Nehemia
Inleiding 1 Deuren, poortwachters, zangers en Levieten 2 Opdracht voor Hanani en Hananja 3 Instructies voor Hanani en Hananja 4 Een grote stad met weinig inwoners 5-7 Het geslachtsregister 8-25 Nakomelingen 26-33 Mannen 34-38 Nakomelingen 39-42 Priesters 43 Levieten 44 Zangers 45 Poortwachters 46-56 Tempeldienaren 57-60 Nakomelingen van de slaven van Salomo 61-65 Wie hun afkomst niet kunnen aantonen 66-69 Teruggekeerde mensen en dieren 70-72 Bijdragen ten behoeve van het werk 73 Bewoners van de steden
Inleiding

Na de tegenstand in het vorige hoofdstuk is dit hoofdstuk een verademing. We zien hier mensen die in plaats van te verhinderen dat de muur gebouwd wordt, gewillig helpen bij het afronden van de bouw van de muur.

De muur is klaar, maar de waakzaamheid mag niet verslappen. Het gaat erom “na alles volbracht te hebben, stand te houden” (Ef 6:1313Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.). Als de grootste inspanning geleverd is, is het gevaar het grootst dat het alsnog mis gaat. Dat heeft ook Jozua na de verwoesting van Jericho ondervonden (Jz 7:2-52Toen Jozua mannen stuurde van Jericho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, ten oosten van Bethel, zei hij tegen hen: Trek op en verken het land. De mannen trokken op en verkenden Ai.3Daarna keerden zij terug naar Jozua en zeiden tegen hem: Laat niet heel het volk optrekken, [maar] laat ongeveer tweeduizend man of ongeveer drieduizend man optrekken om Ai te verslaan. Vermoei daarmee niet heel het volk, want zij zijn [maar] met weinigen.4Toen trok ongeveer drieduizend man van het volk op daar naartoe, maar zij sloegen voor de mannen van Ai op de vlucht.5En de mannen van Ai doodden van hen ongeveer zesendertig man, en zij achtervolgden hen [van] voor de poort tot Sjebarim toe en versloegen hen op de helling. Toen smolt het hart van het volk [van angst] en het werd tot water.). De macht van de vijand wordt dan onderschat.


Deuren, poortwachters, zangers en Levieten

1Het gebeurde, toen de muur herbouwd was, dat ik de deuren plaatste en dat de poortwachters, de zangers en de Levieten werden aangesteld.

Deuren

De muur is klaar, maar het werk niet. Zorgeloosheid is een valstrik waar Nehemia niet inloopt. Hij onderschat de macht van de vijand niet. Zijn kennis van de vijand brengt hem er echter ook niet toe de muur hermetisch af te sluiten. Hij plaatst er deuren in, openingen waardoor men de stad in en uit kan gaan. De stad van God is een stad die gekenmerkt wordt door vrijheid. Dat wil niet zeggen dat vrijheid geen grenzen kent. Echte vrijheid wordt altijd alleen genoten als men de grenzen die daarbij horen, kent en in acht neemt.

Poortwachters

Dat er deuren zijn, wil niet zeggen dat zomaar iedereen in en uit kan lopen. Doen alsof er geen kwaad de stad kan binnenkomen, is voorbijgaan aan het bestaan van het kwaad. Zorgeloosheid is geen bewijs van vroomheid, maar van domheid. Nehemia stelt daarom in de eerste plaats poortwachters aan. Zij hebben de taak erop toe te zien dat alleen die mensen de stad binnenkomen die er ook horen.

In geestelijke zin stellen poortwachters gelovigen voor die in de gemeente als speciale taak hebben erop toe te zien dat alleen die personen als leden van de gemeente worden ontvangen die dat ook werkelijk zijn en zich ook als zodanig gedragen. Zij zullen het gesprek aangaan met onbekende personen die de plaatselijke gemeente bezoeken. Op die manier zullen ze kunnen ‘proeven’ wat die personen beweegt om te komen.

In de nieuwtestamentische gemeente worden ‘poortwachters’ niet aangesteld. We herkennen hen in broeders die deze taak voor de Heer willen verrichten en daartoe ook de bekwaamheid van Hem hebben gekregen. Een ‘profielschets’ vinden we in 1 Timotheüs 3 (1Tm 3:1-71Het woord is betrouwbaar: als iemand streeft naar [het] opzienerschap, begeert hij een goed werk.2De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,3geen drinker, geen vechter, maar inschikkelijk, niet twistziek, niet geldzuchtig,4iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid,5– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –6geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.7En hij moet ook een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn, opdat hij niet in opspraak komt en in [de] strik van de duivel valt.). Daar wordt gesproken over ‘opzieners’, waarmee dezelfde categorie bedoeld is als ‘oudsten’. Zie Handelingen 20 waar sprake is van ‘oudsten’ (Hd 20:1717Hij nu zond van Miléte [een boodschap] naar Efeze en riep de oudsten van de gemeente bij zich.), terwijl dezelfde groep personen verderop wordt aangesproken met ‘opzieners’ (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].; vgl. Tt 1:5,75Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb.7Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit,).

Zangers

Vervolgens stelt Nehemia zangers aan. Zangers geven de Heer wat Hem toekomt. De geest van lofprijzing is de geest van kracht. Een gemeente die zich verheugt, is er een waar God vrij kan werken en die een kanaal van zegen zal worden voor anderen.

Wat in Israël beperkt blijf tot een speciale groep, betreft in het christendom in principe iedere christen (Ef 5:19-2019en spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer,20en dankt te allen tijde voor alles de God en Vader in [de] Naam van onze Heer Jezus Christus,; Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.). De Schrift kent niet zoiets als een aanbiddingsleider als een aparte persoon of een aanbiddingsteam als een aparte groep binnen het geheel van de plaatselijke gemeente. De Heer Jezus leidt de aanbidding (Hb 2:1212‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.).

De zangers loven Hem om Zijn goedheid en eren Hem om Wie Hij is (1Kr 9:3333Dit waren ook de zangers, familiehoofden onder de Levieten, vrijgesteld van dienst in de [voorraad]kamers; [de verantwoordelijkheid] voor [hun eigen] werk rustte immers dag en nacht op hen.). Dit is de prachtige taak die in de gemeente door alle verlosten kan worden verricht. Het is het werk van de hemel (Op 5:8-148En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.9En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,10en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.11En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,12en zij zeiden met luider stem: Het Lam Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof.13En elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit, en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid.14En de vier levende wezens zeiden: Amen. En de oudsten vielen neer en aanbaden.), waarmee op aarde al een begin gemaakt mag worden (Lk 24:52-5352En zij aanbaden Hem en keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap.53En zij waren voortdurend in de tempel en <prezen en> zegenden God.; 1Ko 14:2626Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging; laat alles gebeuren tot opbouwing.). In praktisch opzicht kunnen gelovigen elkaar bemoedigen die taak ook echt te verrichten. De zangers worden genoemd na de poortwachters, want als die niet waakzaam zijn, komt gemakkelijk de zonde binnen en gaat de aanbidding verloren.

Levieten

Dan zien we nog een derde groep, de Levieten. Hun taak is het helpen van de priesters bij het offeren en het onderwijzen van de wet aan het volk. Zij zijn dienstverleners. Ook hier geldt dat wat in Israël een speciale groep betreft, in de gemeente iedere gelovige betreft. Ieder heeft de verantwoordelijkheid met zijn of haar specifieke gave de ander te dienen. Daarvoor moet in de gemeente ruimte zijn (Sp 18:16a16De gift van een mens maakt ruimte voor hem,
en leidt hem in de tegenwoordigheid van groten.
)
. Als iemands dienst die ruimte niet krijgt, kan dat aan de toestand van de gemeente liggen of het optreden van een Diótrefes (3Jh 1:9-109Ik heb aan de gemeente <een en ander> geschreven; maar Diótrefes, die graag onder hen de eerste is, neemt ons niet aan.10Daarom zal ik, als ik kom, in herinnering brengen zijn werken die hij doet, terwijl hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermee niet tevreden neemt hijzelf de broeders niet aan en verhindert hen die het willen [doen] en werpt hen uit de gemeente.). Het kan er ook aan liggen dat iemand zich een gave aanmatigt (Sp 25:1414Zoals wolken en wind zonder regen,
[zo] is iemand die zich beroemt op een valse gift.
)
.

Elke dienst onder gelovigen behoort erop gericht te zijn dat we onze priesterdienst steeds meer zullen verrichten zoals God het heeft bedoeld. Het toenemen in kennis en inzicht in Zijn gedachten over de Heer Jezus zal als uitwerking hebben dat we in onze aanbidding toenemen. We zullen dat vaker doen en met meer inzicht.


Opdracht voor Hanani en Hananja

2Toen gaf ik, met betrekking tot Jeruzalem, een bevel aan Hanani, mijn broer, en Hananja, de bevelhebber van de burcht, want hij was een betrouwbaar man en Godvrezender dan velen.

Nehemia weet maar al te goed dat, nu de muur klaar is, de vijand niet uitgeschakeld is. De vijand zal steeds nieuwe methoden zoeken om in de stad te komen en er verderf te stichten. Hier wordt de broer van Nehemia, Hanani, weer genoemd. We hebben hem ook al in het begin van dit boek ontmoet (Ne 1:22dat Hanani kwam, een van mijn broers, hij en mannen uit Juda. Ik vroeg hun naar de Joden die ontkomen waren, die uit de gevangenschap overgebleven waren, en naar Jeruzalem.). Mogelijk heeft Nehemia nog meer broers, maar met deze heeft hij een bijzondere band. Het is een groot goed om als broers niet alleen dezelfde ouders te hebben, maar ook hetzelfde doel: het dienen van God en de Heer Jezus. Er zijn meer broers in de Bijbel te vinden die samen door de Heer zijn gebruikt. Denk maar aan Mozes en Aäron, Simon (Petrus) en Andréas, Johannes en Jakobus.

Hanani heeft, samen met anderen, verteld over de situatie in en rond Jeruzalem (Ne 1:33Zij zeiden tegen mij: De overgeblevenen, die uit de gevangenschap daar in het gewest zijn overgebleven, verkeren in grote ellende en in smaad. In de muur van Jeruzalem zijn bressen geslagen en zijn poorten zijn met vuur verbrand.). Dat zal niet alleen een feitelijk verslag zijn geweest, maar vooral ook een emotioneel verslag. Hij heeft daarin zijn trouw en liefde voor het land en de stad van God getoond. Die liefde blijkt ook uit het feit dat hij met Nehemia mee teruggegaan is naar Jeruzalem. Hij heeft zich ingezet voor het herstel van de muur. Nu is het zover dat de muur hersteld is. Dan krijgt hij van zijn broer de zorg voor het op de juiste tijd openen van de poorten van Jeruzalem. Wie leed draagt, kan ook zorg dragen.

Nehemia heeft zijn broer niet aangesteld omdat het zijn broer is. Dat zou heel kwalijk geweest zijn. Dat zou als het ware de honing in het spijsoffer hebben betekend, wat verboden is (Lv 2:1111Geen enkel graanoffer dat u de HEERE aanbiedt, mag met zuurdeeg bereid worden. Want u mag niets van [wat] met welk zuurdeeg of welke honing dan ook [bereid is], als een vuuroffer voor de HEERE in rook laten opgaan.). Toch moet verwantschap geen beletsel zijn als er duidelijk geestelijke kwaliteiten aanwezig zijn.

Hanani hoeft de opdracht niet alleen uit te voeren. Hij mag dit samen met Hananja doen. Van Hananja worden enkele bijzonder mooie kenmerken genoemd (vgl. 1Tm 3:1-71Het woord is betrouwbaar: als iemand streeft naar [het] opzienerschap, begeert hij een goed werk.2De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,3geen drinker, geen vechter, maar inschikkelijk, niet twistziek, niet geldzuchtig,4iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid,5– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –6geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.7En hij moet ook een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn, opdat hij niet in opspraak komt en in [de] strik van de duivel valt.). Als “bevelhebber van de burcht” staat hij boven anderen. Hij misbruikt die belangrijke positie echter niet ten gunste van zichzelf. Hij staat namelijk niet alleen door zijn positie boven anderen. De Geest vermeldt van deze man ook dat hij “een betrouwbaar man en Godvrezender dan velen” is. In Hananja treffen we een zeldzame combinatie aan van een hoge positie en hoge morele eigenschappen. Deze man leeft als het ware in het licht van de rechterstoel van Christus. Wat daar openbaar zal worden, zal niet anders zijn dan wat nu al van hem kan worden getuigd.

Met zo’n man te mogen samenwerken moet als een speciale gunst van God gezien worden. Die gunst valt Hanani ten deel. Paulus verheugt zich ook over een medewerker als Timotheüs (Fp 2:19-2119Maar ik hoop in [de] Heer Jezus Timotheüs spoedig naar u toe te zenden, opdat ook ik welgemoed mag zijn als ik uw omstandigheden weet.20Want ik heb niemand van gelijke gezindheid [als hij], die zo trouw uw belangen zal behartigen,21want allen zoeken hun eigen [belang], niet dat van Jezus Christus.; vgl. Ex 18:2121Jij echter, jij moet [daarnaast] onder heel het volk omkijken naar bekwame mannen, godvrezende, betrouwbare mannen, [die] een afkeer hebben van winstbejag. Je moet leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien over hen aanstellen.).


Instructies voor Hanani en Hananja

3Ik zei tegen hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden totdat de zon heet wordt, en terwijl [de wachters] nog in dienst zijn, moeten ze de deuren sluiten, en vergrendelt u [ze dan]. En [laat men] wachtposten opstellen, inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn wacht[post], en ieder tegenover zijn [eigen] huis.

Nehemia laat het niet aan de verbeelding van Hanani en Hananja over wanneer ze de poorten moeten openen. De poorten mogen niet eerder worden geopend dan wanneer “de zon heet wordt”, dat wil zeggen pas als het volop dag is. Elk spoortje duisternis moet zijn verdwenen en alles moet helder in het licht zijn geplaatst, voordat iemand de stad van God kan worden binnengelaten.

Dit is een belangrijke aanwijzing voor het aanvaarden van iemand die deel wil uitmaken van een plaatselijke gemeente en dat tot uiting wil brengen door deel te nemen aan het avondmaal. We leven in een tijd van verwarring en onduidelijkheid over tal van zaken in de Bijbel als gevolg van uitholling van de bijbelse waarheden. Voordat iemand kan worden aanvaard om deel uit te maken van de plaatselijke gemeente, moet helder zijn dat iemand voldoet aan de bijbelse uitgangspunten daarvoor. Die uitgangspunten zijn:

1. Iemand moet een gelovige zijn, die de zekerheid van de vergeving van zijn of haar zonden heeft en dus verzegeld is met de Heilige Geest (1Ko 15:1-41Ik nu maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u ook hebt aangenomen, waarin u ook staat,2waardoor u ook behouden wordt (als u vasthoudt aan het woord dat ik u heb verkondigd), tenzij u tevergeefs hebt geloofd.3Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften;4en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften;; Ef 1:1313in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,). Zo iemand is een lid van het lichaam van Christus en alleen leden van Christus’ lichaam kunnen uitdrukking geven aan de eenheid ervan.

2. Met het voorgaande punt is niet alles gezegd. Gods Woord geeft redenen aan waarom een gelovige is uitgesloten van deelname aan het avondmaal van de Heer dat wordt gevierd aan de tafel van de Heer. Dat is het geval als iemand zonde in zijn leven toelaat en die niet veroordeelt. Die zonde kan bestaan uit een zondige levenswandel (1Ko 5:11Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.). Die zonde kan ook bestaan uit een verkeerde leer aangaande de Heer Jezus en Zijn werk (2Jh 1:99Ieder die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet. Wie in de leer blijft, die heeft zowel de Vader als de Zoon.; Gl 5:7-107U liep goed; wie heeft u tegengehouden, dat u <de> waarheid niet zou gehoorzamen?8Die overreding is niet uit Hem die u roept.9Een beetje zuurdeeg doorzuurt het hele deeg.10Ik vertrouw van u in [de] Heer, dat u niet anders gezind zult zijn; maar hij die u in verwarring brengt, zal het oordeel dragen, wie hij ook is.).

3. Er is nog een ding van belang. Ook al laat iemand de zojuist genoemde zonden in zijn eigen leven niet toe, toch kan hij zich bevinden in een gemeenschap van gelovigen waar men die zonden wel toelaat. Als er in de gemeenschap waartoe deze gelovige behoort, geen tucht over de zonde wordt uitgeoefend, ziet God die gemeenschap als een geheel dat door het zuurdeeg is aangetast (2Jh 1:10-1110Als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en begroet hem niet.11Want wie hem begroet, heeft gemeenschap met zijn boze werken.). Naar de opdracht “doet de boze uit uw midden weg” (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.) wordt niet geluisterd. In die situatie geldt het voorschrift: “Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid” (2Tm 2:19b19Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.).

Als het geheel door het zuurdeeg is aangetast, is het onmogelijk voor een gelovige zichzelf daar rein van te bewaren. Allen die zich daar bevinden ziet de Heer als met de niet geoordeelde zonde verbonden en daardoor ongeschikt om het avondmaal aan Zijn tafel te vieren. Geen enkele vorm van zonde kan verbonden worden aan de Naam van de Heer.

Er moet Goddelijke zorg worden besteed aan de nieuwe geboorte van iemand die aan het avondmaal wil deelnemen. Dat geldt ook voor de leer en de verbindingen die zo iemand heeft. Als deze zorg achterwege blijft, zal het snel gedaan zijn met het reine en heilige karakter van een gezelschap van gelovigen dat vergadert tot de Naam van de Heer Jezus. De afzondering van het kwaad van de (christelijke) wereld wordt niet gehandhaafd als mensen de vrije toegang wordt verleend en er geen zorg wordt besteed. Vandaar de noodzaak van de dienst van de poortwachter. Dat wil niet zeggen dat zij als inquisiteurs moeten optreden. Het gaat om gemeenschap. Die kan niet met vertrouwen en in eenheid worden beleefd als er geen onderzoek plaatsvindt.

Het is noodzakelijk volkomen klaarheid te hebben over iemands aanvaarding van de Bijbel als het onfeilbare Woord van God en over de Persoon en het werk van de Heer Jezus, het vleesgeworden Woord. De Heer zal door middel van een gesprek dat in openheid, wederzijds vertrouwen en in afhankelijkheid van Hem wordt gevoerd zeker de gewenste duidelijkheid geven.

Van belang is dat “ieder op zijn wacht[post]” staat. Ieder lid van het volk heeft een eigen taak. Die moet ook uitgevoerd worden op de plaats die daarvoor is aangewezen (2Ko 10:13-1513Maar wij zullen niet roemen buiten de maat; maar naar de maat van het arbeidsterrein dat God ons als maat heeft toebedeeld, om ook u te bereiken.14Want wij strekken onszelf niet te ver uit, alsof wij u niet bereikten (want wij zijn ook tot aan u gekomen in het evangelie van Christus);15terwijl wij niet roemen buiten de maat op [de] arbeid van anderen, maar hopen dat, naarmate uw geloof toeneemt, wij onder u meer aanzien zullen krijgen in overeenstemming met ons arbeidsterrein, om nog overvloediger,). Zij die met een speciale zorg zijn belast voor wat de stad van God, een beeld van de plaatselijke gemeente, ingaat en uitgaat, moeten zich daarop richten en niet op andere dingen. Voor die andere dingen heeft de Heer weer anderen geroepen.

Het bewaken van de muur behoort tot de taak van ieder die in de stad van God woont. De wachtposten zijn gewone leden van het volk. Waakzaamheid is geboden voor ieder lid van Gods volk, niet alleen voor hen die een speciale zorg voor de kudde hebben. Allen samen zijn ze verantwoordelijk voor de veiligheid van de stad. De veiligheid wordt het best gewaarborgd als ieder zijn post betrekt in verbinding met zijn eigen huis. Daar geldt de eerste zorg dat er geen indringers komen. Wie het kwaad buiten zijn huis houdt, houdt het buiten de stad. De hele stad is wat de inwoners er samen van maken.

De toestand van de plaatselijke gemeente is eenvoudig de toestand van allen die er deel van uitmaken. Als er in de gezinnen geen tucht wordt gehandhaafd, zal die ook in de gemeente niet worden uitgeoefend.


Een grote stad met weinig inwoners

4De stad was wijd uitgestrekt en groot, maar er [woonde] weinig volk in en er waren geen huizen gebouwd.

Na de muur gaat Nehemia zich met het volk bezighouden. Een muur heeft immers geen zin als er geen volk binnen de muur is om te beschermen. Gezien de omvang van de muur kunnen er veel mensen wonen. De stad is ruim en groot. Toch wonen er maar weinig mensen en ook is er grote schaarste aan huizen.

Een plaatselijke gemeente behoort “wijd uitgestrekt en groot” te zijn, ze hoort plaats te bieden aan allen die tot Gods volk behoren. Het kan wel zijn dat er in de praktijk maar weinigen ook werkelijk willen ‘wonen’. Een gemeente is beperkt en klein als er sektarisme wordt gevonden, als mensen worden geweerd die er willen wonen en voldoen aan de voorwaarden daartoe.

De stad moet worden bewoond door gezinnen in huizen. Iedere familie die in de stad wil wonen, mag er een eigen huis bouwen, een eigen manier van leven met God, en beleven wat Hij geeft. De verschillende manieren van leven en beleven zullen niet met elkaar in strijd zijn, maar een aanvulling op elkaar. Ze zijn niet in strijd met elkaar als elke familie zich houdt aan de normen die gelden voor het leven in de stad van God. Die normen heeft God in Zijn Woord neergelegd.


Het geslachtsregister

5Mijn God gaf mij in het hart dat ik de edelen, de machthebbers en het volk zou verzamelen om zich in het geslachtsregister in te laten schrijven. Ik vond het geslachtsregister van hen die het eerst waren opgetrokken, en ik vond daarin geschreven: 6Dit zijn de bewoners van het gewest die optrokken uit de gevangenschap van de ballingen die Nebukadnezar, de koning van Babel, in ballingschap had gevoerd, en [die] terugkeerden naar Jeruzalem en naar Juda, ieder naar zijn [eigen] stad, 7die [mee]kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raämja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehum en Baëna. [Dit] is het aantal mannen van het volk Israël:

Nehemia constateert het gebrek aan inwoners. In Nehemia 11, dat aansluit op vers 44De stad was wijd uitgestrekt en groot, maar er [woonde] weinig volk in en er waren geen huizen gebouwd. van dit hoofdstuk, zullen we zien dat er meer inwoners komen. Voor het zover is, gebeuren eerst enkele andere dingen. Het begint met een register van de Joden die vóór de tempelbouw uit Babel naar Jeruzalem en Juda zijn teruggekeerd. Vervolgens komt het Woord van God aan het woord. Het wordt voorgelezen en werkt in hen die horen (Ne 8-9). Het gevolg is een hernieuwde toewijding aan God (Ne 10). Het resultaat daarvan is dat een aantal Israëlieten vrijwillig in de stad van God gaat wonen (Ne 11).

Het inschrijven in het geslachtsregister is geen bedenksel van Nehemia. God heeft hem dit in het hart gegeven. Hij spreekt over “mijn God”, want hij heeft een persoonlijke en nauwe band met Hem. Hij kent God en weet wat God wil, hij verstaat Zijn stem en kent Zijn bedoeling.

De vooraanstaanden, de leiders, hebben de verantwoordelijkheid een juist beeld te geven van het geslacht of de familie waarvoor zij verantwoording dragen. Zij worden in staat geacht aan te geven wie tot welk geslacht behoort en waar zij wonen. Hierdoor kan dan de grootte en kracht ervan duidelijk worden.

De verzen 6-72 zijn bijna woord voor woord een herhaling van Ezra 2:1-67. Door deze opsomming verbindt Nehemia zijn werk met dat van het overblijfsel dat eerder onder Zerubbabel is teruggekeerd, ongeveer tachtig jaar geleden. Hij vereenzelvigt zich met het werk van de Geest van God in die vroegere periode.

Velen zullen al gestorven zijn, maar hun werken volgen hen, zij worden in ere gehouden. Zij zijn het werk begonnen. Dat heeft het mogelijk gemaakt dat Nehemia het heeft kunnen afmaken. Zo is het met veel werk dat voor de Heer mag worden gedaan (Jh 4:37-3837Want hierin is de spreuk waar: De een zaait, de ander maait.38Ik heb u gezonden om te maaien wat u niet hebt bearbeid; anderen hebben het bearbeid en u bent op hun arbeid[sterrein] gekomen.).

Om in de stad te kunnen wonen moet men zijn geslachtsregister kunnen aantonen. Door dit register komt Nehemia ook te weten wie vroeger in Jeruzalem hebben gewoond. Hij kan hen daardoor aansporen er weer te gaan wonen. Mogelijk zijn zulke mensen hun binding met Jeruzalem door hun verblijf in Babel vergeten. Of misschien voelen ze er niet veel meer voor zo dicht in de nabijheid van God te wonen. Iets verder weg, meer in contact met de mensen om je heen, is niet zo beklemmend als zo dicht bij God.

Het register vermeldt verschillende groepen:


Nakomelingen

8de nakomelingen van Paros: tweeduizend honderdtweeënzeventig;
9de nakomelingen van Sefatja: driehonderdtweeënzeventig;
10de nakomelingen van Arach: zeshonderdtweeënvijftig;
11de nakomelingen van Pahat-Moab, van de nakomelingen van Jesua en Joab: tweeduizend achthonderdachttien;
12de nakomelingen van Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;
13de nakomelingen van Zattu: achthonderdvijfenveertig;
14de nakomelingen van Zakkai: zevenhonderdzestig;
15de nakomelingen van Binnuï: zeshonderdachtenveertig;
16de nakomelingen van Bebai: zeshonderdachtentwintig;
17de nakomelingen van Azgad: tweeduizend driehonderdtweeëntwintig;
18de nakomelingen van Adonikam: zeshonderdzevenenzestig;
19de nakomelingen van Bigvai: tweeduizend zevenenzestig;
20de nakomelingen van Adin: zeshonderdvijfenvijftig;
21de nakomelingen van Ater, van Hizkia: achtennegentig;
22de nakomelingen van Hasum: driehonderdachtentwintig;
23de nakomelingen van Bezai: driehonderdvierentwintig;
24de nakomelingen van Harif: honderdtwaalf;
25de nakomelingen van Gibeon: vijfennegentig;


Mannen

26de mannen van Bethlehem en Netofa: honderdachtentachtig;
27de mannen van Anathoth: honderdachtentwintig;
28de mannen van Beth-Azmaveth: tweeënveertig;
29de mannen van Kirjath-Jearim, Kefira en Beëroth: zevenhonderddrieënveertig;
30de mannen van Rama en Gaba: zeshonderdeenentwintig;
31de mannen van Michmas: honderdtweeëntwintig;
32de mannen van Bethel en Ai: honderddrieëntwintig;
33de mannen van het andere Nebo: tweeënvijftig;


Nakomelingen

34de nakomelingen van een andere Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;
35de nakomelingen van Harim: driehonderdtwintig;
36de nakomelingen van Jericho: driehonderdvijfenveertig;
37de nakomelingen van Lod, Hadid en Ono: zevenhonderdeenentwintig;
38de nakomelingen van Senaä: drieduizend negenhonderddertig.


Priesters

39De priesters: de nakomelingen van Jedaja, van het huis van Jesua: negenhonderddrieënzeventig;
40de nakomelingen van Immer: duizend tweeënvijftig;
41de nakomelingen van Pashur: duizend tweehonderdzevenenveertig;
42de nakomelingen van Harim: duizend zeventien.


Levieten

43De Levieten: de nakomelingen van Jesua en van Kadmiël, van de nakomelingen van Hodeva: vierenzeventig.


Zangers

44De zangers: de nakomelingen van Asaf: honderdachtenveertig.


Poortwachters

45De poortwachters: de nakomelingen van Sallum, de nakomelingen van Ater, de nakomelingen van Talmon, de nakomelingen van Akkub, de nakomelingen van Hatita, de nakomelingen van Sobai: honderdachtendertig.


Tempeldienaren

46De tempeldienaren: de nakomelingen van Ziha, de nakomelingen van Hasufa, de nakomelingen van Tabbaoth,
47de nakomelingen van Keros, de nakomelingen van Sia, de nakomelingen van Padon,
48de nakomelingen van Lebana, de nakomelingen van Hagaba, de nakomelingen van Salmai,
49de nakomelingen van Hanan, de nakomelingen van Giddel, de nakomelingen van Gahar,
50de nakomelingen van Reaja, de nakomelingen van Rezin, de nakomelingen van Nekoda,
51de nakomelingen van Gazzam, de nakomelingen van Uzza, de nakomelingen van Paseah,
52de nakomelingen van Besai, de nakomelingen van de Meünim, de nakomelingen van de Nefussim,
53de nakomelingen van Bakbuk, de nakomelingen van Hakufa, de nakomelingen van Harhur,
54de nakomelingen van Bazlith, de nakomelingen van Mehida, de nakomelingen van Harsa,
55de nakomelingen van Barkos, de nakomelingen van Sisera, de nakomelingen van Tamah,
56de nakomelingen van Neziah, de nakomelingen van Hatifa.


Nakomelingen van de slaven van Salomo

57De nakomelingen van de slaven van Salomo: de nakomelingen van Sotai, de nakomelingen van Sofereth, de nakomelingen van Perida, 58de nakomelingen van Jaäla, de nakomelingen van Darkon, de nakomelingen van Giddel, 59de nakomelingen van Sefatja, de nakomelingen van Hattil, de nakomelingen van Pocheret van Zebaïm, de nakomelingen van Amon. 60Al de tempeldienaren en de nakomelingen van de slaven van Salomo: driehonderdtweeënnegentig.


Wie hun afkomst niet kunnen aantonen

61En dit waren degenen die optrokken uit Tel Melah, Tel Harsa, Cherub, Addon en Immer, maar [die] niet konden vertellen [wie] hun familie en [wat] hun afkomst [was], of zij van Israël waren: 62de nakomelingen van Delaja, de nakomelingen van Tobia, de nakomelingen van Nekoda: zeshonderdtweeënveertig; 63en van de priesters: de nakomelingen van Habaja, de nakomelingen van Hakkoz [en] de nakomelingen van Barzillai, die een vrouw genomen had uit de dochters van Barzillai uit Gilead, en naar hun naam genoemd was. 64Dezen zochten naar hun inschrijving onder hen die in het geslachtsregister waren ingeschreven, maar het werd niet gevonden; [daarom] werden zij als onrein van het priesterschap geweerd. 65En Zijne Excellentie zei tegen hen dat zij niet van de allerheiligste dingen mochten eten totdat er een priester zou aantreden met [de] urim en [de] tummim.

Hier (vers 6464Dezen zochten naar hun inschrijving onder hen die in het geslachtsregister waren ingeschreven, maar het werd niet gevonden; [daarom] werden zij als onrein van het priesterschap geweerd.) worden personen genoemd die niet kunnen aantonen dat hun familie en nakomelingschap tot Israël behoren. Vermenging met de heidenen is er de oorzaak van dat zij de zekerheid van hun nationaliteit kwijt zijn. Zo kan ook vandaag omgang met de wereld tot gevolg hebben dat gelovigen onzeker worden ten aanzien van hun behoudenis. Misschien dat ze het zelf nog wel zeggen, maar voor anderen blijkt er niets meer van, zozeer hebben zij zich met de wereld vereenzelvigd. Het gevolg is ook dat er maar weinigen zijn die interesse hebben om hun plaats in te nemen bij de kinderen van God die samenkomen rondom Christus als hun middelpunt.

‘Poortwachters’ hebben de verantwoordelijkheid om het bewijs te vragen dat mensen zijn wat ze zeggen te zijn. Als er onzekerheid is over de behoudenis, hetzij dat men er zelf aan twijfelt, hetzij dat anderen er aan twijfelen vanwege de omgang met de wereld, “moeten zij als onrein van het priesterschap geweerd” worden (vers 6464Dezen zochten naar hun inschrijving onder hen die in het geslachtsregister waren ingeschreven, maar het werd niet gevonden; [daarom] werden zij als onrein van het priesterschap geweerd.). Zij mogen “niet van de allerheiligste dingen … eten” (vers 65a65En Zijne Excellentie zei tegen hen dat zij niet van de allerheiligste dingen mochten eten totdat er een priester zou aantreden met [de] urim en [de] tummim.). Voor ons wil dat zeggen dat zulke personen niet kunnen deelnemen aan het avondmaal.

Aan alle onzekerheid komt een einde als de Heer Jezus komt. In Hem zijn het licht – “urim” betekent ‘lichten’ – en de volmaaktheden – “tummim” betekent ‘volmaaktheden’ – van God aanwezig (vers 65b65En Zijne Excellentie zei tegen hen dat zij niet van de allerheiligste dingen mochten eten totdat er een priester zou aantreden met [de] urim en [de] tummim.).


Teruggekeerde mensen en dieren

66De hele gemeente bijeen: tweeënveertigduizend driehonderdzestig, 67naast hun slaven en hun slavinnen: dat [waren er] zevenduizend driehonderdzevenendertig, en zij hadden tweehonderdvijfenveertig zangers en zangeressen. 68Hun paarden: zevenhonderdzesendertig; hun muildieren: tweehonderdvijfenveertig. 69[Hun] kamelen: vierhonderdvijfendertig; [hun] ezels: zesduizend zevenhonderdtwintig.


Bijdragen ten behoeve van het werk

70Een deel van de familiehoofden gaf [een bijdrage] ten behoeve van het werk: Zijne Excellentie gaf voor de schat[kamer] duizend drachmen aan goud, vijftig sprengbekkens, [en] vijfhonderddertig onderkleden voor priesters. 71En [anderen] van de familiehoofden gaven voor de schat[kamer] ten behoeve van het werk: twintigduizend drachmen aan goud en tweeduizend tweehonderd ponden aan zilver. 72En wat de rest van het volk gaf, was twintigduizend drachmen aan goud, tweeduizend ponden aan zilver en zevenenzestig onderkleden voor priesters.


Bewoners van de steden

73De priesters en de Levieten en de poortwachters en de zangers en [sommigen] van het volk en de tempeldienaren en heel Israël woonden in hun steden.


Lees verder