Mattheüs
1-7 Arbeiders voor een wijngaard 8-15 De uitbetaling 16 De les 17-19 Derde aankondiging van het lijden 20-24 Een plaats in het koninkrijk 25-28 Niet heersen, maar dienen 29-34 Genezing van twee blinden
Arbeiders voor een wijngaard

1Want het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een heer des huizes die ‘s morgens vroeg naar buiten ging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard. 2Toen hij het nu met de arbeiders eens was geworden voor een denaar per dag, zond hij hen in zijn wijngaard. 3En omstreeks [het] derde uur ging hij naar buiten en zag anderen werkloos staan op de markt. 4En tot dezen zei hij: Gaat ook u in de wijngaard en wat billijk is zal ik u geven. En zij gingen. 5Opnieuw <nu> ging hij naar buiten omstreeks [het] zesde en negende uur en deed evenzo. 6Omstreeks het elfde [uur] nu ging hij naar buiten en vond anderen staan en zei tot hen: Waarom staat u hier de hele dag werkloos? 7Zij zeiden tot hem: omdat niemand ons gehuurd heeft. Hij zei tot hen: Gaat ook u in de wijngaard.

De gelijkenis die de Heer hier uitspreekt, sluit aan op de vraag van Petrus naar de beloning voor het volgen van Hem. Dat blijkt al uit het woord “want” waarmee de gelijkenis begint. Dat blijkt ook uit een vergelijking tussen het laatste vers van het vorige hoofdstuk en vers 1616Zó zullen de laatsten [de] eersten zijn, en de eersten [de] laatsten. van dit hoofdstuk. In Zijn antwoord aan Petrus heeft de Heer gewezen op het feit dat vele eersten de laatsten zullen zijn en laatsten de eersten (Mt 19:3030Vele eersten echter zullen [de] laatsten zijn, en laatsten [de] eersten.). Dat gaat Hij nader toelichten in deze gelijkenis van het koninkrijk der hemelen die Hij dan in vers 1616Zó zullen de laatsten [de] eersten zijn, en de eersten [de] laatsten. als volgt besluit: “Zó”, dat wil zeggen: op deze wijze, “zullen de laatsten [de] eersten zijn en de eersten [de] laatsten.”

De Heer stelt in deze gelijkenis het beginsel van de genade en de soevereiniteit van God vast tegenover hen die Hij roept. Tevens maakt Hij duidelijk dat wat Hij geeft aan hen die Hij in Zijn wijngaard zendt, afhankelijk is van Zijn genade en roeping. Het belangrijke punt in deze gelijkenis is het vertrouwen in de genade van de heer van de wijngaard en dat die genade het uitgangspunt is van de behandeling van hen die in de wijngaard gaan.

Het is een gelijkenis van het koninkrijk der hemelen. Dat wil zeggen dat in de gelijkenis duidelijk wordt gemaakt hoe het er in het koninkrijk der hemelen aan toegaat. Het is geen gelijkenis die aantoont hoe zondaren tot bekering worden gebracht. Het gaat in deze gelijkenis om hen die een relatie met de Heer Jezus hebben en door Hem tot dienst worden geroepen. Daarin gaat Hij soeverein te werk, evenals in het belonen van de arbeiders. Hij zal elke dienst die gedaan wordt en elk offer dat gebracht is voor Zijn zaak zonder uitzondering erkennen. Tegelijk zal Hij ook Zijn eigen recht handhaven om die erkenning tot uitdrukking te brengen zoals Hij wil. Hij heeft het recht om te geven aan hen die misschien volgens ons niets gedaan hebben.

De heer is hier een heer des huizes waardoor aan het koninkrijk ook de gedachte van een huis wordt verbonden. Deze heer is al vroeg opgestaan en gaat op zoek naar arbeiders voor zijn wijngaard. Met de eerste lichting arbeiders onderhandelt hij. Deze arbeiders gaan de wijngaard in nadat er een overeenkomst met hen is gesloten. De arbeiders gaan aan het werk in de wijngaard voor het overeengekomen loon.

De heer des huizes kan nog meer arbeiders gebruiken. Hij ziet mensen die niets te doen hebben. Hij gaat naar hen toe om te zeggen dat ook zij in de wijngaard moeten gaan, met de toezegging dat hij hun zal geven “wat billijk” is. Deze lichting werkers gaat de wijngaard in zonder overeenkomst, maar in vertrouwen op de toezegging van de heer. Vervolgens gaat de heer voor een derde en vierde lichting nog eens naar buiten en handelt op dezelfde wijze. Hij is voortdurend bezig met het roepen van mensen om in zijn wijngaard te werken. Telkens gaat hij naar buiten.

Zelfs op het elfde uur, als de dag bijna voorbij is, gaat de heer naar buiten. Weer vindt hij mensen die niets doen. Voordat hij hen in zijn wijngaard zendt, vraagt hij waarom ze daar al de hele dag werkloos staan. Uit zijn vraag blijkt dat hij hun verleden kent. Hun antwoord getuigt van passiviteit. Ze zijn niet als Ruth die zelf werk zoekt waar ze het maar kan vinden en waarbij ze rekent op de gunst van de landeigenaar (Ru 2:22Ruth, de Moabitische, zei tegen Naomi: Laat mij toch naar de akker gaan en aren rapen achter hem in wiens ogen ik genade zal vinden. En zij zei tegen haar: Ga, mijn dochter.). Toch zendt de heer hen in zijn wijngaard. Deze laatste lichting werkers gaat de wijngaard in zonder enige toezegging.


De uitbetaling

8Toen het nu avond geworden was, zei de heer van de wijngaard tot zijn beheerder: Roep de arbeiders en betaal hun het loon, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten. 9Toen nu die van het elfde uur kwamen, kregen zij elk een denaar. 10En toen de eersten kwamen, meenden zij dat zij meer zouden krijgen; en ook zij kregen elk <de> denaar. 11En toen zij die kregen, mopperden zij tegen de heer des huizes 12met de woorden: Deze laatsten hebben één uur gewerkt, en u hebt hen met ons gelijk gesteld die de last van de dag en de hitte gedragen hebben. 13Hij echter antwoordde een van hen en zei: Vriend, ik doe u geen onrecht. Bent u het niet voor een denaar eens geworden met mij? 14Neem het uwe en ga heen! Ik wil echter aan deze laatste evenveel geven als aan u. 15<Of> is het mij niet geoorloofd met het mijne te doen wat ik wil? Of is uw oog boos omdat ik goed ben?

Het tijdstip van de uitbetaling van het loon komt. Met wijsheid bepaalt de heer van de wijngaard hoe de uitbetaling moet gebeuren. Hij zegt tegen zijn beheerder dat hij met uitbetalen met de laatsten moet beginnen. Zij krijgen eerst betaald. Dat zien dan de anderen, vooral zij die het eerst in de wijngaard zijn gegaan. De handelwijze van de heer zal openbaar maken wat er in hun hart is. Als de lichting werkers die het laatst in zijn wijngaard is gegaan, wordt uitbetaald, krijgen allen tot hun verbazing ieder een denaar. In zijn genade geeft de heer aan hen die slechts één uur hebben gewerkt, het loon voor een hele dag werken.

Ten slotte komen de eersten. Zij hebben gezien hoe zij die slechts één uur hebben gewerkt, een denaar hebben gekregen. Het lijkt hun niet meer dan logisch dat zij dan twaalf denaren krijgen. Zij hebben ten slotte een hele dag van twaalf uur, het klokje rond, gewerkt. Rekenen kunnen ze goed. Laat het misschien wat minder zijn, maar ze rekenen in elk geval op meer dan een denaar. Zij krijgen echter rechtvaardig het overeengekomen loon van een denaar.

Als ze dat zien, uiten ze hun ongenoegen daarover. Ze vinden dat ze onrechtvaardig worden behandeld en beklagen zich bij de heer des huizes. Ze voelen zich tekortgedaan. Daar worden ze even gelijkgesteld met hen die maar een uurtje hebben gewerkt, terwijl zij de last van de dag en de hitte hebben verdragen. Hun klacht betreft de handelwijze van de heer des huizes. Zij vinden het onterecht dat de laatsten met hen gelijk worden gesteld, terwijl zij veel meer inspanning hebben moeten verrichten.

Alleen van de groep die het laatst wordt uitbetaald en het eerst is begonnen, komt er commentaar. Geen van de andere groepen, waarvan er toch ook een is die de hitte van de dag heeft verdragen, zegt iets over de uitbetaling aan de eerste groep die het laatst is begonnen. Zij beseffen de genade in de uitbetaling. Het commentaar komt – en dat is de les – van mensen van de wet die God tot een schuldenaar van de mens maken.

De heer antwoordt een van hen. Dat zou best wel eens de man kunnen zijn die als allereerste de wijngaard is binnengegaan. Hij noemt hem “vriend” en wijst hem erop dat hij hem geen onrecht aandoet. Hij herinnert deze ‘vriend’ aan de overeenkomst. Als hij hem uitbetaalt waarvoor hij zelf heeft getekend, wat is er dan voor onrechtvaardigs aan zijn handelwijze? De werker mag zijn geld nemen en heengaan. Het is zijn geld geworden, de heer noemt het “het uwe”. Hij heeft het echt verdiend en hij mag het besteden zoals hij wil.

In zijn genade heeft de heer van de wijngaard aan de laatsten net zoveel gegeven als aan de eersten. De heer spreekt over “deze laatste”, dus één persoon, met wie hij degene zal bedoelen die werkelijk als allerlaatste de wijngaard is binnengegaan. Wat de heer aan de laatste heeft gegeven, is niet de zaak van de werker van het eerste uur, maar is de zaak van de heer. Wie is de arbeider dat hij de heer zegt wat hij met zijn geld moet doen? Is de heer daarin niet vrij? Of is het eerder zo, dat de betoonde goedheid aan anderen de boosheid van het hart openbaart van hen die menen meer rechten te hebben?


De les

16Zó zullen de laatsten [de] eersten zijn, en de eersten [de] laatsten.

De Heer Jezus trekt de les voor Zijn discipelen, want tot hen heeft hij deze gelijkenis gesproken naar aanleiding van de vorige geschiedenis. Daar is de volgorde: eersten zullen de laatsten en laatsten zullen de eersten zijn (Mt 19:3030Vele eersten echter zullen [de] laatsten zijn, en laatsten [de] eersten.) omdat het daar gaat om het falen van de mens. Hier is de volgorde andersom: laatsten zijn de eersten en eersten zijn de laatsten, want hier gaat het om de soevereiniteit van God.

De les die we moeten leren – en die we maar moeilijk leren – is dat de Heer geen enkel werk onbeloond laat, maar dat Hij het eenvoudige geloof in Hem hoger waardeert dan de grootste inspanning die voor Hem wordt verricht. Dit is het geloof dat voor Hem uitgaat, ook al is de dag al ver verstreken, zonder aan loon te denken, maar omdat Hij uitzendt. Het geloof en de liefde tot Hem als motief tot de dienst voor Hem zijn voor Hem belangrijker dan het eigenlijke werk dat kan worden gedaan.

Ware dienaren van Christus hebben gedronken van Zijn genade en worden geleid door het verlangen dat Hij wordt verheerlijkt en hun medemensen worden gediend. Ze zijn vervuld van wat hun door genade is geschonken om zo’n Meester, hun Heiland, te dienen. Dit ongekend grote voorrecht om Hem te dienen zou volkomen verloren gaan als we daarover met Hem zouden gaan onderhandelen.

Dat dit in deze gelijkenis van het koninkrijk der hemelen gebeurt, betekent dat we het koninkrijk hier zien in zijn wijdste sfeer die ook hen omvat die slechts in naam belijden bij de Heer te horen, de naamchristenen. Werken voor de Heer vanuit het motief om in de toekomst beloond te worden is misleidend. Maar voor Hem werken in de kracht van innerlijke toewijding om Wie Hij is, zet het stempel van de hemel op de dienst. Het laatste maakt ons gelijkvormig aan Hem Die we dienen. Zeker stelt de Heer een beloning in het vooruitzicht, maar die is niet het motief om te dienen. Als we naar de Heer Jezus in Zijn dienst kijken, leren we hoe we kunnen dienen.


Derde aankondiging van het lijden

17En toen Jezus naar Jeruzalem opging, nam Hij de twaalf <discipelen> afzonderlijk tot Zich en zei onderweg tot hen: 18Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen 19en Hem overleveren aan de volken om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.

Na de gelijkenis over de arbeiders in de wijngaard komt het werk dat Hijzelf moet verrichten voor Zijn aandacht. Daarvoor moet Hij opgaan naar Jeruzalem. Als Hij Zich daarop richt, wil Hij de gedachten van Zijn hart met Zijn twaalf discipelen delen, en wel met hen alleen. Hij wil hen betrekken bij wat Hem bezighoudt.

Terwijl ze onderweg zijn, spreekt Hij al wandelende tot hen. Hij vertelt hun waar ze heen gaan en wat de godsdienstige leiders met Hem, de Zoon des mensen, zullen doen in Jeruzalem. Hij zal worden overgeleverd – door Judas, maar de Heer noemt zijn naam niet – aan de valse leiders en die zullen Hem ter dood veroordelen. Na door Judas te zijn overgeleverd aan de valse leiders, zullen zij Hem overleveren aan de volken in de persoon van Pilatus en zijn soldaten. Hij zal bespot, gegeseld en gekruisigd worden. Maar dat is niet het einde. Hij zal op de derde dag worden opgewekt. Hij is de Overwinnaar van de dood.


Een plaats in het koninkrijk

20Toen kwam bij Hem de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen, huldigde Hem en vroeg iets van Hem. 21Hij nu zei tot haar: Wat wilt u? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze twee zonen van mij mogen zitten, een aan Uw rechter- en een aan Uw linkerhand in Uw koninkrijk. 22Jezus antwoordde echter en zei: U weet niet wat u vraagt. Kunt u de drinkbeker drinken die Ik zal drinken? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het. 23Hij zei tot hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, maar het zitten aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerhand is niet aan Mij om <dat> te geven, maar is voor hen wie het door Mijn Vader is bereid. 24En toen de tien dit hoorden, namen zij het de twee broers zeer kwalijk.

Na Zijn indrukwekkende woorden over Zijn lijden, dood en opstanding komt de moeder van Johannes en Jakobus bij Hem. Ze eert Hem eerst. Ze is zich bewust van Zijn verhevenheid. Dan vraagt ze iets van Hem. Ze heeft de vraag nog niet gesteld, maar gevraagd of ze iets mag vragen. Hoewel de Heer weet wat haar bezighoudt, nodigt Hij haar uit te vragen wat zij wil. Haar verzoek is of haar zonen een vooraanstaande plaats in Zijn koninkrijk mogen hebben. Uit haar vraag blijkt haar geloof in Christus als Koning.

Hij antwoordt haar dat ze niet weet wat ze vraagt. Dit is een berisping. Zo’n vraag had ze beter niet kunnen stellen. De Heer openbaart het motief van de vraag door vervolgens de zonen een vraag te stellen. Zij zullen hun moeder hebben gevraagd om Hem de vraag te stellen over de begeerde positie in het koninkrijk.

Petrus heeft zojuist nog gevraagd wat hun deel zou zijn (Mt 19:2727Toen antwoordde Petrus en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd; wat zal dan voor ons zijn?); de broers Johannes en Jakobus gaan een stapje verder en bepalen hun deel zelf door te vragen naar een voorname plaats in het koninkrijk. Hoewel ze om hun vraag door de Heer worden berispt, moeten we niet vergeten dat het hun verlangen was om dicht bij hun Meester en Heer te zijn. Zonder twijfel zullen ze dicht bij Hem zijn op de dag dat zij met hun medediscipelen op twaalf tronen zullen zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen (Mt 19:2828Jezus nu zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.).

De Heer reageert met een vraag die gaat over het drinken van een drinkbeker. Het drinken van een drinkbeker ziet op een vorm van lijden. De zonen van Zebedeüs antwoorden dat zij die drinkbeker kunnen drinken. Is dat overmoed? De Heer antwoordt niet dat ze de beker wel kunnen drinken, maar zegt dat ze die zeker zullen drinken. Over hun positie in het koninkrijk laat Hij Zich niet uit. Die zaak is in de hand van Zijn Vader en Die heeft voor ieder een plaats bereid.

Wat de moeder voor haar zonen aan de Heer vraagt, krijgt zij niet. Het is uitzonderlijk dat we lezen dat een moeder iets voor haar kinderen aan de Heer vraagt wat niet door Hem wordt verhoord. Dat komt door wat er wordt gevraagd. Een vraag met het oog op nood wordt altijd verhoord. Hier gaat het om een vraag naar beloning voor haar zonen, een eerbewijs aan hen, en dat verzoek kan Hij niet inwilligen.

Als de tien andere discipelen dit horen, nemen ze het de twee broers zeer kwalijk. Maar waarom nemen zij het Johannes en Jakobus kwalijk? Hebben ze misschien last gehad van concurrerende gevoelens?


Niet heersen, maar dienen

25Jezus nu riep hen bij Zich en zei: U weet, dat de oversten van de volken over hen heersen en de groten gezag over hen voeren. 26Zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienstknecht zijn, 27en wie onder u [de] eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; 28zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.

De Heer roept Zijn discipelen bij Zich. Hij heeft hun iets te leren over de dingen die hen allemaal bezighouden met betrekking tot hun plaats in het koninkrijk. Om hun de les van dienen te leren wijst Hij op wat gebruikelijk is in de wereld. Hoe het er daar aan toegaat, weten ze. Ze kennen de wereld. In de wereld streeft men naar gezag. De oversten en groten hebben het voor het zeggen en de anderen hebben niets te vertellen.

Onder de gelovigen behoort het heel anders te zijn. De geest van Christus is een geest van dienen die leidt tot de keus van de nederigste plaats en algehele toewijding aan anderen. Het betekent afstand doen van alles om met vertrouwen afhankelijk te zijn van de genade van Hem Die we dienen. Het gaat om de consequente bereidheid de nederigste plaats in te nemen om zo de dienaar van allen te zijn. Dat behoort de gezindheid te zijn van hen die deelhebben aan het koninkrijk zoals het nu gevestigd is door de verworpen Heer.

In het koninkrijk van God heersen regels die staan tegenover de regels die in de koninkrijken van de wereld gelden. In het koninkrijk van God leidt ware dienstbaarheid tot ware grootheid. Grootheid in de wereld komt tot uitdrukking in heerschappij en gezag over anderen. Grootheid onder de heiligen komt tot uitdrukking in dienen en zorg.

“Groot … worden” heeft te maken met hoe iemand zich doet kennen. Iemand die groot wil zijn in het koninkrijk, zal dat zijn als hij als een dienaar anderen wil dienen. De “eerste … zijn” heeft te maken met rangorde. Wie dat wil zijn, moet slaaf willen zijn, dat wil zeggen iemand die het volledige bezit is van een meester en geen enkel recht heeft op een eigen bestaan. Zijn bestaan wordt bepaald door zijn meester. Bij “dienstknecht” gaat het meer om wat hij doet, zijn bereidheid om te dienen. Bij “slaaf” gaat het meer om wat de meester wil. Hij die gediend wordt, bepaalt zijn leven.

De Heer Jezus is Zelf het grote Voorbeeld van Iemand Die leeft naar de regels van het rijk van de hemel. Hij is daarom dan ook de Grootste en de Eerste. Hij heeft ook een werk volbracht waarin we Hem niet kunnen navolgen. Dat is het werk van de verlossing. Zijn dienst ging zover, dat Hij Zijn leven gaf. Alleen Zijn volmaakte leven en de overgave daarvan in de dood kan een losprijs zijn voor “velen”, dat zijn allen die in Hem geloven. Het woord “voor” betekent hier ‘in de plaats van’. [Zie voor het belang van deze betekenis het boekje ‘Verzoening, dwaling & dwaalleer’ op www.oudesporen.nl.]

In de les die de Heer Zijn discipelen en ons geeft, zien we een van de momenten in de geschiedenis van onze Heer waarin Hij verhevenheid met onderworpenheid en gezag met gehoorzaamheid combineert. Deze combinaties worden in Zijn leven gezien op een wijze die de discipelen en ook ons tot aanbidding aan Zijn voeten brengt.


Genezing van twee blinden

29En toen zij Jericho uitgingen, volgde Hem een grote menigte. 30En zie, toen twee blinden, die langs de weg zaten, hoorden dat Jezus voorbijging, riepen ze de woorden: Erbarm U over ons, <Heer,> Zoon van David! 31De menigte echter waarschuwde hen dat zij zouden zwijgen; zij riepen echter des te meer en zeiden: Erbarm U over ons, Heer, Zoon van David! 32En Jezus bleef staan, riep hen en zei: Wat wilt u dat Ik u doe? 33Zij zeiden tot Hem: Heer, dat onze ogen geopend worden. 34Jezus nu werd met ontferming bewogen, raakte hun ogen aan, en terstond konden zij weer zien, en zij volgden Hem.

De Heer heeft gesproken over Zijn leven als losprijs. Met het oog daarop begint Hij Zijn laatste reis naar Jeruzalem. Jericho is de stad van de vloek. Hij is er geweest en heeft er zegen gebracht. Nu gaat Hij met Zijn discipelen op weg naar Jeruzalem om de basis te leggen voor alle zegen die Hij heeft verspreid en die Hij nog zal brengen. Aangetrokken door die zegen volgt een grote menigte Hem en gaat mee Jericho uit. Zij beseffen niet waarheen Zijn weg voert.

Terwijl Hij onderweg is, doen twee blinden een beroep op Zijn ontferming (vgl. Mt 9:2727En toen Jezus vandaar verder ging, volgden <Hem> twee blinden, die de woorden riepen: Erbarm U over ons, Zoon van David!). Ze zitten langs de weg. Als ze horen dat “Jezus” voorbijgaat, roepen ze naar Hem. Ze moeten eerder van Hem hebben gehoord. Hun ogen zijn blind, maar ze hebben verlichte ogen van het hart. Dit is hun kans en ze grijpen die. De menigte wil hun het zwijgen opleggen. Als er een beroep op de Heer wordt gedaan, zijn er altijd mensen die dat willen verhinderen. Maar de blinden bezitten de kracht van het geloof en zijn van die geweldenaars die het koninkrijk voor zich wegrukken (Mt 11:1212Van de dagen nu van Johannes de doper tot nu toe wordt het koninkrijk der hemelen met geweld ingenomen, en geweldenaars rukken het weg.). In plaats van te zwijgen roepen ze des te meer om de ontferming van de Heer.

“En Jezus bleef staan.” Wat een geweldige Heer! Terwijl Hij op weg is naar Jeruzalem en de gedachte aan wat daar met Hem zal gebeuren, Hem bezighoudt, laat Hij Zich ophouden door een roep om ontferming. Dan roept Hij hen. Hij neemt de tijd voor hen. Ook hier komt Zijn vraag wat zij willen dat Hij zal doen (vgl. verzen 20-21a20Toen kwam bij Hem de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen, huldigde Hem en vroeg iets van Hem.21Hij nu zei tot haar: Wat wilt u? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze twee zonen van mij mogen zitten, een aan Uw rechter- en een aan Uw linkerhand in Uw koninkrijk.). Hij weet het wel, maar Hij wil het van henzelf horen. Hij wil graag uit onze mond horen wat wij van Hem verlangen. Zonder omhaal van woorden zeggen ze tegen de Heer wat hun verlangen is: dat hun ogen worden geopend.

De Heer geneest hen. Hij doet dat niet als weldoener, maar als Iemand Die deelt in hun nood. Hij wordt met ontferming bewogen. Vanuit een innerlijke betrokkenheid bij hun ellende raakt Hij de plek aan waar het om draait. Het resultaat is onmiddellijk zichtbaar. Deze twee volgen Hem vanaf nu op Zijn weg naar Jeruzalem.


Lees verder