Numeri
1-10 De zilveren trompetten 11-28 Israël breekt op uit de woestijn Sinaï 29-34 Mozes vraagt Hobab hen te leiden 35-36 Opbreken en rusten van de ark
De zilveren trompetten

1De HEERE sprak tot Mozes: 2Maak voor u twee zilveren trompetten; van gedreven werk moet u ze maken. Ze dienen u tot het samenroepen van de gemeenschap en tot het opbreken van de kampen. 3Als zij daarop blazen, moet heel de gemeenschap zich bij u verzamelen, bij de ingang van de tent van ontmoeting. 4Als zij er echter maar op één blazen, moeten de leiders, de hoofden van de duizenden van Israël, zich bij u verzamelen. 5Als u met een onderbroken klank blaast, moeten de kampen die aan de oostkant hun kamp opgeslagen hebben, opbreken. 6Als u voor de tweede keer met een onderbroken klank blaast, moeten de kampen die aan de zuidkant hun kamp opgeslagen hebben, opbreken; van rustplaats tot rustplaats moeten ze met een onderbroken klank blazen. 7Bij het bijeenroepen van de gemeente moet u echter [wel] blazen, maar geen onderbroken klank laten horen. 8En de zonen van Aäron, de priesters, moeten op die trompetten blazen. Het zal voor u tot een eeuwige verordening zijn, [al] uw generaties door. 9Wanneer u dan in uw land ten strijde trekt tegen de tegenstander die u benauwt, moet u met die trompetten een onderbroken klank laten horen. Dan zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden. 10En op de dag van uw blijdschap, op uw feestdagen en aan het begin van uw maanden moet u ook op de trompetten blazen, bij uw brandoffers en bij uw dankoffers. Ze dienen u tot gedachtenis voor het aangezicht van uw God. Ik ben de HEERE, uw God.

Er is, naast de wolkkolom, nog een middel waardoor God Zijn volk wil leiden: twee zilveren trompetten. Trompetten zijn niet, zoals de wolkkolom, om naar te kijken, maar om naar te luisteren. De wolkkolom is zichtbaar, de trompetten zijn hoorbaar. De trompetten zijn de stem van de HEERE Die tot hen spreekt. Ze stellen het Woord van God voor, waarin Hij Zijn wil nadrukkelijk bekendmaakt.

Het zijn “zilveren” trompetten. Het is, om zo te zeggen, een stem van zilver. De stem van God, Zijn Woord, is niet zomaar een stem. Het zilver spreekt van de prijs die voor de verzoening is betaald. De stem van de Heer Jezus is de stem van onze Verlosser. Het zijn trompetten van “gedreven” zilver, dat wil zeggen dat dit zilver geslagen is. Dat doet eraan denken dat Hij Die spreekt, de goede Herder is Die voor ons werd geslagen (Zc 13:7a7Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder
en tegen de Man Die Mijn Metgezel is,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Sla die Herder
en de schapen zullen overal verspreid worden.
[Maar] Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.
)
.

De trompetten, het Woord, worden hoofdzakelijk gebruikt voor twee redenen:
1. als de gemeente moet worden samengeroepen (vgl. Js 27:1313Op die dag zal het gebeuren
dat op een grote bazuin geblazen zal worden.
Dan zullen zij komen die verloren waren in het land van Assyrië,
die verdreven waren naar het land Egypte.
En zij zullen zich voor de HEERE neerbuigen
op de heilige berg in Jeruzalem.
; Jl 2:1515Blaas de bazuin in Sion,
kondig een vasten[tijd] af,
roep een bijzondere samenkomst bijeen.
)
2. als de kampen moeten opbreken.

Ze worden geblazen door de priesters, niet door de Levieten. Niet de broeders die met het Woord dienen (Levieten), maar gelovigen die gewend zijn gemeenschap met God in het heiligdom te hebben, die Zijn gedachten kennen en weten wat passend is voor Hem, laten Zijn gedachten horen. Dat is niet alleen in de samenkomsten, maar in het leven van elke dag. Zulke gelovigen verstaan snel wat God wil. Zij zijn in staat om Zijn wil, Zijn Woord, aan anderen door te geven en zo de richting te bepalen waarheen het getuigenis zich moet bewegen.

We komen samen omdat Gods Woord ons daartoe aanmoedigt (Hb 10:2525en laten wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen gewoon zijn, maar [elkaar] vermanen en dat zoveel temeer naarmate u de dag ziet naderen.). De HEERE nodigt Zijn volk uit om in Zijn tegenwoordigheid te komen “bij de ingang van de tent der samenkomst” (vers 33Als zij daarop blazen, moet heel de gemeenschap zich bij u verzamelen, bij de ingang van de tent van ontmoeting.). Het samenkomen mag geen kwestie van sleur zijn, maar gebeurt op uitnodiging van Hem Die ons heeft gekocht met de prijs van Zijn bloed. Als we de Heer Jezus horen zeggen: “Doet dit tot Mijn gedachtenis” (1Ko 11:2424en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.), dan kómen we toch?

Als we ons voorbereiden op de samenkomst, als we vooraf priesterlijke oefeningen hebben, komen we anders dan alleen uit gewoonte. Zo gaan we ook naar de samenkomst om naar het Woord te luisteren en samen te bidden. De Heer is daar op dezelfde wijze en even persoonlijk als tijdens het avondmaal. Wanneer we als gemeente samenkomen, is Hij daar in het midden (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).

Een stoot op één trompet (vers 44Als zij er echter maar op één blazen, moeten de leiders, de hoofden van de duizenden van Israël, zich bij u verzamelen.) klinkt half zo hard als op twee trompetten. Maar de geoefende oren van de leiders nemen die stoot waar. Broeders en zusters met een hart voor het hele volk van God in verbinding met de belangen van de Heer, hebben als het ware aan een half woord van de Heer genoeg om te gehoorzamen aan wat Hij zegt. Bij allerlei moeilijkheden weten zij wat de Heer wil, waar anderen dat niet weten, of helemaal geen problemen zien.

Als het alarmsignaal wordt geblazen, moet het kamp opbreken (vers 55Als u met een onderbroken klank blaast, moeten de kampen die aan de oostkant hun kamp opgeslagen hebben, opbreken.). Dus niet alleen het optrekken van de wolkkolom is bepalend. Het is niet voldoende zich alleen te laten leiden door de Heilige Geest. De maatstaf is het Woord van God. Nooit zal de Heilige Geest iets bewerken wat in strijd is met het Woord van God. Zo zal een zuster nooit kunnen zeggen dat de Heilige Geest haar duidelijk heeft gemaakt een lied op te geven of een woord door te geven in de gemeente. Het Woord gebiedt vrouwen namelijk te zwijgen in de gemeente (1Ko 14:3434Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt.). Maar een zuster die een zorg bekendmaakt over een situatie in de gemeente, kan wel degelijk een trompetblazer zijn.

Zij die aan de oostzijde leven, horen het eerst de trompet. De oostzijde spreekt van het uitzien naar de komst van de Heer, de opgaande Zon. Zij die de Heer verwachten, herkennen het snelst Zijn stem. Daarna volgen zij die aan de zuidzijde zijn. Dat zijn zij die hun positie in Christus kennen. Voor de west- en noordzijde is er geen trompetstoot. Zij liggen om zo te zeggen buiten het bereik van het Woord, maar zij volgen eenvoudig het voorbeeld van de andere stammen. Daaraan is niet veel geestelijke oefening verbonden.

De verzen 9-109Wanneer u dan in uw land ten strijde trekt tegen de tegenstander die u benauwt, moet u met die trompetten een onderbroken klank laten horen. Dan zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden.10En op de dag van uw blijdschap, op uw feestdagen en aan het begin van uw maanden moet u ook op de trompetten blazen, bij uw brandoffers en bij uw dankoffers. Ze dienen u tot gedachtenis voor het aangezicht van uw God. Ik ben de HEERE, uw God. spreken over de situatie in het land, met name bij strijd (Jl 2:11Blaas de bazuin in Sion,
sla alarm op Mijn heilige berg,
laat alle inwoners van het land sidderen,
want de dag van de HEERE komt, ja, is nabij!
; 2Kr 13:1212En zie, bij ons staat God aan het hoofd, en Zijn priesters met de trompetten voor het geschal, om alarm over u te slaan. Israëlieten, strijd niet tegen de HEERE, de God van uw vaderen, want u zult er niet in slagen.)
en feest (Lv 23:2424Spreek tot de Israëlieten en zeg: In de zevende maand, op de eerste [dag] van de maand, moet u een rustdag houden, een gedenkdag [aangekondigd] door [bazuin]geschal, een heilige samenkomst.; Ps 81:33Hef psalmgezang aan en laat de tamboerijn horen,
de lieflijke harp met de luit.
; 2Kr 29:2727En Hizkia beval dat men het brandoffer op het altaar moest offeren. Juist op de tijd dat het brandoffer begon, begon [ook] het lied voor de HEERE, met de trompetten, onder begeleiding van de instrumenten van David, de koning van Israël.)
. In beide gevallen brengt het blazen van de trompet het volk in gedachtenis bij God. Als het Woord wordt gebracht, luisteren niet alleen de medegelovigen, maar ook God. De broeders en zusters moeten gewaarschuwd worden als er gevaar dreigt of als er iets te vieren is. Maar God is er ook bij betrokken. Hij wil bij alles wat Zijn volk aangaat, betrokken worden.

Saul laat de bazuin alleen maar blazen opdat de Hebreeën het zullen horen (1Sm 13:33Jonathan versloeg het garnizoen van de Filistijnen dat in Geba [lag], en de Filistijnen hoorden [dat]. Daarom liet Saul in het hele land op de bazuin blazen, [met de boodschap]: Laat de Hebreeën het horen!), maar hij vergeet dat het erom gaat dat God het hoort. Al horen alle gelovigen het, maar God niet, wat voor effect zou het dan nog hebben? Met Jonathan begint de overwinning, omdat hij op God vertrouwt. We leren hier dat we onze nood niet aan elkaar moeten klagen of steun moeten zoeken bij elkaar, maar dat we God erbij moeten betrekken. Dan is de overwinning zeker.

We hoeven nooit voor de aanvallen van de vijand te vrezen. In plaats van bang te worden moeten we een getrouw getuigenis laten horen van Wie God is: Want God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid. Schaam je dus niet voor het getuigenis van onze Heer, noch voor mij, zijn gevangene, maar lijd verdrukking met het evangelie, naar [de] kracht van God” (2Tm 1:7-87Want God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid.8Schaam je dus niet voor het getuigenis van onze Heer, noch voor mij, Zijn gevangene, maar lijd verdrukking met het evangelie, naar [de] kracht van God,). God geeft de belofte dat Hij met Zijn kracht ons terzijde zal staan en voor ons zal strijden. Dat is Zijn antwoord op ons getuigenis.

Ook als er feesten te vieren zijn vanwege de zegen die Hij heeft gegeven, moeten de trompetten worden geblazen om Hem hun vreugde te laten horen. We mogen met elkaar onze vreugde delen, maar vooral ook met Hem.


Israël breekt op uit de woestijn Sinaï

11Het gebeurde in het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste van de maand, dat de wolk opgeheven werd van de tabernakel van de getuigenis. 12De Israëlieten braken op, [en trokken] van rustplaats tot rustplaats, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef rusten in de woestijn Paran. 13Voor het eerst braken zij op, op bevel van de HEERE, door de dienst van Mozes. 14Als eerste brak het vaandel van het kamp van de nakomelingen van Juda op, [ingedeeld] naar hun legers; en Nahesson, de zoon van Amminadab, [had de leiding] over zijn leger. 15Nethaneël nu, de zoon van Zuar, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Issaschar. 16Eliab nu, de zoon van Helon, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Zebulon. 17Toen werd de tabernakel afgebroken, en de nakomelingen van Gerson en de nakomelingen van Merari, de dragers van de tabernakel, braken op. 18En het vaandel van het leger van Ruben brak op, [ingedeeld] naar hun legers; en Elizur, de zoon van Sedeür [had de leiding] over zijn leger. 19Selumiël nu, de zoon van Zurisaddai, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Simeon. 20Eljasaf nu, de zoon van Dehuel, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Gad. 21En de Kahathieten, de dragers van [voorwerpen] van het heiligdom, braken op. Men bouwde de tabernakel op, voordat [de Kahathieten] aankwamen. 22Daarna brak het vaandel van het leger van de nakomelingen van Efraïm op, [ingedeeld] naar hun legers; en Elisama, de zoon van Ammihud, [had de leiding] over zijn leger. 23Gamaliël nu, de zoon van Pedazur, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Manasse. 24Abidan nu, de zoon van Gideoni, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Benjamin. 25Daarna brak het vaandel van het leger van de nakomelingen van Dan op, [ingedeeld] naar hun legers, als achterhoede van alle kampen; en Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, [had de leiding] over zijn leger. 26Pagiël nu, de zoon van Ochran, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Aser. 27Ahira nu, de zoon van Enan, [had de leiding] over het leger van de stam van de nakomelingen van Naftali. 28Dit was [de volgorde van] het opbreken van de Israëlieten, [ingedeeld] naar hun legers, als zij opbraken.

In vers 1111Het gebeurde in het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste van de maand, dat de wolk opgeheven werd van de tabernakel van de getuigenis. begint de eigenlijke woestijnreis. Gods volk gaat geschiedenis schrijven. Het gaat laten zien wat er in hun hart is. Het is hún geschiedenis. Dit stuk woestijnreis is anders dan het eerste stuk, vlak na hun verlossing, van Egypte naar de berg Sinaï. Dan handelt God in genade. Inmiddels heeft het volk om de wet gevraagd en die ook gekregen. Dat is nu de basis van Gods handelen, hoewel ook Zijn genade telkens zichtbaar wordt.

In de geschiedenis van het volk Israël zien we ook de geschiedenis van de christenheid. In beide gevallen is het een geschiedenis van falen en dat terwijl God zoveel zegeningen heeft gegeven. Het hart van de mens wordt volledig openbaar in de omstandigheden van het leven. Het hoogtepunt of beter dieptepunt van het falen vinden we in de “tegenspreking van Korach” in Numeri 16. Judas haalt die geschiedenis aan om er de ondergang van de christenheid mee te illustreren (Jd 1:1111Wee hun, omdat zij de weg van Kaïn gegaan zijn en voor loon zich aan de dwaling van Bileam overgegeven hebben en in de tegenspreking van Korach omgekomen zijn.).

Nadat het volk bijna een jaar bij de berg Sinaï is geweest (vgl. Ex 19:11In de derde maand, op dezelfde dag dat de Israëlieten uit het land Egypte waren vertrokken, kwamen zij in de woestijn Sinaï.; Nm 10:1111Het gebeurde in het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste van de maand, dat de wolk opgeheven werd van de tabernakel van de getuigenis.), vindt God dat het tijd wordt om op te trekken (Dt 1:6-7a6De HEERE, onze God, heeft tot ons gesproken bij de Horeb: U bent lang genoeg bij deze berg gebleven.7Keer om, breek op en ga naar het bergland van de Amorieten en naar al hun buren, in de Vlakte, het Bergland en het Laagland, in het Zuiderland en aan de zeekust, het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat.). Het volk trekt op, op de wijze zoals God in Numeri 2 heeft gezegd. Ze trekken op van de woestijn Sinaï om in een andere woestijn, de woestijn Paran hun kamp op te slaan. Zolang we op aarde zijn, trekken wij van woestijn naar woestijn.

Toch is er in het optrekken een verschil met wat daarover in Numeri 2 is gezegd. Daar is gezegd dat de tabernakel in het midden moet optrekken. Maar hier zien we dat al direct na het opbreken van de eerste drie stammen de Gersonieten en Merarieten beginnen met het afbreken van de tabernakel. Dan volgen de volgende drie stammen. Vervolgens doen de Kahathieten hun werk. Zij dragen de ark en de andere voorwerpen van het heiligdom. De ark vormt het centrum van de optocht, zoals God heeft gezegd. Ten slotte breken de andere stammen in de voorgeschreven volgorde op.

De volgorde is:
1. het eerste vaandel (Juda, Issaschar, Zebulon);
2. een deel van de Levieten (de nakomelingen van Gerson en Merari) met de tabernakel;
3. het tweede vaandel (Ruben, Simeon, Gad);
4. de rest van de Levieten (de Kahathieten) met het heiligdom;
5. het derde vaandel (Efraïm, Manasse, Benjamin);
6. het vierde vaandel (Dan, Aser, Naftali).

Elke stam wordt geleid door dezelfde leider die ook heeft geholpen bij de telling in Numeri 1:4-16 en met zijn offer is gekomen in Numeri 7. Het derde vaandel (Efraïm, Manasse en Benjamin) volgt onmiddellijk op de ark, waardoor deze stammen daar het directe zicht op hebben. Het is mogelijk dat Psalm 80:3 naar dit gedeelte verwijst.

Het is de wijsheid van God die dit zo bestuurt. Als het volk weer hun kamp moet opslaan, kunnen de Gersonieten en Merarieten alvast hun werk doen. En na het opslaan van het kamp door het tweede vaandel zijn zij zover klaar dat de Kahathieten de voorwerpen in de tabernakel kunnen plaatsen.


Mozes vraagt Hobab hen te leiden

29Mozes zei tegen Hobab, de zoon van Rehuel, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij trekken naar de plaats waarvan de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven. Ga met ons mee, en wij zullen je weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken. 30Maar hij zei tegen hem: Ik ga niet mee; ik ga naar mijn land en naar mijn familiekring terug. 31[Mozes] zei: Verlaat ons toch niet, want omdat jij weet hoe wij ons kamp in de woestijn moeten opslaan, kun je ons tot ogen zijn. 32En het zal gebeuren, als je met ons meegaat, en dat goede waarmee de HEERE ons zal weldoen, [gekomen] zal zijn, dat wij [ook] jou weldoen zullen. 33Zo trokken zij drie dagreizen van de berg van de HEERE vandaan. En de ark van het verbond van de HEERE trok drie dagreizen voor hen uit, om een rustplaats voor hen te zoeken. 34De wolk van de HEERE was overdag boven hen, wanneer zij uit het kamp opbraken.

Mozes wil een man die niet tot het volk van God behoort, bewegen met het volk op te trekken. Maar een man van de wereld heeft daar geen zin in. Mozes zou het daarbij hebben moeten laten. Hij dringt er echter bij Hobab op aan mee te gaan. Dat is geen goede zaak. God heeft in alles voorzien om het volk te leiden. Een beroep doen op Hobab is misplaatst. Mozes lijkt hier meer vertrouwen te stellen op een zichtbare en tastbare gids dan de onzichtbare God (vgl. Jr 17:5-75Zo zegt de HEERE:
Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,
en [die] een schepsel tot zijn arm stelt,
terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.
6Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,
die het niet ziet wanneer het goede komt:
hij verblijft [op] de droogste plekken in de woestijn,
[in] zilt en onbewoond land.
7Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is.
)
. Hebben familiebetrekkingen misschien een rol gespeeld? Hobab is immers zijn zwager. Zulke situaties komen vaker voor, zoals bij Barnabas die zijn neef wil meenemen (Hd 15:3737Barnabas nu wilde ook Johannes, Markus geheten, meenemen.; Ko 4:1010U groet Aristarchus, mijn medegevangene, en Markus, de neef van Barnabas, over wie u bevelen ontvangen hebt (als hij bij u komt, ontvangt hem),).

De HEERE maakt duidelijk wie de leiding heeft. De ark, die in het midden hoort, neemt de leiding. Het volk beschermt niet langer de ark, maar de ark beschermt nu het volk. De ark, God, verlaat de plaats die Hij in het midden van de Zijnen in het kamp heeft ingenomen om daar als het ware door hen verzorgd te worden. Maar nu wordt Hij hun Dienaar, Die voor hen uitgaat om voor hen een rustplaats te zoeken in de eindeloze woestijn. In dit handelen van de HEERE ligt ook de bemoediging voor ieder die een nieuwe, onbekende weg moet gaan. De Heer kent de weg wel en gaat voorop. Hij is de goede Herder Die voor Zijn schapen uitgaat (Jh 10:44Wanneer hij al zijn eigen [schapen] heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.).

De HEERE kan niet toestaan dat Zijn volk geleid wordt door een ongelovig en ongeïnteresseerd man als Hobab. Als wij ontrouw worden, neemt God het heft in handen. God zal altijd de eer van Zijn Zoon, van Wie de ark een beeld is, hoog houden.


Opbreken en rusten van de ark

35En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei:
Sta op, HEERE,
laat Uw vijanden [overal] verspreid worden
en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!
36En als hij rustte, zei hij:
Keer terug, HEERE,
[tot] de tienduizenden van de duizenden van Israël!

Mozes heeft de les geleerd. Hij stemt in met Gods handelen en doet een beroep op Hem om Zijn volk te beschermen tegen hun vijanden, het voor Zijn volk op te nemen tegen hun vijanden. Hij roept om een vloek over de vijanden en om een zegen voor het volk.

Mozes spreekt over “Uw vijanden”. De vijanden van het volk zijn in feite die van God. Als we onze vijanden in het licht van God plaatsen, verdwijnt de angst voor hen. Onze strijd wordt dan de strijd van God. In het geloof ziet Mozes de overwinning. Hij ziet dat het resultaat van de strijd rust voor het volk betekent. Het brengt hem tot de vraag: “Keer terug, HEERE”, opdat het volk zal dienen als een rustplaats voor God Zelf.


Lees verder