Numeri
Inleiding 1-4 De nakomelingen van Aäron 5-10 De Levieten zijn een geschenk 11-13 In plaats van de eerstgeborenen 14-20 Opdracht om de Levieten te tellen 21-26 De Gersonieten en hun taak 27-32 De Kahathieten en hun taak 33-37 De Merarieten en hun taak 38 Kamp van Mozes en Aäron en zijn zonen 39-51 Verschil in aantal
Inleiding

In dit hoofdstuk zien we dat de Levieten naar de gedachten van God worden afgezonderd voor de dienst. Ze zijn een type van de gemeente, of liever van de leden van de gemeente, in hun dienst voor God, zoals de priesters een beeld van de nieuwtestamentische gelovigen zijn die tot de troon van God naderen voor aanbidding of in voorbede ten behoeve van anderen.

Er zijn drie beginselen die voor ons bij de dienst voor de Heer van belang zijn:
1. We zijn verlost uit Egypte, een beeld van de wereld (Ex 12; Gl 1:44Die Zichzelf heeft gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader,).
2. Als gevolg daarvan behoren we God toe (1Ko 6:2020Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam!).
3. We zijn aan Christus gegeven voor de dienst van de hemelse tabernakel (vgl. Nm 3:66Laat de stam Levi naderbij komen en plaats hem vóór de priester Aäron om hem te dienen.).

De Levieten zijn als enige stam uitverkoren om de heilige dingen van de tabernakel te dragen en daarin te dienen. Voor de gemeente wil dat zeggen dat ieder lid, iedere gelovige, verantwoordelijk is zijn bijdrage aan het gemeente-zijn te leveren. Van alles wat God ons in de gemeente heeft geschonken, heeft Hij ons de verantwoordelijkheid gegeven dat allemaal door de woestijn heen te dragen en ongeschonden naar het einde te brengen.

Ieder kind van God is een Leviet, maar de vraag is wel wie die dienst ook werkelijk uitoefent. Iedere Leviet heeft zijn eigen taak. God heeft ons allemaal een genadegave gegeven, maar gebruiken we die ook? Dat is anders dan bij de priesters. Alle zonen van Aäron zijn priesters, daarin is geen onderscheid. Zo komen we op zondagmorgen samen. Alle broeders en zusters verrichten priesterdienst. In het naderen tot God verdwijnt alle onderscheid, want wie en wat zijn wij in Zijn tegenwoordigheid? Als Levieten is er wel onderscheid. Dit onderscheid is door God Zelf aangebracht (1Ko 12:55en er is verscheidenheid van bedieningen, en het is dezelfde Heer;). Ieder heeft een eigen taak, die anders is dan de taak van de ander.


De nakomelingen van Aäron

1Dit nu zijn de afstammelingen van Aäron en Mozes op de dag dat de HEERE met Mozes sprak op de berg Sinaï. 2Dit nu zijn de namen van de zonen van Aäron: Nadab, de eerstgeborene; verder Abihu, Eleazar en Ithamar. 3Dit zijn de namen van de zonen van Aäron, de gezalfde priesters, die gewijd zijn om als priester te dienen. 4Nadab en Abihu waren voor het aangezicht van de HEERE gestorven, toen zij in de woestijn Sinaï vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE gebracht hadden. En zij hadden geen zonen, zodat Eleazar en Ithamar als priester dienden tijdens [het leven] van hun vader Aäron.

Mozes en Aäron worden samen als de geestelijke vaders van het geslacht van Levi aangeduid, zowel priesters als Levieten. In Mozes komt het aspect van het gezag van het Woord van God naar voren. In Aäron zien we meer het medegevoel met onze zwakheden. Samen zijn zij een beeld van de Heer Jezus in Wie beide aspecten volmaakt verenigd zijn (Hb 3:11Daarom, heilige broeders, deelgenoten van [de] hemelse roeping, beschouwt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Jezus,; 4:12-1612Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.13En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.14Daar wij nu een grote Hogepriester hebben, Die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij de belijdenis vasthouden.15Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.16Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.).

Nadab en Abihu hebben geen rekening gehouden met het gezag van het woord dat God gesproken heeft en zijn het heiligdom binnengegaan in de mening op hun eigen manier tot God te kunnen naderen (Lv 10:1-31De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.3En Mozes zei tegen Aäron: Dit is wat de HEERE gesproken heeft: In hen die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor [de ogen van] heel het volk zal Ik geëerd worden. Maar Aäron zweeg.). Dat is een eigen verzonnen priesterdienst. Een dergelijk priesterschap sterft uit, het houdt voor God geen stand omdat God het niet in stand houdt, er is niets van Hem in aanwezig. Zij hebben geen zonen, geen nageslacht dat hen opvolgt. Hun dood, zo spoedig al na de instelling van het priesterschap, moet een afschrikwekkend voorbeeld zijn en oproepen tot heiligheid bij het uitoefenen van het priesterambt.

Het noemen van hun namen en hun einde maakt duidelijk dat het priesterschap niet verbonden is aan de voornaamheid van de familie, maar aan de soevereine keus van God. Het laat ook zien dat het krijgen van een voorrecht niet automatisch trouw inhoudt, maar dat de mens in staat is zijn voorrecht te verderven.

De overgebleven zonen dienen als priester tijdens het leven van Aäron. Het is goed als jongeren dienen onder het toeziend oog van ouderen. Het moet ook voor Aäron een vreugde zijn geweest in deze twee jongens waardige opvolgers te zien (vgl. 3Jh 1:44Ik heb geen grotere blijdschap dan deze, dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.).


De Levieten zijn een geschenk

5De HEERE sprak tot Mozes: 6Laat de stam Levi naderbij komen en plaats hem vóór de priester Aäron om hem te dienen. 7Zij moeten zijn taak en de taak van heel de gemeenschap vervullen, vóór de tent van ontmoeting, om de dienst van de tabernakel te verrichten. 8En zij moeten [zorg dragen voor] al de voorwerpen van de tent van ontmoeting, en de taak van de Israëlieten vervullen door de dienst van de tabernakel te verrichten. 9U moet de Levieten aan Aäron en zijn zonen geven. Zij zijn hem volledig gegeven uit de Israëlieten. 10Maar Aäron en zijn zonen moet u opdragen dat zij hun priesterambt waarnemen. En de onbevoegde die te dichtbij komt, moet ter dood gebracht worden.

De Levieten worden als stam aan Aäron en zijn zonen gegeven. Zij zijn onderworpen aan Aäron en handelen op aanwijzing van de priester. De Leviet helpt bij het verrichten van priesterdienst. Elke Levietendienst in de gemeente heeft tot doel dat de leden van de gemeente door die dienst steeds betere priesters worden. Een betere priester is meer tot eer van God.

Ze worden ook gegeven aan de hele vergadering van Israël. Iedere gelovige is als Leviet, als dienaar, alleen verantwoording schuldig aan de Heer (Rm 14:44Wie bent u, dat u andermans huisknecht oordeelt? [Of] hij staat of valt, [gaat] zijn eigen heer [aan]. En hij zal staande gehouden worden, want de Heer is machtig hem staande te houden.). Behalve in geval van tucht, als er zonde in de dienaar openbaar wordt, want dan moet de gemeente zich ermee bezighouden. Maar het uitoefenen van zijn taak is een zaak alleen tussen de Heer en hem. Niet de broeders en zusters bepalen zijn dienst. Als de zaak gezond is, zullen die er wel mee instemmen.

De gaven zijn gegeven aan de gemeente en vinden hun invulling te midden van de gemeente. Daarom heeft de dienaar wel degelijk ook met de gemeente te maken. Hij treedt niet op verheven boven de gemeente of los ervan. De gemeente heeft recht op die gave. Hij is een dienaar en neemt daarom niet een hogere plaats, maar de laagste plaats in. Het is: onderworpen aan de Heer en te midden van de gemeente.

Vers 66Laat de stam Levi naderbij komen en plaats hem vóór de priester Aäron om hem te dienen. en vers 99U moet de Levieten aan Aäron en zijn zonen geven. Zij zijn hem volledig gegeven uit de Israëlieten. vinden hun tegenhanger voor ons in de woorden van de Heer Jezus tot Zijn Vader: “Zij waren de uwen en U hebt ze Mij gegeven” (Jh 17:66Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die U Mij uit de wereld hebt gegeven. Zij waren de Uwen en U hebt ze Mij gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.) en tot de Joden: “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (Jh 6:3737Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.).

De “onbevoegde” is hier iemand die niet tot de familie van Aäron behoort (vers 3838Zij nu die hun kamp vóór de tabernakel, aan de oostkant, moeten opslaan, [dus] vóór de tent van ontmoeting, waar [de zon] opkomt, zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, die de taak ten behoeve van heiligdom vervullen, in naam van de Israëlieten. De onbevoegde die te dichtbij komt, moet ter dood gebracht worden.). In Numeri 1 (Nm 1:5151En wanneer de tabernakel moet opbreken, dienen de Levieten hem uit elkaar te nemen, en wanneer de tabernakel halt moet houden, dienen de Levieten hem [weer] op te bouwen. En de onbevoegde die te dicht bij komt, moet ter dood gebracht worden.) betreft het iemand die geen Leviet is. Nadab en Abihu waren wel bevoegd, maar toch gedood omdat zij op eigenzinnige manier naderden.


In plaats van de eerstgeborenen

11De HEERE sprak tot Mozes: 12En Ik, zie, Ik neem de Levieten uit het midden van de Israëlieten, in plaats van elke eerstgeborene onder de Israëlieten, die de baarmoeder opent. De Levieten zullen Mij toebehoren, 13want alle eerstgeborenen behoren Mij toe. Op de dag dat Ik alle eerstgeborenen in het land Egypte trof, heb Ik alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot het vee, voor Mijzelf geheiligd. Zij behoren Mij toe. Ik ben de HEERE.

De Levieten zijn in de plaats van de eerstgeborenen gekomen. De eerstgeborenen behoren op een speciale manier aan de HEERE. Hij herinnert Mozes eraan dat Hij hen heeft geheiligd voor Zichzelf op grond van het bloed van het Lam (Ex 12-13). In de eerstgeborenen wordt het hele volk van God vertegenwoordigd. Het recht op de eerstgeborenen is dan ook het recht op het hele volk.

De gemeente wordt genoemd “de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen staan opgeschreven” (Hb 12:2323[de] algemene vergadering; en tot [de] gemeente van [de] eerstgeborenen, die in [de] hemelen staan opgeschreven, en tot God, [de] Rechter van allen; en tot [de] geesten van [de] tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen;). Daarmee zijn ze het eigendom van God. Dat geeft God het recht te bepalen dat zij een dienst zullen doen aan de gemeente. Leden van de gemeente zijn Gods speciale eigendom en God heeft het recht ieder lid van de gemeente een taak te geven. God doet Zijn recht gelden al direct bij de geboorte. Iedere gelovige is vanaf zijn wedergeboorte tot een bepaalde taak voorbestemd (Gl 1:1515Maar toen het God, Die mij vanaf [de] schoot van mijn moeder afgezonderd en door Zijn genade geroepen heeft, behaagde; Hd 9:1515De Heer zei echter tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren vat om Mijn Naam te dragen zowel voor volken als koningen en zonen van Israël;; 1Tm 1:1818Dit bevel vertrouw ik je toe, [mijn] kind Timotheüs, overeenkomstig de voorafgegane profetieën over jou, opdat je door deze de goede strijd strijdt,).

De Leviet begint zijn dienst pas uit te oefenen als hij dertig jaar is geworden. De hele periode tot dertig jaar is voorbereiding op die taak. Dit kunnen we toepassen op een dienst in de gemeente. Voordat iemand een openbare dienst in de gemeente gaat verrichten, zal hij door het lezen en bestuderen van Gods Woord ook Gods gedachten over zijn dienst beter leren kennen. Dat betekent niet dat er in die tijd van voorbereiding niets gedaan wordt. Een gelovige kan van de Heer getuigen, zodra hij bekeerd is (Hd 9:2020En terstond predikte hij in de synagogen Jezus, dat Deze de Zoon van God is.). Ook kan hij in de gemeente de Heer danken voor zijn verlossing.

God doet Zijn recht gelden op hen die Hij bevrijdt en alleen door van Hem te zijn kan bevrijding werkelijkheid worden. Door de uitwisseling tussen eerstgeborenen en Levieten zien we de twee fundamentele pilaren waarop de dienst rust:
1. De nieuwe geboorte en de reiniging door het bloed van Christus.
2. De verbinding aan en heiliging voor de Heer.

De keus van God van deze stam laat ons Zijn genade zien. Hun stamvader Levi is gekenmerkt door geweld en wreedheid (Gn 49:55Simeon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
; 34:25-3125Het gebeurde op de derde dag, toen zij pijn leden, dat twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder hun zwaard namen, brutaalweg de stad overvielen en al wie mannelijk was, doodden.26Zij doodden ook Hemor en zijn zoon Sichem met de scherpte van het zwaard, namen Dina uit Sichems huis mee en gingen weg.27De zonen van Jakob kwamen op de gesneuvelden af en plunderden de stad, omdat zij hun zuster onteerd hadden.28Hun kleinvee, hun runderen en hun ezels, en [alles] wat in de stad en wat op het veld was, namen zij mee.29En al hun vermogen [roofden zij], en al hun kleine kinderen en hun vrouwen voerden zij als gevangenen weg. Zij plunderden hen, en al wat in de huizen was[, namen zij mee].30Toen zei Jakob tegen Simeon en tegen Levi: Jullie hebben mij in het ongeluk gestort door mij in een kwade reuk te brengen bij de inwoners van dit land, bij de Kanaänieten en de Ferezieten, terwijl ik [maar met] weinig mensen ben. Als zij gezamenlijk tegen mij [optrekken], zullen zij mij verslaan en zal ik weggevaagd worden, ik en mijn huis.31Maar zij zeiden: Mocht hij dan onze zuster als een hoer behandelen?)
. Maar God verheerlijkt Zichzelf door van eigenwillige en wrede mensen toegewijde gelovigen te maken.


Opdracht om de Levieten te tellen

14De HEERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï: 15Tel de nakomelingen van Levi, [ingedeeld] naar hun families [en] naar hun geslachten; al wie mannelijk is, van één maand oud en daarboven, moet u tellen. 16En Mozes telde hen op bevel van de HEERE, zoals geboden was. 17Dit waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, Kahath en Merari. 18Dit zijn de namen van de zonen van Gerson, [ingedeeld] naar hun geslachten: Libni en Simeï. 19En de zonen van Kahath, [ingedeeld] naar hun geslachten: Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël. 20En de zonen van Merari, [ingedeeld] naar hun geslachten: Maheli en Musi. Dit zijn de geslachten van de Levieten, naar hun families.

Ook de Levieten moeten worden geteld. Evenals de eerstgeborenen (vers 4040De HEERE zei tegen Mozes: Tel alle mannelijke eerstgeborenen onder de Israëlieten, van één maand oud en daarboven; en neem het aantal van hun namen op.) worden ook de Levieten geteld vanaf één maand oud. Iedere Leviet afzonderlijk is belangrijk voor God en de dienst die verricht moet worden. Zijn taak kan niet door een ander worden waargenomen. In de gemeente is dat ook zo. Het is van groot praktisch belang dat ieder kind van God zijn taak kent die de Heer hem heeft gegeven om te doen. Het is ook belangrijk dat hij daarbij blijft en zich ook niet bemoeit met wat de Heer een ander te doen geeft. De Heer is hierin soeverein.

De Levieten nemen allen een verschillende plaats in ten opzichte van de tabernakel. De drie zonen hebben ieder een onderscheiden taak. Toepassing: aan de gemeente heeft de Heer Jezus “sommigen gegeven … als evangelisten, anderen als herders en leraars” (Ef 4:1111En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,). Die gaven of taken kunnen we terugzien in de zonen van Levi. Er zijn gelovigen die op een speciale manier over de Heer Jezus kunnen spreken in wat Hij is voor God; anderen kunnen weer op een speciale manier Hem voorstellen in wat Hij is voor de zondaar. Zo heeft ieder zijn eigen gave gekregen om daarmee te dienen.

Een broeder uit Hong Kong vertelde iets wat hieraan doet denken en het illustreert. Hij heeft drie leiders van huisgemeenten in China gekend die van grote betekenis zijn geweest voor veel huisgemeenten in China. Ze hebben alle drie een bijnaam gekregen die ontleend is aan de tabernakel. Een broeder werd ‘altaar’ genoemd, omdat hij brandde voor het evangelie. De tweede broeder werd ‘wasvat’ genoemd, omdat hij in zijn prediking de nadruk legde op heiligheid en reiniging. De derde broeder werd ‘heiligdom’ genoemd, omdat hij de Schrift zo goed kende.


De Gersonieten en hun taak

21Van Gerson [stamde] het geslacht van de Libnieten en het geslacht van de Simeïeten [af]. Dit zijn de geslachten van de Gersonieten. 22Het aantal van hen die geteld waren, [betrof] al wie mannelijk waren van één maand oud en daarboven. [Het aantal] van hen die geteld waren, was zevenduizend vijfhonderd. 23De geslachten van de Gersonieten moeten hun kamp opslaan achter de tabernakel, aan de westkant. 24De leider nu van de familie van de Gersonieten was Eljasaf, de zoon van Laël. 25En de taak van de nakomelingen van Gerson in de tent van ontmoeting was [de zorg voor] de tabernakel en de tent, de dek[kleden] ervan, het gordijn voor de ingang van de tent van ontmoeting, 26en de kleden van de voorhof en het gordijn voor de ingang van de voorhof, die rondom de tabernakel en het altaar zijn, met de bijbehorende touwen, [ja,] voor heel de dienst ervan.

De Gersonieten krijgen de zorg voor alle kleden en gordijnen. Kleden en gordijnen spreken van onze praktische openbaring in de wereld, wat de mensen van ons zien. Is in ons praktische leven de Heer Jezus zichtbaar?

De Gersonieten moeten hun kamp opslaan aan de westzijde, de kant van de beproeving. Ons hele leven als Gersonieten mag een getuigenis zijn van Wie de Heer Jezus is. Wie de Heer Jezus voor ons is, wordt het best gezien als we ons in moeilijkheden bevinden. Het zijn van een getuige is het verrichten van een dienst als evangelist.


De Kahathieten en hun taak

27Van Kahath [stammen af] het geslacht van de Amramieten, het geslacht van de Jizharieten, het geslacht van de Hebronieten en het geslacht van de Uzziëlieten. Dit zijn de geslachten van de Kahathieten. 28Het aantal van al degenen die mannelijk waren van één maand oud en daarboven, was achtduizend zeshonderd; zij vervulden de taak ten behoeve van het heiligdom. 29De geslachten van de nakomelingen van Kahath moeten hun kamp opslaan terzijde van de tabernakel, aan de zuidkant. 30De leider nu van de familie van de geslachten van de Kahathieten was Elizafan, de zoon van Uzziël. 31En hun taak was [de zorg voor] de ark, de tafel, de kandelaar, de altaren en de voorwerpen van het heiligdom, waarmee ze de dienst verrichtten, en het gordijn, ja, [voor] heel de dienst ervan. 32De leider [die boven] de leiders van Levi [stond] was Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Hij had het opzicht over hen die de taak ten behoeve van het heiligdom vervulden.

De Kahathieten krijgen de zorg voor al de voorwerpen die in het heiligdom staan, zowel in het heilige als in het heilige der heiligen. Zij zijn vertrouwd met de tegenwoordigheid van God. Zij kennen, om zo te zeggen, de positie van Gods volk voor God. In alle voorwerpen waarvoor zij de zorg hebben, wordt de heerlijkheid van God in Christus gezien.

Zij moeten hun kamp opslaan aan de zuidkant. Dat is de kant van de waardigheid, van een gekende positie. Het is de taak van de leraar om alle leden van Gods volk zich daarvan bewust te maken.


De Merarieten en hun taak

33Van Merari [stammen af] het geslacht van de Mahelieten en het geslacht van de Musieten. Dit zijn de geslachten van Merari. 34Het aantal van degenen van hen die geteld waren van al wie mannelijk waren, van één maand oud en daarboven, was zesduizend tweehonderd. 35De leider nu van de familie van de geslachten van Merari was Zuriël, de zoon van Abichaïl; zij moeten hun kamp opslaan terzijde van de tabernakel, aan de noordkant. 36En de opgedragen taak van de nakomelingen van Merari was [de zorg voor] de planken van de tabernakel, met zijn dwarsbalken, zijn pilaren, zijn voetstukken, en al zijn voorwerpen, ja, [voor] heel de dienst ervan. 37Eveneens [voor] de pilaren rond de voorhof, de bijbehorende voetstukken, de bijbehorende pinnen met de bijbehorende touwen.

De Merarieten krijgen de zorg voor de planken en pilaren, voor alles wat de tabernakel overeind en staande moet houden. Zij moeten hun kamp opslaan aan de noordzijde, de kant van koude, van de aanvallen van de boze om Gods werk te verwoesten.

Hun dienst zien we in het werk van de herders, die zich inzetten om de gemeente overeind te houden, zodat ze niet bezwijkt onder de druk van de vijand. Herders zorgen ervoor dat de gelovigen vast aaneengesloten blijven, als de planken van de tabernakel.


Kamp van Mozes en Aäron en zijn zonen

38Zij nu die hun kamp vóór de tabernakel, aan de oostkant, moeten opslaan, [dus] vóór de tent van ontmoeting, waar [de zon] opkomt, zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, die de taak ten behoeve van heiligdom vervullen, in naam van de Israëlieten. De onbevoegde die te dichtbij komt, moet ter dood gebracht worden.

Mozes en Aäron moeten hun kamp opslaan aan de oostzijde, bij de ingang van de tabernakel, de kant van de zonsopgang. Deze meest bevoorrechte personen en familie liggen het dichtst bij de woonplaats van God en bij de toegang tot Hem. Dat onderscheid in nabijheid bestaat in de gemeente niet.

Iedere gelovige is even dicht bij God. Maar er is wel verschil in het genot dat de afzonderlijke leden van de gemeente hebben van de positie die ze op grond van het werk van de Heer Jezus allen zonder onderscheid innemen. Hij die het dichtst bij Christus is, is degene die Hem het best dient en zonder deze nabijheid is het niet mogelijk Hem te dienen.


Verschil in aantal

39Al degenen van de Levieten die geteld waren, die Mozes en Aäron, op bevel van de HEERE, [ingedeeld] naar hun geslachten telden, al wie mannelijk waren van één maand oud en daarboven, waren tweeëntwintigduizend. 40De HEERE zei tegen Mozes: Tel alle mannelijke eerstgeborenen onder de Israëlieten, van één maand oud en daarboven; en neem het aantal van hun namen op. 41En neem voor Mij de Levieten – Ik ben de HEERE – in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en het vee van de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder het vee van de Israëlieten. 42Mozes telde, zoals de HEERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de Israëlieten. 43Het aantal namen van alle mannelijke eerstgeborenen van één maand oud en daarboven, overeenkomstig degenen van hen die geteld waren, was tweeëntwintigduizend tweehonderddrieënzeventig. 44De HEERE sprak tot Mozes: 45Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en het vee van de Levieten in plaats van hun vee; de Levieten zullen Mij toebehoren. Ik ben de HEERE. 46Wat betreft de tweehonderddrieënzeventig eerstgeborenen van de Israëlieten die vrijgekocht moeten worden, die [het getal van] de Levieten te boven gaan, 47moet u per hoofd vijf sikkel innen. U moet [die] innen, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom. Die sikkel is twintig gera [waard]. 48En dat geld moet u aan Aäron en aan zijn zonen geven, [als losgeld] voor degenen die vrijgekocht moeten worden van hen die [het getal van de Levieten] te boven gaan. 49Toen inde Mozes dat losgeld voor hen die [het getal] te boven gingen, van degenen die door de Levieten vrijgekocht waren. 50Voor de eerstgeborenen van de Israëlieten inde hij dat geld: duizend driehonderdvijfenzestig [sikkel, gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom. 51En Mozes gaf dat losgeld aan Aäron en aan zijn zonen, op bevel van de HEERE, zoals de HEERE Mozes geboden had.

Voor de derde keer krijgt Mozes de opdracht om te tellen. Het doel van deze telling is om te zien of iedere eerstgeborene wel een Leviet als tegenhanger heeft. De vraag is of ieder die in positie een eerstgeborene is, in de praktijk wel een Leviet is. Verricht iedere gelovige wel zijn taak als Leviet?

Uit de telling van beiden blijkt dat er helaas minder Levieten dan eerstgeborenen zijn. In de praktijk van de gemeente heeft niet iedere gelovige als eerstgeborene een Leviet als tegenhanger. Toch doet God er Zijn recht op gelden. Hij wil dat zo iemand toch als Leviet gaat dienen. Losgeld is nodig om van een eerstgeborene ook een Leviet te worden. God bepaalt de hoogte van het losgeld. Het losgeld bedraagt tien keer zoveel als het losgeld dat door een getelde van het volk moet worden betaald (Ex 30:1313Dit moeten allen die bij de getelden gaan behoren, geven: een halve sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom (de sikkel is twintig gera [waard]), een halve sikkel als een hefoffer voor de HEERE.).

Het bewustzijn dat ik voor een prijs ben gekocht door het bloed van de Heer Jezus, zal mij ertoe brengen mijn taak als Leviet te volbrengen. Het is mijn verantwoordelijkheid, waarvan het getal vijf spreekt.

Het noemen van het vee in vers 4141En neem voor Mij de Levieten – Ik ben de HEERE – in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en het vee van de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder het vee van de Israëlieten. wijst erop dat God Zijn gezag en Zijn rechten doet gelden niet alleen op onszelf, maar ook op alles wat we bezitten.


Lees verder