Numeri
Inleiding 1-3 Het volk klaagt en wordt gestraft 4-9 Het voedsel van Egypte en het manna 10-15 Mozes beklaagt zich 16-17 Zeventig oudsten en beambten 18-23 Kwakkels beloofd 24-30 De zeventig oudsten profeteren 31-35 Kwakkels en oordeel
Inleiding

In dit hoofdstuk wordt onze aandacht gevestigd op het gedrag van de Israëlieten in de woestijn. Helaas is het een geschiedenis van voortdurende ontrouw en opstand. Maar het is ook een geschiedenis van de lankmoedigheid en genade van God. Het is een uitermate verootmoedigend beeld dat we te zien krijgen, maar ook heel leerzaam.


Het volk klaagt en wordt gestraft

1En het gebeurde, toen het volk zich beklaagde, [dat] het kwaad was in de oren van de HEERE, want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontbrandde. En het vuur van de HEERE brandde onder hen en verteerde, aan de rand van het kamp. 2Toen riep het volk tot Mozes, en Mozes bad tot de HEERE, en het vuur doofde. 3Daarom gaf hij die plaats de naam Tabera, omdat [daar] het vuur van de HEERE tegen hen gebrand had.

De eerst beschreven gebeurtenissen van de woestijnreis zijn niet die van een volk dat dankbaar en blij op weg gaat naar het beloofde land. Daarvoor heeft God hun wel alle reden gegeven. In Numeri 1-10 heeft Hij hun Zijn aanwijzingen en middelen gegeven als voorbereidingen op de reis door de woestijn. God heeft in alles voorzien, Hij leidt hen. De reis zou niet lang duren, slechts elf dagen (Dt 1:22Vanaf de Horeb in de richting van het Seïrgebergte, tot aan Kades-Barnea, is het elf dagen [reizen].). Al in Numeri 13 komen ze aan bij de grens van het land.

Maar we vernemen niets over hun blijdschap. Nog maar drie dagen zijn ze onderweg of ze beginnen al te klagen. Dat is het eerste wat we lezen. Het volk is, zoals de noot in de Darby-vertaling aangeeft, “als mensen die zich beklagen over het kwaad”. Dat wil zeggen dat ze zich gedragen als mensen die zuchten en kreunen over een ongeluk dat hen is overkomen.

Er is een algemeen gevoel van ontevredenheid ontstaan. Ze klagen over iets wat ze niet met name kunnen noemen, en dat na zoveel goedheid van God. Ze zijn gewoon niet tevreden met wat God hun heeft gegeven. Het kan niet anders of ze tonen hun misnoegen over de moeiten en ontberingen die naar hun gevoelen de woestijnreis oplevert.

Zo is het ook gegaan in de christelijke bedeling. Zie bijvoorbeeld de eerste brief aan de Korinthiërs. In die brief lezen we over de laksheid die in de gemeente heerst. Daar is het niet zozeer het gevolg van ontevredenheid, maar meer van hun opgeblazenheid, hun trots op al hun gaven. Maar de oorsprong is gelijk. Ze denken niet aan de Gever, maar aan zichzelf. Daar ontbrandt als het ware ook het vuur van de Heer wat we zien aan de “vele zwakken en zieken” die er zijn, terwijl “nogal velen zijn ontslapen” (1Ko 11:3030Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken en nogal velen zijn ontslapen.).

Het vuur van Gods oordeel begint aan de rand van het kamp. Zij die het verst van Gods centrum verwijderd zijn, vallen het eerst onder Gods straffende hand. Gelukkig voor het volk is er een voorbidder. Op grond van de voorbede van Mozes komt er een einde aan het oordeel, waarvan het vuur spreekt. Er wordt in de gemeente wel geklaagd en gezeurd over de toestanden die er kunnen heersen, maar waar wordt geholpen het kwaad weg te doen door voorbede?

Er zou nooit een eenentwintigste eeuw zijn geweest voor de christenheid als er geen ware Mozes zou zijn Die tot God roept. Door de voorbede van de Heer Jezus (Rm 8:3434wie is het die veroordeelt? Christus <Jezus> is het Die gestorven is, ja nog meer, Die opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt.; Hb 7:2525Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden.) is de brand van Gods toorn afgewend. Elke zegen, elke opwekking is het gevolg van die voorbede.


Het voedsel van Egypte en het manna

4Het samenraapsel [van vreemdelingen] dat in hun midden verkeerde, werd met gulzigheid bevangen; daarom jammerden ook de Israëlieten opnieuw en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? 5Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de watermeloenen, de prei, de uien en de knoflook. 6Maar nu droogt onze ziel uit, er is helemaal niets dan dit manna voor onze ogen! 7Het manna leek op korianderzaad en de kleur ervan leek op de kleur van balsemhars. 8Het volk liep [overal] rond, verzamelde [het], en maalde het met handmolens, of stampte het fijn met een stamper. Dan kookte men het in een pot en maakte er koeken van. De smaak ervan leek op de smaak van baksel in olie. 9Telkens wanneer de dauw 's nachts op het kamp neerdaalde, daalde [ook] het manna daarop neer.

De zojuist uitgeoefende toorn van de HEERE heeft geen blijvende vrees voor Hem in het hart van het volk bewerkt. Is er in de verzen 1-31En het gebeurde, toen het volk zich beklaagde, [dat] het kwaad was in de oren van de HEERE, want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontbrandde. En het vuur van de HEERE brandde onder hen en verteerde, aan de rand van het kamp.2Toen riep het volk tot Mozes, en Mozes bad tot de HEERE, en het vuur doofde.3Daarom gaf hij die plaats de naam Tabera, omdat [daar] het vuur van de HEERE tegen hen gebrand had. sprake van een algemeen gevoel van onbehagen, nu wordt een concreet kwaad genoemd dat ontstaat bij het “samenraapsel [van vreemdelingen]”. Dit “samenraapsel” bestaat uit mensen die met het volk zijn opgetrokken uit Egypte (Ex 12:38a38Ook trok een grote [groep van] mensen van allerlei herkomst met hen mee, en kleinvee en runderen, zeer veel vee.). Ze behoren niet tot hen die een hoop voor zich hebben. Zij verlangen niet naar het beloofde land. Ze leven alleen voor het hier-en-nu en niet voor de toekomst. De geschiedenis van de christenheid kent veel naamchristenen, mensen die alleen de naam ‘christen’ droegen en dragen, wat betekent dat ze geen leven uit God hebben.

Met hun negatieve houding besmetten zij het hele volk van God. Zo krijgen naamchristenen altijd de vleselijke christenen aan hun kant. Mensen die zich bij Gods volk hebben gevoegd alleen vanwege de prettige gevoelens die dat oplevert, zijn nooit los gekomen van de wereld. Als het christelijk leven toch niet oplevert wat ze ervan hebben verwacht, gaan ze, in beeld, terugverlangen naar Egypte. Voor het gemak denken ze dan niet aan de zware slavernij, maar aan de genoeglijke kanten ervan. De onaangename dingen worden weggeduwd.

In Exodus horen we het volk alleen jammeren over de zware dienst. Na een kort verblijf in de woestijn zijn ze dat vergeten en is hun enige gedachte aan het voedsel van Egypte (verzen 5-65Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de watermeloenen, de prei, de uien en de knoflook.6Maar nu droogt onze ziel uit, er is helemaal niets dan dit manna voor onze ogen!). Dat voedsel bestaat uit zes pittige, gekruide soorten. Het is pikant van smaak, maar zonder voedingswaarde. Ook zorgen ze voor een slechte adem. Het is een treffend beeld van wat de wereld biedt: tijdschriften, films, muziek, die aantrekkelijk zijn voor het vlees, maar het hart geen voldoening geven. Tevens is een gevolg van het nuttigen van dit voedsel dat er een slechte geur om ons heen hangt; ons gedrag wordt erdoor verdorven. Daartegenover staat het voedsel van het land. Dat bestaat uit zeven voedzame en smakelijke soorten (Dt 8:88een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een land met olierijke olijfbomen en honing;). Het gebruik van dat voedsel zal ons een gedrag en uitstraling geven waarin de Heer Jezus wordt gezien.

De “geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus” waarmee God ons heeft gezegend (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,) vervagen als we ons tekortgedaan voelen ten opzichte van de weelde waarin de mensen van de wereld soms baden. Maar de werkelijke reden is dat we het voedsel dat God geeft, het manna, verachten.

Het manna is een beeld van de Heer Jezus als “het brood dat uit de hemel daalt, opdat men daarvan eet en niet sterft” (Jh 6:5050Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat men daarvan eet en niet sterft.). Hij is ons voedsel. We voeden ons met Hem als we over Hem lezen in de evangeliën, als we denken aan de wijze waarop Hij op aarde Zijn weg is gegaan, de gezindheid waarin Hij alles heeft gedaan, de woorden die Hij heeft gesproken, de daden die Hij heeft gedaan en Zijn gevoelens bij dit alles. Dit voedsel is het voedsel van de eeuwigheid. Als we nu niet aan Hem genoeg hebben, hoe zal dat dan in de eeuwigheid moeten? In de hemel hebben we niets en niemand anders dan Hij.

Het enige verschil tussen nu en straks is dat we straks het vlees niet meer hebben. De Heer Jezus is en blijft Dezelfde, maar het vlees verlangt naar de dingen van de wereld. We willen het plezierige van de wereld, maar niet het oordeel. Als de wereld ons weer aantrekt, komt dat omdat we de Heer Jezus als het ware manna verachten, dat we vinden dat Hij ons niet genoeg te bieden heeft. Het hart kent dan niet meer de kracht van de woorden die de Heiland heeft gesproken: “Wie tot Mij komt, zal nooit meer honger hebben” (Jh 6:3535Jezus zei tot hen: Ik ben het brood van het leven; wie tot Mij komt, zal nooit meer honger hebben; en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.).

De beschrijving van het manna gebeurt in termen van vergelijking (vers 77Het manna leek op korianderzaad en de kleur ervan leek op de kleur van balsemhars.; Ex 16:14,3114Toen de laag dauw opgetrokken was, zie, over de woestijn lag [iets] fijns, [iets] vlokkigs, fijn als de rijp op de aarde.31Het huis van Israël gaf het de naam manna. Het was wit als korianderzaad, en de smaak ervan was als van een honingkoek.). Het wordt vergeleken met korianderzaad en met balsemhars of (meer waarschijnlijk) de bedólah, een edelsteen. Het geeft de kenmerken van het leven van de Heer Jezus. Dat is als het korianderzaad: wit, volmaakt rein en volkomen evenwichtig. Wie Hem ziet en er oog voor heeft, ziet in Hem “een uitverkoren kostbare hoeksteen” (1Pt 2:66Want er staat in [de] Schrift: ‘Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren, kostbare hoeksteen, en wie in Hem gelooft, zal geenszins beschaamd worden’.).

Het volk handelt met het manna op een manier die God niet heeft bevolen (vers 88Het volk liep [overal] rond, verzamelde [het], en maalde het met handmolens, of stampte het fijn met een stamper. Dan kookte men het in een pot en maakte er koeken van. De smaak ervan leek op de smaak van baksel in olie.). Het is ermee als met het op smaak brengen van de Bijbel. Dat herkennen we in het maken van bijbelvertalingen met het doel om die verkoopbaar te maken. De waarheden van de Schrift worden op een populaire manier vertaald of zelfs verfilmd en dan aan het publiek aangeboden. Maar het is allemaal omdat de mensen de ongemengde waarheid van de Heer Jezus niet (meer) kunnen verdragen. Ze zoeken iets wat hun goed ligt (2Tm 4:33Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen;).

Er is nog wel de smaak van olie, een beeld van de Heilige Geest. Het wordt nog wel gebracht als iets wat over God spreekt. De Heilige Geest wil het soms ook gebruiken om er mensen door te overtuigen dat ze met God te maken hebben. Dat “de smaak ervan was als van een honingkoek” (Ex 16:3131Het huis van Israël gaf het de naam manna. Het was wit als korianderzaad, en de smaak ervan was als van een honingkoek.), wordt er hier niet bij vermeld. De zoetigheid van de omgang met de Heer Jezus die we genieten als we het Woord van God lezen (Ez 3:33Hij zei tegen mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik en hij werd in mijn mond als honing zo zoet.) is er niet in aanwezig.

Het manna wordt verbonden met de dauw (vers 99Telkens wanneer de dauw 's nachts op het kamp neerdaalde, daalde [ook] het manna daarop neer.; Ex 16:1414Toen de laag dauw opgetrokken was, zie, over de woestijn lag [iets] fijns, [iets] vlokkigs, fijn als de rijp op de aarde.). Dauw is een verkwikking. Manna verkwikt de ziel. God zorgt voor het voedsel, terwijl het volk slaapt. Zijn zorg is er dag en nacht. Als ze opstaan, kunnen ze wat God heeft klaargelegd tot zich nemen. Het manna is het dagelijkse getuigenis van Gods dagelijkse zorg.


Mozes beklaagt zich

10Toen hoorde Mozes het volk jammeren, geslacht na geslacht, ieder voor de ingang van zijn tent. En de toorn van de HEERE ontbrandde hevig; ook in de ogen van Mozes was het kwalijk. 11En Mozes zei tegen de HEERE: Waarom hebt U Uw dienaar kwaad gedaan en waarom heb ik geen genade gevonden in Uw ogen, dat U de last van heel dit volk op mij legt? 12Ben ik [soms] zwanger geweest van heel dit volk? Of heb ík het gebaard, zodat U tegen mij zou kunnen zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een verzorger een zuigeling draagt, naar het land dat U hun vaderen gezworen hebt? 13Waar zou ik vlees vandaan moeten halen om al dit volk te geven? Want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees, zodat wij kunnen eten! 14Ik alleen kan al dit volk niet dragen, want het is mij te zwaar. 15En als U mij zo wilt behandelen, dood mij dan toch meteen, als ik genade in Uw ogen gevonden heb, en laat mij mijn onheil niet aanzien!

Het gejammer is algemeen. Mozes is verontwaardigd over de houding van het volk tegenover de gave van God in het manna. Hij beklaagt zich over het volk bij de HEERE. Het wordt hem allemaal te veel. In zijn woorden klinkt door dat hij meent dat hij voor vlees moet zorgen en dat hij het volk moet dragen. Hij is vergeten dat niet hij voor vlees moet zorgen of het volk moet dragen, maar dat God dat doet (Ex 19:44U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en [hoe] Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb.; Dt 1:3131en in de woestijn, waar u gezien hebt dat de HEERE, uw God, u gedragen heeft, zoals een man zijn zoon draagt, op heel de weg die u gegaan bent, totdat u op deze plaats gekomen bent.). God verwacht die dingen ook niet van hem.

Als de Heer ons de taak opdraagt om leiding te geven te midden van het volk, kunnen we soms ook het gevoel krijgen dat we hier bij Mozes waarnemen. Ook wij kunnen denken dat wij het hele getuigenis van God op onze schouders moeten dragen. Dan worden we net als Mozes. We nemen dan iets op ons wat God ons niet heeft opgelegd. We mogen alles aan Hem toevertrouwen. Hij zal Zelf Zijn volk veilig aan het einde brengen. Het is goed de nood van het volk te voelen en tegelijk te beseffen dat God die nood kent, nog veel beter dan wij. Dat mag ons uitdrijven tot gebed.


Zeventig oudsten en beambten

16De HEERE zei tegen Mozes: Verzamel voor Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, van wie u weet dat zij de oudsten van het volk zijn en de beambten ervan. U moet hen bij de tent van ontmoeting brengen en zij moeten daar bij u gaan staan. 17Dan zal Ik neerdalen en daar met u spreken. En van de Geest Die op u is, zal Ik [een deel] afzonderen en op hen leggen. Zij zullen samen met u de last van dit volk dragen, zodat u die niet zelf alleen hoeft te dragen.

Mozes moet zeventig mannen samenbrengen. Ze worden “oudsten” en “beambten” genoemd. Het zijn twee namen voor dezelfde personen. Bij het gebruik van het woord “oudsten” ligt de nadruk erop dat het om ervaren, levenswijze mensen gaat; het ziet meer op de persoon. Bij het gebruik van het woord “beambten” of “opzieners” staat meer de taak die ze verrichten op de voorgrond. In het Nieuwe Testament zijn oudsten en opzieners ook twee namen voor dezelfde persoon (Hd 20:17,2817Hij nu zond van Miléte [een boodschap] naar Efeze en riep de oudsten van de gemeente bij zich.28Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].; Tt 1:5,75Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb.7Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit,).

Van de Geest Die op Mozes is, zal de HEERE een deel afzonderen en op de oudsten leggen. Sommigen zien hier dat van de geest van Mozes (er is dan geen sprake van de Geest van God, maar de eigen geest van Mozes) een deel wordt weggenomen en op anderen wordt gelegd. De les is dan, dat als wij falen, God soms een bijzonder voorrecht in een bepaalde taak van ons wegneemt, om die taak met anderen te delen. Daardoor kunnen we een deel van ons loon verliezen. De taak die Mozes van de HEERE heeft gekregen, gaat zijn krachten niet te boven, want de HEERE legt geen ondraaglijke last op. Hij geeft met de opdracht ook de kracht.

Als het gaat om de Geest van God Die op Mozes is – zoals de HSV laat veronderstellen door ‘Geest’ met een hoofdletter te schrijven –, ligt de betekenis anders. Mozes kan niets verliezen “van de Geest” Die op hem is, terwijl God wel van dezelfde Geest ook aan anderen kan geven. Het is ermee als met een brandend stuk hout. Als dat brandende stuk hout een ander stuk hout aansteekt, verliest het niets van het eigen vuur, maar het vuur neemt er juist door toe. Zo werkt het ook met de Geest van God. Als wij meer Zijn werk in anderen aanwakkeren, zal daardoor nooit de volle maat van de Geest die wij hebben ontvangen (Jh 3:34b34Want Hij Die God heeft gezonden, spreekt de woorden van God; want Hij geeft de Geest niet met mate.), verminderen.

De zeventig oudsten zijn door hun leeftijd en ervaring geschikt om van de taak van Mozes over te nemen. Nu worden ze door de Geest bekwaam gemaakt om hun taak ook uit te voeren. Opmerkelijk is dat van de Geest van Mozes wordt gegeven aan maar liefst zeventig oudsten. Dat laat iets zien van de omvang van de taak van Mozes. Zijn taak is zo omvangrijk, dat die over niet minder dan zeventig anderen moet worden gedeeld.

De aanleiding van deze verdeling van de Geest ligt in de voorgaande verzen. Daar beklaagt Mozes zich er bij de HEERE over dat hij niet in staat is alleen de last van dit hele volk te dragen. Het kan zijn dat dit een verwijtbaar geklaag is, met als resultaat het verlies van een bepaalde geestelijke kracht die dan naar anderen gaat. Het is echter ook mogelijk dat het laat zien hoezeer Mozes een vertrouwelijke omgang met de HEERE heeft. Het gevolg daarvan is dat er niet een vermindering van de Geest plaatsvindt, maar juist een vermeerdering. God zou Mozes in staat kunnen stellen om het helemaal alleen te doen. Hij doet het echter anders en wel op een manier dat het een manifestatie van de Geest wordt in zeventig anderen.

Het zal het verlangen zijn van ieder die de Geest in zijn leven laat werken, dat diezelfde Geest ook in het leven van anderen zal gaan werken. Zoals alle zeventig oudsten van de Geest krijgen, zo kunnen ook alle gelovigen van Gods Geest krijgen. Iedere gelovige bezit de Geest wel inwonend, maar niet in iedere gelovige krijgt de Geest van God de ruimte om te werken. In een wat ander verband, maar met dezelfde gedachte, spoort Paulus Timotheüs aan “de genadegave van God” die in hem is, “aan te wakkeren” (2Tm 1:66Om die reden herinner ik je eraan de genadegave van God aan te wakkeren, die in je is door de oplegging van mijn handen.). Aanwakkeren heeft met vuur te maken. De vermaning “weest vurig van geest” (Rm 12:1111Weest niet traag in de ijver; weest vurig van geest; dient de Heer.) sluit hierbij aan.

Bij het ontstaan van de gemeente zien we dat tongen als van vuur zich verdelen en zich op ieder van de vergaderde gelovigen zet (Hd 2:33En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.). Hier zien we hoe de Geest zowel het hele huis als de individuele gelovige vervult. Deze verdeling vermindert de Geest niet, maar hierdoor wordt juist voor anderen zichtbaar dat de enkeling ermee vervuld is. Dat zien we ook bij de zeventig oudsten als ze gaan profeteren (Nm 11:2525Toen daalde de HEERE neer in de wolk en sprak tot hem, en Hij zonderde [een deel] af van de Geest Die op hem was, en droeg [dat] over op de zeventig mannen, die oudsten. En het gebeurde, toen de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.). De les voor ons is, dat wij als het ware moeten gaan ‘vlammen’, waardoor anderen worden aangestoken.


Kwakkels beloofd

18En tegen het volk moet u zeggen: Heilig u tegen morgen, en u zult vlees eten. U hebt immers ten aanhoren van de HEERE gejammerd: Wie zal ons vlees te eten geven? We hadden het zo goed in Egypte! Daarom zal de HEERE u vlees geven, en u zult eten. 19U zult [het] niet één dag eten, geen twee dagen, geen vijf dagen, geen tien dagen, en geen twintig dagen, 20[maar] tot een volle maand, totdat het u de neus uit komt en u ervan walgt. Want u hebt de HEERE, Die in uw midden is, verworpen, en hebt voor Zijn aangezicht gejammerd: Waarom zijn wij eigenlijk uit Egypte vertrokken? 21En Mozes zei: Dit volk, in het midden waarvan ik verkeer, bestaat uit zeshonderdduizend [man] te voet, en Ú zegt: Ik zal hun vlees geven en zij zullen er een volle maand van eten! 22Kunnen dan voor hen [zo veel stuks] kleinvee en runderen geslacht worden, dat het voor hen genoeg zal zijn? Kunnen soms al de vissen in de zee voor hen verzameld worden, dat het voor hen genoeg zal zijn? 23Maar de HEERE zei tegen Mozes: Is de hand van de HEERE te kort? Nu zult u zien of Mijn woord werkelijkheid voor u zal worden, of niet.

God gaat vlees geven. Maar Hij doet dat op een wijze waardoor het volk ten volle het verschrikkelijke van wat het heeft gevraagd, zal ervaren. Wanneer wij erop staan dat God ons geeft wat Hij niet voor ons heeft bedoeld, kan Hij ons ten slotte geven wat we van Hem eisen, maar met gevolgen die rampzalig zijn. Het volk moet de dwaasheid van hun begeerte aan den lijve ondervinden. De kwakkels zijn in Exodus 16 een zegen. Daar dienen ze als een voorbereiding op het manna. Hier zullen de kwakkels komen als een vloek.

Mozes denkt nog steeds dat hij het middelpunt van het volk is. Hij meent nog steeds dat hij het volk vlees moet geven (verzen 13,21-2213Waar zou ik vlees vandaan moeten halen om al dit volk te geven? Want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees, zodat wij kunnen eten!21En Mozes zei: Dit volk, in het midden waarvan ik verkeer, bestaat uit zeshonderdduizend [man] te voet, en Ú zegt: Ik zal hun vlees geven en zij zullen er een volle maand van eten!22Kunnen dan voor hen [zo veel stuks] kleinvee en runderen geslacht worden, dat het voor hen genoeg zal zijn? Kunnen soms al de vissen in de zee voor hen verzameld worden, dat het voor hen genoeg zal zijn?). Soms zijn we hardleers, net als ook de discipelen dat zijn (Mk 8:4,14-214En Zijn discipelen antwoordden Hem: Waarvandaan zal iemand dezen met broden kunnen verzadigen hier in een woestijn?14En zij hadden vergeten broden mee te nemen, en behalve één brood hadden zij niets bij zich in het schip.15En Hij gebood hun en zei: Let op <en> kijkt uit voor het zuurdeeg van de farizeeën en voor het zuurdeeg van Herodes.16En zij overlegden onder elkaar <en zeiden> dat zij geen broden hadden.17En Hij merkte dit en zei tot hen: Waarom overlegt u dat u geen broden hebt? Begrijpt u nog niet en beseft u niet? Hebt u <nog> uw verharde hart?18Hebt u ogen en kijkt u niet, en hebt u oren en hoort u niet?19En herinnert u zich niet, toen Ik de vijf broden brak voor de vijfduizend, hoeveel volle korven met brokken u opnam? Zij zeiden tot Hem: Twaalf.20En toen Ik de zeven brak voor de vierduizend, hoeveel volle manden met brokken u opnam? En zij zeiden <tot Hem>: Zeven.21En Hij zei tot hen: Beseft u nog niet?). We moeten Mozes maar niet te hard vallen. Hij heeft te maken met een hardnekkig volk. De HEERE stelt hem een geloofsvraag en belooft hem tevens dat Hij waarmaakt wat Hij heeft toegezegd.


De zeventig oudsten profeteren

24Mozes ging naar buiten en sprak de woorden van de HEERE tot het volk. En hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten van het volk en stelde hen op rondom de tent. 25Toen daalde de HEERE neer in de wolk en sprak tot hem, en Hij zonderde [een deel] af van de Geest Die op hem was, en droeg [dat] over op de zeventig mannen, die oudsten. En het gebeurde, toen de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer. 26Twee mannen echter waren in het kamp achtergebleven. De naam van de ene was Eldad, en de naam van de andere Medad. De Geest rustte op hen – zij behoorden namelijk tot de aangeschrevenen, maar waren niet naar de tent vertrokken – en zij profeteerden in het kamp. 27Een jongen liep snel weg en vertelde [het] aan Mozes, en zei: Eldad en Medad profeteren in het kamp. 28Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgekozen [jongeren], antwoordde en zei: Mijn heer Mozes, belet het hun! 29Maar Mozes zei tegen hem: Zet u zich voor mij in? Och, of allen van het volk van de HEERE profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gaf! 30Daarna trok Mozes zich in het kamp terug, hij en de oudsten van Israël.

Voordat de kwakkels komen, vergadert Mozes eerst de zeventig oudsten. De HEERE neemt een deel van zijn geest en legt die op de oudsten. We lezen dat de Geest “op hen rustte”. Dat geeft prachtig aan dat de Geest rust bij hen vindt. Het is zoals de Geest Die als een duif op de Heer Jezus neerdaalt en dan op Hem blijft (Jh 1:33b33En ik kende Hem niet; maar Hij Die mij heeft gezonden om te dopen met water, Die zei mij: Op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het Die met [de] Heilige Geest doopt.). Als de Geest rust bij ons vindt, kunnen we met elkaar de dingen van God gaan delen. Door de Geest Die op hen rust, gaan de oudsten profeteren. Dat doen ze tijdelijk. Profetie is de toepassing van het Woord op hart en geweten (1Ko 14:33Maar wie profeteert, spreekt voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting.).

Twee van de zeventig zijn achtergebleven in het kamp. Er is een bijzondere leiding van Gods voorzienigheid in te zien, dat deze twee afwezig zijn, want zo blijkt het dat het inderdaad de Geest van God is, door Wie deze oudsten gedreven worden. Dus niet Mozes heeft hun die Geest gegeven, maar God Zelf. Misschien dat deze twee, zo is wel verondersteld, te bescheiden zijn geweest om aan de oproep van Mozes gehoor te geven. Toch geeft God hun Zijn Geest en dringt Hij hen ertoe te profeteren. Dat zij in Gods gunst staan, kunnen we mogelijk afleiden uit het feit dat God ons van hen, en van hen alleen, hun namen bekendmaakt. Hij weet volkomen te waarderen wat voor Hem wordt gedaan, ook al gebeurt het in het kamp en niet bij de tent der samenkomst.

Hoewel ze niet aanwezig zijn waar ze moeten zijn, profeteren ze toch. Een jongeman meldt dat aan Mozes. Jozua hoort het bericht hierover en vindt dat de twee mannen moeten ophouden met profeteren. Naar zijn mening zijn zij daartoe niet bevoegd omdat ze niet op de juiste plaats zijn, bij de tent waar de HEERE in de wolk aanwezig is. Maar Mozes heeft de les geleerd. Hij verhindert het niet. De Heer Jezus heeft Zijn discipelen die les ook geleerd (Mk 9:38-4138Johannes zei tot Hem: Meester, wij zagen iemand <die ons niet volgt,> in Uw Naam demonen uitdrijven, en wij hebben het hem verhinderd, omdat hij ons niet volgde.39Jezus echter zei: Verhindert het hem niet; want er is niemand die een kracht zal doen in Mijn Naam en kort daarna smadend van Mij zal kunnen spreken.40Want wie niet tegen ons is, is voor ons.41Want wie u een beker water zal te drinken geven vanwege het feit dat u van Christus bent, voorwaar, Ik zeg u, dat hij zijn loon geenszins zal verliezen.). Paulus heeft van de Heer Jezus geleerd en toont een gezindheid gelijk aan die van Mozes (Fp 1:15-1815Wel prediken ook sommigen Christus uit afgunst en twist, maar sommigen ook met goede bedoelingen.16Dezen wel uit liefde, daar zij weten dat ik tot verdediging van het evangelie ben gesteld;17maar de anderen verkondigen Christus uit partijzucht, niet zuiver, met de bedoeling verdrukking aan mijn gevangenschap toe te voegen.18Wat doet het ertoe? In elk geval wordt op allerlei wijze, hetzij onder een voorwendsel, hetzij in waarheid, Christus verkondigd; en daarin verblijd ik mij, ja, zal ik mij ook verblijden.).

Mozes erkent dat God hen gebruikt op die plaats en dat zij daar tot zegen voor anderen zijn. Het is altijd goed te erkennen dat God soeverein blijft in het uitdelen van Zijn Geest. De namen van de twee worden met nadruk vermeld. Eldad betekent ‘God heeft liefgehad’ en Medad betekent ‘geliefde’. In deze namen vinden we dus een ontplooiing van liefde en dat op een plek waar ze feitelijk niet moeten zijn. Het is een openbaring van liefde die vaak ontbreekt bij hen die, mogelijk terecht, zeggen dat zij op de juiste plaats zijn, namelijk die plaats waar de Heer Jezus in het midden is (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Zo’n openbaring van liefde dient tot beschaming van allen die wel veel over liefde kunnen zeggen, maar daar in de praktijk niet naar handelen.

Als wij erin falen om de waarheid van Gods Woord over het samenkomen van de gelovigen in liefde vast te houden (Ef 4:1515maar terwijl wij de waarheid vasthouden in liefde, in alles opgroeien tot Hem Die het hoofd is, Christus,), zal God anderen gebruiken die mogelijk minder inzicht hebben. De Heer zegt: “Wie niet tegen ons is, is voor ons” (Mk 9:4040Want wie niet tegen ons is, is voor ons.). Dat moet ons onderwijs geven over onze beoordeling van wat anderen voor de Heer doen. Het verbiedt ons een streep te zetten door activiteiten alleen omdat ze niet ‘van ons’ uitgaan.

Uit de reactie van Mozes op het voorstel van Jozua blijkt dat hij niet zijn eigen eer zoekt, maar die van de HEERE en dat hij het welzijn van het volk op het oog heeft. In de gemeente mag er ook het verlangen zijn dat “allen, een voor een, profeteren, opdat allen leren en allen vertroost worden” (1Ko 14:3131Want u kunt allen, een voor een, profeteren, opdat allen leren en allen vertroost worden.). Dit sluit een eenmansbediening uit. Het is belangrijk dit verlangen te hebben en anderen ertoe aan te zetten zich te laten gebruiken voor deze dienst. Jaloersheid moet hierbij geoordeeld worden. Niemand mag zich aanmatigen als enige tot deze dienst bekwaam of bevoegd te zijn. Niemand moet ook menen dat alles wat in hem opkomt, ook per se naar voren gebracht moet worden, want “[de] geesten van [de] profeten zijn aan [de] profeten onderworpen” (1Ko 14:3232En [de] geesten van [de] profeten zijn aan [de] profeten onderworpen.).

Profeteren is, zoals gezegd, spreken “voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting” (1Ko 14:33Maar wie profeteert, spreekt voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting.). De vraag is in hoever het verlangen bij ons aanwezig is en in hoever de vrijheid ertoe aanwezig is. Is onze relatie met de Heer Jezus om jaloers op te worden, zoals bij Mozes? Profeteren is dat spreken wat nodig is met het oog op de toestand van Gods volk of van een enkele ziel op dat moment. Als we afhankelijk zijn van de Heer en we hebben de wens om de Zijnen te dienen, zal Hij de woorden geven die nodig zijn.

De verzuchting van Mozes: “Och, of allen van het volk van de HEERE profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gaf!” zal in de toekomst werkelijkheid worden. De profeet Joël spreekt daarover in zijn profetie: “Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten” (Jl 2:28-2928Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen
zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.
)
.

De wens van Mozes is bij Joël een belofte van de HEERE geworden: zonen en dochters zullen profeteren. Hiervoor is wel een door de Geest bezield leven nodig. Alleen daardoor is men ontvankelijk voor Goddelijke openbaringen. Dat zal het geval zijn bij allen die het vrederijk zullen binnengaan. Profeteren is het spreken uit de tegenwoordigheid van God met kennis van Zijn wil. God zal aan de ouden Zijn wil door dromen bekendmaken en aan jongelingen door gezichten.

In het Oude Testament zien we dat de Geest niet algemeen gebruikmaakt van ieder lid van het volk. Hij verricht Zijn werk vooral door middel van koningen, priesters en profeten. In de toekomst zal dat anders zijn. Dan ontvangen alle lagen van het volk, zelfs slaven en slavinnen, deze gave. Er zal geen onderscheid zijn naar geslacht, leeftijd (voor God bestaat er geen generatiekloof) of maatschappelijke status. De ouden, bij wie de kracht afneemt of zelfs weg is, en de jongen, die nog weinig of geen ervaring hebben in de dingen van God, zullen van God openbaringen krijgen in dromen en gezichten.


Kwakkels en oordeel

31Toen stak er van [de kant van] de HEERE een wind op en voerde kwakkels aan vanaf de zee, en verspreidde ze boven het kamp, ongeveer een dagreis naar de ene kant en een dagreis naar de andere kant, rondom het kamp, ongeveer twee el [hoog] boven het aardoppervlak. 32En het volk stond op, die hele dag en die hele nacht, en heel de volgende dag, en men verzamelde de kwakkels. Wie het minst had, had tien homer verzameld, en men spreidde ze wijd voor zich uit, rondom het kamp. 33Het vlees zat nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, of de toorn van de HEERE ontbrandde tegen het volk, en de HEERE bracht het volk een zeer grote slag toe. 34Daarom gaf men die plaats de naam Kibroth-Taäva, want daar hadden zij het volk dat zo gulzig geweest was, begraven. 35Van Kibroth-Taäva trok het volk verder naar Hazeroth, en zij bleven in Hazeroth.

Er komt een overweldigende massa vlees (Ps 78:26-3126Hij deed de oostenwind opsteken langs de hemel
en voerde door Zijn macht de zuidenwind aan.
27Hij liet vlees op hen regenen als stof
en gevleugelde vogels als zand van de zee.
28Hij deed het vallen midden in Zijn kamp,
rondom Zijn woningen.
29Toen aten zij en werden volop verzadigd,
omdat Hij hun bracht wat zij begeerden.
30Zij waren van hun begeerte [nog] niet bekomen,
hun voedsel was nog in hun mond,
31of Gods toorn laaide tegen hen op:
Hij doodde de welgedane [mensen] onder hen
en velde de besten van Israël neer.
)
. Dat zou hen tot beschaming moeten bewegen. Ze hebben eraan getwijfeld of God het kan. Nu krijgen ze het. Maar in plaats van dat het hen op God werpt, werpen zij zich op het vlees. Het brengt hen niet tot God in verootmoediging, maar tot een openbaring van hun lusten, het bewijs dat hun god de buik is (Fp 3:1919hun einde is [het] verderf, hun God is de buik en hun heerlijkheid is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen.).

Dan is Gods geduld met hen op. Ook in algemene zin zal er een einde aan Gods verdraagzaamheid komen. Zijn toorn ontbrandt. Velen worden neergeveld. Het opschrift op hun grafsteen luidt: ’Het gulzige volk’. Hoe zal het opschrift op onze grafsteen luiden? Hoe zullen de mensen zich ons herinneren?

In Exodus 16 is de les dat gelovigen moeten leren zich van dag tot dag te voeden met het manna, een beeld van de Heer Jezus in Zijn leven op aarde. Maar het eten van het manna kan pas gebeuren nadat men zich heeft gevoed met het vlees van de Heer Jezus, ofwel Zijn dood. Het gevolg van dit eten is het deel krijgen aan de zegen van het eeuwige leven (Jh 6:53-5453Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij u het vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn bloed drinkt, hebt u geen leven in uzelf.54Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag.). Daarvan zijn de kwakkels in Exodus 16 een beeld.

Hier in Numeri 11 zijn de kwakkels ook een beeld van diezelfde dood van de Heer Jezus. Maar het gevolg hier is oordeel. De dood van Christus is een zegen als we ons met Hem voeden om bevrijd te worden van onze zonden. De dood van Christus is een vloek voor hen die van Hem walgen. Hij is het door Wie God het aardrijk zal oordelen (Hd 17:3131omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken.; Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.; Op 20:1111En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.).

Na het gebeuren met de kwakkels trekt het volk op naar Hazeroth.


Lees verder