Numeri
1-2 De Geest van God komt over Bileam 3-9 Derde zegenspreuk 10-14 Reactie Balak – antwoord Bileam 15-24 Vierde zegenspreuk 25 Bileam en Balak gaan uit elkaar
De Geest van God komt over Bileam

1Toen Bileam zag dat het in de ogen van de HEERE goed was dat hij Israël zegende, ging hij niet, zoals de andere keren, over op bezweringen, maar richtte hij zijn gezicht naar de woestijn. 2Toen Bileam zijn ogen opsloeg en Israël zag, gelegerd volgens zijn stammen, kwam de Geest van God over hem.

Bileam maakt zich op voor zijn derde spreuk. Voor het eerst lezen we dat de Geest van God over hem komt. We zien iets dergelijks bij de ongelovige Saul gebeuren (1Sm 19:2323Toen ging hij daarheen, naar Najoth bij Rama; en dezelfde Geest van God kwam ook op hem. En al profeterend ging hij [verder], totdat hij in Najoth bij Rama kwam.). In de woestijn ziet hij een volk, niet in wanorde en opstandigheid, maar gelegerd volgens zijn stammen. Hij ziet het volk in de orde die het voor God heeft.


Derde zegenspreuk

3Hij hief zijn spreuk aan en zei:
Bileam, de zoon van Beor, spreekt,
de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,
4hij die de woorden van God hoort, spreekt;
die het visioen van de Almachtige ziet,
terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.
5Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!
uw woningen, Israël!
6Als beekdalen strekken ze zich uit,
als tuinen aan een rivier;
de HEERE plantte [ze] als aloë's,
als ceders aan het water.
7Water stroomt uit zijn emmers,
zijn zaad krijgt veel water;
zijn koning wordt boven Agag verheven
en zijn koningschap verheft zich.
8God heeft hem uit Egypte geleid;
Hij is hem als de hoorns van een wilde os.
Hij zal heidenvolken, zijn tegenstanders, verslinden;
hun beenderen zal hij breken,
en [met] zijn pijlen doorboren.
9Hij kromt zich, hij legt zich neer
als een leeuw, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
Wie u zegent, is gezegend,
wie u vervloekt, is vervloekt!

In zijn derde zegenspreuk spreekt hij over zichzelf op vergelijkbare wijze als later David doet (2Sm 23:1-31En dit zijn de laatste woorden van David.
David, de zoon van Isaï, spreekt;
de man die hoog is opgericht, spreekt,
de gezalfde door de God van Jakob,
en lieflijk in psalmen van Israël.
2De Geest van de HEERE heeft door mij gesproken,
en Zijn woord is op mijn tong.
3De God van Israël heeft gezegd,
de Rots van Israël heeft tot mij gesproken:
[Er komt] een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige,
een Heerser [in] de vreze Gods.
)
. Hij is “de man van wie de ogen geopend zijn”. Hij ziet veel, veel meer dan menig lid van het volk van God. Dat zegt echter niets over zijn persoonlijk geloof. Je kunt veel weten door alles wat je hebt gehoord in de samenkomsten en je kunt er veel over vertellen, maar hoe tragisch als het is op de manier van Bileam, voor wie het geen zaak van zijn hart is.

Is er in de vorige zegenspreuk sprake van wat God niet ziet in Jakob en Israël (Nm 23:2121Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob;
ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.
De HEERE, zijn God, is met hem,
en de [jubel]klank van de Koning is bij hem.
)
, in deze derde zegenspreuk spreekt Bileam erover wat God allemaal wel ziet in Zijn volk. Nu de rechtvaardiging van het volk is uitgesproken, kan het volle getuigenis over Israël worden gegeven en blijft het niet meer tot Gods plannen en gedachten over hen beperkt.

In de verzen 5-65Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!
uw woningen, Israël!
6Als beekdalen strekken ze zich uit,
als tuinen aan een rivier;
de HEERE plantte [ze] als aloë's,
als ceders aan het water.
lezen we hoe God Zich verheugt over hun woningen en dat niet in het land, maar in de woestijn. Hij ziet hen uitbreiden als valleien. Hiermee worden valleien bedoeld waardoor beken stromen die deze valleien van water voorzien. Maar de beeldspraak gaat nog verder. Hun woningen zijn nog lieflijker dan de beekdalen met hun overvloedige gras en hun bloemenweelde: ze zijn als tuinen met heerlijk geurende aloëbomen (Ps 45:9a9Al Uw kleding geurt van mirre en aloë [en] kaneel,
[wanneer U] uit de ivoren paleizen [komt],
waar men U verblijdt.
; Jh 19:39-4039En ook Nicodémus, die eerst ‘s nachts tot Hem was gekomen, kwam met een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond.40Zij namen dan het lichaam van Jezus en bonden het in linnen doeken met de specerijen, zoals de Joden de gewoonte van begraven hebben.)
, door de HEERE Zelf geplant, en als de statige cederbomen (Hl 5:15b15Zijn benen zijn als witmarmeren pilaren,
gegrondvest op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gedaante is als de Libanon,
uitgelezen als de ceders.
)
waarvan het hout een lange levensduur heeft.

Om zoveel verkwikking en schoonheid in Gods volk te zien moeten we op een hoge plaats staan (Nm 23:2828Toen nam Balak Bileam mee [naar] de top van de Peor, die uitzicht heeft over de wildernis.), dat wil zeggen naast God. We moeten ons hart opheffen tot Hem. Dan zullen we Gods gedachten beter begrijpen en deel krijgen aan Zijn gedachten van genade dat Hij de schoonheid van Zijn volk, Zijn gemeente, door alles heen ziet. Door deze visie van God op de gemeente worden we bemoedigd en onuitsprekelijk gelukkig. Ook zien we dan het hele volk van God en niet slechts de paar leden ervan die wij kennen. Daarvoor moet de Heer ons de ogen openen.

Bileam spreekt niet over wat er allemaal in die tenten aan de hand is. In die tenten is wat afgemopperd, maar daarover heeft hij het niet. Het zijn woonplaatsen die iets weerspiegelen van de woonplaats van God. God woont in een tent te midden van Zijn volk. De tenten waarin Zijn volk woont, zijn daarvan een afbeelding. Zo ziet God onze woningen en zo moeten we dat aan de wereld laten zien.

Tent en woning zijn beide een ruimte waarin men verblijft om er te rusten en bescherming te zoeken tegen de hitte. Het is ook de ruimte waar we contact hebben met familieleden. Een ´tent´ legt nadruk op het tijdelijke aspect van het verblijf. We trekken door de wereld, op reis naar onze eeuwige bestemming. Bij ´woning´ is de gedachte meer wat men in dit verblijf doet, waar de bewoner allemaal van kan genieten. Het zijn de tenten van “Jakob”, tenten met mensen vol van zwakheid. Het zijn de woningen van “Israël”, woningen waarin het volk van God woont.

God wil dat Zijn volk als valleien is, als tuinen, waarin Hij rust en genot kan vinden. Zijn wij zo’n vallei en tuin voor Hem? Aloë geeft een heerlijke geur, een ceder spreekt van kracht. Als de Heilige Geest in ons kan werken, zal dit allemaal door God bij ons gevonden worden omdat de vrucht van de Geest dan zichtbaar wordt: “Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing” (Gl 5:2222Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.).

We zullen dan een zegen voor anderen worden, wat wordt uitgebeeld door water dat uit ons naar anderen toe zal vloeien (vers 77Water stroomt uit zijn emmers,
zijn zaad krijgt veel water;
zijn koning wordt boven Agag verheven
en zijn koningschap verheft zich.
; Jh 7:3838Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.)
. ‘Emmers’ veronderstelt arbeid, want er is inspanning nodig om de emmers te vullen. Vanuit wat we zelf hebben ontdekt in het Woord, kunnen we anderen geven tot hun verkwikking. Die verkwikking zal niet alleen het deel zijn van hen die ons omringen, maar ook van onze nakomelingen.

Nog een gevolg is dat de Heer Jezus in ons leven alle gezag in handen zal hebben, Hij zal in ons leven heerschappij hebben. Agag, de koning van de Amalekieten, beeld van het vlees, zal ten onder worden gehouden. Het koninkrijk van God zal, nu nog in verborgenheid, in onze gezinnen, in onze tenten, zichtbaar worden.

Weer wordt teruggedacht aan de oorsprong van Gods volk, aan het uitleiden uit Egypte (verzen 8-98God heeft hem uit Egypte geleid;
Hij is hem als de hoorns van een wilde os.
Hij zal heidenvolken, zijn tegenstanders, verslinden;
hun beenderen zal hij breken,
en [met] zijn pijlen doorboren.
9Hij kromt zich, hij legt zich neer
als een leeuw, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
Wie u zegent, is gezegend,
wie u vervloekt, is vervloekt!
)
. God is vóór Zijn volk, ook daarna, en tegen Zijn vijanden. Hij zal Zijn volk de kracht geven alle vijanden te verslaan. Daarna zal het zich als een leeuw neerleggen en rust vinden. Niemand zal het in die rust durven storen, zodat het weer zou moeten opstaan om te strijden.

Er wordt van leeuwen gezegd dat zij om te gaan slapen geen schuilplaats opzoeken. Zij kunnen overal gaan liggen om te gaan slapen omdat toch niemand ze durft aan te vallen. Zo veilig, gerust en zeker woont het volk in Kanaän tijdens de regering van Salomo; zo zeker en gerust zal het in het vrederijk wonen.

Bileam besluit zijn derde zegenspreuk met een vaststelling die een herhaling is van de belofte van God aan Abraham en zijn nageslacht (Gn 12:33Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.; 27:2929Volken zullen je dienen,
naties zullen zich voor je buigen.
Wees heerser over je broers,
de zonen van je moeder zullen zich voor je buigen.
Vervloekt [moet zijn] wie jou vervloekt,
en gezegend wie jou zegent!
).


Reactie Balak – antwoord Bileam

10Toen ontstak Balak in woede tegen Bileam, en hij sloeg zich in de handen. En Balak zei tegen Bileam: Ik heb u geroepen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt hen deze drie keer juist gezegend! 11Nu dan, maak dat u wegkomt, naar uw [woon]plaats! Ik had gezegd dat ik u met eer zou overladen, maar zie, de HEERE heeft de eer aan u onthouden. 12Toen zei Bileam tegen Balak: Heb ik zelfs niet tot uw boden, die u naar mij toe stuurde, gesproken: 13Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven, ik zal het bevel van de HEERE niet kunnen overtreden door uit eigen hart goed of kwaad te doen; wat de HEERE spreken zal, dat zal ik spreken. 14Nu dan, zie, ik ga [terug] naar mijn volk. Kom, ik zal u raad geven, [en zeggen] wat dit volk in later tijd uw volk zal aandoen.

Balak is wanhopig. In woorden en gebaren vaart hij uit tegen Bileam. Het in de handen slaan is een gebaar van ontzetting, van hevige verontrusting (Jb 27:2323Men zal over hem zijn handen ineenslaan,
en [van afschuw] over hem sissen vanuit zijn [woon]plaats.
)
. Hij ontslaat Bileam, die niets krijgt van wat hij hem heeft beloofd omdat deze zich niet aan de afspraak heeft gehouden. Balak zegt dat het de schuld van de HEERE is dat Bileam geen beloning krijgt. Dat is ook waar, maar Balak bedoelt dit spottend, om aan te geven waar de gehoorzaamheid van Bileam aan de HEERE toe heeft geleid.

Bileam is daarvan niet onder de indruk. Hij houdt de eer aan zichzelf. Hij kan ook niet anders. Hij is tegen wil en dank een instrument in Gods hand. Hij is zozeer onder de indruk van de macht van God, dat al het goud en zilver van Balak hem niet hebben kunnen bewegen tegen God in te gaan. Onder de macht van God gaat hij in tegen zijn hebzuchtige natuur. Helaas gaat dit alles buiten zijn geweten om. Hij verliest de beloning van Balak, maar hij kiest ook niet voor de HEERE.

Als hij voortgaat met het uitspreken van nog een profetie, is dat weer vanwege dezelfde macht die hem tot het uitspreken van de eerdere profetieën heeft gebracht. Hij nodigt Balak uit nog een keer te komen en te luisteren naar een aankondiging van toekomstige gebeurtenissen. Ze gaan onder andere over wat “dit volk”, dat is Israël, “uw volk”, dat is Moab, zal aandoen. Dat betekent dat de vrees die Balak voor “dit volk” koestert (Nm 22:33Daarom was Moab zeer bevreesd voor dit volk, want het was talrijk. Moab verkeerde in angst voor de Israëlieten.), terecht is. Alleen zal die vrees pas bewaarheid worden in de toekomst. Hoe dan ook, omdat het ook over zijn volk gaat, zullen die gebeurtenissen Balak dus moeten interesseren.


Vierde zegenspreuk

15Toen hief hij zijn spreuk aan, en zei:
Bileam, de zoon van Beor, spreekt,
de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,
16hij die de woorden van God hoort, spreekt
en die de kennis van de Allerhoogste weet;
die het visioen van de Almachtige ziet,
terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.
17Ik zal hem zien, maar niet nu;
ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.
Er zal een ster uit Jakob voortkomen,
er zal een scepter uit Israël opkomen;
hij zal de flanken van Moab verbrijzelen
en alle zonen van Seth vernietigen.
18Edom zal bezit zijn
en Seïr zal bezit van zijn vijanden zijn,
maar Israël zal kracht uitoefenen.
19Uit Jakob zal hij heersen;
wie ontkomt uit de stad, zal hij ombrengen.
20Toen [Bileam] Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:
Amalek is de voornaamste van de heidenvolken,
maar zijn einde is dat hij ten onder gaat.
21Toen hij de Kenieten zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:
Uw woongebied staat vast,
uw nest is in de rots vastgezet.
22Toch zal Kaïn weggevaagd worden,
doordat Assur u als gevangenen wegvoert.
23En hij hief zijn spreuk aan, en zei:
Och, wie zal leven, als God dit doet!
24Van de kust van de Kittiërs komen schepen;
zij zullen Assur onderdrukken, ook Heber zullen zij onderdrukken,
maar ook zij zullen ten onder gaan.

De vierde profetie gaat uitsluitend over de toekomst. Door het vier keer herhaalde woord “spreuk” (verzen 15,20,21,2315Toen hief hij zijn spreuk aan, en zei:
Bileam, de zoon van Beor, spreekt,
de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,
20Toen [Bileam] Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:
Amalek is de voornaamste van de heidenvolken,
maar zijn einde is dat hij ten onder gaat.
21Toen hij de Kenieten zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:
Uw woongebied staat vast,
uw nest is in de rots vastgezet.
23En hij hief zijn spreuk aan, en zei:
Och, wie zal leven, als God dit doet!
)
valt deze vierde profetie in vier delen uiteen. De eerste spreuk gaat over Moab en Edom (verzen 17-1917Ik zal hem zien, maar niet nu;
ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.
Er zal een ster uit Jakob voortkomen,
er zal een scepter uit Israël opkomen;
hij zal de flanken van Moab verbrijzelen
en alle zonen van Seth vernietigen.
18Edom zal bezit zijn
en Seïr zal bezit van zijn vijanden zijn,
maar Israël zal kracht uitoefenen.
19Uit Jakob zal hij heersen;
wie ontkomt uit de stad, zal hij ombrengen.
)
, de tweede over de aartsvijand Amalek (vers 2020Toen [Bileam] Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:
Amalek is de voornaamste van de heidenvolken,
maar zijn einde is dat hij ten onder gaat.
)
, de derde over de Kenieten (verzen 21-2221Toen hij de Kenieten zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:
Uw woongebied staat vast,
uw nest is in de rots vastgezet.
22Toch zal Kaïn weggevaagd worden,
doordat Assur u als gevangenen wegvoert.
)
en de vierde over de ondergang van de grote wereldmachten (verzen 23-2423En hij hief zijn spreuk aan, en zei:
Och, wie zal leven, als God dit doet!
24Van de kust van de Kittiërs komen schepen;
zij zullen Assur onderdrukken, ook Heber zullen zij onderdrukken,
maar ook zij zullen ten onder gaan.
)
.

Bileam spreekt over zichzelf als de man die de woorden Gods hoort, die de wetenschap van de Allerhoogste kent en die het visioen van de Almachtige ziet. Hij heeft veel van God gehoord en gezien. Dat is ook te zien in de verschillende namen waarmee hij God noemt. Het heeft hem helaas geen stap dichter bij die God, de God van Israël, gebracht. De oorzaak is dat al zijn kennis over God geen uitwerking op zijn geweten heeft gehad.

Hier gebruikt Bileam een nieuwe naam van God: de Allerhoogste. Dat is de naam van God in het duizendjarig rijk (vgl. Gn 14:18-2018En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
20En geloofd zij God, de Allerhoogste,
Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand!
En [Abram] gaf hem van alles een tiende deel.
)
. Hij is dan boven alle volken verheven, alle vijanden zijn onderworpen en Zijn volk heeft alles gekregen wat Hij heeft beloofd. In Zijn almacht heeft Hij Zijn volk door alle woestijnmoeilijkheden heen gedragen en hen in de zegen van het vrederijk gebracht.

Met het voorgaande is de komst van de Messias verbonden (vers 17b17Ik zal hem zien, maar niet nu;
ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.
Er zal een ster uit Jakob voortkomen,
er zal een scepter uit Israël opkomen;
hij zal de flanken van Moab verbrijzelen
en alle zonen van Seth vernietigen.
)
. Bileam ziet Hem, “maar niet nu”, dat wil zeggen als nog niet aanwezig; hij schouwt Hem, “maar niet van nabij”, dat wil zeggen in de verte, niet de nabije toekomst. In Numeri 23 heeft Bileam ook gezegd dat hij hem ziet en aanschouwt (Nm 23:99Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
)
. Daar bedoelt hij het volk. Hier zegt hij het weer, maar nu bedoelt hij een Persoon.

De ster die hier door Bileam wordt genoemd, zal later de wijzen uit het oosten leiden naar de Messias (Mt 2:1-111Toen nu Jezus was geboren in Bethlehem in Judéa, in [de] dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit [het] oosten kwamen naar Jeruzalem2en zeiden: Waar is de Koning der Joden Die geboren is? Want wij hebben Zijn ster gezien in het oosten en zijn gekomen om Hem te huldigen.3Toen nu koning Herodes dit hoorde, werd hij ontsteld en heel Jeruzalem met hem;4en hij liet alle overpriesters en schriftgeleerden van het volk bijeenkomen en deed bij hen navraag waar de Christus geboren zou worden.5En zij zeiden tot hem: In Bethlehem in Judéa; want zo is er geschreven door de profeet:6‘En u, Bethlehem, land van Juda, bent zeker niet [de] geringste onder de vorsten van Juda; want uit u zal een Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël zal hoeden’.7Toen riep Herodes in het geheim de wijzen en onderzocht bij hen nauwkeurig de tijd van het verschijnen van de ster;8en hij zond hen naar Bethlehem en zei: Gaat heen en vraagt nauwkeurig naar het Kind; en als u Het vindt, bericht het mij, opdat ik ook kom om Het te huldigen.9Zij nu hoorden de koning aan en gingen weg; en zie, de ster die zij in het oosten hadden gezien, ging voor hen uit, totdat zij kwam en boven de plaats bleef staan waar het Kind was.10Toen zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.11En toen zij het huis waren binnengegaan, zagen zij het Kind met Maria, Zijn moeder, en zij vielen neer en huldigden Het; en zij openden hun schatten en boden Het geschenken aan: goud, wierook en mirre.). Er staat hier dat het gaat om een ster die uit Jakob voortkomt, niet om een ster die tot Jakob komt vanuit de hemel. Dat ziet erop dat de Messias uit dat volk voortkomt. Zo komt ook de Verlosser uit Sion, niet tot Sion (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.). De scepter rijst op uit Israël (Gn 49:1010De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
)
. Voor ons, de gemeente, is Hij de “blinkende Morgenster” (Op 22:1616Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster.), Die opgaat in onze harten (2Pt 1:1919En [zo] hebben wij het profetische woord des te vaster, en u doet er goed aan daarop acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat [de] dag aanbreekt en [de] morgenster opgaat in uw harten.; Op 2:2828en Ik zal hem de morgenster geven.).

Wat straks voor Israël werkelijkheid zal zijn – dat met de komst van de Messias de dag zal aanbreken (2Sm 23:3-43De God van Israël heeft gezegd,
de Rots van Israël heeft tot mij gesproken:
[Er komt] een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige,
een Heerser [in] de vreze Gods.
4Hij is als het licht van de morgen,
[wanneer] de zon opgaat,
een morgen zonder wolken;
[als] de glans na de regen,
[die] groen [laat opkomen] uit de aarde.
)
–, is nu al waar voor ons. Wij zijn “zonen van de dag” (1Th 5:55want u bent allen zonen van [het] licht en zonen van [de] dag. Wij zijn niet van [de] nacht of van [de] duisternis.). Wij hebben al deel aan de zegeningen die straks het deel van de hele schepping zullen zijn. Christus regeert al in ons leven, straks zal Hij het over de hele schepping doen.

De “flanken van Moab” wil zeggen de grenzen van Moab. Moab en Edom zullen de kracht van Israël, die zij ontlenen aan hun Messias, niet kunnen weerstaan. Het zwakke Jakob zal worden tot het machtige Israël. Alle vijanden zullen de rekening van hun houding ten opzichte van Israël gepresenteerd krijgen.

“Amalek” is de ergste, de voornaamste vijand. Die vijand is een beeld van de kracht van het vlees. Maar hij zal ten onder gaan. “Kaïn” stelt de mens voor die zijn vaste verblijf in de wereld heeft en steden bouwt om het leven er zo aangenaam en veilig mogelijk te maken. “Assur” wordt gebruikt om Kaïn weg te voeren. Maar Assur zal op zijn beurt onderworpen worden door de “Kittiërs”. Sommige uitleggers gaan ervan uit dat met de Kittiërs niet alleen de bewoners van het eiland Cyprus worden bedoeld, maar alle machten aan de westzijde van de Middellandse Zee, inclusief Rome (Jr 2:1010Voorzeker, steek over naar de eilanden van de Kittiërs, en zie,
stuur [boden naar] Kedar en let aandachtig op,
en kijk of iets dergelijks gebeurd is.
; Dn 11:3030Er zullen schepen van de Kittiërs tegen hem komen en hij zal terugschrikken. Hij zal terugkeren en toornen tegen het heilig verbond en hij zal [zijn eigen wil] ten uitvoer brengen. Hij zal, terwijl hij terugkeert, zijn aandacht richten op hen die het heilig verbond verlaten.)
.

Even zeker als de zegen is voor Israël, is ook het oordeel voor de vijanden (vers 2323En hij hief zijn spreuk aan, en zei:
Och, wie zal leven, als God dit doet!
)
. Niemand is in staat de zegen te keren, niemand is in staat het oordeel te keren of eraan te ontkomen. Leven is alleen mogelijk in verbinding met God. Voor wie buiten Hem staat, geldt: “Och, wie zal leven?” Met deze woorden begint Bileam in vers 2323En hij hief zijn spreuk aan, en zei:
Och, wie zal leven, als God dit doet!
zijn laatste spreuk, alsof hij door de voorgaande spreuken heeft begrepen dat wat God zegt, gaat gebeuren.


Bileam en Balak gaan uit elkaar

25Toen stond Bileam op, ging op weg en keerde terug naar zijn [woon]plaats. Ook Balak ging zijns weegs.

Met de schildering van de onderwerping van alle vijanden van Israël en de zegen van Israël onder de heerschappij van de Messias zijn de zegenspreuken van Bileam tot een einde gekomen. Balak heeft geen perspectief meer. Hij heeft zijn einde gezien. Er is niets meer aan te veranderen of toe te voegen. Bileam en Balak hebben elkaar niets meer te vertellen en gaan uit elkaar. Arme mensen! Even zijn ze onder de invloed van Gods Woord geweest. Het heeft hun geweten echter niet geraakt. Zij gaan ieder hun weg, een weg die in volslagen duisternis zal eindigen. Raakt wat God zegt ons geweten wel?


Lees verder