] afhoudt, dan verbreekt hij haar gelofte, die op haar rust, en de onbezonnen uitspraak van haar lippen, waarmee zij een verplichting op zich genomen heeft, en de HEERE zal het haar vergeven.12Maar als haar man op de dag dat hij [ervan] hoort, deze nadrukkelijk verbreekt, dan is geen enkele uitspraak van haar lippen, van haar geloften en van de verplichting tegenover haarzelf van kracht; haar man heeft die verbroken en de HEERE zal het haar vergeven.). Ze heeft gemeend God een welgevallen te doen, maar is zich niet bewust geweest van haar onbekwaamheid en haar onderdanige positie. Ze had eerst haar vader moeten raadplegen. Als haar gelofte iets nadeligs voor de familie inhoudt, zal haar vader haar van die belofte kunnen ontslaan. Alles wat zij zou kunnen beloven, behoort aan haar vader.

Haar gehoorzaamheid aan haar vader laat zij zien door af te zien van het houden van haar gelofte. De gehoorzaamheid aan haar vader wordt door de HEERE zo hoog aangeslagen, dat Hij haar vergeeft. Ze heeft vergeving nodig omdat haar goede bedoelingen niet naar de wil van God waren. Zij heeft gemeend God een dienst te bewijzen, terwijl ze niet heeft gedacht aan de kwalijke gevolgen van haar gelofte voor de familie.

In algemene zin geldt voor een vrouw die een gelofte doet, dat de geldigheid ervan afhankelijk is van wat de man onder wie zij staat, ermee doet. God geeft ieder mens een verantwoordelijkheid die in overeenstemming is met de positie die iemand heeft. God verwacht van de man die het hoofd is van de vrouw (1Ko 11:33Maar ik wil dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man [het] hoofd van [de] vrouw, en God [het] Hoofd van Christus.) dat deze zijn verantwoordelijkheid kent.

De verhouding van de vrouw tot de man kan zijn die van een dochter tot haar vader (verzen 3-53Maar wanneer een vrouw de HEERE een gelofte doet, [en] in haar jeugd, terwijl ze [nog] in het huis van haar vader [woont], een verplichting [op zich] neemt,4en haar vader van haar gelofte hoort en van haar verplichting, die zij op zich genomen heeft, en haar vader tegen haar zwijgt, dan zijn al haar geloften en elke verplichting die zij op zich genomen heeft, van kracht.5Maar als haar vader haar [ervan] afhoudt, op de dag dat hij van al haar geloften hoort en van de verplichtingen die zij op zich genomen heeft, dan is het niet van kracht. De HEERE zal het haar vergeven, want haar vader heeft haar [ervan] afgehouden.) en die van een echtgenote tot haar man (verzen 6-86Maar als zij een man heeft, en haar geloften of de onbezonnen uitspraak van haar lippen, waarmee zij een verplichting op zich genomen heeft, op haar rusten,7en haar man hoort [ervan], maar hij zwijgt tegen haar op de dag dat hij [ervan] hoort, dan zijn haar geloften van kracht, en zijn de verplichtingen die zij op zich genomen heeft, van kracht.8Maar als haar man op de dag dat hij [ervan] hoort, haar [ervan] afhoudt, dan verbreekt hij haar gelofte, die op haar rust, en de onbezonnen uitspraak van haar lippen, waarmee zij een verplichting op zich genomen heeft, en de HEERE zal het haar vergeven.; 10-15). In de vrouw zien we een beeld van Israël. De HEERE staat met Israël in verbinding als Vader (“want Ik ben Israël tot een Vader”, Jr 31:99Onder geween zullen zij komen,
onder smeekbeden zal Ik hen leiden.
Ik zal hen doen gaan naar waterbeken,
op een rechte weg, waarop zij niet zullen struikelen,
want Ik ben Israël tot een Vader,
en Efraïm – Mijn eerstgeborene is hij.
) en ook als een Echtgenoot (Jr 31:32b32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.; 2:22Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
)
.

Israël heeft God ook geloften gedaan. Het volk heeft tot driemaal toe uitgesproken: “Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen” (Ex 19:88Toen antwoordde heel het volk gezamenlijk en zei: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer over aan de HEERE.; 24:3,73Mozes kwam [terug] en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk. Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.7Hij nam het boek van het verbond en las [dit] ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en [Hem] gehoorzamen.). En God heeft gezwegen. Hij heeft de belofte nooit tenietgedaan, maar die integendeel bekrachtigd door het volk de wet te geven. Israël is nog steeds verantwoordelijk voor de geloften waarmee het zich aan God heeft verbonden. God heeft in Zijn regering de geloften niet tenietgedaan, opdat het volk zal leren wat er in hun hart is.


Gelofte van een verloofde vrouw

6Maar als zij een man heeft, en haar geloften of de onbezonnen uitspraak van haar lippen, waarmee zij een verplichting op zich genomen heeft, op haar rusten, 7en haar man hoort [ervan], maar hij zwijgt tegen haar op de dag dat hij [ervan] hoort, dan zijn haar geloften van kracht, en zijn de verplichtingen die zij op zich genomen heeft, van kracht. 8Maar als haar man op de dag dat hij [ervan] hoort, haar [ervan] afhoudt, dan verbreekt hij haar gelofte, die op haar rust, en de onbezonnen uitspraak van haar lippen, waarmee zij een verplichting op zich genomen heeft, en de HEERE zal het haar vergeven.

De verzen 6-8 gaan waarschijnlijk over een verloofde vrouw die een gelofte heeft gedaan wanneer ze nog niet aan een man verbonden is en die gelofte nu meeneemt in het huwelijk. Haar man heeft nu over haar gelofte te beslissen op dezelfde wijze als eerst door de vader is gebeurd. Als hij niet direct beslist dat de gelofte ongeldig is, moet zij die houden. Hij mag er later niet op terugkomen.

Ook deze situatie spreekt van Israël en de verhouding waarin het volk tot de HEERE staat. Israël heeft in de bruidstijd (Jr 2:22Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
)
geloften van trouw voor Gods aangezicht afgelegd.


Gelofte van weduwe of verstoten vrouw

9Wat betreft de gelofte van een weduwe of van een verstoten vrouw: alles waartoe zij zichzelf verplicht heeft, is voor haar van kracht.

Israël wordt ook voorgesteld in de weduwe en in de verstoten vrouw. Het zijn beelden van vrouwen die voor eigen rekening staan, ontdaan van de hulp van hun man. Ook die aspecten zijn herkenbaar in het volk Israël. Maar God zal hen niet in die staat laten. Hij zal Zich over Zijn volk ontfermen, omdat Zijn geloften onberouwelijk zijn (Rm 11:2929Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.). De Heer Jezus is voor eeuwig Slaaf geworden en gekomen om de wil van God te doen. Hij heeft aan de geloften voldaan. Hij heeft volbracht wat het volk niet kon volbrengen.


De gelofte van een getrouwde vrouw

10Maar als zij in het huis van haar man een gelofte aflegt, of met een eed een verplichting op zich neemt, 11en haar man [ervan] hoort, maar tegen haar zwijgt [en] haar [er] niet [van] afhoudt, dan zijn al haar geloften van kracht en is elke verplichting die zij op zich genomen heeft, van kracht. 12Maar als haar man op de dag dat hij [ervan] hoort, deze nadrukkelijk verbreekt, dan is geen enkele uitspraak van haar lippen, van haar geloften en van de verplichting tegenover haarzelf van kracht; haar man heeft die verbroken en de HEERE zal het haar vergeven. 13Elke gelofte en elke verplichting onder ede om zichzelf te verootmoedigen, kan haar man bekrachtigen of kan haar man verbreken. 14Maar als haar man dag na dag nadrukkelijk tegen haar zwijgt, bekrachtigt hij al haar geloften of al de verplichtingen die op haar rusten; hij bekrachtigt ze, omdat hij op de dag dat hij [ervan] hoorde, tegen haar gezwegen heeft. 15Maar als hij, nadat hij [ervan] gehoord heeft, ze [pas later] nadrukkelijk verbreekt, dan laadt hij haar ongerechtigheid op zich.

Het ongeldig maken van de gelofte kan alleen gebeuren als die inlossing ervan wordt overgenomen door de man. Dat is wat de Heer Jezus heeft gedaan. Hij heeft de ongerechtigheid van Zijn volk, dat wil zeggen het gelovig overblijfsel, gedragen om Zijn volk van hun gelofte te ontheffen: De schuldbrief die tegen ons [getuigde] door zijn inzettingen [en] die onze tegenstander was, heeft Hij uitgewist en die uit de weg geruimd door deze aan het kruis te nagelen” (Ko 2:1414de schuldbrief die tegen ons [getuigde] door zijn inzettingen [en] die onze tegenstander was, heeft Hij uitgewist en die uit de weg geruimd door deze aan het kruis te nagelen.).

Wij, nieuwtestamentische gelovigen, zijn nu Gods volk dat de geestelijke zegeningen van het hemelse land in bezit mag nemen. Maar dan verwacht God ook van ons dat wij ons aan Hem zullen toewijden. Geloften zijn daarbij niet aan de orde. Wij zijn kinderen van God en als gemeente zijn wij de bruid van de Heer Jezus. Wij kunnen ons overtuigen van wat de wil van de Vader is door Gods Woord en de Geest Die in ons woont. Wij leven niet volgens geloften, maar in het kennen van Gods wil.

Voor ons geldt het woord van de Heer Jezus: U hebt eveneens gehoord dat tot de ouden gezegd is: U zult geen valse eed zweren, maar de Heer uw eden houden. Maar Ik zeg u helemaal niet te zweren, niet bij de hemel, want hij is [de] troon van God; niet bij de aarde, want zij is [de] voetbank voor Zijn voeten; niet bij Jeruzalem, want zij is de stad van [de] grote Koning; niet bij uw hoofd zult u zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken. Laat uw woord ja echter ja zijn, [en uw] nee nee; en wat meer is dan dit, is uit de boze” (Mt 5:33-3733U hebt eveneens gehoord dat tot de ouden gezegd is: U zult geen valse eed zweren, maar de Heer uw eden houden.34Maar Ik zeg u helemaal niet te zweren, niet bij de hemel, want hij is [de] troon van God;35niet bij de aarde, want zij is [de] voetbank voor Zijn voeten; niet bij Jeruzalem, want zij is [de] stad van de grote Koning;36niet bij uw hoofd zult u zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken.37Laat uw woord ja echter ja zijn, [en uw] nee nee; en wat meer is dan dit, is uit de boze.).


Samenvatting

16Dit zijn de verordeningen die de HEERE Mozes geboden heeft met betrekking tot een man en zijn vrouw, met betrekking tot een vader en zijn dochter in haar jeugd, terwijl ze [nog] in het huis van haar vader [woont].

Dit slotvers is een bekrachtiging van het voorgaande gedeelte. Het geheel van wat in dit gedeelte over geloften wordt gezegd, wordt geopend (vers 11Mozes sprak tot de hoofden van de stammen van de Israëlieten: Dit is de zaak die de HEERE geboden heeft:) en afgesloten met een nadrukkelijke mededeling dat het een gebod van de HEERE is.


Lees verder