Numeri
1-5 Israël koppelt zich aan Baäl-Peor 6-15 Pinehas ijvert voor de HEERE 16-18 Midianieten als vijanden behandelen
Israël koppelt zich aan Baäl-Peor

1Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab. 2Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer. 3Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde, ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. 4De HEERE zei tegen Mozes: Neem alle hoofden van het volk en laat hen voor de HEERE in de volle zon ophangen, zodat de brandende toorn van de HEERE van Israël afgekeerd wordt. 5Toen zei Mozes tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben.

In Numeri 23-24 zien we hoe God over Zijn volk denkt: als voorwerpen van Zijn genade en zorg. Numeri 25 is daarmee in groot contrast. Dit grote contrast zien we ook vaak in ons leven. Aan de ene kant mogen we weten dat God ons in Christus aanziet. Aan de andere kant laten wij het vlees nogal eens werken in ons dagelijks leven.

Het is Bileam in de vorige hoofdstukken niet gelukt God ontrouw aan Zijn volk te laten worden. God is trouw gebleven aan Zijn zicht op het volk. Nu probeert de vijand het aan de kant van het volk. Bileam weet door een list het volk van God af te trekken, het ontrouw te laten worden aan God (Nm 31:1616Zie, zíj waren door de raad van Bileam voor de Israëlieten de aanleiding tot trouwbreuk tegen de HEERE, in het geval van Peor, waardoor de plaag kwam onder de gemeenschap van de HEERE.). Dat lukt hem bij een volk dat alle ervaringen van de woestijnreis achter de rug heeft. Ze hebben zichzelf leren kennen en ze hebben Gods trouw leren kennen. Hier leren we dat er nooit een tijd in ons leven komt waarvan we kunnen zeggen dat de vijand daarin geen vat meer op ons kan krijgen.

Het volk “verbleef” in Sittim, terwijl het eerder in de vlakten van Moab hun kamp heeft opgeslagen (Nm 22:11Daarna braken de Israëlieten op en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan deze zijde van de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho.). ‘Het kamp opslaan’ gebeurt met het oog op het dadelijk weer verder trekken, terwijl ‘verblijven’ een meer permanent karakter heeft. Zou het kunnen betekenen dat Israël het doel van de reis uit het oog begint te verliezen en dat ze zich gaan inrichten op een meer permanent verblijf in Sittim? In elk geval is het veelzeggend dat het de vijand lukt hen daar met zich te verbinden. Als we uit het oog verliezen dat we pelgrims zijn, op reis naar onze uiteindelijke bestemming, en ons gaan richten op ons verblijf op aarde, staan we open voor verkeerde verbindingen.

Uit Sittim komt ook het hout van de tabernakel. De ark en de tafel zijn van sittim- of acaciahout gemaakt. Het is duurzaam hout. Het spreekt van de Heer Jezus (zie toelichting bij Exodus 25). Maar in Sittim verblijven wil niet zeggen dat er ook automatisch aan de Heer Jezus wordt gedacht. Juist daar worden de Israëlieten een prooi van de vijand. Je kunt op een plaats van voorrechten zijn, maar als je hart er niet bij betrokken is, zul je in de val lopen die de vijand opzet.

Het volk wordt uitgenodigd om te komen eten van de slachtoffers die aan de afgoden worden gebracht. Het lijkt een vriendelijke uitnodiging. Zo kunnen mensen van de wereld ons uitnodigen bij hen te komen eten en dat kan worden overwogen. Het hoeft niet afgewezen te worden (1Ko 10:2727Als iemand van de ongelovigen u uitnodigt en u wilt er heengaan, eet dan alles wat u wordt voorgezet, zonder te onderzoeken om het geweten.). Maar in zulke gevallen kan het ook gaan om vriendelijkheden van de wereld, die meer te vrezen zijn dan zijn vijandschap.

Het blijft in dit geval niet bij eten. Het volk buigt zich ook neer voor de afgoden van de Moabieten. Hoewel ze al een keer een afgod hebben gehad in het gouden kalf (Ex 32:1-61Toen het volk zag dat het lang duurde voor Mozes van de berg afdaalde, kwam het volk bijeen bij Aäron, en zij zeiden tegen hem: Sta op, maak voor ons goden die vóór ons uit gaan, want die Mozes, de man die ons uit het land Egypte geleid heeft – wij weten niet wat er met hem gebeurd is.2En Aäron zei tegen hen: Ruk de gouden ringen die uw vrouwen, uw zonen en uw dochters in hun oren hebben, af, en breng ze bij mij.3Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron.4Hij nam ze van hen aan, hij bewerkte ze met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.5Toen Aäron [dat] zag, bouwde hij er een altaar voor, en Aäron kondigde aan: Morgen is er een feest voor de HEERE!6Zij stonden de volgende dag vroeg op, brachten brandoffers en brachten [ook] dankoffers. Het volk ging daarna zitten om te eten en te drinken; vervolgens stonden zij op om uitbundig feest te vieren.), vinden we hier een nieuw aspect in de ontrouw van het volk tegenover God. Ze hebben gemopperd over eten en drinken en ook over het leiderschap van Mozes. Steeds zijn ze in opstand gekomen tegen God en Mozes en Aäron. Nu gaan ze nog een stap verder. In deze afgoderij zetten ze niet alleen de HEERE aan de kant, maar vervangen ze Hem door een afgod. De hardnekkigheid van dit kwaad zal in de geschiedenis van Israël blijken. Het zal een van de voornaamste aanklachten van God tegen het volk zijn.

De toepassing van deze geschiedenis voor ons staat in Openbaring 2 (Op 2:1414Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u daar hebt die aan de leer van Bileam vasthouden, die Balak leerde de zonen van Israël een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren.). We lezen daar over de leer van Bileam, niet over zijn list. De list die hij hier gebruikt, is tot een leer geworden. De vermenging van het volk van God met de wereld wordt niet afgekeurd, maar aangemoedigd. Daarmee wordt de blik van de Heer afgewend en gericht op de wereld. Hij staat niet meer op de eerste plaats, maar de wereld.

Van de gemeente te Pérgamus staat dat ze “woont, daar waar de troon van de satan is” (Op 2:1313Ik weet waar u woont, daar waar de troon van de satan is; en u houdt vast aan Mijn Naam en het geloof in Mij hebt u niet verloochend, <zelfs niet> in de dagen waarin Antipas Mijn trouwe getuige was, die gedood werd bij u waar de satan woont.). De satan is de overste van de wereld. ‘Wonen’ wil zeggen je er thuis voelen. De gemeente woont in het hart van de wereld, waar de regering wordt uitgeoefend. De leer is dat de christenen niet gescheiden moeten zijn van de wereld. De wereldraad van kerken is daarvan een voorbeeld. De christenen worden opgeroepen zich met de wereld te verbinden en hun invloed te laten gelden om op te gaan naar een betere wereld.

Maar de Heer zegt: “Ik heb enkele dingen tegen u.” Vervolgens spreekt Hij over de leer van Bileam en de uitwerking daarvan op het volk van God. De houding die tegenover deze leer past, is niet een zachtjes tegenstribbelen. De Heer Jezus staat tegenover deze gemeente met “het scherpe, tweesnijdende zwaard” (Op 2:1212En schrijf aan de engel van de gemeente in Pérgamus: Dit zegt Hij Die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft:). Het gebruik van het zwaard zien we in deze geschiedenis bij Pinehas.

De toorn van God ontbrandt tegen Israël, omdat Zijn volk zich aan Baäl-Peor gekoppeld heeft. Het woord ‘koppelen’ heeft de kracht van ‘het samen onder één juk gaan met’. Israël begeeft zich onder één juk met een heidens volk in de aanbidding van de afgoden (2Ko 6:14-1514Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?15En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?). Baäl-Peor, of heer van Peor, is de plaatselijke god die op de berg Peor wordt aangebeden (Nm 23:2828Toen nam Balak Bileam mee [naar] de top van de Peor, die uitzicht heeft over de wildernis.). Er komt een plaag en een oordeel. God tuchtigt wat Zijn Naam draagt, opdat Zijn volk niet van Hem zal vervreemden. Met dat doel heeft de brand van Gods toorn ook de christenheid vele malen getroffen.

De meest verantwoordelijken zijn in deze ontrouw vooropgegaan. Daarom moeten zij geoordeeld worden. De ernst van de zonde vereist een speciale straf: “Laat hen voor de HEERE in de volle zon ophangen.” Zij moeten in het openbaar voor de HEERE worden opgehangen. Het volk moet het zien en vrezen, want het oordeel is uitgevoerd in opdracht van de HEERE. Gods toorn over de zonde moet de mens afschrikken een zonde te begaan. En Gods toorn over de zonde is het bewijs van Zijn gerechtigheid. Zo wil Hij dat het kwaad wordt gestraft.

Het volk is ontrouw op alle punten die God in zegen over Zijn volk heeft vermeld:
1. het is een volk dat alleen woont (Nm 23:99Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
)
, maar hier vermengt het zich met de volken;
2. het is een volk waarin God geen ongerechtigheid ziet (Nm 23:2121Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob;
ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.
De HEERE, zijn God, is met hem,
en de [jubel]klank van de Koning is bij hem.
)
, maar hier begaat het ongerechtigheid;
3. het is een volk waarin Hij schoonheid ziet (Nm 24:55Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!
uw woningen, Israël!
)
, maar hier begaat het hoererij in zijn tenten;
4. het is een volk dat zijn vijanden zal onderwerpen (Nm 24:1919Uit Jakob zal hij heersen;
wie ontkomt uit de stad, zal hij ombrengen.
)
, maar hier onderwerpt het zich aan zijn vijanden.

We vinden hier geen Mozes die voorbede voor het volk doet. Dat zegt wel iets van de ernst van de zonde. Hier past geen voorbede, maar oordeel. De herinnering aan deze zonde wordt met kracht levend gehouden gedurende de hele geschiedenis van Israël (Jz 22:1717Was de ongerechtigheid van Peor, waarvan wij ons tot op deze dag niet gereinigd hebben, voor ons nog niet genoeg, hoewel [daardoor] de plaag in de gemeenschap van de HEERE kwam?; Ps 106:28-3128Ook koppelden zij zich aan Baäl-Peor,
zij aten de offers voor de doden.
29Zij verwekten [de HEERE] tot toorn met hun daden,
zodat er een plaag onder hen uitbrak.
30Toen stond Pinehas op en oefende gericht
en de plaag werd tot stilstand gebracht.
31Het is hem gerekend tot gerechtigheid,
van generatie op generatie, tot in eeuwigheid.
; Hs 9:1010Ik vond Israël als druiven in de woestijn;
als vroege vijgen aan de vijgenboom, zijn eerste opbrengst,
zag Ik uw vaderen.
Zíj gingen [echter] naar Baäl-Peor,
wijdden zich aan die schande.
Zij werden even weerzinwekkend als hun minnaars.
)
.


Pinehas ijvert voor de HEERE

6En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische [vrouw] bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden [bij] de ingang van de tent van ontmoeting. 7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand, 8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht. 9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend. 10Toen sprak de HEERE tot Mozes: 11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb. 12Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede: 13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan. 14De naam nu van de gedode Israëlitische man, die samen met de Midianitische [vrouw] gedood was, was Zimri, de zoon van Salu, een leider van een familie van de Simeonieten. 15En de naam van de gedode Midianitische vrouw was Kozbi, dochter van Zur; hij was stamhoofd van een familie in Midian.

Er is een man, een Israëliet, die het oordeel dat is voltrokken, trotseert. Hij trekt zich niets aan van Gods oordeel en brengt in ongelooflijke overmoed een Midianitische vrouw bij zijn broeders. Hier is niet sprake van zomaar een zonde. Het is een frontale aanval op de ware, hoge en zuivere dienst aan God. Hij geeft met zijn daad God een klap in het gezicht en ook interesseert het hem niets wat hij zijn broeders met zijn daad aandoet. Zijn broeders treuren over de situatie en hij geeft met zijn daad aan dat zij zich aanstellen. Zo tart hij God en veracht hij het huilende volk.

De Israëlieten huilen – is het alleen vanwege de plaag of ook om de begane ontrouw tegenover God? – en kijken toe, terwijl deze grote zonde plaatsvindt. Maar er moet niet alleen gehuild worden, er moet hier ook gehandeld worden. Pinehas begrijpt wat er gebeurt. Voor de oppervlakkige lezer lijkt zijn actie onbarmhartig. Maar in zijn actie toont hij juist ware liefde voor God en voor Zijn volk. Echte liefde “verblijdt zich niet over de ongerechtigheid” (1Ko 13:6a6verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar verblijdt zich met de waarheid;). Niet handelen is zonde. Met een dergelijke onbeschaamde zonde kan slechts op één manier worden gehandeld: zonder pardon doodt hij hen die zonder schaamte zondigen en de plaag veroorzaken.

Als hij het oordeel heeft voltrokken, stopt de plaag. Met het voltrekken van het oordeel bewerkt Pinehas verzoening. Aan de plaag zijn vierentwintigduizend personen gestorven. Dit lijkt in strijd met de drieëntwintigduizend die in 1 Korinthiërs 10 worden genoemd (1Ko 10:88Laten wij ook niet hoereren, zoals sommigen van hen hoereerden, en er vielen er op één dag drieëntwintigduizend.). Maar daar staat “op één dag”. Dat kan betekenen dat er op een andere dag nog duizend personen aan de plaag zijn bezweken. Het kan ook zijn dat in het getal van vierentwintigduizend ook de dood van de oversten van het volk is meegerekend die zijn opgehangen. Het zou dan om zo’n duizend oversten gaan. In elk geval laat het de omvang van de ontrouw zien.

Pinehas is de zoon van Eleazar, de hogepriester, en de kleinzoon van Aäron. Alle drie zijn zij een beeld van de Heer Jezus, de ware Hogepriester. Aäron is gestorven. Hij is een beeld van de Heer Jezus Die verzoening heeft gedaan en Zijn bloed in het heiligdom heeft gedragen. Eleazar is als hogepriester een beeld van de Heer Jezus in wat Hij nu voor ons doet, nadat Hij uit de doden is opgestaan.

Pinehas is ook hogepriester en ook een beeld van de Heer Jezus, maar dan in oordelende kracht. Aan de Heer Jezus is als de Zoon des mensen het oordeel gegeven. Het oordeel van Pinehas over de zonde heeft tot gevolg dat het hele volk gespaard blijft. De Heer Jezus oordeelt de gemeente, opdat de betrekkingen tussen Hem en Zijn volk in stand zullen blijven. Harde maatregelen zijn soms nodig om ons Zijn volk te laten blijven met wie Hij gemeenschap kan hebben.

Vanwege zijn doortastende optreden beloont God Pinehas en zijn nakomelingen met het eeuwige priesterschap (Ri 20:2828En Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond in die dagen voor Zijn aangezicht en zei: Zal ik nog eens ten strijde trekken tegen mijn broeder, de Benjaminieten, of zal ik [ervan] afzien? En de HEERE zei: Trek op, want morgen zal Ik hem in uw hand geven.; 1Kr 6:4-154Eleazar verwekte Pinehas [en] Pinehas verwekte Abisua.5Abisua verwekte Bukki en Bukki verwekte Uzzi.6Uzzi verwekte Zerahja en Zerahja verwekte Merajoth.7Merajoth verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub.8Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Ahimaäz.9Ahimaäz verwekte Azarja en Azarja verwekte Johanan.10Johanan verwekte Azarja. Hij is het die als priester diende in het huis dat Salomo in Jeruzalem gebouwd had.11Azarja verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub.12Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Sallum.13Sallum verwekte Hilkia en Hilkia verwekte Azarja.14Azarja verwekte Seraja en Seraja verwekte Jozadak.15Jozadak ging mee, toen de HEERE Juda en Jeruzalem door de hand van Nebukadnezar in ballingschap liet voeren.). Bij de opsomming van de poortwachters wordt Pinehas met groot respect herdacht (1Kr 9:19b-2019Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, en zijn broeders uit zijn familie, de Korachieten, gingen over het dienstwerk [als] deurwachters bij de tabernakel, zoals hun vaderen in het kamp van de HEERE wachters bij de ingang geweest waren.20Pinehas, de zoon van Eleazar, was vroeger de verantwoordelijke [leider] van hen; de HEERE was met hem.). Hij heeft zich als een ware poortwachter gedragen en ervoor gezorgd dat het kwaad uit Gods tegenwoordigheid is weggedaan. De geest van Pinehas moet ons allemaal kenmerken. Het is de geest van priesterschap, geoefend in Gods tegenwoordigheid. Het gaat voor ons om de dienst in het heiligdom, vooral wanneer wij als gemeente samenkomen.

De man die het heeft gewaagd een dergelijke zonde te begaan, is de zoon van een familievorst. Dit leert ons dat afkomst of positie geen enkele garantie is om niet in de vreselijkste zonde te vallen. Daarvoor worden we alleen bewaard als we ons vertrouwen niet op onszelf maar op de Heer stellen.


Midianieten als vijanden behandelen

16Verder sprak de HEERE tot Mozes: 17Behandel de Midianieten als vijanden en versla hen. 18Want zij hebben u als vijanden behandeld, met hun listen, die zij listig tegen u beraamden, in het geval van Peor en in het geval van hun zuster Kozbi, de dochter van een leider van de Midianieten, die gedood is op de dag van de plaag, in het geval van Peor.

De houding van Israël tegenover de Midianieten wordt bepaald door de houding van Midian tegenover Israël. De Midianieten hebben zich eerder met Moab verbonden in een poging het volk van God te vervloeken (Nm 22:44Toen zei Moab tegen de oudsten van Midian: Nu zal deze menigte alles wat rondom ons is, afgrazen, zoals een rund het groen van het veld afgraast. Balak, de zoon van Zippor, was in die tijd koning van Moab.). Ze hebben er in deze geschiedenis ook de hand in gehad om Israël te verleiden tot het plegen van ontucht met de dochters van Moab.

Het oordeel over Moab wordt in Numeri 31 voltrokken. Alles wat ons tot zonde kan brengen, moeten wij als een vijand behandelen.


Lees verder