Numeri
1-3 Opdracht om te tellen 4-16 Wie bij de telling moeten helpen 17-46 De telling 47-53 De Levieten 54 De opdracht wordt uitgevoerd
Opdracht om te tellen

1De HEERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in de tent van ontmoeting, op de eerste [dag] van de tweede maand, in het tweede jaar nadat zij uit het land Egypte waren vertrokken: 2Neem het aantal op van heel de gemeenschap van de Israëlieten, [ingedeeld] naar hun geslachten [en ] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, al wie mannelijk is, hoofd voor hoofd. 3[Het gaat om] ieder in Israël die met het leger uittrekt, van twintig jaar oud en daarboven. Die moet u tellen, [ingedeeld] naar hun legers, u en Aäron.

Het boek begint met tellen en ordenen. Tellen is een bewijs van eigendomsrecht. Het hele geslacht dat hier geteld wordt, komt om in de woestijn onder het oordeel van God – behalve Jozua en Kaleb. Dat betekent dat in Kanaän een nieuw geslacht aankomt. Het geteld zijn voor de hemel, te weten dat onze namen daar zijn opgeschreven, is iets om blij en dankbaar voor te zijn. Maar we moeten niet vergeten dat God belang stelt in al ons doen en laten, de weg die we gaan, de beproevingen en de strijd die we hebben. Ook dat telt Hij.

Er zijn dertien maanden verlopen sinds de verlossing uit Egypte en er is één maand verlopen sinds de oprichting van de tabernakel (Ex 40:1717En het gebeurde in de eerste maand, in het tweede jaar, op de eerste [dag] van de maand, dat de tabernakel opgebouwd werd.). Toegepast op ons wil dit zeggen dat er onderwijs is geweest over de verlossing, de gemeente als woonplaats van God en priesterdienst, zoals dat is uitgebeeld in de tabernakel (Exodus) en de offerdienst en priesterdienst (Leviticus). Nu komt de opdracht tot Mozes “heel de gemeenschap van de Israëlieten” te tellen. Het volk wordt gezien in zijn geheel. In beeld is er sprake van geestelijke groei en geestelijke kracht.

De telling moet gebeuren “naar hun geslachten [en] naar hun families, … al wie mannelijk is”. Ieder lid van het volk moet zijn afkomst kennen en weten waar hij thuishoort. Zo moet ook iedere gelovige zijn plaats in Christus kennen; hij moet weten dat hij een kind van God is en wat zijn geestelijke familie is, wie zijn broeders en zusters zijn. Het mannelijke spreekt van het in praktijk brengen van wat iemand in positie is.

Het gaat om strijdbare mannen, niet om kinderen of ouden van dagen. De leeftijd van twintig jaar is in veel landen de leeftijd waarop men in militaire dienst moet; zo was het ook in Nederland toen de militaire dienstplicht nog bestond. Als iemand eenmaal in dienst is, ziet hij af van persoonlijke belangen en stelt zijn tijd en krachten ter beschikking van het land. De effectiviteit van de dienst hangt af van het luisteren naar de superieuren. Wie in dienst is, wordt geacht bevelen zonder tegenspreken op te volgen (Lk 7:88Want ook ik ben een mens onder gezag [van anderen] gesteld en heb soldaten onder mij; en ik zeg tot deze: Ga, en hij gaat; en tot een ander: Kom, en hij komt; en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het.).

Hoofd voor hoofd worden ze geteld. Hierdoor wordt ieder individueel voor God geplaatst. Tellen laat zien dat het volk voor God maar niet een grote massa is. De enkeling gaat niet in de massa op. Hij kent iedere enkeling ervan. Ieder persoonlijk is voor Hem belangrijk. God kan er niet één missen.

Het is een groot goed te weten dat we geteld zijn voor de hemel, dat onze namen daar geregistreerd staan (Lk 10:20b20Evenwel, verblijdt u niet hierover dat de geesten u onderdanig zijn, maar verblijdt u dat uw namen staan ingeschreven in de hemelen.). Maar daarbij moet het niet blijven. De Heer wil onze namen ook noteren voor de strijd op aarde. Hoofd voor hoofd worden we geteld, wat betekent dat we ons bewust zullen zijn van de persoonlijke verbinding met de Heer Jezus. Dat te weten is voor iedere christen belangrijk.

Om deze persoonlijke verhouding tot God te kunnen verklaren, om tot de getelden te kunnen behoren, moet de Israëliet twintig jaar oud zijn. Geestelijk toegepast wil dat zeggen dat er een zekere geestelijke rijpheid voor nodig is om als strijder dienst te kunnen doen in het leger van God. Een eindleeftijd wordt niet genoemd. Van een baby in het geloof wordt niet verwacht dat hij een strijder is. Van een jongeling in het geloof wordt dat wel verwacht (1Jh 2:13-1413Ik schrijf u, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik schrijf u, jongelingen, omdat u de boze overwonnen hebt. Ik heb u geschreven, kinderen, omdat u de Vader kent.14Ik heb u geschreven, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft en u de boze overwonnen hebt.; 2Tm 2:3-43Lijd mee verdrukking als een goed soldaat van Christus Jezus.4Niemand die als soldaat dient, wikkelt zich in de zorgen van het leven, opdat hij hem behaagt die hem in dienst genomen heeft.).

Mozes en Aäron tellen samen. Samen zijn zij een beeld van de Heer Jezus, Die “de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis” (Hb 3:11Daarom, heilige broeders, deelgenoten van [de] hemelse roeping, beschouwt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Jezus,) wordt genoemd. De Heer Jezus spreekt namens God tot ons en vertegenwoordigt ons bij God. Met Hem hebben wij te doen. We zien in Hem de Koning-Priester (Zc 6:13b13Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.
)
. Hij kent de Zijnen. Hij weet wie Hij kan uitzenden.

Allen die hier worden geteld, zullen nooit aan de eigenlijke strijd – die van de verovering van het land – kunnen beginnen, omdat ze op twee na, Jozua en Kaleb, zullen vallen in de woestijn (Nm 14:2929In deze woestijn zullen uw dode lichamen vallen, [te weten] allen van u die geteld zijn, naar hun volledige aantal, van twintig jaar oud en daarboven, [u] die tegen Mij gemord hebt.). Zij die aan het einde van dit boek, in Numeri 26, worden geteld, vormen een nieuw geslacht. Maar dat staat God bij deze telling niet voor de aandacht. Zoals al is opgemerkt, zou de reis naar het land slechts elf dagen hoeven te duren. Dat het uiteindelijk een reis van veertig jaar is geworden, heeft te maken met de ontrouw van het volk.

Toch gebruikt God die tijd om meer van Zichzelf te laten zien dan we zouden hebben geweten bij een korte reis. De rover aan het kruis die zich bekeert, heeft maar een heel klein stukje woestijnreis af te leggen. Hij heeft niet de trouw van God leren kennen in alle omstandigheden van het leven. Hij heeft niet zoveel om God voor te aanbidden als iemand die een leven lang de trouw en zorg van God heeft leren kennen tegenover de ontrouw die zo vaak van zijn kant is gebleken.


Wie bij de telling moeten helpen

4Van elke stam moet er een man bij u zijn die hoofd van zijn familie is. 5Dit zijn de namen van de mannen die bij u moeten staan: van Ruben Elizur, de zoon van Sedeür, 6van Simeon Selumiël, de zoon van Zurisaddai, 7van Juda Nahesson, de zoon van Amminadab, 8van Issaschar Nethaneël, de zoon van Zuar, 9van Zebulon Eliab, de zoon van Helon. 10Van de nakomelingen van Jozef: van Efraïm Elisama, de zoon van Ammihud, van Manasse Gamaliël, de zoon van Pedazur. 11Van Benjamin Abidan, de zoon van Gideoni, 12van Dan Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, 13van Aser Pagiël, de zoon van Ochran, 14van Gad Eljasaf, de zoon van Dehuel, 15van Naftali Ahira, de zoon van Enan. 16Dat waren afgevaardigden van de gemeenschap, leiders van de stammen van hun vaderen; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël.

Niet alleen de Heer Jezus ziet toe wie als strijder kunnen dienen in Zijn leger, ook de hoofden van de stammen worden erbij betrokken. Dit kunnen we toepassen op de verantwoordelijke of leidende broeders in een plaatselijke gemeente. Zij zien welke jongeren in geestelijke zin twintig jaar en ouder zijn. Zij doen mee aan het tellen door het toezien op de geestelijke ontwikkeling van jongeren. Timotheüs is zo’n door oudere broeders ‘getelde’. Hij heeft “een goed getuigenis van de broeders in Lystra en Iconium” (Hd 16:22die een [goed] getuigenis had van de broeders in Lystra en Iconium.).

Namen hebben in de Bijbel hun betekenis. Dat we daar geestelijke lessen uit mogen leren, zien we in Hebreeën 7 (Hb 7:1-31Want deze Melchizédek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende,2aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg [van zijn naam]: koning van [de] gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van [de] vrede,3en terwijl hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is, maar op de Zoon van God lijkt, blijft hij priester voor altijd.). Het is wel zaak om daarbij waakzaam te blijven dat we niet in fantasie vervallen. Sommige namen hebben meerdere betekenissen. Om met enige zekerheid de betekenis van een naam te kunnen vaststellen, is het aan te raden meerdere bijbelse namenboeken te raadplegen. Als meerdere namenboeken eenzelfde betekenis geven, is het aannemelijk dat dit de juiste betekenis is.

De namen van de hoofden komen we ook tegen in de Numeri 2, 7 en 10. In de meeste van deze namen klinkt de Naam van God (‘El’ betekent ‘God’) door. Hieruit blijkt dat de Israëlieten tijdens hun verblijf in Egypte hun God niet zijn vergeten. In de namen die ze hun kinderen hebben gegeven, hebben ze de herinnering aan God bewaard.

Om toch een betekenis van de namen te geven die m.i. aannemelijk is, geef ik de betekenis door die Grant van die namen geeft in zijn ‘Numerical Bible’. Het is aan de lezer daarover zelf verder na te denken.

1. Hoofd van de familie van Ruben is Elizur ‘mijn God is een rots’, de zoon van Sedeür ‘de Almachtige is een vlam’.
2. Hoofd van de familie van Simeon is Selumiël ‘in vrede met God’, de zoon van Zurisaddai ‘mijn rots is de Almachtige’.
3. Hoofd van de familie van Juda is Nahesson ‘voorspeller’, de zoon van Amminadab ‘volk van de gewillige Gever’.
4. Hoofd van de familie van Issaschar is Nethaneël ‘gave van God’, de zoon van Zuar ‘klein’.
5. Hoofd van de familie van Zebulon is Eliab ‘mijn God is Vader’, de zoon van Helon (te onzekere betekenis).
6. Hoofd van de familie van Efraïm is Elisama ‘mijn God heeft gehoord’, de zoon van Ammihud ‘het volk van Majesteit’.
7. Hoofd van de familie van Manasse is Gamaliël ‘God is een beloner’, de zoon van Pedazur ‘de rots die verlost’.
8. Hoofd van de familie van Benjamin is Abidan ‘mijn Vader is rechter’, de zoon van Gideoni ‘neerhouwer’.
9. Hoofd van de familie van Dan is Ahiëzer ‘broeder van de hulp’, de zoon van Ammisaddai ‘het volk van de Almachtige’.
10. Hoofd van de familie van Aser is Pagiël ‘God heeft mij ontmoet’, de zoon van Ochran ‘gekweld’.
11. Hoofd van de familie van Gad is Eljasaf ‘God heeft toegevoegd’, de zoon van Dehuel ‘door God gekend’.
12. Hoofd van de familie van Naftali is Ahira ‘broeder van het kwaad’, de zoon van Enan ‘ziende’.


De telling

17Toen namen Mozes en Aäron deze mannen, die met [hun] namen aangewezen waren, 18en zij riepen heel de gemeenschap bijeen, op de eerste [dag] van de tweede maand. En hoofd voor hoofd lieten zij die twintig jaar oud of daarboven waren, zich naar hun afkomst inschrijven, naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen. 19Zoals de HEERE Mozes geboden had, telde hij hen in de woestijn Sinaï. 20De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, hun afstammelingen, waren er, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, hoofd voor hoofd, al wie mannelijk was, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 21zij die geteld waren uit de stam Ruben: zesenveertigduizend vijfhonderd. 22Van de zonen van Simeon, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, degenen van hen die geteld waren overeenkomstig het aantal namen, hoofd voor hoofd, al wie mannelijk was, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 23zij die geteld waren uit de stam Simeon: negenenvijftigduizend driehonderd. 24Van de zonen van Gad, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 25zij die geteld waren uit de stam Gad: vijfenveertigduizend zeshonderdvijftig. 26Van de zonen van Juda, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 27zij die geteld waren uit de stam Juda: vierenzeventigduizend zeshonderd. 28Van de zonen van Issaschar, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 29zij die geteld waren uit de stam Issaschar: vierenvijftigduizend vierhonderd. 30Van de zonen van Zebulon, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 31zij die geteld waren uit de stam Zebulon: zevenenvijftigduizend vierhonderd. 32Van de zonen van Jozef: de zonen van Efraïm, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 33zij die geteld waren uit de stam Efraïm: veertigduizend vijfhonderd. 34Van de zonen van Manasse, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 35zij die geteld waren uit de stam Manasse: tweeëndertigduizend tweehonderd. 36Van de zonen van Benjamin, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 37zij die geteld waren uit de stam Benjamin: vijfendertigduizend vierhonderd. 38Van de zonen van Dan, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 39zij die geteld waren uit de stam Dan: tweeënzestigduizend zevenhonderd. 40Van de zonen van Aser, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 41zij die geteld waren uit de stam Aser: eenenveertigduizend vijfhonderd. 42Van de zonen van Naftali, hun afstammelingen, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken, 43zij die geteld waren uit de stam Naftali: drieënvijftigduizend vierhonderd. 44Dit waren degenen die Mozes telde, samen met Aäron en de leiders van Israël, twaalf mannen waren er, één man namens zijn familie. 45Allen van de Israëlieten die geteld waren, allen die met het leger uittrokken in Israël, naar hun familie, van twintig jaar oud en daarboven; 46allen die geteld waren, waren zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig [man].

Wie tot de getelden wil behoren, moet zijn afkomst verklaren (zie vers 1818en zij riepen heel de gemeenschap bijeen, op de eerste [dag] van de tweede maand. En hoofd voor hoofd lieten zij die twintig jaar oud of daarboven waren, zich naar hun afkomst inschrijven, naar hun geslachten [en] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen. in de Statenvertaling: en die verklaarden hun afkomst”). Verklaren gaat verder dan een innerlijke overtuiging. Iemand die door de Heer in Zijn leger wordt genomen, moet voor anderen getuigenis afleggen van zijn geloof en zich daarvoor niet schamen of daarover in onzekerheid zijn (2Tm 1:8,128Schaam je dus niet voor het getuigenis van onze Heer, noch voor mij, Zijn gevangene, maar lijd verdrukking met het evangelie, naar [de] kracht van God,12Om die reden lijd ik ook deze dingen, maar ik schaam mij niet, want ik weet Wie ik geloofd heb, en ik ben overtuigd dat Hij machtig is mijn [aan Hem] toevertrouwde pand te bewaren tot die dag.). Wie in onzekerheid is over zijn behoudenis, worstelt met zichzelf en is niet in staat de strijd met anderen aan te gaan. Dit is overigens geen worsteling of strijd waartoe God oproept. God op Zijn woord geloven maakt een einde aan die worsteling.

Dit verklaren van hun afkomst is nodig vanwege een grote groep van mensen van allerlei herkomst” (Ex 12:3838Ook trok een grote [groep van] mensen van allerlei herkomst met hen mee, en kleinvee en runderen, zeer veel vee.; Nm 11:44Het samenraapsel [van vreemdelingen] dat in hun midden verkeerde, werd met gulzigheid bevangen; daarom jammerden ook de Israëlieten opnieuw en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?) die zich onder hen bevindt. Er zijn mensen meegetrokken uit Egypte die geen Israëliet zijn. Dit kunnen we toepassen op mensen die zich wel bij het gezelschap van christenen hebben gevoegd, maar geen leven uit God hebben. Zij zijn niet in staat om voor God te verklaren dat zij bij Hem horen en kunnen ook geen strijd leveren voor Hem. Dat willen ze ook niet.

Als we de getallen wat leesbaarder maken, ziet de tabel er zo uit:

1.   Ruben      46.500

2.   Simeon    59.300

3.   Gad          45.650

4.   Juda         74.600

5.   Issaschar 54.400

6.   Zebulon  57.400

7.   Efraïm     40.500

8.   Manasse  32.200

9.   Benjamin 35.400

10. Dan          62.700

11. Aser         41.500

12. Naftali     53.400

Totaal          603.550

Dit getal komt overeen met een eerdere telling, ongeveer negen maanden eerder (Ex 38:25-2625En het zilver van hen die geteld waren uit de gemeenschap, was honderd talent en duizend zevenhonderdvijfenzeventig sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom.26Eén beka per persoon, [dat is] een halve sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom, voor ieder die bij de getelde personen van twintig jaar oud en daarboven ging behoren, zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig [man].). Bij die telling heeft iedere getelde een halve sikkel zilver moeten betalen als losgeld. Door het zilver is de Israëliet losgekocht. Daarom is zilver een beeld van de prijs van de verlossing.


De Levieten

47Maar de Levieten uit de stam van hun vaderen werden onder hen niet [mee]geteld, 48want de HEERE had tot Mozes gesproken: 49Alleen de stam Levi mag u niet [mee]tellen en hun aantal mag u niet onder de Israëlieten opnemen. 50Wat u betreft, stel de Levieten aan over de tabernakel van de getuigenis en over alle bijbehorende voorwerpen, ja, over alles wat erbij hoort. Zíj moeten de tabernakel en alle bijbehorende voorwerpen dragen. Zíj moeten dienen, en zij moeten hun kamp rondom de tabernakel opslaan. 51En wanneer de tabernakel moet opbreken, dienen de Levieten hem uit elkaar te nemen, en wanneer de tabernakel halt moet houden, dienen de Levieten hem [weer] op te bouwen. En de onbevoegde die te dicht bij komt, moet ter dood gebracht worden. 52De Israëlieten moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn [eigen] kamp en ieder bij zijn [eigen] vaandel, [ingedeeld] overeenkomstig hun legers, 53maar de Levieten moeten hun kamp opslaan rondom de tabernakel van de getuigenis; dan zal er geen grote toorn op de gemeenschap van de Israëlieten [komen]. Zo moeten de Levieten de voorschriften met betrekking tot de tabernakel van de getuigenis in acht nemen.

De Levieten worden niet tot de strijders gerekend. Zij hebben de zorg voor de tabernakel en slaan hun kamp er direct rondom op. De tabernakel wordt hier “de tabernakel van de getuigenis” genoemd. Het gaat om het aspect van het getuigenis naar buiten toe. Dat is ook een aspect van de gemeente, die “de pilaar en grondslag van de waarheid” is (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). De gemeente heeft in de wereld het getuigenis van de waarheid hoog te houden. Dat wekt tegenstand op en vraagt om strijd, verdediging.

De gelovigen zijn priesters, maar ook Levieten en ook strijders. Afhankelijk van zijn bezigheid is de gelovige een priester, een Leviet of een strijder. Hij is als priester bezig als hij in het heiligdom is om God te prijzen. Hij is een Leviet als hij de gemeente dient. Hij is een strijder als hij voor de waarheid opkomt als die wordt aangevallen.


De opdracht wordt uitgevoerd

54De Israëlieten deden het. Overeenkomstig alles wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden zij.

Het volk doet wat de HEERE Mozes geboden heeft. Het wordt gekenmerkt door gehoorzaamheid.


Lees verder