Numeri
Inleiding 1-16 De twaalf verspieders 17-20 Opdracht om het land te verkennen 21-24 Het land verkend 25-33 Verslag van de verkenners
Inleiding

In Numeri 11 zien we bij het volk van God een verlangen om naar Egypte terug te keren. Iemand die terugverlangt naar de wereld – waarvan Egypte een beeld is –, bewijst dat hij het ware karakter van de wereld niet kent. Nu komt een nieuw probleem naar voren: hoe denkt het volk over het beloofde land. Het zal blijken dat ze, zoals ze Egypte niet kennen, zo ook het beloofde land niet kennen. Ze zijn net zo ongelovig ten aanzien van de heerlijkheid die voor hen ligt, dat is van het land Kanaän, als zij het zijn ten aanzien van Egypte dat ze hebben verlaten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de woestijn waar ze doorheen trekken.

Het kenmerk van Israël is dat ze meer vrezen voor de vijanden dan voor de HEERE. Dat is er de oorzaak van dat ze alleen denken aan de aangename dingen van Egypte als ze aan dat land terugdenken. Daar stellen ze de onaangenaamheden van de woestijn tegenover. Daarom verlangen ze terug naar Egypte. Nu ze voor het beloofde land staan, is het andersom. Ze zien op tegen de moeilijkheden die de verovering van het land met zich meebrengt en willen het niet gaan veroveren. Zo verachten ze de zegeningen ervan die de HEERE aan hen heeft voorgesteld. Ze zien de zegeningen niet, zijn die vergeten, omdat ze zich blindstaren op de moeite die het zal kosten die zegeningen in bezit te nemen.


De twaalf verspieders

1De HEERE sprak tot Mozes: 2Stuur mannen voor u uit om het land Kanaän te verkennen, dat Ik aan de Israëlieten geven zal; u moet één man per stam van zijn vaderen sturen, elk een leider onder hen. 3Mozes stuurde hen uit de woestijn Paran, op bevel van de HEERE. Al die mannen waren hoofden van de Israëlieten. 4Dit nu zijn hun namen: uit de stam Ruben: Sammua, de zoon van Zakkur. 5Uit de stam Simeon: Safat, de zoon van Hori. 6Uit de stam Juda: Kaleb, de zoon van Jefunne. 7Uit de stam Issaschar: Jigeal, de zoon van Jozef. 8Uit de stam Efraïm: Hosea, de zoon van Nun. 9Uit de stam Benjamin: Palti, de zoon van Rafu. 10Uit de stam Zebulon: Gaddiël, de zoon van Sodi. 11Uit de stam Jozef, voor de stam Manasse: Gaddi, de zoon van Susi. 12Uit de stam Dan: Ammiël, de zoon van Gemalli. 13Uit de stam Aser: Sethur, de zoon van Michaël. 14Uit de stam Naftali: Nachbi, de zoon van Wofsi. 15Uit de stam Gad: Guel, de zoon van Machi. 16Dit zijn de namen van de mannen die Mozes stuurde om het land te verkennen. En Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua.

In Deuteronomium 1 staat dat het volk zelf vraagt om verkenners te sturen: Toen kwam u allen naar voren, naar mij toe, en zei: Laten wij mannen voor ons uit sturen, die het land voor ons verkennen en ons verslag uitbrengen langs welke weg wij het moeten intrekken en bij welke steden wij zullen komen” (Dt 1:2222Toen kwam u allen naar voren, naar mij toe, en zei: Laten wij mannen voor ons uit sturen, die het land voor ons verkennen en ons verslag uitbrengen langs welke weg wij het moeten intrekken en bij welke steden wij zullen komen.). God geeft ze hier hun zin. Hij kent hun verlangens. Ze willen het gaan verkennen om het te vergelijken met hun eigen krachten. God beveelt hun in overeenstemming met hun verlangens, opdat ze de resultaten ervan zullen ervaren. Het is ermee als met het aanstellen van een koning in Israël. De HEERE geeft de opdracht aan Samuel om een koning aan te stellen, maar dat is omdat het volk een koning wil (1Sm 8:22a22De HEERE zei tegen Samuel: Luister naar hun stem en stel een koning over hen aan. Toen zei Samuel tegen de mannen van Israël: Ga heen, ieder naar zijn stad.).

De naamsverandering van Hosea door Mozes is veelzeggend. Hosea betekent ‘heil’ of ‘verlossing’, Jozua betekent ‘Jahweh is verlossing’. Mozes geeft hiermee aan wat God zal gaan doen en dat de kracht van het volk in Hem te vinden is. Hij zal die verandering van naam luid en duidelijk hebben uitgesproken als een bemoediging voor het volk. Deze naamsverandering laat ook de speciale band zien die bestaat tussen Mozes en Jozua, tussen een oude man Gods en een jonge man Gods.


Opdracht om het land te verkennen

17Mozes stuurde hen om het land Kanaän te verkennen, en hij zei tegen hen: Ga hier het Zuiderland in, en ga dan het bergland in, 18en bekijk het land, hoe het is, en het volk dat er woont, of het sterk is of zwak, of het gering [in aantal] is of talrijk. 19En [kijk] hoe het land is waarin het [volk] woont, of het goed is of slecht, en hoe de steden zijn waarin het woont, of [het] in [tenten]kampen [woont] of in vestingen. 20[Kijk] ook hoe de grond is, of die vruchtbaar is of schraal, [en] of er bomen zijn of niet. Vat moed en neem [wat] van de vruchten van het land mee. Die dagen waren namelijk [juist] de dagen van de eerste vruchten van de druiven.

God heeft hun alles al verteld, zowel over de zegen als over de vijanden die er wonen. Maar ze denken er niet aan dat God ook gezegd heeft: ‘Ik geef jullie het land.’ Dan is het toch niet nodig te gaan kijken wat voor land het is, of het goed of slecht is, en hoe sterk de vijand is? Toch is er moed nodig om het land te verspieden. Het is immers vijandig terrein. Voor de eerste keer klinkt in de Bijbel de aansporing: “Vat moed.”

Het erfdeel dat wij, christenen, samen met de Heer Jezus zullen ontvangen, is “alles wat in de hemelen en op de aarde is” (Ef 1:1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;). Daarvoor zijn we verlost. Aan die verlossing hebben wij niets kunnen doen. Zo is het ook met de erfenis. Wij hoeven die erfenis niet te verspieden of we wel sterk genoeg zijn. Wij hebben geen kracht, net zo min als wij dat voor de verlossing hebben gehad. God heeft ons verlost en geeft ons de erfenis.


Het land verkend

21Zij gingen op weg en verkenden het land, van de woestijn Zin tot Rehob, bij Lebo-Hamath. 22Zij gingen het Zuiderland in en kwamen tot aan Hebron, en daar [woonden] Ahiman, Sesai en Talmai, nakomelingen van Enak. Hebron nu was zeven jaar eerder gebouwd dan Zoan in Egypte. 23Daarna kwamen zij aan in het dal Eskol en sneden daar een rank af met één tros druiven, die zij met zijn tweeën aan een draagstok moesten dragen. Ook [namen] zij wat granaatappels en wat vijgen [mee]. 24Die plaats noemde men het dal Eskol vanwege de tros die de Israëlieten daar afgesneden hadden.

De verkenners komen in Hebron, dat betekent ‘gemeenschap’, wat erop wijst dat de zegen wordt genoten in gemeenschap met anderen. In Hebron is ook de vijand. Die zal trachten te verhinderen dat we gemeenschap genieten met anderen en bovenal met God en de Heer Jezus.

In de betekenis van de namen zien we de aard van de vijanden die ons willen beroven van de zegen van het land. “Enak” betekent ‘lang van hals’, wat ziet op trots, hoogmoed. Zij denken alleen aan zichzelf. Zulke mensen weten goed hoe ze ons van onze zegeningen kunnen afhouden. Zij zullen op de dwaasheid van ons geloof wijzen. Het zijn niet alleen anderen die zo zijn, we moeten er ook oog voor hebben dat in ieder van ons een ‘Enakiet’ schuilgaat.

In de namen van de drie kinderen van Enak komen de kenmerken van de trots tot uiting:
1. “Ahiman” betekent ‘wie is mijn broer’. Hierin herkennen we het individualisme, waarin het denken aan zichzelf versterkt tot uiting komt.
2. “Sesai” betekent ‘vrij’. Dat geeft aan dat men zich niet aan enig gezag onderwerpt, maar zich vrij waant om te doen wat men zelf voor goed houdt.
3. “Talmai” betekent ‘vermetel’ of ‘onbeschaamd’. Hierin wordt het aspect van aanmatiging zichtbaar.

Als wij deze ‘kinderen’ van de trots niet uitschakelen, maar in ons leven de kans geven zich te laten gelden, zijn de zegeningen voor ons verloren.

De druiventros spreekt van blijdschap, vreugde. Blijdschap is het gevolg van gemeenschap (1Jh 1:3-43wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.4En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.). Blijdschap en gemeenschap horen bij elkaar. Wie zich bezighoudt met de hemelse zegeningen, samen met anderen – er zijn twee mannen nodig om de tros te dragen –, wordt blij.

Hebron is zeven jaar eerder dan Zoan gebouwd. Dit is niet alleen maar een chronologisch bedoelde opmerking. Er is een belangrijke geestelijke betekenis aan verbonden. Zoan is in die tijd de hoofdstad van Egypte. Er wonen veel wijzen. Zoan staat voor alles wat Egypte voorstelt, zowel in wijsheid als in het genieten van de zonde. Egypte is, zoals we al vaker hebben gezien, een beeld van de wereld. Verlangen we daarnaar terug? Laten we dan bedenken dat Hebron veel ouder is.

Het christendom en de dingen die wij erin hebben ontvangen zijn veel ouder dan ons verblijf in de wereld. De zegeningen van de hemel dateren van vóór alle tijden (Ef 1:44zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,). Daarbij valt de wereld in het niet, die slechts latere en tijdelijke genietingen kent. Is de keus dan nog moeilijk als we moeten kiezen tussen Zoan in Egypte of Hebron in het beloofde land?


Verslag van de verkenners

25Daarna keerden zij terug van het verkennen van het land, na verloop van veertig dagen. 26Zij gingen op weg en kwamen bij Mozes en bij Aäron, en bij heel de gemeenschap van de Israëlieten, in de woestijn Paran, bij Kades. En zij brachten aan hen en heel de gemeenschap verslag uit en toonden hun de vruchten van het land. 27Zij vertelden [het Mozes] en zeiden: Wij zijn in dat land gekomen waarheen u ons gestuurd hebt, en werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en dit is zijn vrucht. 28Het volk echter dat in dat land woont, is sterk, de steden zijn versterkt [en] heel groot, en ook hebben wij daar nakomelingen van Enak gezien. 29In het Zuiderland woont Amalek, in het bergland [wonen] de Hethieten, de Jebusieten en de Amorieten, aan de zee en aan de oever van de Jordaan wonen de Kanaänieten. 30Toen bracht Kaleb het volk tegenover Mozes tot bedaren, en zei: Laten wij vrijmoedig optrekken, wij zullen het [land] in bezit nemen, want wij zullen het zeker overmeesteren. 31Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken, want het is sterker dan wij. 32En zij lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, [bestaat uit] mannen van grote lengte. 33Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, [afkomstig] van de reuzen. Wij waren in onze [eigen] ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.

De twaalf verkenners vertrekken. Als ze vertrekken, is er nog geen verschil tussen hen waar te nemen. Pas na veertig dagen wordt een verschil duidelijk. Het getal veertig is het getal van beproeving ( Gn 7:1717En de vloed was veertig dagen op de aarde, en het water nam toe en hief de ark omhoog, zodat hij van de aarde oprees.; Ex 24:1818Mozes ging de wolk binnen en klom de berg [verder] op. En Mozes was veertig dagen en veertig nachten op de berg.; 1Sm 17:1616De Filistijn kwam 's morgens vroeg en 's avonds naar voren. Zo stelde hij zich [daar] veertig dagen lang op.; 1Kn 19:88Toen stond hij op, at en dronk, en liep door de kracht van dat voedsel veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, de Horeb.; Jn 3:44En Jona begon de stad in te gaan, één dagreis. Hij predikte en zei: Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd!; Mk 1:1313En Hij was in de woestijn veertig dagen, verzocht door de satan; en Hij was bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem.; Hd 1:33aan wie Hij Zich ook, nadat Hij had geleden, levend heeft vertoond met vele duidelijke bewijzen, terwijl Hij gedurende veertig dagen door hen werd gezien en met hen sprak over de dingen die het koninkrijk van God betreffen.). Beproeving van het geloof maakt openbaar hoe het met het geloof zit. Dat blijkt ook bij de twaalf verkenners. Ze hebben allemaal hetzelfde gezien, maar slechts twee hebben gekeken met de ogen van God. Een van die twee is Kaleb. De naam Kaleb betekent ‘van ganser harte’. Hij is die naam waard. Kaleb heeft zich met een ongedeeld, een volkomen toegewijd hart aan de HEERE en Zijn zaak gegeven. Voor hem is de straf die straks komt geen afstel van het ingaan in het land, maar uitstel.

De tien andere mannen die het land verkend hebben, hebben dezelfde zegeningen genoten als Kaleb, maar zij hebben het land nooit in bezit genomen. Zij zijn als de mensen van wie geschreven staat dat ze de gaven van het hemelse land hebben gesmaakt, maar verloren zijn gegaan. Want het is onmogelijk hen die eens verlicht zijn geweest en van de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoten van [de] Heilige Geest geworden zijn, en [het] goede Woord van God en [de] krachten van [de] toekomstige eeuw geproefd hebben en afgevallen zijn, nog eens te vernieuwen tot bekering” (Hb 6:4-6a4Want het is onmogelijk hen die eens verlicht zijn geweest en van de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoten van [de] Heilige Geest geworden zijn,5en [het] goede Woord van God en [de] krachten van [de] toekomstige eeuw geproefd hebben6en afgevallen zijn, nog eens te vernieuwen tot bekering, daar zij voor zichzelf de Zoon van God kruisigen en openlijk te schande maken.). Het gaat hier om mensen die zich nooit waarachtig, met hun hart, tot God hebben bekeerd. Hoewel de tien een ongelovig hart hebben, kunnen ze niet ontkennen dat het land overvloeit “van melk en honing”.

Melk is gezonde voeding die we als baby van onze moeder hebben gekregen. Als gelovigen worden we opgeroepen naar het Woord te verlangen, zoals een baby verlangt naar de melk van zijn moeder (1Pt 2:22Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis;). Honing is een beeld van de natuurlijke betrekkingen tussen de leden van Gods volk en spreekt van de zoetheid van de broederliefde. We vinden in de melk en de honing de zegen van de verticale en horizontale verhoudingen.

De tien verkenners geven een juiste beschrijving. Ze hebben geen andere dingen gezien dan God al vanaf het begin heeft gezegd (Ex 3:88Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.). Maar ze laten hun verslag volgen door een inperkend “echter” (vers 2828Het volk echter dat in dat land woont, is sterk, de steden zijn versterkt [en] heel groot, en ook hebben wij daar nakomelingen van Enak gezien.) en verleggen de nadruk van de zegen naar de vijanden. Toch heeft God hun ook van die vijanden verteld en niet alleen van de zegen.

Al aan Abraham heeft Hij verteld dat zijn nageslacht op weg zou gaan naar een land waarin vijanden zijn (Gn 15:18-2118Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:19de Kenieten, de Kenizieten, de Kadmonieten,20de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten,21de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.). En aan Mozes heeft Hij beloofd – en Mozes heeft dat weer aan het volk voorgehouden – dat Hij de vijanden uit het land zal verdrijven (Ex 23:27-3127De schrik voor Mij zal Ik vóór u uit zenden, en al de volken waaronder u komt, zal Ik in verwarring brengen. En Ik zal al uw vijanden voor u op de vlucht doen slaan.28Ik zal ook horzels vóór u uit zenden; die zullen de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten vóór u uit verdrijven.29Ik zal hen niet in één jaar vóór u uit verdrijven, anders wordt het land een woestenij en worden de [wilde] dieren van het veld u te talrijk.30Ik zal hen geleidelijk vóór u uit verdrijven, totdat u [zo in aantal] toegenomen bent dat u het land in erfbezit kunt nemen.31Ik zal uw grenzen vaststellen, van de Schelfzee tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier, want Ik zal de bewoners van het land in uw hand geven, zodat u hen vóór u uit kunt verdrijven.). Maar als een mens vergeet wat God heeft gezegd, gaat hij de dingen anders zien. Zo voelen de tien zichzelf als sprinkhanen in hun eigen ogen, omdat ze God uit het oog verloren zijn.

De indruk die het ongeloof overdraagt, brengt beroering onder het volk. Kaleb weet precies waarover de anderen het hebben. Hij stelt de zaak niet anders voor en kleineert de gevaren niet. Hij is niet ongevoelig voor de gevaren, maar hij is een man van geloof in wat God heeft gezegd. Dat maakt het verschil. Met een rustig vertrouwen in de macht van God getuigt hij van de zekerheid van de overwinning en brengt hij het volk tot bedaren.

Dan verspreiden “de mannen die met hem opgetrokken waren” een kwaad gerucht van het land. Uitvoerig schilderen ze de onmogelijkheid om het land in bezit te nemen. Een poging daartoe ondernemen staat gelijk aan zelfmoord. Deze wijze van redeneren kunnen we geestelijk toepassen. We redeneren zo, als we bijvoorbeeld anderen zeggen dat het doen van bijbelstudie eigenlijk onzinnig is, dat het zich bezighouden met de zegeningen van Gods land een vermoeiende bezigheid is die alleen maar problemen oplevert. Dan stellen we het hemelse land voor als een gebied waar geen leven mogelijk is. We mogen ons wel afvragen hoe wij spreken over het leven met de Heer en het kennis nemen van wat Hij ons aan geestelijke zegeningen heeft gegeven.


Lees verder