Maleachi
1 De bode komt en de Heere ook 2-4 Reiniging en zuivering 5 De HEERE, een snelle Getuige 6 De HEERE is niet veranderd 7 Oproep tot bekering en de reactie daarop 8-9 God beroven 10 Beproef Mij toch 11-12 Gezegend en tot zegen 13-15 God dienen is nutteloos 16-17 Zij die de HEERE vrezen 18 Het onderscheid wordt gezien
De bode komt en de Heere ook

1Zie, Ik zend Mijn engel,
die voor Mij de weg bereiden zal.
Plotseling zal naar Zijn tempel komen
die Heere Die u aan het zoeken bent,
de Engel van het verbond,
in Wie u uw vreugde vindt.
Zie, Hij komt,
zegt de HEERE van de legermachten.

Hier komt het antwoord op de uitdagende vraag aan het einde van het vorige hoofdstuk: Waar is de God van het oordeel? Maleachi laat weten dat de HEERE Zijn engel, dat is Zijn bode, Zijn heraut, uitstuurt om de komst van de God van het oordeel voor te bereiden. Deze bode is niet Maleachi en ook niet Elia, maar Johannes de doper. Dat weten we uit de aanhalingen van dit vers in de evangeliën in verbinding met Johannes de doper (Mt 11:1010Deze is het van wie geschreven staat: ‘Zie, Ik zend Mijn bode voor U uit, die Uw weg voor U heen zal bereiden’.; Mk 1:22zoals geschreven staat in de profeet Jesaja: ‘Zie, Ik zend Mijn bode voor U uit, die Uw weg zal bereiden’;; vgl. Js 40:3-53Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
4Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
5De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,
en alle vlees tezamen zal [het] zien,
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
)
.

In het citaat in Markus 1 wordt duidelijk dat de Heer Jezus voor Wie de weg moet worden bereid in Zijn Godheid wordt gezien, dat is als ‘Jahweh’ (Mk 1:22zoals geschreven staat in de profeet Jesaja: ‘Zie, Ik zend Mijn bode voor U uit, die Uw weg zal bereiden’;). Daar staat “voor U uit”“U” is de Heer Jezus – en hier in Maleachi staat dat de HEERE zegt “voor Mij”, dat is Jahweh. Het bereiden van de weg door Johannes gebeurt in de harten van mensen, zodat Jahweh in hun harten kan komen. Het gaat om het wegnemen van opstand tegen God door de prediking van de bekering. Johannes is de voorloper van de nederige Mens Jezus Die niemand anders is dan Jahweh, God Zelf.

Maleachi spreekt hier niet over de komst van de Heer Jezus in vernedering. Hij gaat van de aankondiging van de voorloper direct over op de komst van de Heere tot Zijn tempel. Die komst vindt plaats in de eindtijd en zal plotseling gebeuren. Dan komt “de Heere”, Adonai, de soevereine Heerser. In dit vers liggen de eerste en de tweede komst naast elkaar (vgl. Js 61:1-31De Geest van de Heere HEERE is op Mij,
omdat de HEERE Mij gezalfd heeft
om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen.
Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart,
om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen
en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis;
2om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE
en de dag van de wraak van onze God;
om alle treurenden te troosten;
3om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden
sieraad in plaats van as,
vreugdeolie in plaats van rouw,
een lofgewaad in plaats van een benauwde geest,
opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid,
een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken.
)
. Johannes de doper heeft Zijn eerste komst aangekondigd. Maar toen Hij kwam, werd Hij verworpen. Nu is Hij in de hemel, in afwachting van het bevel van God om de aarde op te eisen (Ps 2:88Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
)
. Dan komt Hij in macht en majesteit.

De tijdgenoten van Maleachi zoeken de Heere in Zijn majesteit. Ze zien uit naar een Messias Die hen tot het hoofd van de volken zal maken. Alleen om die reden vinden ze hun vreugde in Hem. Maar daarmee zullen ze beschaamd uitkomen. Zij openbaren een andere geest dan uit Psalm 143 spreekt: Ga niet in het gericht met Uw dienaar, want niemand die leeft, is voor Uw aangezicht rechtvaardig” (Ps 143:22Ga niet in het gericht met Uw dienaar,
want niemand die leeft,
is voor Uw aangezicht rechtvaardig.
)
Hij zal zeker komen, plotseling, maar dan om allen te oordelen die goddeloos leven. Hij komt als “de Engel van het verbond” (vgl. Js 63:99In al hun benauwdheid
was Hij benauwd;
de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost.
Door Zijn liefde en door Zijn genade
heeft Híj hen bevrijd;
Hij hief hen op en droeg hen
al de dagen van weleer.
; Ex 23:20,2320Zie, Ik zend een Engel voor u uit om over u te waken op de weg en u te brengen naar de plaats die Ik gereedgemaakt heb.23Mijn Engel zal namelijk vóór u uit gaan en u brengen bij de Amorieten en de Hethieten en de Ferezieten en de Kanaänieten en de Hevieten en de Jebusieten, en Ik zal hen uitroeien.)
. Hij vervult alle voorwaarden van het verbond, waarbij ook het oordeel hoort over hen die het verbond hebben verbroken.

Het vers eindigt met nog een keer te verklaren dat Hij komt. Het is een bevestiging van een waarheid die diepe indruk moet maken en tot heiliging en verwachting moet voeren. Ook wij zien uit naar de komst van de Zoon van God. We verwachten Hem uit de hemelen. Hij komt eerst om de gelovigen van de gemeente en de oudtestamentische gelovigen tot Zich te nemen (1Th 4:16-1716Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.). Daarna komt Hij met de Zijnen naar de aarde (1Th 4:1414Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en opgestaan, evenzeer zal God ook de door Jezus ontslapenen met Hem brengen.). Als we in dat vooruitzicht en die verwachting leven, heeft dat een reinigend effect op ons leven (1Jh 3:33En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is.).


Reiniging en zuivering

2Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?
Wie zal bij Zijn verschijning standhouden?
Want Hij is als vuur van een edelsmid,
en als zeep van de blekers.
3Hij zal zitten [als iemand] die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
4Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem
voor de HEERE aangenaam zijn,
zoals [in] de dagen van oude tijden af,
zoals in vroegere jaren.

Het volk verlangt wel naar de komst van de HEERE, maar wie kan Zijn dag verdragen (vers 22Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?
Wie zal bij Zijn verschijning standhouden?
Want Hij is als vuur van een edelsmid,
en als zeep van de blekers.
; vgl. Am 5:1818Wee hun die verlangend uitzien
naar de dag van de HEERE!
Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn?
Duisternis zal hij zijn en geen licht!
)
? Als Hij komt, zal het zijn om het kwaad te oordelen – waarvan het vuur spreekt – en weg te doen uit Israël, zodat Zijn volk gereinigd zal zijn (Zc 13:8-98Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
9Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
)
. Hier vinden we de doop met vuur waarover Johannes de doper spreekt (Mt 3:11-1211Ik doop u wel met water tot bekering; maar Hij Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens sandalen ik niet waard ben te dragen; Hij zal u dopen met [de] Heilige Geest en vuur;12Zijn wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer door en door zuiveren en Zijn tarwe in de schuur samenbrengen, maar het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden.). Hout, hooi en stro, die ongelovigen voorstellen, zullen erdoor vergaan (1Ko 3:12-1312Als nu iemand op het fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stro, –13ieders werk zal openbaar worden. Want de dag zal het aan het licht brengen, omdat deze in vuur geopenbaard wordt, en hoe ieders werk is, <dat> zal het vuur beproeven.).

Maleachi gebruikt twee beelden voor reiniging: vuur en zeep. Vuur dient voor de reiniging van metalen en zeep voor de reiniging van kleding. Het vuur reinigt ons inwendig. Kleding heeft te maken met ons gedrag, ons uiterlijk. De Heer Jezus had zoiets niet nodig. Alles wordt in overeenstemming met Hem gemaakt, blinkend wit zoals Hij wit is.

De smelter, dat is de Heer Jezus, neemt na de verhitting van het zilver het schuim weg waardoor het zilver zuiver wordt (vers 33Hij zal zitten [als iemand] die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
)
. Hij is pas tevreden over de zuiverheid van het zilver als Hij Zijn eigen gezicht in het zilver weerspiegeld ziet. De reiniging is met het oog op het gelijkvormig worden aan Hem (2Ko 3:1818Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van [de] Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door [de] Heer, [de] Geest.; 1Jh 3:22Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Wij weten dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is.).

“Hij zal zitten” als Hij met dit proces in de Zijnen bezig is. Dat duidt op rust, zorg en aandacht. Het is geen vluchtig werk. Het gebeurt niet met haast. Hij houdt de temperatuur van het vuur nauwlettend in de gaten en zorgt ervoor dat wij niet verzocht worden boven wat we kunnen verdragen, “maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen” (1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.).

De zonen van Levi moeten gereinigd worden. Zij worden genoemd omdat zij de offers moeten brengen. Ze zullen worden gereinigd van de zonden die in de vorige hoofdstukken zijn genoemd. Dan kunnen ze “een graanoffer brengen in gerechtigheid”, dat wil zeggen in overeenstemming met het recht van God (vers 44Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem
voor de HEERE aangenaam zijn,
zoals [in] de dagen van oude tijden af,
zoals in vroegere jaren.
)
. Ze zullen op de juiste manier, in de juiste gezindheid, de goede offers kunnen brengen. Er is geen onrecht meer in hun hart en in hun daden.

Het is een gedachtenisoffer, dat in het vrederijk wordt gebracht (Ez 40-46). Het herinnert aan de dagen van oude tijden af, de dagen van vroeger, dat zijn de dagen van Mozes, David en Salomo. Onder aanvoering van deze mannen hebben de Israëlieten offers gebracht die de HEERE met welgevallen heeft aangenomen. Het vernieuwde, gezuiverde en gereinigde Israël zal de geest van geloof en toewijding hebben die ook die dagen kenmerkte.

Om de gemeente te reinigen gebruikt de Heer Jezus het water van het Woord (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,). God gebruikt tucht om Zijn kinderen te heiligen en daardoor deel te laten krijgen aan Zijn heiligheid (Hb 12:1010Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.). Ook beproevingen worden gebruikt om ons geloof, ons vertrouwen op God, zuiverder te maken, zodat we beantwoorden aan de heerlijkheid van Christus bij Zijn komst (1Pt 1:6-76Daarin verheugt u zich, zo nodig nu een korte tijd bedroefd door allerlei verzoekingen,7opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.; Jb 23:1010Maar Hij kent de weg [die] ik [ga].
Laat Hij mij beproeven – ik zal er als goud uitkomen.
; Ps 66:1010Want U hebt ons beproefd, o God,
U hebt ons gelouterd, zoals men zilver loutert.
; Sp 17:1010Een bestraffing werkt dieper in op een verstandige,
dan een honderdtal [stok]slagen op een dwaas.
; Js 4:44Wanneer de Heere de vuilheid van de dochters van Sion afgewassen zal hebben en de vele bloedschuld van Jeruzalem uit het midden ervan weggespoeld zal hebben door de Geest van oordeel en door de Geest van uitbranding,)
.


De HEERE, een snelle Getuige

5Ik zal naar u toe komen voor het oordeel.
Ik zal een snelle Getuige zijn
tegen de tovenaars, tegen de overspelers,
tegen hen die valse eden afleggen
en tegen hen die het loon van een dagloner met geweld inhouden,
die [het recht van] weduwe, wees en vreemdeling ombuigen,
en Mij niet vrezen,
zegt de HEERE van de legermachten.

Van de toekomstige dagen van reiniging en zegen keert Maleachi terug naar de situatie in zijn dagen. Het oordeel zal niet alleen in de toekomst de goddelozen treffen, maar ook nu al. Kwaad moet worden geoordeeld door de heilige God. Hij zal als een Snelrechter handelen en daarbij Zijn oordeel met Zijn getuigenis bezegelen.

1. De eersten die Zijn oordeel vernemen, zijn “de tovenaars” (Ex 22:1818Een tovenares mag u niet in leven laten.). Zij verwerpen de waarheid van God en gaan bij de vader van de leugen, de duivel, te rade.

2. Vervolgens velt Hij oordeel over andere vormen van kwaad, kwaad dat gericht is tegen de naaste. De “overspelers” begaan een grote zonde. Zij gaan voorbij aan Gods plan met het huwelijk zoals Hij dat bij de schepping heeft ingesteld. Hun gedrag is een aanval op de verhouding tussen God en Zijn aardse volk en tussen Christus en de gemeente.

3. Zij “die valse eden afleggen”, zijn zij die een meineed afleggen. Ze roepen God aan bij het begaan van onrecht en verbinden zo Zijn Naam aan de zonde. Waar God zo terzijde wordt gezet of in een kwaad daglicht wordt gesteld, zijn de gevolgen ook catastrofaal voor de verhoudingen tussen mensen onderling.

4. Zij zijn mensen “die het loon van een dagloner met geweld inhouden”. Ze hebben van iemands diensten gebruikgemaakt, maar weigeren hem het loon uit te betalen. Ze zijn ook in een positie om dit kwaad te begaan.

5. Ze geven niets om “[het recht van] weduwe, wees en vreemdeling”, maar buigen dat zo om, dat ze deze sociaal zwakke groepen mensen uitbuiten. Zij delen niet in de speciale zorg die God voor hen heeft.

Al deze vormen van kwaad, al dit goddeloze handelen, komen voor omdat er geen vrees voor God is. De genoemde goddelozen hebben gemeenschappelijk dat zij God niet vrezen. En God is nog wel “de HEERE van de legermachten”. Met Hem hebben ze te maken en Hij zal hen oordelen.


De HEERE is niet veranderd

6Want Ík, de HEERE, ben niet veranderd,
ú, kinderen van Jakob, bent daarom niet omgekomen.

Mensen mogen veranderen, God verandert niet. Hij blijft altijd Dezelfde (Hb 13:88Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.). Dat geldt voor al Zijn Goddelijke eigenschappen, ook voor Zijn liefde voor Zijn volk (Ml 1:22Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE.
Toch heb Ik Jakob liefgehad,
)
. Hij zal de Godvrezenden onder Zijn volk niet ombrengen. Omdat Hij onveranderlijk is en Zijn beloften zal waarmaken, is het met Israël geen gedane zaak.

Hij spreekt hier over Zijn volk als “kinderen van Jakob”. Dat ziet op het volk in zijn vaak ontrouwe wegen die het is gegaan. Hoe vaak zijn ze veranderd, toch zijn ze niet omgekomen. Dwars door al hun ontrouw heen heeft God hen geleid en gebracht in het land dat Hij hun vaderen had beloofd hun te zullen geven.

In het land hebben ze de grootste misdaad aller tijden gepleegd door de Zoon van God, Die in liefde naar hen toe kwam, te kruisigen. Daar zijn ze zwaar voor getuchtigd, maar God heeft hen niet omgebracht. Hij heeft altijd een overblijfsel in leven gehouden. In de nabije toekomst zal Zijn volk door een grote verdrukking gaan. In die grote verdrukking zullen velen omkomen, maar een overblijfsel zal tot berouw en bekering komen. Aan hen zal Hij laten zien dat Hij niets heeft veranderd aan Zijn beloften en dat Hij alles tot op de letter zal vervullen (Ps 89:3535Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen
en wat over Mijn lippen gekomen is, niet veranderen.
; Dt 4:3131Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet loslaten, en u niet te gronde richten; Hij zal het verbond met uw vaderen, dat Hij onder ede met hen gesloten heeft, niet vergeten.; Ps 106:4545Hij dacht hun ten goede aan Zijn verbond;
Hij had berouw, naar Zijn grote goedertierenheid.
)
.


Oproep tot bekering en de reactie daarop

7Sinds de dagen van uw vaderen bent u afgeweken van Mijn verordeningen,
en hebt u ze niet in acht genomen.
Keer terug naar Mij,
en Ik zal naar u terugkeren,
zegt de HEERE van de legermachten.
Maar u zegt: In welk opzicht moeten wij terugkeren?

Dat God ondanks de ontrouw van Zijn volk Zijn plannen zal vervullen, ontslaat het volk niet van de verplichting zich te bekeren. Gods plannen en de verantwoordelijkheid van de mens sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar aan. Maleachi houdt het volk voor hoelang het al van Gods verordeningen is afgeweken en er niet naar geleefd heeft. Alle generaties vóór hen zijn ontrouw geweest, en zij die een nieuwe generatie zijn, gaan in hetzelfde spoor. De HEERE roept hen op naar Hem terug te keren. Dan zal Hij naar hen terugkeren. Hij heeft Zich vanwege hun zonden van hen moeten afwenden, maar Hij zal Zich weer tot hen wenden als zij hun zonden belijden en daarmee ophouden.

Maar het volk ziet geen reden om terug te keren om de eenvoudige reden dat ze vinden dat ze niet afgeweken zijn. Ze staan weer klaar met het antwoord. Het klinkt weer brutaal: ‘Terugkeren? In welk opzicht dan? We zijn toch nette, oppassende leden van Uw volk? Wat een drukte maken Uw profeten van berouw en bekering. Waarom zijn wij in ongenade gevallen?’

Het volk beantwoordt de confrontatie met hun verkeerdheid door ontwijkende vragen. Ook smaden ze de profeet of dagen hem uit om eens wat duidelijker te zijn, wat meer bijzonderheden te vermelden. Zo reageren mensen als ze niet van plan zijn de waarheid onder ogen te zien. De oproep tot terugkeer prikkelt hun trots en brengt hen tot de vraag waarin ze dan wel moeten terugkeren. Het bewijst hoe afgestompt ze zijn in hun aanvoelen van wat zonde is. Het antwoord komt in de volgende verzen.


God beroven

8Zou een mens God beroven?
Werkelijk, u berooft Mij!
En dan zegt u: Waarvan beroven wij U?
Van de tienden en het hefoffer!
9U bent door de vloek getroffen,
omdat u Mij berooft,
[als] volk in zijn geheel.

God antwoordt op hun vraag waarin ze moeten terugkeren met een vraag waarin het antwoord opgesloten ligt (vers 88Zou een mens God beroven?
Werkelijk, u berooft Mij!
En dan zegt u: Waarvan beroven wij U?
Van de tienden en het hefoffer!
)
. Het antwoord is dat het natuurlijk onmogelijk is om God te beroven. Toch stelt God die vraag, want Hij wil daarmee hun aandacht trekken en hen erover laten nadenken. In een bepaald opzicht beroven ze God namelijk wel, en dat is door Hem iets te onthouden. Met grote nadruk zegt Hij: “Werkelijk, u berooft Mij!”

Weer is de brutale reactie om die beschuldiging maar eens hard te maken. God moet maar eens aantonen waarvan ze Hem beroven. Direct komt het antwoord. Ze beroven Hem “van de tienden en het hefoffer”. Ze zijn ongehoorzaam aan wat Hij daarover heeft gezegd in Zijn Woord. Hij spreekt daarin vaak over het geven van de tienden, die er ook nog in verschillende soorten zijn (Lv 27:30-3330Alle tienden van het land, [zowel] van het zaaigoed van het land [als] van de vruchten aan de bomen, zijn voor de HEERE [bestemd]. Ze zijn heilig voor de HEERE.31Maar als iemand toch [een deel] van zijn tienden vrijkoopt, moet hij het vijfde deel ervan daaraan toevoegen.32En alle tienden van runderen en kleinvee, van alles wat [bij de telling] onder de staf doorgaat, het tiende is heilig voor de HEERE.33Men mag niet onderzoeken of het goed is of slecht, en men mag het niet omruilen. Als men het toch omruilt, dan is zowel dit [dier] als wat daarvoor omgeruild is, heilig. Ze mogen niet vrijgekocht worden.; Nm 18:26-2826U moet ook tot de Levieten spreken en tegen hen zeggen: Wanneer u van de Israëlieten de tienden ontvangt, die Ik u gegeven heb als uw erfelijk bezit onder hen, dan moet u daarvan voor de HEERE een hefoffer brengen, de tienden van die tienden.27Het zal u toegerekend worden als uw hefoffer, als het koren van de dorsvloer en de inhoud van de perskuip.28Zo moet ook u een hefoffer voor de HEERE brengen van al uw tienden, die u van de Israëlieten ontvangt, en u moet het hefoffer daarvan voor de HEERE aan de priester Aäron geven.; Dt 12:1818Alleen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen, mag u dat eten: u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet die binnen uw poorten is; en u zult u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden over alles wat u ter hand genomen hebt.; 14:28-2928Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten.29Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit [samen] met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet.).

Als het volk de tienden niet geeft, kunnen de Levieten en priesters, die van de tienden leven, ook hun werk niet doen en moeten ze omzien naar ander werk voor hun inkomen (Ne 13:10-1310Verder kwam ik te weten dat de delen voor de Levieten niet werden gegeven, en dat de Levieten en de zangers, die het werk verrichtten, waren gevlucht, ieder naar zijn [eigen] veld.11Ik riep de machthebbers ter verantwoording en zei: Waarom is het huis van God verlaten? Ik bracht hen bij elkaar en ik deed hen hun plaats [weer] innemen.12Toen bracht heel Juda de tienden van het graan, de nieuwe wijn en de olie [weer] naar de voorraad[kamers].13En ik gaf Selemja, de priester, en Zadok, de schrijver, en van de Levieten Pedaja, de leiding over de voorraad[kamers], en naast hen Hanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Mattanja, want zij werden betrouwbaar geacht, en het was aan hen om [alles] onder hun broeders te verdelen.). Het hefoffer is ook een deel van het voedsel van de priester (Ex 29:27-2827Daarna moet u het borststuk voor het beweegoffer en de achterbout voor het hefoffer, die bewogen en die opgeheven zijn, heiligen, [namelijk die] van de ram ter inwijding, van die voor Aäron en van die voor zijn zonen.28Ja, het moet voor de Israëlieten ten behoeve van Aäron en zijn zonen een eeuwige verordening zijn, want het is een hefoffer, een hefoffer van de Israëlieten, [afkomstig] van hun dankoffers. Het is hun hefoffer voor de HEERE.; Lv 7:3434Want het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en Ik geef die van de kant van de Israëlieten aan de priester Aäron en aan zijn zonen, als een eeuwige verordening.; 10:14-1514Verder moeten jullie het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer op een reine plaats eten, jij en je zonen en je dochters met je, want ze zijn uit de dankoffers van de Israëlieten gegeven als het aan jou en je zonen toegewezen deel.15Tegelijk met de vuuroffers van de vetdelen moeten zij de achterbout van het hefoffer en het borststuk van het beweegoffer brengen om ze als beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE te bewegen. Dat is voor jou en je zonen met je een eeuwige verordening, zoals de HEERE geboden heeft.; Nm 5:99En elk hefoffer van alle heilige [gaven] van de Israëlieten die zij de priester brengen, is voor hem,). Als het hefoffer niet wordt gebracht, missen ze daardoor voedsel.

Wanneer de Levieten door gebrek aan inkomsten ander werk moeten gaan doen, gaat dat ook ten koste van hun dienst aan God. God wordt op die manier beroofd van hun dienst. Het achterwege laten van het brengen van de tienden treft ook de weduwen en wezen. God heeft bepaald dat zij van de tienden moeten krijgen voor hun levensonderhoud (Dt 26:1212Wanneer u in het derde jaar, het jaar van de tienden, gereed bent met het afstaan van alle tienden van uw opbrengst, dan moet u [het] geven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, zodat zij binnen uw poorten kunnen eten en verzadigd worden.). Wie God berooft, dat wil zeggen wie Hem onthoudt waar Hij recht op heeft, die sticht veel kwaad.

Wie God berooft, krijgt ook geen zegen, maar vloek (vers 99U bent door de vloek getroffen,
omdat u Mij berooft,
[als] volk in zijn geheel.
)
. Het volk is er ellendig aan toe. Ze zuchten onder de vloek (Ml 2:22Als u niet luistert en als u [het] niet ter harte neemt om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten, zal Ik de vloek onder u zenden en uw zegeningen vervloeken. Ja, Ik heb ze [al] vervloekt, want u neemt [het] niet ter harte.
)
. Hier geeft God de oorzaak ervan aan. Ze beroven Hem en ze gaan daar maar mee door. En het is niet zomaar een enkeling die dat doet. Nee, het “volk in zijn geheel” maakt zich er schuldig aan. Maar ze weigeren in te zien dat de vloek die hen treft, hun eigen schuld is.


Beproef Mij toch

10Breng al de tienden naar het voorraadhuis,
zodat er voedsel in Mijn huis is.
Beproef Mij toch hierin,
zegt de HEERE van de legermachten,
of Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen,
en zegen over u zal uitgieten, zodat er geen [schuren] genoeg zullen zijn.

Maar de zaak is niet hopeloos. God geeft een aanwijzing die een uitdaging voor het geloof is. Hij vraagt hun dat ze “al de tienden”, dus niet slechts van een gedeelte van hun inkomsten, “naar het voorraadhuis” van de tempel brengen. Dan zal er “voedsel in Mijn huis” zijn, dat wil zeggen dat de priesters en Levieten die dienstdoen in het heiligdom dan te eten zullen hebben.

Als ze daarop ingaan, zal Hij een overvloedige zegen geven. Maar het moet op Zijn voorwaarden. Als zij willen dat God Zijn voorraadschuur opendoet, moeten zij eerst hun voorraadschuur openen om daaruit de tienden te nemen. Die tienden moeten in “Mijn huis”, dat is de tempel, worden gebracht (Ne 10:3838Ook zal er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zijn, als de Levieten de tienden ontvangen. En de Levieten zullen een tiende van de tienden naar het huis van onze God brengen, naar de kamers van het voorraadhuis,; 13:1212Toen bracht heel Juda de tienden van het graan, de nieuwe wijn en de olie [weer] naar de voorraad[kamers].; 2Kr 31:1010Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak daarop tot hem en zei: Sinds er begonnen is dit hefoffer naar het huis van de HEERE te brengen, is er tot verzadiging toe te eten geweest, ja, wij hebben overvloedig overgehouden, want de HEERE heeft Zijn volk zo gezegend dat deze overvloed overbleef.).

We redeneren vaak dat God ons eerst overvloed moet geven en dat wij dan kunnen geven. Maar God zegt: ‘Breng eerst al de tienden in het voorraadhuis. Als jullie dat doen, ga je zien wat Ik doe.’ Hij opent dan “de vensters van de hemel” om zegen over hen uit te gieten in zo’n grote hoeveelheid, dat er geen schuren genoeg zijn om die te bevatten.

Daarmee bedoelt Hij dat Hij een overvloed aan regen zal geven waardoor het land een overvloedige oogst zal opleveren. De overvloed zal zo groot zijn, dat ze niet genoeg schuren hebben om die in op te slaan (vgl. Dt 28:1212De HEERE zal voor u Zijn rijke schatkamer, de hemel, openen, door uw land regen te geven op zijn tijd en door al het werk van uw handen te zegenen. U zult aan vele volken uitlenen, maar u zult zelf niet hoeven te lenen.). Hij kan dit woord ook vervullen door Zijn volk op bijzondere wijze van voedsel te voorzien, zoals bij de wonderbare redding van Samaria (2Kn 7:2,192Maar een officier, op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man Gods en zei: Zie, al maakt de HEERE sluizen in de hemel – hoe zou dit [kunnen] gebeuren? Maar hij zei: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar er niet van eten.19En die officier had de man Gods geantwoord en gezegd: Zie, al maakt de HEERE sluizen in de hemel, zou dit zo [kunnen] gebeuren? En hij had gezegd: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar er niet van eten.).

Als wij eerst God Zijn deel geven, geeft Hij ons wat Hij heeft, en dat is vele malen meer dan wij Hem hebben gegeven. We zien daarvan een voorbeeld in wat Elia tegen de weduwe van Zarfath zegt. De vrouw heeft nog maar een klein beetje meel en een klein beetje olie, net genoeg voor een laatste maaltijd voor haar en haar zoon. Toch vraagt Elia aan de vrouw om van dat laatste beetje eerst voor hem een kleine koek te maken. Hij voegt eraan toe dat zij daarna voor haar en haar zoon wat kan klaarmaken. De vrouw doet dat. Haar geloof wordt rijk beloond, want “het meel in de pot raakte niet op en in de kruik ontbrak het niet aan olie” (1Kn 17:13,1613Maar Elia zei tegen haar: Wees niet bevreesd! Ga, doe overeenkomstig uw woord, maar maak er eerst voor mij een kleine koek van en breng die bij mij. Maak daarna voor u en voor uw zoon [iets] klaar.16Het meel in de pot raakte niet op en in de kruik ontbrak het niet aan olie, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij door de dienst van Elia gesproken had.).

God beantwoordt ons vertrouwen op Hem met overvloedige zegen. Wij leven “niet onder [de] wet, maar onder [de] genade” (Rm 6:1414Want [de] zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder [de] wet, maar onder [de] genade.). Maar daaruit mogen we niet de conclusie trekken dat het ‘dus’ niet uitmaakt hoeveel wij geven. Zou God nu in plaats van met tien procent ook wel met twee of drie procent genoegen nemen? Wie zo denkt, heeft weinig begrepen van de ware christelijke positie, van de liefde die de vervulling van de wet is (Rm 13:1010De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde [de] vervulling van [de] wet.).

Zonder enig bevel geven de eerste christenen in Jeruzalem niet tien procent, maar honderd procent (Hd 2:4545en zij verkochten hun goederen en bezittingen en deelden ze uit aan allen, naardat iemand nodig had.). Zal de liefde ons er niet toe brengen niet zo weinig mogelijk, maar zoveel mogelijk te geven? Dwang komt voort uit een wet, maar liefde geeft dankbaar en blij wat ze kan, en geniet daarin bijzonder de gemeenschap met God, de grote Gever (2Ko 9:7,157Laat ieder [geven] naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen; niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.15God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave.).

Naar de mate dat de gelovige welvaart heeft (1Ko 16:22Laat ieder van u op [de] eerste [dag] van [de] week bij zichzelf [iets] terzijde leggen en opsparen naardat hij welvaart heeft, opdat de inzamelingen niet pas gebeuren wanneer ik kom.), verwacht de Heer een milde gave van hem voor Zijn werk en voor de behoeftige heiligen. Waarom staat er: “Vergeet de weldadigheid en mededeelzaamheid niet” (Hb 13:1616En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen.)? Omdat wij geneigd zijn om die te vergeten, en dan haastig en willekeurig nog wat uit onze portemonnee vissen. Even zien of we nog wat overgehouden hebben. Wat schepen wij God vaak af met onze restanten. Dat geldt voor ons bezit en ook voor onze tijd.

Ook voor ons geldt: Vereer de HEERE met je bezit, met de eerstelingen van heel je opbrengst” (Sp 3:99Vereer de HEERE met je bezit,
met de eerstelingen van heel je opbrengst,
)
. Alles wat we hebben, behoort Hem toe. Christus heeft ons immers voor God gekocht met Zijn bloed (1Ko 6:2020Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam!; Op 5:99En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,). Dat betreft ons lichaam en alles wat we bezitten. Wij beroven Hem als we voor onszelf leven en ons bezit voor onszelf gebruiken. Moet Hij ook tegen ons zeggen: ‘Kijk eens naar je bankrekening. Van wie is dat geld? Wat wil je ermee doen?’ De christen kijkt niet naar wat hij kan missen, maar vraagt aan de Heer wat hij voor zichzelf mag besteden, want alles is van Hem.


Gezegend en tot zegen

11Ik zal ter wille van u de kaalvreter bestraffen,
zodat hij de vrucht van de aardbodem bij u niet te gronde richt,
en de wijnstok op het veld bij u niet zonder vrucht zal blijven,
zegt de HEERE van de legermachten.
12Alle heidenvolken zullen u gelukkig prijzen,
want u zult een aangenaam land zijn,
zegt de HEERE van de legermachten.

Als ze de HEERE beproeven, geeft Hij niet alleen een overvloed aan zegen, maar zal Hij er ook voor zorgen dat er geen verderf meer in het land komt (vers 1111Ik zal ter wille van u de kaalvreter bestraffen,
zodat hij de vrucht van de aardbodem bij u niet te gronde richt,
en de wijnstok op het veld bij u niet zonder vrucht zal blijven,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. Hij zal het oordeel wegnemen en de opmars van de vraatzuchtige sprinkhaan, de kaalvreter, tot staan brengen, zodat hij de vrucht van het land en de vruchten van de bomen niet langer vernielt. God heeft gezag over alle schepselen; Hij roept ze en zendt ze waarheen Hij wil, ook naar Zijn volk als dat nodig is. Hij kan er ook een einde aan maken als ze niet langer nodig zijn.

Het gevolg is dat “alle heidenvolken” hen “gelukkig prijzen” (vers 1212Alle heidenvolken zullen u gelukkig prijzen,
want u zult een aangenaam land zijn,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. Door hun terugkeer tot de HEERE ontvangen ze niet alleen zelf zegen, maar zullen ze ook tot zegen zijn voor anderen. Ze zullen “een aangenaam land zijn”. De openbaring van de gunst van God zal zo rijk zijn, dat de omringende landen hen gelukkig zullen prijzen.

Deze beloften zijn gebaseerd op het oudtestamentische beginsel dat zegen door God wordt gegeven als het volk gehoorzaam is, net zoals de vloek over hen komt als ze ongehoorzaam zijn (Dt 28:1515Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam bent door al Zijn geboden en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, nauwlettend te houden, dat al deze vervloekingen over u zullen komen en u zullen treffen:). Hun verblijf in het land, hun vrij zijn van ziekte, aardse zegeningen in elke vorm en gedaante, het is allemaal afhankelijk van hun gedrag ten opzichte van de inzettingen en voorschriften die zij van God hebben gekregen. Daaraan hebben ze zichzelf ook verplicht (Ex 19:88Toen antwoordde heel het volk gezamenlijk en zei: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer over aan de HEERE.; 24:3,73Mozes kwam [terug] en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk. Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.7Hij nam het boek van het verbond en las [dit] ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en [Hem] gehoorzamen.).


God dienen is nutteloos

13Uw woorden tegen Mij waren te hard, zegt de HEERE.
Maar u zegt: Wat hebben wij onder elkaar tegen U gesproken?
14U zegt: God dienen is nutteloos!
Wat voor nut heeft het dat wij [onze] taak ten behoeve van Hem vervullen
en dat wij in het zwart gaan
voor het aangezicht van de HEERE van de legermachten?
15Welnu, wij prijzen de hoogmoedigen gelukkig:
niet alleen worden zij die goddeloosheid doen, opgebouwd,
zelfs als zij God beproeven, ontkomen zij.

In vers 1313Uw woorden tegen Mij waren te hard, zegt de HEERE.
Maar u zegt: Wat hebben wij onder elkaar tegen U gesproken?
zijn we weer terug in de actualiteit van de dagen van Maleachi. De HEERE heeft een nieuwe aanklacht tegen hen. Hij brengt Zijn volk de woorden onder de aandacht die zij tegen Hem hebben gesproken. Uit die woorden is gebleken dat zij zich vermetel opstellen, hard en weerspannig, zelfs agressief. Er is een toename in het verzet tegen God.

En weer reageren ze met de onbeschaamde tegenwerping of de HEERE dan maar eens wil aantonen wat zij onder elkaar tegen Hem hebben gesproken. Ze voelen totaal niets aan van wat God hen verwijt. Bij hen ontbreekt elke Godsvrucht. Niets in hen is afgestemd op God. En dan te bedenken dat we hier te maken hebben met leden van Gods volk.

De HEERE zegt tegen hen waaruit hun gepraat onder elkaar bestaat (vers 1414U zegt: God dienen is nutteloos!
Wat voor nut heeft het dat wij [onze] taak ten behoeve van Hem vervullen
en dat wij in het zwart gaan
voor het aangezicht van de HEERE van de legermachten?
)
. Hun vermetelheid blijkt hieruit dat zij zeggen: “God dienen is nutteloos!” En dat is nu juist het leven van de mens. God dienen is het voorrecht en de plicht van het schepsel en geeft hem de ware betekenis en het doel van zijn leven. Maar daar zijn zij het niet mee eens. God dienen levert volgens hen niets op, want ze krijgen niet wat ze willen hebben, namelijk materiële welvaart.

Nou, als dat zo is, kun je er maar beter mee stoppen om Hem te dienen. Waarom zullen zij hun taak ten behoeve van Hem vervullen als Hij hen er toch niet voor beloont? Zo praten zij onder elkaar. In plaats van elkaar aan te moedigen tot een trouwe taakvervulling voor de HEERE, stimuleren ze elkaar om hun trouw aan Hem op te zeggen. Zij klagen dat ze met hun godsdienst niets gewonnen hebben. Integendeel, ze lijden onder armoede en verdriet.

Ook “in het zwart gaan” helpt niets, zo constateren zij. Het houden van vastendagen, het afzien van voedsel, brengt ook geen winst. En daarvoor verricht je toch je godsdienstige verplichtingen? Voor wat hoort wat. Zij doen wat God vraagt, dus moet God daar wel heel blij mee zijn en hun voorspoed geven. Maar kijk eens hoe ze eraan toe zijn. Alleen maar ellende.

Waar ze blind voor zijn, is dat het probleem bij hen ligt en niet bij God. Ze hebben niet in de gaten dat ze alleen uiterlijk God dienen en dat ze van binnen verdorven zijn. God ziet het hart aan en dat slaat niet voor Hem. Wat Hij zoekt, zijn verscheurde, berouwvolle harten en niet verscheurde of zwarte kleren (Jl 2:1515Blaas de bazuin in Sion,
kondig een vasten[tijd] af,
roep een bijzondere samenkomst bijeen.
)
.

Ze hebben het helemaal met God gehad. “Welnu”, je kunt maar beter hoogmoedig en trots zijn (vers 1515Welnu, wij prijzen de hoogmoedigen gelukkig:
niet alleen worden zij die goddeloosheid doen, opgebouwd,
zelfs als zij God beproeven, ontkomen zij.
)
. Zulke mensen maken het in de wereld. Zij hebben voorspoed en zelfs als zij God beproeven – hier in de zin van hoogmoedig uitdagen –, worden ze niet gestraft, maar ontkomen ze. Het leven in de wereld is veel beter dan dat je als christen je best doet om God tevreden te stellen. Als je voor God wilt leven, krijg je alleen maar problemen. Zo hebben al heel wat zogenaamde christenen gepraat.


Zij die de HEERE vrezen

16Dan spreken zij die de HEERE vrezen,
ieder tot zijn naaste:
De HEERE slaat er acht op en luistert.
Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht,
voor wie de HEERE vrezen
en wie Zijn Naam hoogachten.
17En zij zullen voor Mij, zegt de HEERE van de legermachten,
op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn.
Ik zal hen sparen,
zoals een man zijn zoon spaart
die hem dient.

In de vorige drie verzen openbaart God dat Hij weet wat goddeloze mensen tegen elkaar over Hem zeggen. Hij neemt daar kennis van (vgl. Jr 8:66Ik heb er acht op geslagen en geluisterd:
zij spreken wat juist niet behoorlijk is.
Er is niemand die berouw heeft over zijn slechtheid
door te zeggen: Wat heb ik gedaan?
Eenieder keert zich af [en] draaft [maar] door,
als een paard dat zich in de strijd stort.
)
. Maar Hij weet ook wat de Godvrezenden tegen elkaar over Hem zeggen. Onder de opstandige mensen van de vorige verzen bevinden zich enkelingen die elkaar kennen en met elkaar praten. De HEERE sluit Zich bij hen aan. Hij vindt Zijn vreugde in hen, met hoe weinig ze ook maar zijn.

Te midden van alle grootspraak is er een overblijfsel dat geen grote mond heeft over hun eigen kunnen, maar dat de mond vol heeft over de HEERE. Zij vrezen Hem, ze zijn vol eerbied voor Hem. In plaats van elkaar op te hitsen om ontrouw te worden aan een God Die zo moeilijk doet, bemoedigen ze elkaar. Ze wijzen elkaar erop dat Hij wel acht op hen slaat en naar hen luistert. Dit overblijfsel vertrouwt Hem, dwars door alle beproevingen heen. We zien hen bijvoorbeeld in Lukas 1-2, net vóór en net na de geboorte van de Heer Jezus, in Zacharia en Elizabeth, Jozef en Maria, de herders, Simeon en Anna.

De Heer kent ook in onze tijd allen die Hem te midden van een afvallige christenheid trouw blijven. Dat zien we meestal niet in de massabijeenkomsten, maar in persoonlijke contacten. We moeten niet denken zoals Elia dat we alleen zijn overgebleven. De Heer neemt nota van alles wat iemand over Hem zegt om een ander te bemoedigen om Hem trouw te blijven.

Het is menselijkerwijs spreken als gezegd wordt dat alles in een “gedenkboek” geschreven wordt (vgl. Es 6:1-21In die nacht was de slaap van de koning geweken. Hij zei dat men het gedenkboek, de kronieken, moest brengen, en die werden in de tegenwoordigheid van de koning gelezen.2Men vond [daarin] beschreven dat Mordechai over Bigthana en Teres, twee hovelingen van de koning, [uit de kring] van de deurwachters, verteld had dat ze de hand aan koning Ahasveros wilden slaan.; Ps 56:99Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
doe mijn tranen in Uw kruik.
Staan zij niet in Uw register?
)
. God heeft dat boek niet nodig. Het boek dient om ons inzicht te geven in de waarde die Hij hecht aan ons spreken over Hem. Het gaat over hen “die de HEERE vrezen en wie Zijn Naam hoogachten”. Eerbied voor Hem blijkt uit de hoogachting van Zijn Naam. Zijn Naam is de uitdrukking van Zijn Wezen, Wie Hij is. Hoogachting van Zijn Naam blijkt niet zozeer uit wat er over die Naam wordt gezegd, maar uit het dag en nacht overpeinzen ervan (Ps 1:22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
)
. Hoogachting wil zeggen een zo hoge waardering voor die Naam hebben, dat hij het hart en de gedachten helemaal in beslag neemt.

Het niet verloochenen van Zijn Naam is ook in de eindtijd waarin wij leven een van de kenmerken van hen die te midden van het algehele verval Hem trouw blijven (Op 3:88Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, die niemand kan sluiten; want u hebt kleine kracht en hebt Mijn Woord bewaard en Mijn Naam niet verloochend.). Hoogachting of eerbied voor Zijn Naam betekent dat we Hem eren voor Wie Hij is. We mogen dat op bijzondere wijze beleven wanneer we als gemeente samenkomen. De Heer Jezus spreekt erover dat al zijn het er maar twee of drie die samenkomen in Zijn Naam, Hij daar in het midden is (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). De eindtijd wordt in Gods Woord niet verbonden aan massale bijeenkomsten en indrukwekkende tekenen en wonderen, maar aan kleine aantallen.

De HEERE spreekt over de gelovigen die dit overblijfsel vormen vanuit de vreugde van wat zij voor Hem zullen zijn (vers 1717En zij zullen voor Mij, zegt de HEERE van de legermachten,
op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn.
Ik zal hen sparen,
zoals een man zijn zoon spaart
die hem dient.
)
. Zij zijn voor Hem “een persoonlijk eigendom” (Ex 19:55Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.; Dt 7:66Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.; 14:22Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.; 26:1818En de HEERE heeft u heden verklaard dat u voor Hem een volk zult zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is, zoals Hij tot u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden in acht moet nemen,). Daarin beluisteren we dat zij bijzonder kostbaar voor Hem zijn, dat ze een bijzondere schat zijn (Js 62:33U zult een sierlijke kroon zijn in de hand van de HEERE
en een koninklijke tulband in de hand van uw God.
)
. Zijn oog en Zijn hart gaan naar hen uit.

Hij zal daar openlijk uiting aan geven “op de dag die Ik maken zal”, dat is de dag van Zijn komst. Dan zullen zij stralen als een kostbaarheid voor Hem tegenover de goddelozen. Nu zijn ze nog verborgen, maar dan zullen zij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (Mt 13:4343Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft <om te horen>, laat hij horen.).

Zij zullen gespaard blijven en niet in de oordelen omkomen omdat zij in relatie tot Hem staan als een zoon die zijn vader trouw dient. Het is Zijn waardering van hun toewijding aan Hem, dwars door alle tegenstand heen. Hij kan hen sparen omdat Hij dé Zoon, Zijn eigen Zoon, Die Hem volmaakt heeft gediend, niet heeft gespaard (Rm 8:3232Hoe zal Hij Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?).


Het onderscheid wordt gezien

18Dan zult u opnieuw [het onderscheid] zien
tussen een rechtvaardige en een goddeloze,
tussen wie God dient
en wie Hem niet dient.

De verschillen tussen de rechtvaardige en de goddeloze leden van Gods volk worden nu nog alleen door God gewaardeerd. De goddelozen hebben het nu nog voor het zeggen. Maar het ogenblik komt dat dit onderscheid door iedereen zal worden gezien en erkend. Dat zal gebeuren op de dag die de HEERE maken zal (vers 1717En zij zullen voor Mij, zegt de HEERE van de legermachten,
op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn.
Ik zal hen sparen,
zoals een man zijn zoon spaart
die hem dient.
)
.

De trouwelozen hebben God voor de voeten geworpen dat het nutteloos is om Hem te dienen (verzen 14-1514U zegt: God dienen is nutteloos!
Wat voor nut heeft het dat wij [onze] taak ten behoeve van Hem vervullen
en dat wij in het zwart gaan
voor het aangezicht van de HEERE van de legermachten?
15Welnu, wij prijzen de hoogmoedigen gelukkig:
niet alleen worden zij die goddeloosheid doen, opgebouwd,
zelfs als zij God beproeven, ontkomen zij.
)
. Maar op de dag die de HEERE zal maken, zullen ze tot hun grote schaamte en schande het verschil duidelijk zien. Ze zullen dan moeten toegeven dat God wel rechtvaardig is. Ze zullen dan zien wie er werkelijk voor Hem hebben geleefd en dat moeten erkennen en moeten toegeven dat zij zelf de goddelozen zijn geweest. De nadere toelichting komt in het volgende hoofdstuk.


Lees verder