Numeri
1-2 Het kamp moet worden opgeslagen 3-9 Stammen aan de oostzijde 10-16 Stammen aan de zuidzijde 17 De stam van Levi 18-24 Stammen aan de westzijde 25-31 Stammen aan de noordzijde 32-34 De opdracht uitgevoerd
Het kamp moet worden opgeslagen

1De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron: 2De Israëlieten moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn vaandel, bij de herkenningstekens [die behoren bij] hun familie; zij moeten op enige afstand hun kamp opslaan rondom de tent van ontmoeting.

Alles in de strijd draait om de tabernakel die het middelpunt van het leger vormt, hier genoemd “de tent van ontmoeting” ofwel “de tent der samenkomst” (vgl. Nm 1:50,5350Wat u betreft, stel de Levieten aan over de tabernakel van de getuigenis en over alle bijbehorende voorwerpen, ja, over alles wat erbij hoort. Zíj moeten de tabernakel en alle bijbehorende voorwerpen dragen. Zíj moeten dienen, en zij moeten hun kamp rondom de tabernakel opslaan.53maar de Levieten moeten hun kamp opslaan rondom de tabernakel van de getuigenis; dan zal er geen grote toorn op de gemeenschap van de Israëlieten [komen]. Zo moeten de Levieten de voorschriften met betrekking tot de tabernakel van de getuigenis in acht nemen.). Het getuigenis van God in deze wereld wordt gegeven door de gemeente, vooral als de gemeente samenkomt. Dat is een bijzonder mikpunt van de aanvallen van de vijand. Daarom moet dat beschermd worden. Daarvoor moet elke stam zijn plaats daar rondom innemen. Iedere gelovige moet weten wat zijn plaats is met betrekking tot het samenkomen van Gods volk.

Het aanbrengen van de orde in het opslaan van het kamp wijst op het belang van de plaats die elke stam inneemt. Daarbij moet ieder lid van de stam weten waar die plaats is. Het is niet alleen van belang als een getelde tot het leger te behoren, maar ook te weten wat zijn plaats is met betrekking tot de woonplaats van God. De getelden beschermen de tabernakel.

God geeft elke stam zijn eigen plaats. Zo geeft Hij ook ons een eigen plaats rondom Zichzelf (vgl. 1Ko 12:1818Maar nu heeft God de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild.). Wij zijn persoonlijk geroepen, Israël per stam. Stammen kunnen niet onderling ruilen. Wie tot een bepaalde stam behoort, kan niet zomaar van stam veranderen. De plaats die God ons geeft in Zijn gemeente, geeft Hij ons omdat Hij ons daar het best gebruiken kan.

Drie stammen zijn telkens op een speciale manier aan elkaar verbonden, onder één vaandel. Zo zijn ook plaatselijke gemeenten door hun ligging op een speciale manier met elkaar verbonden. Tevens moet het oog gehouden worden op het volk als geheel.

Vaandels die in de christenheid zijn gehesen, bewerken geen eenheid, maar verdeeldheid. Er zijn er die een vaandel hijsen met daarop de naam van een mens of de naam van een leerstelling. Allen die het daarmee eens zijn, verzamelen zich onder dat vaandel. Elk vaandel is een vaandel dat zich onderscheidt van anderen en dat is niet wat God wil. Er is voor God maar één centrum dat Hij heeft gesteld: de Heer Jezus, de ware tabernakel, rondom Wie Hij Zijn verstrooide kinderen tot één wil verzamelen. De Heer Jezus draagt “het vaandel boven tienduizend” (Hl 5:1010Mijn Liefste is blank en rood,
Hij steekt als een vaandel boven tienduizend uit.
)
.

Gelovigen worden niet geroepen in hun eentje door de woestijn te trekken. God heeft niet slechts enkelingen verlost die allemaal hun eigen gang gaan. Allen die verlost zijn, horen bij elkaar. In het Nieuwe Testament vormen zij samen de gemeente. Ze zijn bij elkaar gebracht in ‘stammen’. Dit kunnen we toepassen op plaatselijke gemeenten.

Maar ook als plaatselijke gemeente staan we niet los van andere plaatselijke gemeenten. Ook mogen we niet vergeten dat we als plaatselijke gemeente slechts een deel van die plaatselijke gemeente vertegenwoordigen als we samenkomen. De plaatselijke gemeente bestaat uit alle ware gelovigen in die plaats, hoewel er zijn die zich afgrenzen door kerkmuren. Toch horen zij erbij. Daaraan behoren we ook te denken wanneer we als gemeente samenkomen.

Het is belangrijk om de eenheid als stam te bewaren en de eenheid met andere stammen in de directe omgeving en de eenheid met alle stammen van het hele volk. Die eenheid mag geen eenheid naar eigen gedachten zijn. Het behoort de eenheid van het hele volk te zijn en niet een sektarische, waarbij alleen gekeken wordt naar de eigen stam of de stammen die onder dezelfde vaandel horen. Sektarisme maakt de eenheid kleiner dan de eenheid die God zichtbaar wil maken.


Stammen aan de oostzijde

3Zij dan die hun kamp opslaan in oostelijke richting, waar [de zon] opkomt, [vallen onder] het vaandel van het kamp van Juda, [ingedeeld] naar hun legers. De leider nu van de nakomelingen van Juda was Nahesson, de zoon van Amminadab. 4En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vierenzeventigduizend zeshonderd [man]. 5En de stam Issaschar moet naast hem zijn kamp opslaan. De leider nu van de nakomelingen van Issaschar was Nethaneël, de zoon van Zuar. 6En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vierenvijftigduizend vierhonderd [man]. 7[Dan] de stam Zebulon. De leider nu van de nakomelingen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon. 8En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit zevenenvijftigduizend vierhonderd [man]. 9Allen die geteld waren van het kamp van Juda waren honderdzesentachtigduizend vierhonderd [man, ingedeeld] naar hun legers. Zij moeten als eerste opbreken.

De stammen moeten hun kamp opslaan ten opzichte van de tabernakel naar de windrichtingen. De vier vaandels liggen in vier richtingen vanwaar de invloeden van buiten komen en die het volk van God tegemoet moet treden in de kracht van Hem Die in hun midden woont.

De eerste zijde die wordt genoemd, is de oostzijde. Aan de oostzijde is de ingang van de tabernakel en het is de kant waar de zon opgaat. Deze beide aspecten vinden hun toepassing in het ingaan in het heiligdom en uitzien naar de komst van de Heer Jezus.

Deze aspecten mogen in het samenkomen van de gemeente, van Gods volk, tot uitdrukking komen. De stam Juda gaat voorop. Juda betekent ‘lofprijzing’. De geest van lofprijzing is de geest van kracht (2Kr 20:2222Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.). Het hoofddoel van het samenkomen van de gemeente is dat God wordt geprezen en aangebeden, dat Hem offers van lof en dank worden gebracht. Dat hoort de uitwerking van elke samenkomst te zijn.

Aan de oostzijde moeten vervolgens nog Issaschar en Zebulon hun kamp opslaan. Samen met Juda zijn zij de vierde, vijfde en zesde zoon die Lea aan Jakob baarde. Vanwege de zonden van Ruben, Simeon en Levi, de drie oudere broers (Gn 49:3-73Ruben, jij bent mijn eerstgeborene,
mijn kracht en de eerste [vrucht] van mijn mannelijkheid,
de voortreffelijkste in hoogheid
en de voortreffelijkste in sterkte.
4Onstuimig als het water [als je bent],
zul je niet de voortreffelijkste zijn,
want je bent het bed van je vader ingeklommen,
[en] toen heb je [het] geschonden.
Hij is mijn sponde ingeklommen!5Simeon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
6Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
7Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.
)
, wordt Juda de eerste onder zijn broers (Gn 49:88Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
)
. Hij wordt de koninklijke lijn uit wie de Messias geboren zal worden (Gn 49:1010De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
; Ru 4:18-2118Dit nu zijn de afstammelingen van Perez: Perez verwekte Hezron,19Hezron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab,20Amminadab verwekte Nahesson, Nahesson verwekte Salma,21Salma verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed,)
. In het geslachtsregister in Mattheüs 1 zien we dat Nahesson, de leider van de stam, tot de voorouders van de Heer Jezus wordt gerekend (Mt 1:44en Ram verwekte Aminádab, en Aminádab verwekte Nahesson, en Nahesson verwekte Salmon,).


Stammen aan de zuidzijde

10Het vaandel van het kamp van Ruben zal, [ingedeeld] naar hun legers, aan de zuidkant zijn. De leider nu van de nakomelingen van Ruben was Elizur, de zoon van Sedeür. 11En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit zesenveertigduizend vijfhonderd [man]. 12En de stam Simeon moet naast hem zijn kamp opslaan. De leider nu van de nakomelingen van Simeon was Selumiël, de zoon van Zurisaddai. 13En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit negenenvijftigduizend driehonderd [man]. 14Dan de stam Gad. De leider nu van de nakomelingen van Gad was Eljasaf, de zoon van Rehuel. 15En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vijfenveertigduizend zeshonderdvijftig [man]. 16Allen die geteld waren van het kamp van Ruben waren honderdeenenvijftigduizend vierhonderdvijftig [man, ingedeeld] naar hun legers. Zij moeten als tweede opbreken.

De tweede zijde is de zuidzijde. Zuidzijde is letterlijk ‘de rechterzijde’. De rechterkant spreekt in de Schrift van waardigheid van positie. De Heer Jezus is “gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge” (Hb 1:33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,; 8:11[De] hoofdzaak nu van wat wij zeggen is, dat wij zo’n Hogepriester hebben, Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van de Majesteit in de hemelen,; 10:1212Maar Hij, nadat Hij één slachtoffer voor [de] zonden geofferd heeft, is voor altijd gaan zitten aan Gods rechterhand; 12:22terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.). In geestelijke zin spreekt dit ervan dat de gelovige die aan de zuidzijde gelegerd is, die positie van de Heer Jezus kent. Die gelovige weet ook dat dit zijn eigen positie is, want hij is in Christus. God heeft de gelovige “mee doen zitten in de hemelse gewesten in Christus Jezus” (Ef 2:66en heeft [ons] mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus,).

Ruben is de aanvoerder aan die zijde. Ruben betekent ‘zie, een zoon’. Als de gemeente samenkomt, komen er gelovigen samen die weten dat zij zonen van God zijn en dat ze dat te danken hebben aan de Heer Jezus, dé Zoon, Die hun leven is.

Vervolgens moeten aan de zuidzijde nog Simeon en Gad hun kamp opslaan. Ruben en Simeon zijn de oudste zonen van Lea. Levi wordt niet geteld. In zijn plaats komt Gad, de eerste zoon van Zilpa, de slavin van Lea.


De stam van Levi

17Daarna moet de tent van ontmoeting opbreken, [met] het kamp van de Levieten, in het midden van de [andere] kampen. Zoals zij hun kamp opslaan, zo moeten zij opbreken, ieder op zijn [eigen] plaats, bij hun vaandels.

Nadat twee van de vier vaandels zijn opgebroken, volgt het opbreken van de tent der samenkomst. De tent der samenkomst is het centrum van het volk. Daarnaar moet het hele volk zich richten, daarvandaan komen hun marsorders.

Eerst is er sprake van het “kamp opslaan”, dan van “opbreken”, maar beide acties vinden in overeenstemming met elkaar plaats. Er moet worden opgebroken om verder te reizen op dezelfde wijze als het volk hun kamp heeft opgeslagen. Het een staat niet los van het ander. Zowel in de aanbidding en het naderen tot God (daarvoor wordt het kamp opgeslagen) als in de verdediging en bescherming (wat moet gebeuren als er wordt opgebroken om verder te trekken) gaat het om de omgang van God met Zijn volk. In deze activiteiten hebben de Levieten hun eigen specifieke opdracht. Zij worden gezien als onlosmakelijk met die beide diensten verbonden.


Stammen aan de westzijde

18Het vaandel van het kamp van Efraïm moet, [ingedeeld] naar hun legers, aan de westkant [het kamp opslaan]. De leider nu van de nakomelingen van Efraïm was Elisama, de zoon van Ammihud. 19En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit veertigduizend vijfhonderd [man]. 20En de stam Manasse moet naast hem [zijn kamp opslaan]. De leider nu van de nakomelingen van Manasse was Gamaliël, de zoon van Pedazur. 21En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit tweeëndertigduizend tweehonderd [man]. 22Dan de stam Benjamin. De leider nu van de nakomelingen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni. 23En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vijfendertigduizend vierhonderd [man]. 24Allen die geteld waren van het kamp van Efraïm waren honderdachtduizend en honderd [man, ingedeeld] naar hun legers. Zij moeten als derde opbreken.

De derde zijde is de westzijde. De drie stammen die daar hun kamp hebben, liggen het dichtst bij de ark van de getuigenis. Westzijde is letterlijk ‘zijde van de zee’. Dat is de zijde die spreekt van beproevingen en moeilijkheden in het leven van de gelovige. In die beproevingen brengen zij vrucht voor God voort (Gn 1:20-2320En God zei: Laat het water wemelen van wemelende levende wezens; en laten er vogels boven de aarde vliegen, langs het hemelgewelf!21En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.22En God zegende ze en zei: Wees vruchtbaar, word talrijk, en vervul het water van de zeeën; en laten de vogels talrijk worden op de aarde!23Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag.). Het leven in verbinding met de tent der samenkomst kent ook zijn beproevingen. Kennen wij die ook? God wil door die beproevingen vrucht voor Zichzelf bewerken in de samenkomsten.

Efraïm is de aanvoerder van deze groep van drie. Efraïm betekent ‘dubbele vruchtbaarheid’. Hij is een passende ‘vaandeldrager’ voor de westzijde. Met hem moeten ook Manasse en Benjamin aan de westzijde van de tent der samenkomst hun kamp opslaan. Deze drie zijn nakomelingen van Rachel, waarbij we zien dat Jozef wordt vertegenwoordigd door zijn twee zonen.

Deze drie stammen worden ook genoemd in Psalm 80 (Ps 80:33Wek Uw macht op voor [de ogen van] Efraïm, Benjamin en Manasse
en kom ons verlossen.
)
. De psalmist vraagt God om in de laatste dagen van Israëls verdrukking hen te leiden en Zijn kracht te openbaren als in de dagen van Israëls woestijnreis (Nm 10:3535En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei:
Sta op, HEERE,
laat Uw vijanden [overal] verspreid worden
en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!
)
.


Stammen aan de noordzijde

25Het vaandel van het kamp van Dan moet, [ingedeeld] naar hun legers, aan de noordkant [zijn kamp opslaan]. De leider nu van de nakomelingen van Dan was Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. 26En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit tweeënzestigduizend zevenhonderd [man]. 27En de stam Aser moet naast hem zijn kamp opslaan. De leider nu van de nakomelingen van Aser was Pagiël, de zoon van Ochran. 28En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit eenenveertigduizend vijfhonderd [man]. 29Dan de stam Naftali. De leider nu van de nakomelingen van Naftali was Ahira, de zoon van Enan. 30En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit drieënvijftigduizend vierhonderd [man]. 31Alle getelden van het kamp van Dan waren honderdzevenenvijftigduizend zeshonderd [man]. Zij moeten als laatste opbreken, bij hun vaandels.

Het noorden is de donkerste plaats, het verst van de zon verwijderd. Het noorden is letterlijk ‘verberging’. Dit stelt de sombere kant van het getuigenis van God op aarde voor. Het licht van God kan daar niet doordringen. Zo kan het zijn dat door verborgen zonden er geen kracht is om tot eer van God samen te komen. De samenkomsten vinden wel plaats, maar zonder overtuiging, uit pure gewoonte.

De aanvoerder aan deze zijde is Dan. Jakob noemt hem in zijn zegen “een slang” (Gn 49:1717Dan zal een slang zijn op de weg,
een adder op het pad,
die in de hielen van het paard bijt,
zodat zijn berijder achterovervalt.
)
, waarmee hij Dan koppelt aan de duivel. De nakomelingen van Dan, de Danieten, hebben de twijfelachtige eer om als eersten, al vroeg in de geschiedenis van Israël, de afgoderij in te voeren (Ri 18:3030En de Danieten richtten het gesneden beeld voor zich op. En Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen, waren priesters voor de stam van de Danieten, tot op de dag dat het land in ballingschap werd gevoerd.).

Samen met Aser en Naftali trekken zij als laatste op. Zij zijn alle drie zonen van slavinnen. Dan is de eerste zoon van Bilha, de slavin van Rachel. Aser is de tweede zoon van Zilpa, de slavin van Lea. Naftali is de tweede zoon van Bilha.


De opdracht uitgevoerd

32Dit waren de getelden van de Israëlieten, [ingedeeld] naar hun familie; alle getelden van de kampen, [ingedeeld] naar hun legers, waren zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig [man]. 33Maar de Levieten werden onder de Israëlieten niet meegeteld, zoals de HEERE Mozes geboden had. 34De Israëlieten deden overeenkomstig alles wat de HEERE Mozes geboden had; zo sloegen zij hun kamp op bij hun vaandels, en zo braken zij op, ieder [ingedeeld] naar zijn geslachten [en] naar zijn familie.

Het aantal getelde strijders van Numeri 1 wordt hier herhaald. Het komt overeen met de stammen. Iedere strijder heeft zijn plaats in zijn eigen stam ingenomen. Iedere stam heeft zijn eigen positie ingenomen ten opzichte van de tent der samenkomst onder het vaandel dat door God is aangewezen. Als Bileam deze orde ziet, komt hij tot de uitroep: “Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël!” (Nm 24:55Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!
uw woningen, Israël!
)
.


Lees verder