Numeri
1 De dood van Mirjam 2-6 Nieuwe opstand van het volk 7-13 Mozes slaat de rots 14-21 Edom weigert Israël de doortocht 22-29 De dood van Aäron
De dood van Mirjam

1De Israëlieten kwamen in de woestijn Zin, heel de gemeenschap, in de eerste maand, en het volk bleef in Kades. Daar stierf Mirjam, en zij werd er begraven.

De woestijnreis nadert zijn einde. De dood van Aäron, aan het einde van dit hoofdstuk, vindt plaats in het veertigste jaar na de uittocht uit Egypte (Nm 33:3838Toen beklom de priester Aäron de berg Hor, op bevel van de HEERE, en hij stierf daar, in het veertigste jaar nadat de Israëlieten uit het land Egypte vertrokken waren, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.). Ze komen aan in Kades, aan de grens van Edom. Daar sterft Mirjam in de eerste maand van, naar wordt aangenomen, het veertigste jaar. Zij hoort ook bij hen die vallen in de woestijn. Dat zal ook met Aäron en Mozes gebeuren. Door dit uitnemende trio heeft God Zijn volk uit Egypte gevoerd (Mi 6:44Ik heb u immers uit het land Egypte geleid,
u verlost uit het slavenhuis.
Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam
vóór u uit gezonden.
)
. Maar geen van hen zal met het volk het land binnentrekken.

De dood van Mirjam, vlak voor het einde van de reis, geeft de toon van de afgelopen veertig jaar, waarover nauwelijks iets is opgetekend. De Schrift hult zich hierover in stilzwijgen. Maar het is een dodenmars geweest. Elke dag zijn er mensen gestorven, tot het hele ongelovige geslacht in de woestijn is gevallen. Met de dood van Mirjam verstomt als het ware de vreugde van de verlossing, een vreugde waaraan zij uiting heeft gegeven, nadat het volk door de Rode Zee heengetrokken is (Ex 15:20-2120Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.21Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
Zing voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
. Die vreugde heeft plaats moeten maken voor de droefheid van de alom aanwezige dood.

Het lijkt erop dat Mirjam na haar aanval op het gezag van Mozes, samen met haar broer Aäron (Nm 12:1-21Mirjam, en [ook] Aäron, spraken over Mozes vanwege de Cusjitische vrouw die hij genomen had, want hij had een Cusjitische vrouw genomen.2Zij zeiden: Heeft de HEERE alleen maar door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het.), volledig van het toneel is verdwenen. Mogelijk heeft ze nooit de bevoorrechte positie teruggekregen die zij voor haar opstand heeft gehad. Het kan de les inhouden dat, al wordt iemand een grote zonde vergeven, hij of zij niet meer de invloed of positie terugkrijgt in het werk van God die er is geweest voordat die zonde is begaan.


Nieuwe opstand van het volk

2Maar er was voor de gemeenschap geen water. Toen kwamen zij bijeen vanwege Mozes en vanwege Aäron. 3En het volk kreeg onenigheid met Mozes. Zij zeiden: Hadden wij maar de geest gegeven, toen onze broeders voor het aangezicht van de HEERE de geest gaven! 4En waarom hebt u de gemeente van de HEERE in deze woestijn gebracht? Om hier te sterven, wij en ons vee? 5En waarom hebt u ons uit Egypte laten vertrekken? Om ons op deze ellendige plaats te brengen? Het is geen plaats voor zaaigoed, evenmin voor vijgenbomen, wijnstokken en granaatappels. Ook is er geen water om te drinken. 6Toen gingen Mozes en Aäron van de gemeente weg naar de ingang van de tent van ontmoeting, en zij wierpen zich met hun gezicht [ter aarde]. En de heerlijkheid van de HEERE verscheen hun.

Het volk komt opnieuw in opstand. In plaats van het gemis van Mirjam te voelen en extra dankbaar te zijn voor de leiders die ze nog hebben, keren ze zich tegen Mozes en Aäron. De aanleiding is het gebrek aan water. Het ontbreken van water is een beproeving waardoor God hen wil testen. Hij wil zien of ze iets begrepen hebben van het hogepriesterschap. In de vorige hoofdstukken heeft Hij Zijn waardering ervan laten zien. Nu wil Hij hun waardering ervan zien.

Een volk dat of een persoon die zich tekortgedaan voelt, mist dankbaarheid en wordt onredelijk. Het volk wenst opnieuw dat ze maar gestorven zouden zijn, net als hun broeders. Ze doen het voorkomen alsof die een natuurlijke dood zijn gestorven. Maar ze vergeten dat hun broeders omgekomen zijn door het oordeel over hun zonden. Door hun verkeerde kijk op wat er is gebeurd, vergeten ze ook dankbaar te zijn dat zij zelf gespaard zijn gebleven.

Het is een volk dat leeft bij hier-en-nu en niet bij de beloften van God. Hun gezindheid komt tot uiting in de “waarom”- vragen, waarmee ze hun gebrek aan vertrouwen op God bekendmaken (verzen 4-54En waarom hebt u de gemeente van de HEERE in deze woestijn gebracht? Om hier te sterven, wij en ons vee?5En waarom hebt u ons uit Egypte laten vertrekken? Om ons op deze ellendige plaats te brengen? Het is geen plaats voor zaaigoed, evenmin voor vijgenbomen, wijnstokken en granaatappels. Ook is er geen water om te drinken.). Ze hebben gebrek aan water, maar dat niet alleen. Ze beginnen ook te klagen over het gebrek aan nog meer levensmiddelen. Hier-en-nu ontbreekt er van alles. Daarom hebben ze er geen zin meer in om verder te leven. Hun grootste gebrek is geloof in wat God hun heeft toegezegd.

Dit volk, dat nu nagenoeg bestaat uit personen die aan het begin van de reis jonger dan twintig jaar zijn of in de woestijn zijn geboren, is niet beter dan zij die in de woestijn zijn omgekomen. Zoals zo vaak herhaalt zich de geschiedenis omdat het wezen van de mens niet verandert.

De “waarom”-vragen worden niet beantwoord omdat ze voortkomen uit ongeloof en opstandigheid. Mozes en Aäron reageren dan ook niet op de klachten van het volk, maar gaan naar de enig juiste plaats, naar de woonplaats van de HEERE. Daar werpen ze zich weer neer en daar verschijnt de heerlijkheid van de HEERE aan hen.


Mozes slaat de rots

7De HEERE sprak tot Mozes: 8Neem de staf en roep de gemeenschap bijeen, u en Aäron, uw broer, en spreek voor hun ogen tot de rots, en die zal zijn water geven. Zo zult u water voor hen voortbrengen uit de rots, en u zult de gemeenschap en hun vee laten drinken. 9Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van de HEERE, zoals Hij hem geboden had. 10En Mozes en Aäron riepen de gemeente voor de rots bijeen, en hij zei tegen hen: Luister toch, ongehoorzamen, zullen wij voor u uit deze rots water voortbrengen? 11Toen hief Mozes zijn hand op en hij sloeg de rots twee keer met zijn staf, en er kwam veel water uit, zodat de gemeenschap en hun vee konden drinken. 12Maar de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron: Omdat u niet in Mij geloofd hebt, en Mij voor de ogen van de Israëlieten [niet] geheiligd hebt, zult u deze gemeente niet in het land brengen dat Ik hun gegeven heb. 13Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten de HEERE ter verantwoording riepen, en waar Hij onder hen geheiligd werd.

De staf die Mozes moet nemen is die van Aäron, de staf die gebloeid heeft. Die neemt Mozes ook, want die ligt voor het aangezicht des HEEREN en daar neemt hij hem weg (vers 99Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van de HEERE, zoals Hij hem geboden had.). Ook de rots heeft een betekenis: “De steenrots nu was Christus” (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)). Mozes heeft die rots een keer geslagen (Ex 17:66Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij de Horeb staan. Dan moet u op de rots slaan, en er zal water uitkomen, zodat het volk kan drinken. En Mozes deed dit voor de ogen van de oudsten van Israël.). Er is toen water uitgekomen. Die stroom water is het volk tijdens de hele woestijnreis gevolgd. Maar waarschijnlijk is de stroom opgedroogd vanwege het ongeloof van het volk. Daarom zijn ze nu zonder water. Ze zijn echter niet zonder hogepriester.

De HEERE geeft Mozes instructies. De HEERE verschijnt niet om Zijn volk te tuchtigen door een plaag, zoals Hij eerder heeft gedaan (Nm 16:31-3531En het gebeurde, toen hij geëindigd had al deze woorden te spreken, dat de aardbodem die onder hen was, gespleten werd.32De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al [hun] bezittingen.33En zij daalden levend af naar het graf, zij en alles wat van hen was. En de aarde overdekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden van de gemeente.34En heel Israël dat rondom hen stond, vluchtte weg voor hun gejammer, want zij zeiden: Als de aarde ons ook maar niet verzwelgt!35En vuur kwam bij de HEERE vandaan en verteerde de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk aangeboden hadden.). Er is geen oordeel, geen boosheid. Uit wat Hij Mozes geeft, zal een nieuw bewijs van Zijn genade en zorg voortkomen voor Zijn ondankbaar en tegensprekend volk. Mozes moet nu tot de rots spreken en niet erop slaan.

De rots is eens geslagen, door de staf van Mozes, de staf die water in bloed heeft veranderd en de Rode Zee heeft gekliefd. Het is een oordeelsstaf. Omdat Christus door de slaande hand van God is getroffen, zijn er stromen van water tevoorschijn gekomen. Dat eerste slaan is gebeurd aan het begin van de woestijnreis. Christus is eenmaal geslagen, Hij heeft eenmaal geleden als “[de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen” (1Pt 3:1818Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij Die wel gedood is in [het] vlees, maar levend gemaakt in [de] Geest,). Nu leeft Hij altijd om voor ons tussenbeide te treden (Hb 7:2525Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden.).

Elk nieuw beroep dat op Hem moet worden gedaan, moet niet gebeuren door, in beeld, opnieuw op de rots te slaan, maar door ertegen te spreken. De bron van zegen staat ons ter beschikking. We hoeven daarvoor alleen de Hogepriester aan te spreken, Hem in het gebed te naderen, en Hij zal zegen en verkwikking geven.

Zijn Mozes en Aäron niet bedacht op dit betoon van genade van Gods zijde ten opzichte van een voor de zoveelste keer opstandig volk? In elk geval handelen ze niet in overeenstemming met de genade die de HEERE hier wil betonen. Ze krijgen van de HEERE het verwijt dat ze in ongeloof handelen (vers 1212Maar de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron: Omdat u niet in Mij geloofd hebt, en Mij voor de ogen van de Israëlieten [niet] geheiligd hebt, zult u deze gemeente niet in het land brengen dat Ik hun gegeven heb.) en uit verzet tegen Zijn bevel (Nm 27:1414Dat is omdat u Mijn bevel ongehoorzaam bent geweest in de woestijn Zin, tijdens de twist van de gemeenschap, door Mij voor hun ogen niet te heiligen bij het water. Dat is het water van Meriba, [ter hoogte] van Kades, in de woestijn Zin.). In plaats van tegen de rots te spreken, spreken ze tot het volk. De houding van het volk heeft Mozes geprikkeld, hij verliest zijn geduld en spreekt onbezonnen woorden (Ps 106:32-3332Zij maakten [Hem] zeer toornig bij het water van Meriba,
het verging Mozes slecht omwille van hen.
33Want zij tergden zijn geest,
zodat hij met zijn lippen ondoordachte [woorden] sprak.
)
. Maar de HEERE heeft niet gezegd dat ze iets tegen het volk moeten zeggen. Toch zegt Mozes tegen hen: “Zullen wij …?” Hij vergeet dat het om de HEERE gaat.

Mozes slaat en God antwoordt met … water, veel water. Deze zegen is geen bewijs dat Mozes juist heeft gehandeld. God kan gelovigen die samenkomen op een plaats die niet naar Zijn gedachten is toch veel zegen geven. Hij kan zelfs zegen geven door een ongelovige predikant. Zegen zegt niets over de plaats of over de persoon, het zegt iets over de goedheid en soevereiniteit van God.

Mozes slaat de rots met zijn eigen staf, geheel tegen het bevel van de HEERE. Hij slaat met de staf van het oordeel, terwijl God Zich als de God van de genade aan Zijn volk wil laten zien. Veel mensen spreken tot Gods volk alleen over een oordelend God. Dat is Hij ook, maar niet alleen. God heeft geoordeeld. Daarom kan Hij worden voorgesteld als een genadige God.

Mozes en Aäron krijgen het oordeel aangezegd. Zij hebben een “zonde tot [de] dood” begaan (1Jh 5:16b16Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot [de] dood, dan zal hij bidden en Hij zal hem [het] leven geven, hun die niet tot [de] dood zondigen. Er is zonde tot [de] dood; daarvoor zeg ik niet dat hij zal vragen.) en zullen niet in het land komen. Deze straf tekent de ernst van de zonde, begaan door de meest verantwoordelijken van het volk. Als wij God niet heiligen, heiligt God Zichzelf.

De plaats waar dit gebeurt, is Meriba, dat ‘een plaats van strijd’ betekent. Het is dezelfde naam die veertig jaar eerder gebruikt is bij eenzelfde gelegenheid (Ex 17:77Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE [nu] in ons midden of niet?). Het gebeuren daar spreekt enerzijds van de opstandigheid van het volk (Ps 95:88verhard uw hart niet, zoals te Meriba,
zoals in de dagen van Massa in de woestijn:
)
en anderzijds van de genade van God (Ps 114:88Die de rots veranderde in een waterplas,
hard gesteente in een waterbron.
)
.


Edom weigert Israël de doortocht

14En Mozes stuurde uit Kades boden naar de koning van Edom, [met de boodschap]: Dit zegt uw broeder Israël: U weet zelf van al de moeite die ons getroffen heeft, 15dat onze vaderen naar Egypte vertrokken zijn, en dat wij vele dagen in Egypte gewoond hebben, en dat de Egyptenaren ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben. 16Toen riepen wij tot de HEERE. Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte. En zie, wij zijn in Kades, een stad aan het uiterste van uw grens. 17Laat ons toch door uw land trekken. Wij zullen niet door akkers of wijngaarden trekken, en wij zullen geen water uit een put drinken. Wij zullen de koninklijke weg nemen, wij zullen niet naar rechts of naar links afwijken, totdat wij door uw gebied getrokken zijn. 18Maar Edom zei tegen hem: U mag niet door mijn [land] trekken, anders ga ik u met het zwaard tegemoet! 19Toen zeiden de Israëlieten tegen hem: Wij zullen langs de hoofdweg trekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, dan zal ik daarvoor de prijs betalen. Ik wil alleen maar te voet doortrekken, meer niet. 20Maar hij zei: U mag er niet doortrekken! En Edom trok eropuit, hem tegemoet, met een zwaar [bewapend] volk, en met sterke hand. 21Zo weigerde Edom [toestemming] aan Israël om door zijn gebied te trekken [en] daarom week Israël van hem af.

Edom is niet zomaar een volk, maar een broedervolk. Dat bepaalt de houding van Israël bij de weigering om het volk door te laten trekken. Ze mogen er niet tegen strijden. Dat mogen en moeten ze wel tegen vijandige volken. Het verzoek van Mozes maakt de ingebakken haat van Edom tegen het volk van God openbaar.

De naam Edom is verwant met Adam. In Adam zien we wat we in onze oude natuur zijn. Edom stelt ons ‘broedervolk’ voor, ons vlees. Het vlees is vijandig tegen God “omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God” (Rm 8:7a7omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.). We worden niet opgeroepen ertegen te strijden, maar ons door de Geest te laten leiden. Dan zullen we ervoor bewaard blijven tegen het vlees te strijden (Gl 5:16-1716Maar ik zeg: wandelt door [de] Geest, en u zult [de] begeerte van [het] vlees geenszins volbrengen.17Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt.). Gaan we er wel tegen strijden, dan komen we in de situatie van Romeinen 7 terecht en wordt ons leven een leven van nederlagen. Ons ervoor dood houden (Rm 6:1111Zo ook u, rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.) wil niet zeggen het negeren of ertegen vechten, maar er omheen trekken. Dat houdt erkenning van de vijandschap in, terwijl we er de juiste houding tegenover aannemen.

God gebruikt de weigering van Edom om Zijn volk te laten afbuigen en op de weg naar de Jordaan te brengen. Door ten opzichte van ons vlees de juiste houding aan te nemen, dat is het vlees de plaats te geven die Gods Woord het geeft, komen we in de juiste positie om de zegeningen van het land te gaan innemen.

Deze afwijzing van Edom doet denken aan de afwijzing van “een dorp van de Samaritanen” om de Heer Jezus te ontvangen. De Heer heeft daar ook boden heengezonden, zoals Mozes hier doet naar de koning van Edom. Door op de afwijzing te reageren zoals Israël hier doet, handelt het volk in de geest van de Heer Jezus (Lk 9:52-53,5652En Hij zond boden voor Zich uit. En zij gingen heen en kwamen in een dorp van Samaritanen om voor Hem [een verblijf] in gereedheid te brengen.53En zij ontvingen Hem niet, omdat Hij op weg was naar Jeruzalem.56<Want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te verderven maar te behouden.> En zij gingen naar een ander dorp.).


De dood van Aäron

22Toen braken de Israëlieten van Kades op en zij kwamen, heel de gemeenschap, bij de berg Hor. 23En de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron, bij de berg Hor, aan de grens van het land van Edom: 24Aäron zal met zijn voorgeslacht verenigd worden, want hij zal niet in het land komen dat Ik aan de Israëlieten gegeven heb, omdat u bij het water van Meriba ongehoorzaam bent geweest aan Mijn bevel. 25Neem Aäron en Eleazar, zijn zoon, en laat hen de berg Hor opklimmen. 26En trek Aäron zijn kleding uit en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan, want Aäron zal met zijn voorgeslacht verenigd worden en daar sterven. 27Mozes deed zoals de HEERE geboden had: zij klommen de berg Hor op, voor de ogen van heel de gemeenschap. 28En Mozes trok Aäron zijn kleding uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan. En Aäron stierf daar, op de top van de berg. Mozes daalde van de berg af, met Eleazar. 29Toen heel de gemeenschap zag dat Aäron de geest gegeven had, beweenden zij Aäron dertig dagen, heel het huis van Israël.

De HEERE geeft Mozes bevel ten aanzien van de dood van Aäron. Hij geeft de reden van zijn dood. Maar Hij zorgt ook voor een opvolger. Eleazar wordt hogepriester in de plaats van zijn vader Aäron. Eleazar brengt het volk in het land. Aäron is hogepriester van een volk dat door de woestijn reist. Deze wisseling ziet op de verschillende facetten in het hogepriesterschap van de Heer Jezus.

Mozes doet zoals de HEERE geboden heeft. Zijn gehoorzaamheid aan de HEERE is ongebroken, ondanks alle tegenslagen die hij in dit hoofdstuk te verwerken heeft gekregen. Eerst de dood van zijn zus Mirjam, dan de opstand van het volk, vervolgens zijn eigen falen en de straf daarvoor, de weigering en vijandigheid van Edom wat een omweg betekent en dus uitstel van het te bereiken doel inhoudt, en ten slotte de dood van zijn broer Aäron, die hij met eigen ogen ziet sterven. Mozes is een groot voorbeeld voor ons als wij tegenslagen te verwerken krijgen. Laten we ook altijd blijven openstaan voor de wil van de Heer.

Eleazar is de derde zoon van Aäron. Hij is een type van de Heer Jezus als hogepriester, maar dan in verbinding met het land. Het getal drie spreekt van de opstanding van de Heer Jezus, Die op de derde dag uit de dood is opgestaan. Eleazar stelt de Heer Jezus voor als Hogepriester Die dood geweest is en nu leeft. Door Zijn dood heeft Hij de hemel en alle zegeningen die daar zijn, geopend voor allen die met Hem verbonden zijn. Daarvan spreekt het beloofde land.

Voordat Aäron sterft, heeft hij gezien dat Eleazar met zijn kleren wordt bekleed (vgl. Js 22:20-2120Op die dag zal het gebeuren
dat Ik Mijn dienaar Eljakim, de zoon van Hilkia, zal roepen.
21Ik zal hem bekleden met uw gewaad,
hem uw gordel ombinden,
en uw heerschappij zal Ik in zijn hand leggen.
Hij zal als een vader zijn voor de inwoners van Jeruzalem
en voor het huis van Juda.
)
. Hij zou hebben kunnen nazeggen wat Simeon zegt in Lukas 2 (Lk 2:29-3029en zei: Nu laat U, Heer, Uw slaaf in vrede heengaan naar Uw woord,30want mijn ogen hebben Uw behoudenis gezien,). Eleazar ontleent alles aan Aäron. Hij zet het werk van Aäron in een nieuwe vorm voort. Aäron onderwerpt zich zwijgend aan wat de HEERE zegt. Hij sterft op honderddrieëntwintigjarige leeftijd in waardigheid en vrede, niet als iemand die uit het volk wordt uitgeroeid. Daarna is hij begraven (Dt 10:66(Toen braken de Israëlieten op uit Beëroth-Bene-Jaäkan naar Mosera. Daar stierf Aäron en daar werd hij begraven; en zijn zoon Eleazar diende als priester in zijn plaats.), we mogen wel aannemen door zijn broer en zijn zoon.

Het volk beweent hem dertig dagen. Ze treuren over het verlies van hem, tegen wie zij tijdens zijn leven zo vaak hebben gemurmureerd. Zo wordt er ook vaak getreurd over het verlies van zegeningen die we eerder niet hebben gewaardeerd. Aan Godvruchtige mensen wordt na hun dood vaak meer eer gegeven dan tijdens hun leven.

Zo zijn profeten tijdens hun leven vervolgd en gedood, maar als ze eenmaal gedood zijn, worden hun graven als een soort eerbetoon versierd: Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten en versiert de graftomben van de rechtvaardigen en zegt: Als wij in de dagen van onze vaderen waren geweest, zouden wij niet hun deelgenoten geweest zijn in het bloed van de profeten. U getuigt dus van uzelf, dat u zonen bent van hen die de profeten hebben vermoord” (Mt 23:29-3129Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten en versiert de graftomben van de rechtvaardigen30en zegt: Als wij in de dagen van onze vaderen waren geweest, zouden wij niet hun deelgenoten geweest zijn in het bloed van de profeten.31U getuigt dus van uzelf, dat u zonen bent van hen die de profeten hebben vermoord.).


Lees verder