Numeri
1-6 Voorbereidingen op de vervloeking 7-10 Eerste zegenspreuk 11-12 Reactie Balak – antwoord Bileam 13-17 Voorbereiding tweede poging 18-24 Tweede zegenspreuk 25-26 Reactie Balak – antwoord Bileam 27-30 Voorbereidingen derde poging
Voorbereidingen op de vervloeking

1Bileam zei tegen Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren en bereid hier voor mij zeven jonge stieren en zeven rammen. 2Balak deed zoals Bileam gesproken had, en Balak en Bileam offerden een jonge stier en een ram, op elk altaar. 3Toen zei Bileam tegen Balak: Ga bij uw brandoffer staan. Ik zal weggaan, misschien zal de HEERE mij tegemoetkomen, en wat Hij mij tonen zal, zal ik u bekendmaken. Toen ging hij [naar] een kale hoogte. 4God ontmoette Bileam en die zei tegen Hem: Zeven altaren heb ik opgesteld en ik heb op elk altaar een jonge stier en een ram geofferd. 5Toen legde de HEERE het woord in de mond van Bileam, en zei: Keer terug naar Balak, en aldus moet u spreken. 6En hij keerde naar hem terug en zie, hij stond bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten van Moab.

Als uitgangspunt voor de vervloeking worden brandoffers gebracht. Misschien heeft Balak van de offers gehoord die Israël brengt aan hun God. Hij wil dat imiteren en daarmee God gunstig stemmen ten aanzien van zijn wens Gods volk te vervloeken. Hij is volkomen blind voor wat het brandoffer voorstelt. Het herinnert God er als het ware juist aan dat het volk niet in zichzelf voor Hem aangenaam is, maar dat Hij het aanvaardt op grond van de waarde van het brandoffer.

Het brandoffer spreekt van de Heer Jezus in Zijn volkomen overgave tot eer van God. Op grond daarvan ziet God de gelovigen niet aan in hun falen, maar ziet Hij hen aan in de Heer Jezus. Ze zijn “aangenaam gemaakt in de Geliefde” (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,). Zo denkt God aan Zijn volk aan het eind van de woestijnreis. Dat blijkt ook uit de zegen die Hij Bileam laat uitspreken.

Voordat Bileam zijn woorden uitspreekt, wil hij eerst een ontmoeting met de HEERE. Dat wil zeggen dat hij, zoals gewoonlijk, een demon wil ontmoeten om die te raadplegen. Voor hem is de HEERE niet meer dan een van de demonen met wie hij gebruikelijk in verbinding staat om hen te raadplegen (Nm 24:11Toen Bileam zag dat het in de ogen van de HEERE goed was dat hij Israël zegende, ging hij niet, zoals de andere keren, over op bezweringen, maar richtte hij zijn gezicht naar de woestijn.). We lezen dan ook niet dat hij God ontmoet, maar dat God hem ontmoet. Het initiatief gaat weer van God uit (Nm 22:9,209En God kwam tot Bileam en zei: Wie zijn die mannen die bij u zijn?20God kwam 's nachts tot Bileam en zei tegen hem: Kwamen die mannen soms om u te ontbieden? Sta op, ga met hen mee, maar u mag alleen dat doen, wat Ik tot u spreken zal.). Er vindt ook geen discussie plaats. God gaat niet in op wat Bileam over de offers zegt, maar geeft hem een woord in de mond en stuurt hem terug naar Balak.


Eerste zegenspreuk

7Toen hief hij zijn spreuk aan en zei:
Uit Syrië heeft Balak, de koning van Moab, mij laten halen,
vanuit het bergland van het oosten:
Kom, vervloek mij Jakob,
kom, verwens Israël!
8Hoe kan ik vervloeken
wie God niet vervloekt,
hoe kan ik verwensen
wie de HEERE niet verwenst?
9Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
10Wie heeft het stof van Jakob geteld,
en het aantal, het vierde deel van Israël?
Moge mijn ziel de dood van de oprechten sterven
en mijn einde zijn als dat van hem.

Bileam spreekt vier, of beter zeven, zegenspreuken uit, want de vierde zegenspreuk bevat vier spreuken. In elk van de vier is sprake zowel van Jakob als van Israël. Elke profetie heeft weer een andere inhoud. Elke keer wordt iets meer naar voren gebracht van wat God in Zijn hart heeft als zegen voor Zijn volk. In elke spreuk wordt ook op een bepaalde naam van God de nadruk gelegd: God en de HEERE (Nm 23:88Hoe kan ik vervloeken
wie God niet vervloekt,
hoe kan ik verwensen
wie de HEERE niet verwenst?
)
; God en de HEERE, zijn God (Nm 23:2121Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob;
ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.
De HEERE, zijn God, is met hem,
en de [jubel]klank van de Koning is bij hem.
)
, God, de Almachtige (Nm 24:44hij die de woorden van God hoort, spreekt;
die het visioen van de Almachtige ziet,
terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.
)
, God, de Allerhoogste en de Almachtige (Nm 24:1616hij die de woorden van God hoort, spreekt
en die de kennis van de Allerhoogste weet;
die het visioen van de Almachtige ziet,
terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.
)
.

De zegenspreuken die Bileam gaat uitspreken, zijn de eerste grote profetische uitingen in de Bijbel. De profetieën worden uitgesproken door een valse profeet, maar die gedwongen wordt waarachtige profetie te verkondigen. Bileam spreekt niet tot het volk. Mozes heeft het niet gehoord. Toch schrijft hij alles op wat Bileam heeft uitgesproken omdat hij daartoe door de Geest is geïnspireerd. God kan een mens dingen laten opschrijven die waarheid zijn, zonder dat deze mens er zelf bij is geweest. Zo is het bijvoorbeeld ook gegaan met het verslag van de schepping in Genesis 1 en 2.

Het volk weet niets van alles wat Bileam aan schitterende dingen over hen vermeldt. Misschien zit het op ditzelfde moment wel te mopperen in hun tenten. De praktijk van dit volk staat in elk geval in schril contrast met wat we achtereenvolgens in de vier profetieën zien dat Israël voor God:
1. een afgezonderd volk is (Nm 23:99Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
)
,
2. een gerechtvaardigd volk (Nm 23:2121Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob;
ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.
De HEERE, zijn God, is met hem,
en de [jubel]klank van de Koning is bij hem.
)
,
3. een volk vol schoonheid en frisheid (Nm 24:5-75Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!
uw woningen, Israël!
6Als beekdalen strekken ze zich uit,
als tuinen aan een rivier;
de HEERE plantte [ze] als aloë's,
als ceders aan het water.
7Water stroomt uit zijn emmers,
zijn zaad krijgt veel water;
zijn koning wordt boven Agag verheven
en zijn koningschap verheft zich.
)
en
4. een volk waaraan de komst van Christus in Zijn heerlijkheid in het vooruitzicht wordt gesteld (Nm 24:1717Ik zal hem zien, maar niet nu;
ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.
Er zal een ster uit Jakob voortkomen,
er zal een scepter uit Israël opkomen;
hij zal de flanken van Moab verbrijzelen
en alle zonen van Seth vernietigen.
)
.

Het gaat in deze zegenspreuken in de eerste plaats om Gods aardse volk, Israël. Maar ze zijn ook leerzaam voor de gemeente van God. Net als Israël stelt de Schrift ons de gemeente van God op twee manieren voor. Enerzijds zien we de gemeente in haar ‘woestijnleven’ en anderzijds als het voorwerp van de raadsbesluiten van God. We zien in de gemeente gemopper en ongeloof, afwijking en falen. Maar als we de gemeente van bovenaf zien, vanuit Gods gezichtshoek, zien we de kostbaarheid ervan voor Hem. Daarom staat Bileam steeds op een hoge plaats (Nm 23:9,14,289Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
14Hij nam hem mee [naar] de vlakte van Zofim, naar de top van de Pisga. En hij bouwde zeven altaren, en hij offerde op elk altaar een jonge stier en een ram.28Toen nam Balak Bileam mee [naar] de top van de Peor, die uitzicht heeft over de wildernis.
).

In de eerste spreuk komt tot uiting wat Bileam opmerkt als hij vanaf de top van de rotsen naar dat volk kijkt. Als hij tussen de tenten door zou lopen, zou hij heel wat anders gezien en gehoord hebben. Hij begint ermee te vermelden waar hij vandaan komt, wie hem heeft laten komen en wat zijn opdracht is. Hem is verteld dat hij moet komen om Jakob te vervloeken en Israël te verwensen. En hij is gekomen.

Onder de macht van God komt er echter geen vloek uit zijn mond, maar zegen. Eerst verantwoordt hij zich dat hij niet kan vervloeken wie God niet vervloekt en niet kan verwensen wie de HEERE niet verwenst. Daardoor verbindt hij de naam “God” aan Jakob en de naam “HEERE” aan Israël. De almachtige God staat aan de kant van de zwakke, struikelende, eigenwillige Jakob. God noemt Zichzelf de God van Jakob. Nooit zal Hij Zich van Jakob losmaken. HEERE is de naam die herinnert aan het verbond tussen Hem en Zijn volk. Nooit zal Hij de beloften opgeven die in het verbond besloten liggen en waarvan Israël, het volk van Gods raad, het middelpunt is.

Het eerste kenmerk van het volk is dat het een volk is dat afgezonderd tussen alle volken woont. Dat geldt ook voor de christenen. Zij zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld (Jh 17:1616Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben.). God heeft een volk genomen uit de volken voor Zichzelf, voor Zijn Naam (Hd 15:1414Simeon heeft verhaald hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit [de] volken een volk aan te nemen voor Zijn Naam.). Afzondering is niet negatief, het gaat er niet om slechts afgezonderd van iets te zijn, maar afzondering is positief, afgezonderd met een doel, namelijk om er te zijn voor God.

Dat God Zijn volk, Israël vroeger, de gemeente nu, niet tot de volken rekent, is Zijn kant. In de praktijk is de gemeente niet afgezonderd gebleven. Toch doet dat niets af van de waarheid dat God Zijn volk niet bij de volken rekent. Zo kan ook de gelovige ontrouw zijn en zich met de wereld verbinden, iets wat uitdrukkelijk tegen de wil van God is (2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?). Maar het nieuwe leven van de gelovige heeft geen enkel deel aan de wereld.

Terwijl Balak zijn best heeft gedaan om het volk van God zo gering mogelijk onder de aandacht van Bileam te brengen (Nm 22:4141De [volgende] morgen gebeurde het dat Balak Bileam meenam en hem op de Baälshoogten liet klimmen, zodat hij vandaar het uiterste [deel] van het volk kon zien.), spreekt deze over een volk dat net zomin als het stof van de aarde te tellen is (vers 1010Wie heeft het stof van Jakob geteld,
en het aantal, het vierde deel van Israël?
Moge mijn ziel de dood van de oprechten sterven
en mijn einde zijn als dat van hem.
; Gn 13:1616En Ik zal uw nageslacht maken als het stof van de aarde; als iemand het stof van de aarde zou kunnen tellen, dan zou ook uw nageslacht geteld kunnen worden.; 28:1414Uw nageslacht zal [talrijk] zijn als het stof van de aarde en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden. In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.)
. Bileam ziet er maar een gedeelte van, “het vierde deel”, waarmee een van de vier vaandels waarin het volk verdeeld is (Nm 2), bedoeld kan zijn. Toch spreekt hij ervan dat dit vierde deel niet te berekenen is. Hoe groot moet dan het hele volk wel zijn!

Als hij dat volk ziet, denkt hij aan de toekomst ervan. Hij ziet als het ware het einde, het einddoel ervan. Dan denkt hij aan zijn eigen einde. Hij wil wel de dood van een rechtvaardige sterven, maar tegelijk als een goddeloze leven. Hij zal de dood van de goddeloze sterven omdat hij niet als een rechtvaardige heeft willen leven en niet heeft willen horen bij een volk dat God voor Zichzelf heeft afgezonderd.


Reactie Balak – antwoord Bileam

11Toen zei Balak tegen Bileam: Wat doet u mij [nu] aan? Ik heb u [hierheen] laten halen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt [hen] juist gezegend! 12Hij antwoordde en zei: Zou ik dat wat de HEERE mij in de mond legt, niet nauwlettend uitspreken?

In zijn reactie zegt Balak niet: ‘Wat heb je nou gedaan?’, maar: “Wat doet u mij [nu] aan?” Hij voelt zich persoonlijk verraden. Bileam heeft zijn persoonlijke vijanden gezegend in plaats van vervloekt. Balak spreekt over het volk van God als “mijn vijanden”. Bileam antwoordt dat hij onder de macht van een hoger Iemand staat.


Voorbereiding tweede poging

13Toen zei Balak tegen hem: Kom toch met mij mee naar een andere plaats, vanwaar u het [volk] kunt zien; slechts de uitlopers ervan kunt u zien, u kunt het niet helemaal zien. Vervloek het mij daarvandaan! 14Hij nam hem mee [naar] de vlakte van Zofim, naar de top van de Pisga. En hij bouwde zeven altaren, en hij offerde op elk altaar een jonge stier en een ram. 15Toen zei hij tegen Balak: Ga hier bij uw brandoffer staan, en ikzelf zal verderop [God] ontmoeten. 16De HEERE ontmoette Bileam en legde hem een woord in zijn mond. En Hij zei: Keer naar Balak terug, en aldus moet u spreken. 17Hij kwam bij hem, en zie, hij stond bij zijn brandoffer, met de vorsten van Moab bij hem. En Balak zei tegen hem: Wat heeft de HEERE gesproken?

Balak wil Bileam meenemen naar een plaats waar hij weer slechts een deel van het volk te zien zal krijgen. Het gaat weer om het uiterste deel ervan (Nm 22:4141De [volgende] morgen gebeurde het dat Balak Bileam meenam en hem op de Baälshoogten liet klimmen, zodat hij vandaar het uiterste [deel] van het volk kon zien.), maar hier blijkbaar in de zin van de mensen die aan de rand wonen. Balak denkt dat God wel tot vervloeking toestemming zal geven als Zijn aandacht op die randfiguren wordt gevestigd die ver van Zijn woonplaats wonen, ver verwijderd van de tabernakel die in het centrum van het volk staat.

Weer worden zeven altaren gebouwd en worden een stier en een ram op elk altaar geslacht. Balak handelt zoals Bileam hem beveelt. Hij spaart kosten noch moeite. Als wij even vurig verlangen naar de zegen van God als Balak de vloek begeert, zullen ook wij kosten noch moeite sparen om God te dienen en te eren.

Bileam gaat weer eerst heen om een demon te ontmoeten. Het is veelzeggend dat hij in vers 1515Toen zei hij tegen Balak: Ga hier bij uw brandoffer staan, en ikzelf zal verderop [God] ontmoeten. geen naam noemt. Uit Numeri 24 blijkt dat hij zijn inspiratie wil opdoen bij boze geesten (Nm 24:11Toen Bileam zag dat het in de ogen van de HEERE goed was dat hij Israël zegende, ging hij niet, zoals de andere keren, over op bezweringen, maar richtte hij zijn gezicht naar de woestijn.). Weer komt de HEERE hem tegen. Weer legt Hij Bileam het woord in de mond dat hij moet spreken.

De vraag van Balak aan Bileam “wat heeft de HEERE gesproken?”, moet ook steeds bij ons aanwezig zijn. Balak hoopt natuurlijk op een vervloeking. Zijn vraag heeft een vals uitgangspunt. Maar wie de Heer werkelijk liefheeft, zal dezelfde vraag stellen omdat hij graag de wil van de Heer wil leren kennen (Jr 23:3535Dit moet u, ieder tegen zijn naaste en ieder tegen zijn broeder zeggen: Wat heeft de HEERE geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken?).


Tweede zegenspreuk

18Toen hief hij zijn spreuk aan en zei:
Sta op, Balak, luister;
hoor mij aan, zoon van Zippor.
19God is geen man, dat Hij liegen zou,
of een mensenkind, dat Hij [ergens] berouw over hebben zou.
Zou Híj [iets] zeggen en [het] dan niet doen?
Zou Híj spreken en het niet gestand doen?
20Zie, ik kreeg [opdracht] om te zegenen:
als Hij zegent, kan ik het niet keren.
21Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob;
ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.
De HEERE, zijn God, is met hem,
en de [jubel]klank van de Koning is bij hem.
22God heeft hen uit Egypte geleid;
Hij is hem als de hoorns van een wilde os.
23Want er bestaat geen bezwering tegen Jakob
of waarzeggerij tegen Israël.
Er wordt in deze tijd over Jakob gezegd,
en over Israël, wat God gedaan heeft.
24Zie, een volk, het staat op als een leeuwin,
als een leeuw richt het zichzelf op;
het gaat niet liggen, voordat het [zijn] prooi opgegeten heeft
en het bloed van [zijn] slachtoffers gedronken heeft.

Balak wil graag weten wat de HEERE gesproken heeft. Daarom richt Bileam het woord nu bijzonder tot hem. Het is een boodschap van God en daarom roept Bileam Balak op om, al is hij een koning, uit eerbied voor God te gaan staan en te horen (vgl. Ri 3:2020En Ehud kwam naar hem toe, terwijl hij in het koele bovenvertrek zat, dat hij voor zich alleen had. Toen zei Ehud: Ik heb een woord van God voor u. En hij stond op van de troon.). Hij roept Balak ook op hem aan te horen, want hij is het middel door wie God gaat spreken.

De tweede zegenspreuk is geen herroeping van de eerste. Het is ook geen herhaling. Het is een bevestiging van de eerste en een uitbreiding ervan. De eerste woorden van deze tweede spreuk rechtvaardigen God, Die niet kan worden vergeleken met een veranderlijk en wispelturig mens. Hij breekt Zijn woord niet. Hij is niet tot andere gedachten te bewegen als het gaat om Zijn voornemen om te zegenen (1Sm 15:2929Ook liegt de Onveranderlijke van Israël niet, en Hij heeft er geen berouw over; want Hij is geen mens, dat Hij ergens berouw over hebben zou.; Rm 11:2929Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.).

Bileam ziet de mensen die het verst bij God vandaan wonen. In die omgeving heeft het vuur van Gods oordeel gebrand vanwege het klagen van het volk (Nm 11:11En het gebeurde, toen het volk zich beklaagde, [dat] het kwaad was in de oren van de HEERE, want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontbrandde. En het vuur van de HEERE brandde onder hen en verteerde, aan de rand van het kamp.). Als wij denken aan de zwakste gelovigen, zien wij redenen om hen aan te klagen bij God. Maar de taal van God uit de mond van Bileam is anders. God ziet geen onheil bij Jakob, die zwakke, falende gelovige (vers 2121Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob;
ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.
De HEERE, zijn God, is met hem,
en de [jubel]klank van de Koning is bij hem.
)
. Hij ziet geen boosheid of verderf in Israël, dat zo vaak een handelwijze heeft getoond die in strijd is met die naam die spreekt van hun bevoorrechte plaats. In Numeri is er zoveel onheil en rampspoed als gevolg van de zonde bij het volk openbaar geworden, maar hier gaat God daaraan voorbij.

In geen enkele profetie van Bileam is sprake van zonde of schuld. Hoe kan dat? God kan dat doen vanwege het werk dat de Heer Jezus heeft volbracht. Door dat werk is ieder die dat werk wordt toegerekend, rechtvaardig verklaard. Wat voor God niet kan bestaan, is door het werk van Christus voor God weggedaan. Wat alleen voor God kan bestaan, is door het werk van Christus ontstaan. Waardoor de schuld is komen vast te staan, dat blijkt uit de noodzakelijkheid van het werk van Christus, daardoor is de schuld ook weggedaan. “Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn” (Rm 8:11Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn;).

Rechtvaardiging gaat verder dan vergeving. Een rechtvaardige is iemand van wie God verklaart dat hij nooit gezondigd heeft. Zo groot is de waarde van het werk van de Heer Jezus. De waarheid van het rechtvaardig verklaard zijn wordt in de brief aan de Romeinen uitvoerig uiteengezet. Daarom is het zo belangrijk die brief telkens weer te bestuderen.

Met dit gerechtvaardigde volk kan “de HEERE, zijn God” zijn. Zonder Hem heeft dit volk geen bestaansmogelijkheid. Een nul is niets, zes nullen is ook niets. Maar plaats je een één voor zes nullen, dan heb je ineens een miljoen. Zo is het met het volk van God. Zonder God is er geen volk, maar met God is er een talrijk volk. Over dat volk kan de Koning naar Gods hart regeren onder het gejubel van Zijn volk. Dat is tevens zijn bescherming.

God heeft door Zijn kracht Zijn volk uit de slavernij van Egypte geleid (vers 2222God heeft hen uit Egypte geleid;
Hij is hem als de hoorns van een wilde os.
)
. Daar ligt het begin van het rechtvaardig zijn. Die rechtvaardiging is tegen elke aanval bestand die kan komen tijdens de reis door de woestijn.

Tegen Jakob en Israël is geen enkele boze macht in staat iets in te brengen (vers 23a23Want er bestaat geen bezwering tegen Jakob
of waarzeggerij tegen Israël.
Er wordt in deze tijd over Jakob gezegd,
en over Israël, wat God gedaan heeft.
)
. God heeft Zijn volk gezegend. Wie zal daaraan iets kunnen veranderen? We horen de taal van de brief aan de Romeinen: “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het die rechtvaardigt; wie is het die veroordeelt?” (Rm 8:3333Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt;). Elke poging om een scheiding te brengen tussen God en hen die Hij heeft gerechtvaardigd, loopt op niets uit. Niets en niemand is in staat van God te scheiden wat door het werk van Christus met Hem verbonden is (Rm 8:38-3938Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten,39noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.).

Als we dit kunnen zeggen, is daar niets van ons bij. Het is Gods werk in Zijn volk waarover “in deze tijd”, dat is aan het einde van de woestijnreis, kan worden gesproken (vers 23b23Want er bestaat geen bezwering tegen Jakob
of waarzeggerij tegen Israël.
Er wordt in deze tijd over Jakob gezegd,
en over Israël, wat God gedaan heeft.
)
. Nu zien we wat God gedaan heeft, evenals we eraan zijn herinnerd wat God gedaan heeft aan het begin van de reis: de verlossing van Zijn volk uit Egypte.

God heeft niet alleen gedachten van zegen over Zijn volk gehad, Hij heeft die zegen door het werk van Christus ook aan Zijn volk gegeven. Wat God Zich voorneemt, werkt Hij ook uit (Rm 8:29-3029Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.30En hen die Hij tevoren heeft bestemd, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij heeft geroepen, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij heeft gerechtvaardigd, die heeft Hij ook verheerlijkt.). Zijn werk zien we nu in het behouden van zielen, het vormen van de Zijnen naar het beeld van Zijn Zoon en hen te helpen bij hun gaan door de wereld. Ook in het vrederijk zullen heerlijke resultaten worden gezien en zal Hij worden geëerd voor wat Hij heeft gedaan (Ps 22:3232Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid verkondigen
aan het volk dat geboren zal worden,
want Hij heeft het gedaan.
)
. Bij het begin van de eeuwigheid zal van alles wat God Zich heeft voorgenomen om te doen, gezegd kunnen worden: “Het is gebeurd” (Op 21:6a6En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.). Het resultaat daarvan blijft eeuwig: Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft” (Pr 3:1414Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet [het] opdat men vreest voor Zijn aangezicht.
)
.

Het volk is niet alleen een gezegend, maar ook een overwinnend volk (vers 2424Zie, een volk, het staat op als een leeuwin,
als een leeuw richt het zichzelf op;
het gaat niet liggen, voordat het [zijn] prooi opgegeten heeft
en het bloed van [zijn] slachtoffers gedronken heeft.
)
. Dit door God gerechtvaardigde volk kan voortgaan in Zijn kracht. De brief aan de Romeinen geeft niet alleen aan hoe iemand een rechtvaardige kan worden, maar ook hoe hij als een rechtvaardige kan leven. De rechtvaardige is door geen vijand te overwinnen. In Christus zijn wij “meer dan overwinnaars” (Rm 8:3737Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.). Dit overwinningsleven dat zichtbaar wordt in de woestijn van deze wereld, zal ten volle zichtbaar worden als God alle vijanden onder de voeten van de Heer Jezus heeft gelegd (1Ko 15:2525Want Hij moet regeren, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd.; Rm 16:2020De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus <Christus> zij met u!).


Reactie Balak – antwoord Bileam

25Toen zei Balak tegen Bileam: Als u het [volk] beslist niet wilt vervloeken, zegen het dan in ieder geval ook niet. 26Bileam antwoordde en zei tegen Balak: Heb ik niet tot u gesproken: Alles wat de HEERE zal spreken, dat zal ik doen?

Balak reageert op deze tweede zegen met te stellen dat, als er dan geen vervloeking in zit, Bileam dan toch in elk geval ook geen zegen over dat volk zal uitspreken. Maar Bileam verwijst naar wat hij al eerder heeft gezegd. Hij kan niet anders dan zegenen.


Voorbereidingen derde poging

27Daarop zei Balak tegen Bileam: Kom toch, ik zal u naar een andere plaats meenemen. Misschien is het goed in de ogen van die God dat u het daarvandaan voor mij vervloekt. 28Toen nam Balak Bileam mee [naar] de top van de Peor, die uitzicht heeft over de wildernis. 29En Bileam zei tegen Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren en bereid hier voor mij zeven jonge stieren en zeven rammen. 30Balak deed wat Bileam gezegd had. Hij offerde op elk altaar een jonge stier en een ram.

Toch onderneemt Balak nog een derde poging tot vervloeking. Daarvoor neemt Balak Bileam mee naar een plek die uitziet over de woestijn. Hij wil dat Bileam dat volk ziet in zijn woestijnomstandigheden. Wij zien er in onze dagelijkse omstandigheden vaak anders uit dan op de zondag. We vertonen dan vaak meer onze zonden en zwakheden.


Lees verder