Nehemia
1-7 Hoofden van de priesters 8-11 De Levieten 12-21 Priesterfamilies 22-23 De Levieten worden ingeschreven 24-26 Levieten in de dagen van Jojakim 27-30 De inwijding van de muur 31-37 Het eerste dankkoor 38-39 Het tweede dankkoor 40-42 Beide dankkoren in het huis van God 43 Grote blijdschap 44-47 Zorg voor de Levieten
Hoofden van de priesters

1Dit zijn de priesters en de Levieten die met Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua waren opgetrokken: Seraja, Jeremia, Ezra, 2Amarja, Malluch, Hattus, 3Sechanja, Rehum, Meremoth, 4Iddo, Ginnethoi, Abia, 5Mijamin, Maädja, Bilga, 6Semaja en Jojarib, Jedaja, 7Sallu, Amok, Hilkia [en] Jedaja; dat waren de hoofden van de priesters en hun broeders in de dagen van Jesua.

Opnieuw treffen we een lijst aan met namen van hen die met Zerubbabel en Jesua zijn opgetrokken uit Babel. Het betreft de priesters en de Levieten. Beide kenmerken, die van een priester en van een Leviet, behoren bij iedere gelovige gevonden te worden: offeren en dienen.

De eerste serie namen is die van “de hoofden van de priesters en hun broeders in de dagen van Jesua” (vers 77Sallu, Amok, Hilkia [en] Jedaja; dat waren de hoofden van de priesters en hun broeders in de dagen van Jesua.). In de andere lijsten worden de hoofdpriesters niet apart genoemd. Dat gebeurt hier wel. De familiehoofden van de Levieten zijn wel eerder genoemd. In de verzen 12-2112In de dagen van Jojakim waren [de volgende] priesters familiehoofden: van Seraja [was dat] Meraja; van Jeremia, Hananja,13van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan;14van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef;15van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;16van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;17van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai;18van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;19en van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;20van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;21van Hilkia, Hasabja; [en] van Jedaja, Nethaneël. wordt een latere generatie priesters genoemd, die ongetwijfeld in de latere dagen van Nehemia heeft gediend. Het zijn de zonen van hen die eerder zijn genoemd, trouwe mannen die in de voetstappen van hun vaders wandelen en voorbeelden zijn voor het volk.


De Levieten

8De Levieten waren: Jesua, Binnuï, Kadmiël, Serebja, Juda, en Mattanja. Hij en zijn broeders waren [verantwoordelijk] voor de dankliederen. 9En Bakbukja en Unni, hun broeders [stonden] tegenover hen bij [hun] taken. 10Jesua verwekte Jojakim, Jojakim verwekte Eljasib, en Eljasib Jojada, 11Jojada verwekte Jonathan, en Jonathan verwekte Jaddua.

De tweede serie namen is die van Levieten. De namen staan in verbinding met de zangers. Ondanks het verval en het geringe aantal Israëlieten, die bovendien nog geestelijk zwak zijn, zijn er Levieten die “[verantwoordelijk] voor de dankliederen” zijn.

Tevens is er een kort geslachtsregister van vijf generaties, dat loopt van Jesua tot Jaddua. Deze vijf geslachten beslaan de periode van 538-333 v.Chr. Jaddua is de grote en terecht gevierde hogepriester die deze hoge plaats bekleedt in de dagen dat de Medisch-Perzische heerschappij wordt tenietgedaan door Alexander de Grote. Hij is de laatstgenoemde hogepriester in het Oude Testament.


Priesterfamilies

12In de dagen van Jojakim waren [de volgende] priesters familiehoofden: van Seraja [was dat] Meraja; van Jeremia, Hananja, 13van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan; 14van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef; 15van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai; 16van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam; 17van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai; 18van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan; 19en van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi; 20van Sallai, Kallai; van Amok, Heber; 21van Hilkia, Hasabja; [en] van Jedaja, Nethaneël.

Hier worden de zonen genoemd van hen die al in de verzen 1-71Dit zijn de priesters en de Levieten die met Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua waren opgetrokken: Seraja, Jeremia, Ezra,2Amarja, Malluch, Hattus,3Sechanja, Rehum, Meremoth,4Iddo, Ginnethoi, Abia,5Mijamin, Maädja, Bilga,6Semaja en Jojarib, Jedaja,7Sallu, Amok, Hilkia [en] Jedaja; dat waren de hoofden van de priesters en hun broeders in de dagen van Jesua. zijn genoemd. De twintig vaders uit die verzen worden hier weer genoemd, nu met ieder een zoon als opvolgend familiehoofd. Het zijn de latere dagen, de dagen van Jojakim, de zoon en opvolger van Jesua (vers 1010Jesua verwekte Jojakim, Jojakim verwekte Eljasib, en Eljasib Jojada,). Hierin zien we de gunst van God voor Zijn volk. God zorgt ervoor dat er altijd een priestergeslacht zal zijn.


De Levieten worden ingeschreven

22De Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada en Johanan en Jaddua ingeschreven als familiehoofden, en de priesters tijdens het koningschap van Darius, de Pers. 23De nakomelingen van Levi, de familiehoofden, werden in het boek van de kronieken ingeschreven, tot de dagen van Johanan, de zoon van Eljasib.

Hier worden volgende geslachten van Levieten genoemd, die leven tijdens de elkaar opvolgende hogepriesters. God houdt ook de Levietendienst in stand, ook al lijkt het er soms op dat het ermee gedaan is. Ook de priesterdienst gaat door, ondanks de vreemde overheersing. Er is geen omstandigheid denkbaar, waarvan gezegd zou moeten worden dat God niet kan worden gebracht wat Hem toekomt.


Levieten in de dagen van Jojakim

24De hoofden van de Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiël, en hun broeders [stonden], dienst voor dienst, tegenover hen om te prijzen [en] te loven, volgens het gebod van David, de man Gods: 25Mattanja en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon [en] Akkub waren bewakers, poortwachters die de wacht hielden bij de voorraadkamers van de poorten. 26Dezen waren er in de dagen van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Jozadak, en in de dagen van Nehemia, de landvoogd, en van de priester Ezra, de schriftgeleerde.

Van de Levieten die hier worden genoemd, wordt als speciaal kenmerk gezegd dat zij er zijn “in de dagen van Jojakim, … en in de dagen van Nehemia, de landvoogd, en van de priester Ezra”. Deze Levieten zijn tijdgenoten van deze mannen, dat wil zeggen dat zij met dezelfde geestelijke atmosfeer te maken hebben en het hoofd hebben te bieden aan de speciale geest die de tijd kenmerkt, waarin zij leven. Deze tijdgenoten houden Gods Woord vast, terwijl het kenmerk van die tijd is dat het door de meerderheid wordt losgelaten. Zij handhaven, hoewel in zwakheid, een getuigenis voor de HEERE Die hen heeft teruggebracht naar de plaats van Zijn Naam.

Van de hoofden van de Levieten wordt speciaal vermeld dat zij de lof en prijs aanheffen zoals David heeft geboden. Zij kijken niet naar de ellendige situatie waarin ze zich bevinden, maar naar Gods gebod en daaraan houden zij zich. Wat ook onze zwakheid mag zijn, ook wij kunnen ons houden aan wat van het begin is en uitvoeren wat geschreven staat.


De inwijding van de muur

27Bij de inwijding van de muur van Jeruzalem zochten zij de Levieten uit al hun [woon]plaatsen om hen naar Jeruzalem te brengen, om met blijdschap de inwijding te verrichten, met dank[zegging] en met gezang, [met] cimbalen, luiten en harpen. 28De nakomelingen van de zangers verzamelden zich, zowel vanuit het omliggende gebied van Jeruzalem als vanuit de dorpen van de Netofatieten, 29en vanuit het huis van Gilgal, en vanuit de velden van Geba en Azmaveth, want de zangers hadden dorpen voor zichzelf gebouwd rond Jeruzalem. 30De priesters en de Levieten reinigden zich; vervolgens reinigden zij het volk, de poorten en de muur.

Hier gaat de geschiedenis verder. De muur is al in Nehemia 6 klaargekomen (Ne 6:1515De muur werd op de vijfentwintigste van [de maand] Elul voltooid, na tweeënvijftig dagen.). De tussenliggende hoofdstukken verhalen de wijding van het volk als geheel doordat het Woord van God hen tot zelfoordeel brengt. Nu het volk zichzelf heeft gewijd, kan de muur worden ingewijd. De voltooiing is aanleiding tot blijdschap en dankbaarheid aan God en een feest om de muur in te wijden.

Het feest van de inwijding wordt gevierd omdat de HEERE niet alleen Zijn volk heeft teruggebracht uit het land van de vreemde, maar ook heeft geschonken dat Zijn huis en Zijn heilige stad door Zijn volk met een muur zijn omringd. De muur is een getuigenis voor vriend en vijand dat zij, die eens vanwege hun zonden zijn verstrooid, nu onder Gods zorg staan. Dat is een oorzaak van vreugde. Deze vreugde uit zich in dankzegging en liederen onder begeleiding van muziekinstrumenten. Zo heeft David het geregeld (vers 3636en zijn broeders Semaja en Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneël en Juda, [en] Hanani, met muziekinstrumenten van David, de man Gods. En Ezra, de schriftgeleerde, [ging] voor hen uit.; 1Kr 15:1616Verder zei David tegen de leiders van de Levieten dat zij hun broeders, de zangers, op moesten stellen met muziekinstrumenten, [met] luiten, harpen en cimbalen, om luide en blijde klanken te laten horen.; Ea 3:1010En de bouwers legden de fundering van de tempel van de HEERE, en men stelde de priesters op, gekleed [in ambtsgewaad], met de trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, met de cimbalen, om de HEERE te prijzen, naar de richtlijnen van David, de koning van Israël.). Iedere Leviet heeft een eigen stem en een eigen instrument. Maar allen zijn ze vol van wat de HEERE heeft bewerkt. Hij is het voorwerp van hun lofgezang en dankzegging en daarom is het harmonieus.

Er zijn meer inwijdingsfeesten in de geschiedenis van Israël geweest: bij het overbrengen van de ark door David naar de stad van David (2Sm 6:1212Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David [op weg] en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.), bij de inwijding van de tempel (1Kn 8:62-6662De koning nu, en heel Israël met hem, bracht offers voor het aangezicht van de HEERE.63Salomo bracht een dankoffer dat hij aan de HEERE offerde: tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Zo wijdden de koning en alle Israëlieten het huis van de HEERE in.64Op die dag heiligde de koning het midden van de voorhof, die vóór het huis van de HEERE ligt, omdat hij daar het brandoffer en het graanoffer had bereid met het vet van de dankoffers, want het koperen altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE stond, was te klein om de brandoffers, de graanoffers en het vet van de dankoffers te bevatten.65In die tijd hield Salomo ook het feest, en heel Israël met hem, een grote menigte, vanaf Lebo-Hamath tot de Beek van Egypte, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zeven dagen en [nog eens] zeven dagen: veertien dagen.66Op de achtste dag liet hij het volk gaan en zij zegenden de koning. Daarna gingen zij naar hun tenten, blij en welgemoed over al het goede dat de HEERE aan Zijn dienaar David, en aan Zijn volk Israël, had gedaan.), bij het leggen van het fundament van de tempel (Ea 3:10-1310En de bouwers legden de fundering van de tempel van de HEERE, en men stelde de priesters op, gekleed [in ambtsgewaad], met de trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, met de cimbalen, om de HEERE te prijzen, naar de richtlijnen van David, de koning van Israël.11Zij zongen in beurtzang bij het prijzen en bij het danken van de HEERE dat [Hij] goed is, dat Zijn goedertierenheid over Israël tot in eeuwigheid is. Heel het volk hief een groot gejuich aan bij het prijzen van de HEERE, omdat de fundering voor het huis van de HEERE gelegd was.12Maar velen van de priesters en de Levieten en de familiehoofden, [namelijk] de ouderen die het eerste huis op zijn fundering gezien hadden, huilden met luide stem toen [zij] dit huis voor hun ogen [zagen], terwijl vele [anderen] met gejuich [en] met blijdschap [hun] stem verhieven.13En het volk kon geen onderscheid maken tussen het geluid van het vreugdegejuich en het geluid van het huilen van het volk, want het volk hief een groot gejuich aan en het geluid werd tot ver gehoord.) en bij de inwijding van het huis (Ea 6:16-1816En de Israëlieten, de priesters, de Levieten en de overige ballingen verrichtten de inwijding van dit huis van God met vreugde.17Zij offerden ter inwijding van dit huis van God honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en als zondoffer voor heel Israël twaalf geitenbokken, naar het aantal stammen van Israël.18En zij stelden priesters aan in hun groepen en Levieten in hun afdelingen, voor de dienst van God in Jeruzalem, overeenkomstig het voorschrift in het boek van Mozes.). De vreugde bij de inwijdingsfeesten staat steeds in verbinding met Gods huis en is er ondanks het verval. Die feesten zijn niet door de wet opgelegd, maar vinden spontaan plaats.

Dat is ook hier het geval. De inwijding van de muur wordt een algemeen feest. En dat niet alleen voor de bouwers van de muur en de inwoners van Jeruzalem. De Levieten, de zangers, komen van alle kanten. De muur van Jeruzalem is een symbool van verlossing en haar poorten van lofprijzing.

Voordat het feest wordt gevierd, reinigen de priesters en de Levieten eerst zichzelf en daarna ook het volk, de poorten en de muur. Er kan geen echte (toe- of in)wijding zijn zonder reiniging. Het is een reiniging met water, waarvoor ze mogelijk het ontzondigingswater hebben gebruikt (Nm 19:11-1311Wie een dode, welk dood lichaam van een mens ook, aanraakt, die is zeven dagen onrein.12Op de derde dag moet hij zichzelf met [water] ontzondigen, dan is hij op de zevende dag rein. Als hij zich echter op de derde dag niet ontzondigt, is hij op de zevende dag niet rein.13Ieder die een dode, het dode lichaam van een mens die gestorven is, aanraakt, en zich niet ontzondigd heeft, die verontreinigt de tabernakel van de HEERE. Daarom moet die persoon uit Israël uitgeroeid worden. Omdat het reinigingswater niet op hem gesprenkeld is, is hij onrein [en] zijn onreinheid is nog in hem.). De wassing met water door het Woord is steeds nodig (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,). Daardoor komen we tot belijdenis en worden we rein.


Het eerste dankkoor

31Toen liet ik de vorsten van Juda de muur opgaan. Ik stelde twee grote dank[koren] en processies op: [de ene ging] naar rechts, over de muur, naar de Mestpoort, 32en achter hen liep Hosaja met de helft van de vorsten van Juda, 33en Azarja, Ezra en Mesullam, 34Juda, Benjamin, Semaja en Jeremia, 35en van de nakomelingen van de priesters met trompetten: Zacharja, de zoon van Jonathan, de zoon van Semaja, de zoon van Mattanja, de zoon van Michaja, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf, 36en zijn broeders Semaja en Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneël en Juda, [en] Hanani, met muziekinstrumenten van David, de man Gods. En Ezra, de schriftgeleerde, [ging] voor hen uit. 37[Zij gingen] vervolgens naar de Bronpoort, en recht voor hen uit gingen zij via de trappen van de stad van David naar boven, waar de muur oploopt, boven het huis van David [langs] tot aan de Waterpoort in het oosten.

Door het beklimmen van de muur en er overheen te lopen wordt de muur eigendom van het volk (vgl. Jz 1:33Elke plaats die uw voetzool betreedt, heb Ik u gegeven, overeenkomstig wat Ik tot Mozes gesproken heb.). Hierdoor neemt het volk bezit van wat binnen de muur ligt. De omgang op de muur is niet bedoeld om te kijken naar alles wat buiten de stad ligt, maar om te kijken naar alles wat er binnen ligt. Afzondering is niet negatief, maar positief. Het gaat om wat aan God is toegewijd. Dat kan niet anders dan door het af te zonderen van wat niet aan God is toegewijd. Het gaan over de muur geeft het volk dan ook een weidse indruk van de ligging van de stad en hoe heerlijk Gods tempel is.

De muur van afzondering om ons leven heeft dezelfde bedoeling. Het is de bedoeling dat we erover wandelen met dankzegging voor alles wat God ons heeft gegeven. Dan zullen we niet in zuur sektarisme vervallen, maar zal ons leven een getuigenis zijn van wat God daarin heeft gedaan. In de eerste plaats voor onze kinderen, maar ook voor allen om ons heen.

Laten we maar eens luisteren naar de Korachieten in Psalm 48. Na hun jubel over de redding van Sion is hun oproep:
“Ga rondom Sion en loop eromheen,
tel haar torens,
richt uw hart op haar vestingwal,
kijk nauwkeurig naar haar paleizen
om het aan de volgende generatie te vertellen.
Want deze God is onze God,
eeuwig en altijd;
Híj zal ons leiden tot de dood toe”
(Ps 48:13-1513Ga rondom Sion en loop eromheen,
tel haar torens,
14richt uw hart op haar vestingwal,
kijk nauwkeurig naar haar paleizen
om het aan de volgende generatie te vertellen.
15Want deze God is onze God,
eeuwig en altijd;
Híj zal ons leiden tot de dood toe.
).

Als we op deze manier over de muur gaan, zullen we de stad van God zien, zoals God die ziet. We zien dan de gemeente, zoals die is naar Gods raadsbesluit. Dat bewerkt uitingen van dank en die zijn op hun beurt een getuigenis voor allen die het zien en horen. Dat is de uitwerking van afzondering naar Gods gedachten.

Het eerste dankkoor vertrekt uit het westen, in de buurt van de Dalpoort. Hun route loopt over het zuidelijk gelegen gedeelte van de muur, in de richting van de Mestpoort. Ezra loopt aan het hoofd van deze stoet. Nehemia maakt als het ware plaats voor het Woord van God in de persoon van Ezra. Dat moet vooropgaan en door allen worden gevolgd.

We komen dan bij de Bronpoort, om fris water te putten, om op onze route verkwikt en bemoedigd te worden door het Woord van God. Onze blik wordt omhoog gericht, via de treden, naar de woning van David, een beeld van onze Heer in de hemel aan Wie alle macht in hemel en op aarde is gegeven.

Als we het zicht op de Heer Jezus hebben, komen we bij de Waterpoort in het oosten. Het oosten spreekt onder andere van de toekomst, van de verwachting van de Heer Jezus. Water spreekt behalve van verkwikking ook van reiniging (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,). We zien naar Hem uit en dat zal een reinigende werking op ons hebben, want “ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is” (1Jh 3:33En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is.).


Het tweede dankkoor

38Het tweede dank[koor] ging in tegenovergestelde richting, met mij erachter, en [met] de helft van het volk, over de muur, boven de Bakoventoren [langs], tot aan de Brede Muur, 39boven de Efraïmpoort [langs], en over de Oude Poort en over de Vispoort, de Hananeëltoren en de Honderdtoren, tot aan de Schaapspoort. Vervolgens bleven ze bij de Gevangenpoort staan.

Nehemia loopt achter het tweede zangkoor of dankkoor aan. Hij loopt niet voorop. Elke gedachte aan eigenbelang ontbreekt. Hij loopt daar niet in de geest van Nebukadnezar met de gedachte: ‘Is dit niet de grote muur die ik gebouwd heb?’ (Dn 4:3030De koning nam het woord en zei: Is dit niet het grote Babel dat ík als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit?). Hij weet dat hij slechts een instrument van de HEERE is.

Dit tweede koor passeert heel wat bouwwerken. Op de Efraïmpoort en de Gevangenpoort na worden ze allemaal in Nehemia 3 genoemd (zie daar voor het commentaar bij deze bouwwerken). Mogelijk dat er aan de Efraïmpoort en de Gevangenpoort niets hersteld hoefde te worden. Terwijl dit koor over de muur loopt, komen deze bouwwerken opnieuw voor hun aandacht.

Wij zullen op onze weg in afzondering naar Gods bedoeling telkens aan bepaalde waarheden herinnerd moeten worden. Petrus legt zich erop toe de gelovigen te herinneren aan wat ze geleerd hebben (2Pt 1:1212Daarom ben ik er altijd opuit u aan deze dingen te herinneren, hoewel u ze weet en bevestigd bent in de onderhavige waarheid.). Judas doet dat ook (Jd 1:55Ik wil u echter eraan herinneren, u die eens alles wist, dat <de> Heer, na een volk uit [het] land Egypte verlost te hebben, de tweede keer hen die niet geloofden, heeft verdelgd.). En Paulus vindt het niet verdrietig dingen te herhalen waarop hij eerder heeft gewezen (Fp 3:11Overigens, mijn broeders, verblijdt u in [de] Heer. Dezelfde dingen aan u te schrijven is voor mij niet vervelend en u geeft het zekerheid.).

Altijd dreigt het gevaar van vergeetachtigheid. Die vergeetachtigheid kan toeslaan in de breedte van ons geloofsleven. Dan nemen we het allemaal niet meer zo nauw. We gaan steeds meer op in de dingen van dit leven en maken ons niet meer zo druk om de belangen van God. Gods belangen raken op de achtergrond. We vergeten wat Hij voor ons gedaan heeft en onderzoeken Zijn Woord niet meer.

Die vergeetachtigheid kan ook slaan op de diepte van ons geloofsleven. Dan gaan we bepaalde waarheden bijzondere nadruk geven, terwijl we andere waarheden vergeten, er geen aandacht meer aan schenken. En als anderen ons daar op wijzen, verklaren we ‘die andere waarheden’ van een lagere, minder belangrijke orde of als niet op ons van toepassing.


Beide dankkoren in het huis van God

40Daarna stelden de twee dank[koren] zich op in het huis van God, ook ik en de helft van de machthebbers met mij, 41en de priesters Eljakim, Maäseja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zacharja [en] Hananja, met trompetten, 42en Maäseja, Semaja, Eleazar, Uzzi, Johanan, Malchia, Elam en Ezer. Ook lieten de zangers zich horen, en Jizrahja, de opzichter.

De rondgang over de muur is voltooid. Daardoor hebben de koren een grote indruk gekregen van de omvang en ligging van de stad, elk voor de helft en elk vanuit een ander perspectief. Zou dat niet iets zeggen over ons zicht op de gemeente? Wie durft te beweren dat hij het hele plan van God overziet? Welke plaatselijke gemeente, hoe ook begiftigd met gaven die veel inzicht hebben, kan zeggen dat zij het geheel van Gods gedachten overziet?

“Wij kennen ten dele” (1Ko 13:99Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele,). We hebben elkaar nodig om tot een vol beeld te komen. “Alle heiligen” zijn nodig om te ontdekken “wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God” (Ef 3:18-1918opdat u ten volle in staat bent te begrijpen met alle heiligen, wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is,19en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God.).

Beide koren ontmoeten elkaar in het huis van God, in Gods tegenwoordigheid. Daar worden ze tot één machtig koor. Als het Woord van God ons voorgaat op onze weg over de muur en ons leidt in de vreugde van wat aan God is gewijd, zullen we terechtkomen in het huis van God. Dat zal in volmaaktheid zijn als de Heer Jezus komt om ons in het Vaderhuis te brengen. Maar het geldt ook nu al. We zullen in Gods tegenwoordigheid met alle ‘leden van de twee dankkoren’ Hem in de gemeente prijzen voor alles wat Hij heeft gedaan (Ef 3:20-2120Hem nu, Die in staat is zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt,21Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van alle eeuwigheid! Amen.)).


Grote blijdschap

43Zij brachten op die dag grote offers en waren verblijd, want God had hen in grote mate verblijd, en ook de vrouwen en de kinderen waren verblijd, zodat de blijdschap van Jeruzalem van ver gehoord werd.

De omgang over de muur, het voor God in bezit nemen van de stad onder dankzegging om die toe te wijden aan Hem, mondt uit in grote vreugde. Dit is het gevolg als Zijn volk voor Hem wandelt in heiligheid en waarheid. In overeenstemming met de “grote mate” van blijdschap worden “grote offers” gebracht. Daarmee wordt God geëerd en bewonderd. Hij krijgt alle dank en aanbidding voor wat Hij Zijn volk heeft gegeven.

De offers spreken van de Heer Jezus. Er staat niet bij wat voor soort offers het zijn. Het meest waarschijnlijk is dat het dank- of vredeoffers zijn. Van die offers krijgt God Zijn deel en daarvan krijgen ook de priester en het volk hun deel (Lv 3:1111De priester moet dat daarna op het altaar in rook laten opgaan. Het is voedsel, een vuuroffer voor de HEERE.; 7:19,3119Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het [andere] vlees betreft, ieder die rein is, mag [dat] vlees eten.31De priester moet vervolgens het vet op het altaar in rook laten opgaan, maar het borststuk is voor Aäron en zijn zonen.). Het dank-of vredeoffer is een offer dat de gemeenschap tussen God, de Heer Jezus en Zijn volk tot uiting brengt. Door het offer van de Heer Jezus is dat mogelijk geworden. Het is een ‘groot’ offer. Voor ons wil dat zeggen dat we een grote indruk hebben van het werk van de Heer Jezus en dat aan God en aan elkaar vertellen.

De gemeenschap die we met elkaar mogen hebben, wordt op bijzondere wijze beleefd aan de tafel van de Heer. Daar denken we aan Zijn werk en gedenken we Zijn dood. Enerzijds stemt het ons droevig dat wij door onze zonden de oorzaak zijn van Zijn dood. Anderzijds denken we er met blijdschap aan dat Hij het heeft gedaan, waardoor er gemeenschap met Hem en God en met elkaar mogelijk is geworden. Daarom is er bij het avondmaal sprake van “de drinkbeker der zegening” of “de drinkbeker der lofzegging” (1Ko 10:14-1814Daarom, mijn geliefden, ontvlucht de afgodendienst.15Ik spreek als tot verstandigen; beoordeelt u wat ik zeg.16De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?17Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood.18Kijkt u naar Israël naar [het] vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?). Bij de viering van het avondmaal zullen we ons verheugen naar de mate dat we in de week ‘op de muur hebben gewandeld’.

Liefst vier keer lezen we in dit vers over “verblijd” en “blijdschap”. Deze vreugde komt van God. Hij is de bron ervan. Het is een grote vreugde, niet alleen voor mannen, maar ook voor vrouwen en kinderen. De toegevoegde waarde van deze blijdschap is dat deze een getuigenis is voor de wijde omgeving (vgl. Ea 3:1313En het volk kon geen onderscheid maken tussen het geluid van het vreugdegejuich en het geluid van het huilen van het volk, want het volk hief een groot gejuich aan en het geluid werd tot ver gehoord.). Allen die niet meegegaan zijn, delen zo toch in de vreugde. Het is ermee als met de zalving van de Heer Jezus door Maria, waardoor het huis “met de geur van de balsem” werd vervuld (Jh 12:33Maria dan nam een pond balsem van onvervalste, kostbare nardus, zalfde de voeten van Jezus en droogde Zijn voeten met haar haren af; en het huis werd met de geur van de balsem vervuld.), zodat ieder die er aanwezig is, de geur van de balsem ruikt die voor de Heer Jezus bestemd is.


Zorg voor de Levieten

44Ook werden op die dag mannen aangesteld over de kamers voor de voorraden, voor de hefoffers, voor de eerstelingen en voor de tienden, om daarin de door de wet [voorgeschreven] delen [van de opbrengst] van de velden om de steden te verzamelen voor de priesters en de Levieten, want er was blijdschap in Juda over de priesters en de Levieten die [daar in dienst] stonden, 45en [hun] taak ten behoeve van hun God en [hun] taak bij de reiniging vervulden, evenals de zangers en de poortwachters, overeenkomstig het gebod van David [en] Salomo, zijn zoon. 46In de dagen van David en Asaf, van oudsher, waren er namelijk hoofden van de zangers en [voor] het loflied en de lofzangen voor God. 47Daarom gaf heel Israël in de dagen van Zerubbabel en in de dagen van Nehemia de delen voor de zangers en de poortwachters, elke dag het voor die dag benodigde, en zij heiligden [wat] voor de Levieten was en de Levieten heiligden [wat] voor de nakomelingen van Aäron was.

Nog een gevolg van de omgang op de muur is de zorg voor de dienaren van God tot bevordering van Zijn werk. Als er toewijding is, wordt niet alleen het hart aangeraakt, maar ook de portemonnee (Hb 13:15-1615Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.16En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen.). Waar dankbaarheid is aan God, zal dat ook gezien worden in mededeelzaamheid aan mensen. Het geven van liefde maakt het hart niet leeg, het geven van geld maakt de portemonnee niet leeg (Ml 3:10-1110Breng al de tienden naar het voorraadhuis,
zodat er voedsel in Mijn huis is.
Beproef Mij toch hierin,
zegt de HEERE van de legermachten,
of Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen,
en zegen over u zal uitgieten, zodat er geen [schuren] genoeg zullen zijn.11Ik zal ter wille van u de kaalvreter bestraffen,
zodat hij de vrucht van de aardbodem bij u niet te gronde richt,
en de wijnstok op het veld bij u niet zonder vrucht zal blijven,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
.

Nadat de HEERE Zijn deel heeft gekregen in de “grote offers”, krijgen de dienaren hun deel van het volk. Als God wordt geprezen voor het herstel dat Hij heeft gegeven, zal er ook dankbaarheid zijn voor de dienst die Zijn dienaren onder het volk verrichten. Juda verheugt zich erover.

Onze vreugde komt tot uiting in het aanvaarden van elke dienst namens God en in het ondersteunen ervan in praktisch opzicht. Als dienaren niet aanvaard worden en zelfs vergeten worden, is dat een bewijs van geringschatting door het volk van wat de gemeente is voor Christus. Christus heeft namelijk uit liefde voor Zijn gemeente dienaren gegeven tot opbouw van Zijn gemeente (Ef 4:1111En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,).

De zorg van priesters en Levieten gaat uit naar de dienst van hun God en wat nodig is voor reiniging. Alles wat voor God gebeurt, kan alleen door Hem erkend en aanvaard worden als het in overeenstemming met Zijn heiligheid is. Hij kan niets aannemen wat onrein is. Maar Hij weet ook wie wij zijn. Daarom voorziet Hij in mogelijkheden om Hem op een Hem welbehaaglijke wijze te dienen.

Er is orde door het gehoorzamen aan de instellingen van vroeger. De normen van reinheid zijn niet veranderd sinds de dagen van David en Salomo. Wat die normen zijn, heeft God in Zijn Woord bekendgemaakt. Omdat Hij niet is veranderd, zijn ook voor ons de normen van reinheid niet veranderd. Willen wij Hem dienen als priester, Leviet, zanger en poortwachter, dan zullen we Zijn Woord raadplegen. Dan gaan we terug naar de oorsprong en zijn we niet overgeleverd aan menselijke tradities die in de loop van de tijd steeds worden bijgesteld.

Het gaat hierbij niet om aangepaste melodieën of aangepast taalgebruik. Het gaat om de inhoud van onze dankzegging. Zijn God en de Heer Jezus nog steeds het voorwerp ervan? Getuigen de liederen van de nodige eerbied? Is de inhoud in overeenstemming met de Schrift? De voorkeur van veel christenen gaat steeds meer uit naar liederen die ‘lekker zingen’, die een bepaald goed gevoel geven. Naar de inhoud wordt nauwelijks gekeken, laat staan getoetst aan de Bijbel. Liederen waarin de Heilige Geest wordt toegezongen en aangebeden, worden gemeengoed. Ook de eerbied verdwijnt steeds meer. God en Jezus worden naar het niveau van de mens omlaag getrokken. Zeker, we mogen vrijmoedig met en over God en Christus spreken, maar we mogen daarin nooit populair of platvloers worden.

Het laatste vers (vers 4747Daarom gaf heel Israël in de dagen van Zerubbabel en in de dagen van Nehemia de delen voor de zangers en de poortwachters, elke dag het voor die dag benodigde, en zij heiligden [wat] voor de Levieten was en de Levieten heiligden [wat] voor de nakomelingen van Aäron was.) verbindt op een treffende manier de dagen van Nehemia met de dagen van Zerubbabel. Het betreft in beide gevallen een opwekking die God heeft bewerkt. In beide gevallen gebeuren dan dezelfde dingen. Er is grote bereidwilligheid om te geven. Er wordt gegeven voor het onderhoud van de zangers en de poortwachters. Dagelijks krijgen zij wat ze nodig hebben. Elke dag kunnen ze hun werk doen, zonder zich druk te hoeven maken over hun levensonderhoud.

Zangers richten zich in dankzegging tot God. Poortwachters kijken naar mensen. Zij zien erop toe dat alleen zij de stad binnengaan die daartoe het recht hebben. Voor ons betekent dit dat wij ervoor moeten zorgen dat onze dank aan God en onze zorg voor de gemeente elke dag voor onze aandacht staan, dat deze aspecten om zo te zeggen dagelijks voedsel krijgen, dagelijks levend in ons aanwezig zijn.

Er wordt aan alle Levieten gedacht. Zij krijgen heilige gaven. Het volk geeft hun wat zij voor de HEERE hebben afgezonderd. Op hun beurt geven de Levieten de geheiligde gaven aan de priesters.

Uit het voorgaande spreekt een prachtige gezindheid. Waar de Heer groot wordt voor de harten en er toewijding is aan Hem, gaat het volk functioneren zoals Hij het wil. Ieder lid vervult ten gunste van ieder ander lid de hem of haar opgedragen taak. Deze werking onder Gods volk vindt zijn hoogtepunt in wat wordt gegeven aan de priesters, die hier “de nakomelingen [of: zonen] van Aäron” worden genoemd. Deze benaming legt de nadruk op het in praktijk brengen van het priesterschap in het bewustzijn van de verbinding met de Heer Jezus als de Hogepriester. Zo wordt ten slotte het hart op Hem gericht.


Lees verder