Maleachi
Inleiding 1-3 Het gebod tot de priesters 4 Het verbond met Levi 5 Leven, vrede en vrees 6-7 Leer en leven 8-9 Afgeweken en verachtelijk gemaakt 10-12 Ongeoorloofde huwelijken 13 Krokodillentranen 14 God is Getuige van elk huwelijk 15 Hij heeft er maar één gemaakt 16 God haat de echtscheiding 17 De HEERE is moe van hun woorden
Inleiding

In Maleachi 1 worden vooral de onverschilligheid en huichelarij van de priesters en het volk aan hen voorgehouden. Het gaat daarin meer over het godsdienstige leven. In Maleachi 2 gaat het over het gebrek aan inzicht in Gods gedachten, wat blijkt uit het sociale leven.

We vinden hier drie verbonden:
1. het verbond met Levi (verzen 1-91Nu dan, tot u [komt] dit gebod, priesters!2Als u niet luistert en als u [het] niet ter harte neemt om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten, zal Ik de vloek onder u zenden en uw zegeningen vervloeken. Ja, Ik heb ze [al] vervloekt, want u neemt [het] niet ter harte.
3Zie, Ik ga uw nageslacht bestraffen:
Ik zal mest op uw gezicht strooien,
de mest van uw feesten,
en daarmee zal men u wegdragen.4Dan zult u weten dat Ik dit gebod
tot u gezonden heb,
opdat Mijn verbond met Levi blijven zou,
zegt de HEERE van de legermachten.5Mijn verbond met hem was:
het leven en de vrede.
Die gaf Ik hem, [tot] vrees [voor Mij],
en hij vreesde Mij
en in de tegenwoordigheid van Mijn Naam
was hij verschrikt.6Betrouwbaar [onderwijs in] de wet was in zijn mond,
geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.
In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij
en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.
7Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.8U echter, u bent afgeweken van de weg:
velen hebt u door [uw onderwijs in] de wet doen struikelen.
U hebt het verbond met Levi tenietgedaan,
zegt de HEERE van de legermachten.
9Daarom heb Ik ook u verachtelijk gemaakt
en onbeduidend voor heel het volk,
want u neemt Mijn wegen niet in acht
en ziet bij [uw onderwijs in] de wet de persoon aan.
)
,
2. het verbond met het volk (verzen 10-1210Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij [dan] trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen?11Juda handelt trouweloos en er wordt een gruweldaad begaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda ontheiligt het heilige van de HEERE, dat Hij liefheeft: hij is met de dochter van een vreemde god getrouwd.12Moge de HEERE eenieder die dat doet, uitroeien uit de tenten van Jakob, wie waakt en wie antwoordt, [zelfs] wie een graanoffer brengt aan de HEERE van de legermachten.) en
3. het huwelijksverbond (verzen 13-1613In de tweede plaats doet u dit:
het altaar van de HEERE bedekken met tranen,
met geween en gekerm,
omdat Hij Zich niet langer tot het graanoffer wendt
en [dat] in welgevallen uit uw hand aanneemt.14Dan zegt u: Waarom?
Omdat de HEERE Getuige is tussen u
en de vrouw van uw jeugd,
tegen wie ú trouweloos handelt,
terwijl zíj toch uw metgezellin
en de vrouw van uw verbond is.15Heeft Hij [er] niet maar één gemaakt,
hoewel Hij [nog] geest overhad?
En waarom die ene?
Hij zocht een goddelijk nageslacht.
Daarom, wees op uw hoede met uw geest,
en handel niet trouweloos tegen de vrouw van uw jeugd.16Want de HEERE, de God van Israël, zegt
dat Hij het wegsturen [van de eigen] vrouw haat,
hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad,
zegt de HEERE van de legermachten.
Wees dus op uw hoede met uw geest
en handel niet trouweloos.
)
.


Het gebod tot de priesters

1Nu dan, tot u [komt] dit gebod, priesters! 2Als u niet luistert en als u [het] niet ter harte neemt om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten, zal Ik de vloek onder u zenden en uw zegeningen vervloeken. Ja, Ik heb ze [al] vervloekt, want u neemt [het] niet ter harte.
3Zie, Ik ga uw nageslacht bestraffen:
Ik zal mest op uw gezicht strooien,
de mest van uw feesten,
en daarmee zal men u wegdragen.

De priesters, mensen die bij uitstek Gods wil zouden moeten kennen en die aan het volk moeten leren, worden rechtstreeks aangesproken (vers 11Nu dan, tot u [komt] dit gebod, priesters!). Er komt een gebod tot hen. Wat het gebod inhoudt, staat in de verzen 2-32Als u niet luistert en als u [het] niet ter harte neemt om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten, zal Ik de vloek onder u zenden en uw zegeningen vervloeken. Ja, Ik heb ze [al] vervloekt, want u neemt [het] niet ter harte.
3Zie, Ik ga uw nageslacht bestraffen:
Ik zal mest op uw gezicht strooien,
de mest van uw feesten,
en daarmee zal men u wegdragen.
.

De priesters worden er niet over in het onzekere gelaten wat de gevolgen zijn als ze blijven volharden in hun ontrouw (vers 22Als u niet luistert en als u [het] niet ter harte neemt om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten, zal Ik de vloek onder u zenden en uw zegeningen vervloeken. Ja, Ik heb ze [al] vervloekt, want u neemt [het] niet ter harte.
)
. Ze moeten niet alleen luisteren, maar het ook ter harte nemen. Dan zullen ze verslagen van hart worden, hun zonden belijden en Gods Naam werkelijk eer geven. Doen ze dat niet, dan zendt Hij, “de HEERE van de legermachten”, de vloek onder hen (vgl. Dt 28:2020De HEERE zal vloek, verwarring en verderf onder u zenden, in alles wat u ter hand neemt en doet, totdat u weggevaagd wordt en u [al] spoedig omkomt vanwege uw slechte daden, waarmee u Mij verlaten hebt.).

Hij zal al hun zegeningen van hen wegnemen en die in een vloek veranderen. Het land zal geen voedsel meer opleveren, maar onkruid. De vreedzame samenleving zal een kwelling worden door onderlinge irritaties en onverdraagzaamheid. Het familieleven wordt ontwricht. In plaats van liefde zal er haat en achterdocht zijn. Het is niet alleen een voorzegging, maar God heeft dat al onder hen gebracht omdat ze niet met hun hart op Hem gericht zijn. Maar het zal allemaal nog veel erger worden als ze niet naar Zijn oproep luisteren.

Het woord “nageslacht” (vers 33Zie, Ik ga uw nageslacht bestraffen:
Ik zal mest op uw gezicht strooien,
de mest van uw feesten,
en daarmee zal men u wegdragen.
)
is letterlijk ‘zaad’ en ziet zowel op kinderen als op het gezaaide, wat op het land moet groeien als een zegen en waarvan weer tienden gegeven kunnen worden. God zal dat bestraffen. Ze zullen geen enkele vreugde beleven aan wat na hen komt, niet aan kinderen en niet aan oogst.

Hij zal hun Zijn ongenoegen op de duidelijkste wijze laten voelen. God spreekt hier in krachtige taal Zijn verachting voor hen uit. Hij zal hen behandelen zoals zij Hem behandelen. Hij zal mest op hun gezicht strooien en wel de mest van hun feesten. De offers die ze op die feesten brengen, zijn voor Hem een gruwel. Hij ziet die offers in hun geheel als mest. Die offers zijn geen aangename geur voor Hem, maar ze stinken, ze veroorzaken walging bij Hem.

Ze menen misschien wel dat ze de feesten van de HEERE houden, maar Hij spreekt hier over “uw feesten”. Onder de dekmantel van een feest voor de HEERE hebben ze er eigen feestjes van gemaakt. Zo ontaardt later het Pascha van de HEERE in een Pascha dat “het feest van de Joden” (Jh 6:44En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij.) wordt genoemd.

God zal hen met de mest van hun feesten insmeren. Behalve dat ze daardoor stinken, zullen ze er ook afstotelijk uitzien. Deze uiterst diepe smaad die zij zichzelf hebben aangedaan, kleeft hen aan als ze zullen worden weggevoerd naar een mesthoop, zodat er niets meer van hen in de tempel over is (vgl. 1Kn 14:1010daarom, zie: Ik ga kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en Ik zal van Jerobeam alle mannen in Israël uitroeien, zowel de gebondene als de vrije, en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegvegen, zoals uitwerpselen worden weggeveegd, totdat het helemaal vergaan is.). Zo reinigt God Zijn huis van de mest.


Het verbond met Levi

4Dan zult u weten dat Ik dit gebod
tot u gezonden heb,
opdat Mijn verbond met Levi blijven zou,
zegt de HEERE van de legermachten.

Als het oordeel over hen komt, zullen de priesters weten dat de HEERE het heeft gedaan en ook waarom Hij het heeft gedaan (vers 44Dan zult u weten dat Ik dit gebod
tot u gezonden heb,
opdat Mijn verbond met Levi blijven zou,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. Het zal dan te laat zijn om zich te bekeren. Zo zullen allen die voor eeuwig geoordeeld worden, weten dat God hen oordeelt en ook waarom Hij dat doet.

God handelt in trouw aan Zijn verbond met Levi. Gods verbond met Levi laat het contrast zien tussen de trouweloze priester en hun voorvader Levi, met wie de HEERE een priesterlijk verbond heeft gesloten (Nm 25:12-1312Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.; Dt 33:8-118Over Levi zei hij:
Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;
U stelde hem op de proef in Massa,
U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.
9Hij zei over zijn vader en moeder:
Ik zie hen niet.
Hij herkende zijn broers niet,
en zijn zonen kende hij niet.
Zij hielden namelijk Uw woord,
en namen Uw verbond in acht.
10Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
11Zegen zijn vermogen, HEERE,
en wees het werk van zijn handen goedgezind;
verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan,
en van hen die hem haten, zodat zij niet meer opstaan!
)
. Het verbond met Levi herinnert aan de trouw die Levi heeft getoond toen het hele volk ontrouw was. De ontrouw van de priesters steekt schril af tegen de achtergrond van de trouw van Levi. Een afwijking, de ontrouw van de priesters, wordt het meest gezien door het voorstellen van het origineel, de trouw van Levi (Ex 32:25-2925Toen Mozes zag dat het volk losgeslagen was – want Aäron had het losgelaten – tot leedvermaak van hun tegenstanders,26ging Mozes bij de ingang van het kamp staan en zei: Wie bij de HEERE hoort, [moet] bij mij [komen]. Toen verzamelden al de Levieten zich bij hem.27Hij zei tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ieder moet zijn zwaard aan zijn heup doen, het kamp van poort tot poort door gaan, en ieder moet zijn broeder doden, ieder zijn vriend en ieder zijn naaste.28De Levieten deden overeenkomstig het woord van Mozes en er vielen op die dag van het volk ongeveer drieduizend man.29Toen zei Mozes: U moet zich vandaag aan de HEERE wijden, ja, ieder moet [zich] tegen zijn zoon en tegen zijn broeder [keren], opdat [Hij] vandaag [Zijn] zegen over u zal geven.).


Leven, vrede en vrees

5Mijn verbond met hem was:
het leven en de vrede.
Die gaf Ik hem, [tot] vrees [voor Mij],
en hij vreesde Mij
en in de tegenwoordigheid van Mijn Naam
was hij verschrikt.

In Zijn verbond met Levi garandeerde de HEERE hem leven en vrede (Nm 25:12-1312Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.). Leven en vrede zijn een samenvatting van de zegen van het verbond. De volgorde kan niet worden omgekeerd. Er moet eerst leven zijn, vervolgens kan er vrede komen. Zonder of voordat er leven is, kan er geen vrede zijn. Leven is niet alleen een lang leven, maar ook een leven onder de gunst van God. Het gevolg is vrede. Vrede is niet alleen de afwezigheid van strijd en oorlog. Het is ook de weldadige sfeer van harmonie met God.

God heeft beide aan Levi gegeven, met het doel dat hij Hem zou vrezen. En dat heeft Levi ook gedaan. Hij is zich bewust geweest van de heiligheid van Gods Naam. De tegenwoordigheid van die Naam heeft grote indruk op hem gemaakt. Dit besef ontbreekt volledig bij de priesters tot wie Maleachi zich hier richt.


Leer en leven

6Betrouwbaar [onderwijs in] de wet was in zijn mond,
geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.
In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij
en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.
7Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.

De stam Levi was betrouwbaar in het onderwijs dat hij in de wet gaf (vers 66Betrouwbaar [onderwijs in] de wet was in zijn mond,
geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.
In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij
en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.
; 2Kr 17:7-97In het derde jaar van zijn regering stuurde hij [een boodschap] naar zijn leiders, naar Ben-Chaïl, Obadja, Zacharja, Nethaneël en Michaja, om in de steden van Juda onderricht te geven.8Bij hen waren de Levieten Semaja, Nethanja, en Zebadja, Asaël, Semiramoth, Jonathan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia, de Levieten; en de priesters Elisama en Joram waren [ook] bij hen.9Zij gaven onderricht in Juda, en het wetboek van de HEERE was bij hen. Zij gingen alle steden van Juda rond, en gaven onderricht aan het volk.; Ne 8:8-98Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja en de Levieten onderwezen het volk in de wet, en het volk [stond] op zijn plaats.9Zij lazen uit het boek voor, uit de wet van God, gaven uitleg en verklaarden de betekenis, zodat men de voorlezing begreep.)
. Hij leerde de wet niet partijdig of om persoonlijk voordeel, maar naar de strikte norm van de waarheid. In wat hij uit de wet aan het volk voorhield, was geen ongerechtigheid waar te nemen. Dit is een belangrijke voorwaarde voor ieder die vandaag onderwijs uit Gods Woord geeft. Dat onderwijs moet betrouwbaar zijn en zonder ongerechtigheid omdat het moet beantwoorden aan God Zelf.

Het Woord van God is absoluut betrouwbaar. Een leraar die uit Gods Woord onderwijst, moet dat ook zijn (vgl. Tt 1:99vasthoudend aan het naar de leer betrouwbare woord, opdat hij in staat is zowel met de gezonde leer te vermanen als de tegensprekers te weerleggen.). In Gods Woord ontbreekt elke ongerechtigheid. In wat een leraar uitlegt over Gods Woord moet dat ook zo zijn. Hij moet geen halve waarheden verkondigen.

Behalve de woorden is ook de wandel van belang. Als de leefwijze van de leraar niet overeenkomt met zijn onderwijs, is zijn onderwijs niet betrouwbaar. Levi wandelde “in vrede en oprechtheid” met God. Hij wandelde God niet alleen na, maar Hij wandelde met Hem. Dit gaat nog iets verder dan Hem volgen. In wandelen met Hem zit het aspect van intimiteit en gemeenschap (Gn 5:2222En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach verwekt had, driehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.; 6:99Dit zijn de afstammelingen van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man onder zijn tijdgenoten. Noach wandelde met God.).

Het gevolg van dit gezonde onderwijs, ondersteund door een waardige wandel, is dat velen zich bekeren van hun ongerechtigheid (vgl. 1Tm 4:1616Geef acht op jezelf en op de leer; volhard in deze dingen, want door dit te doen zul je zowel jezelf als hen die je horen, behouden.). Wat een grote zegen gaat er uit van gelovigen die Gods Woord kennen, liefhebben en ernaar leven. We zien dit op een prachtige manier in de Heer Jezus op Wie deze kenmerken alleen volmaakt van toepassing zijn. Hij is in alles het volmaakte voorbeeld. Hij heeft door Zijn kennis velen rechtvaardig gemaakt of onderwezen in de gerechtigheid. De basis daarvoor is Zijn werk op het kruis, waar Hij de ongerechtigheden van die velen heeft gedragen (Js 53:1111Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
)
.

Maleachi benadrukt wat de priester moet kenmerken. Zijn lippen moeten kennis bewaren (vers 77Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.
)
. Hij moet iemand zijn “die zich niet hoeft te schamen, die het Woord van de waarheid recht snijdt” (2Tm 2:1515Beijver je, je aan God beproefd voor te stellen als een arbeider die zich niet hoeft te schamen, die het Woord van de waarheid recht snijdt.). Bij zo iemand kan het volk terecht als men iets uit de wet, Gods Woord, wil weten. Hij wil niet de favoriete leraar uithangen, iemand die voorliefde heeft voor bepaalde delen van de waarheid en die het volk naar de mond praat. De echte ‘Leviet’ geeft de Heilige Schrift in zijn geheel de plaats die God eraan geeft als de complete gids voor Zijn volk en voedsel voor het hart. Het bewaren van kennis gebeurt om die kennis aan Gods volk te onderwijzen. En overdracht van kennis is bedoeld om van de leden van Gods volk daders van het Woord te maken.

De positie van Leviet – en van de leraar van Gods Woord – is een grote verantwoordelijkheid: “Hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.” Een gezant of ambassadeur vertegenwoordigt iemand en voert namens die ander een opdracht uit. Hij wordt geacht de boodschap van degene die hij vertegenwoordigt onveranderd en onverkort door te geven. Dat moet ieder die onderwijs geeft uit Gods Woord, doen beseffen dat hij niet eigenmachtig invulling aan Gods Woord mag geven. Het zal een heilige vrees geven en een voortdurend gebed om toch niets anders door te geven of uit te leggen dan het naar de bedoeling van de Heilige Geest is.


Afgeweken en verachtelijk gemaakt

8U echter, u bent afgeweken van de weg:
velen hebt u door [uw onderwijs in] de wet doen struikelen.
U hebt het verbond met Levi tenietgedaan,
zegt de HEERE van de legermachten.
9Daarom heb Ik ook u verachtelijk gemaakt
en onbeduidend voor heel het volk,
want u neemt Mijn wegen niet in acht
en ziet bij [uw onderwijs in] de wet de persoon aan.

Het woord “echter” geeft aan dat er nu een tegenstelling met het voorgaande komt (vers 88U echter, u bent afgeweken van de weg:
velen hebt u door [uw onderwijs in] de wet doen struikelen.
U hebt het verbond met Levi tenietgedaan,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. Hoever zijn de priesters in de dagen van Maleachi afgeweken van het voorbeeld van hun voorvaders. Terwijl zij het volk het goede moeten voorhouden, zodat ze de goede weg, de weg van het leven, gaan, voeren zij het volk op een verkeerde weg, de weg van de dood. Zij zijn het tegenovergestelde van de trouwe Levieten die velen van hun ongerechtigheid hebben bekeerd (vers 66Betrouwbaar [onderwijs in] de wet was in zijn mond,
geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.
In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij
en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.
)
, want zij hebben velen van het volk door hun onderwijs in de wet doen struikelen. Zij kennen de wet, maar leven er zelf niet naar.

Hun verkeerde voorbeeld vindt navolging bij velen van het volk die ook geen verlangen hebben naar de HEERE, Die het centrum van Gods wet is. Altijd moet het bezig zijn met Gods Woord gebeuren vanuit een levende relatie met Hem. Als die relatie er niet is, is afwijking het gevolg. Daardoor hebben ze het verbond met Levi tenietgedaan (vgl. Ne 13:2929Denk aan hen, mijn God, vanwege de ontwijding van het priesterschap, namelijk het verbond van het priesterschap en van de Levieten.).

De toepassing naar vandaag is niet moeilijk te maken. Er zijn voorgangers in alle delen van de christenheid die zijn afgeweken van het duidelijke onderwijs van de Bijbel. Zulke mensen leren niet wat God in Zijn Woord zegt, maar spreken wat mensen graag horen. Preken in kerkdiensten worden sociale en politieke praatjes. Het geweten wordt niet aangesproken. Als er over gerechtigheid wordt gesproken, gaat het niet over Gods gerechtigheid en zonde, maar over een rechtvaardige verdeling van de welvaart.

Met Gods rechten wordt helemaal geen rekening meer gehouden. Er is geen vrees voor Hem meer. Zo wordt het kerkvolk weggevoerd van God en struikelen velen om, als God het niet verhoedt, in de hel terecht te komen. Hoe groot is de verantwoordelijkheid van ieder die met Gods Woord in de hand anderen vertelt waar het in het leven echt om gaat.

Vanwege hun tenietdoen van het verbond met Levi heeft God hen verachtelijk gemaakt (vers 99Daarom heb Ik ook u verachtelijk gemaakt
en onbeduidend voor heel het volk,
want u neemt Mijn wegen niet in acht
en ziet bij [uw onderwijs in] de wet de persoon aan.
)
. Hij heeft hun aanzien onder het volk weggenomen en hen onbeduidend gemaakt. Mensen die populair willen zijn en Gods Woord aanpassen aan de smaak van de mensen, zullen het respect verliezen dat ze menen te krijgen. God wijst erop dat zij Zijn wegen niet in acht nemen. Ze wandelen niet op de weg die Hij in Zijn Woord aangeeft.

Dat blijkt uit hun gedrag. Ze gedragen zich totaal anders dan God en geven zo een volledig verkeerd beeld van Hem. God noemt het voorbeeld dat zij bij hun onderwijs in de wet de persoon aanzien. Bij beslissingen in rechtszaken kijken ze naar het voordeel dat zij uit een zaak kunnen halen. Zoiets ontbreekt bij God volledig. Bij Hem is geen aanzien des persoons (Rm 2:1111want er is geen aanzien des persoons bij God.; Ef 6:99En u, heren, doet hetzelfde jegens hen en laat het dreigen na. U weet immers, dat zowel hun als uw Heer in [de] hemelen is, en dat bij Hem geen aanzien des persoons is.; 1Pt 1:1717En als u als Vader Hem aanroept Die zonder aanzien des persoons oordeelt naar het werk van ieder, wandelt dan in vrees de tijd van uw bijwoning,). Hij heeft dat ook in de wet verboden (Lv 19:1515U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, u mag geen partij trekken voor de arme en de aanzienlijke niet voortrekken. Op rechtvaardige wijze moet u uw naaste oordelen.; Dt 1:1717U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak: zowel de kleine als de grote moet u aanhoren. U mag voor niemand bevreesd zijn, want de rechtspraak behoort aan God. Maar de zaak die voor u te moeilijk is, moet u bij mij brengen en ik zal die aanhoren.). Bij ons mag partijdigheid ook geen enkele rol spelen (1Tm 5:2121Ik betuig voor God en Christus Jezus en de uitverkoren engelen, dat je deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, zonder iets te doen uit partijdigheid.).


Ongeoorloofde huwelijken

10Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij [dan] trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen? 11Juda handelt trouweloos en er wordt een gruweldaad begaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda ontheiligt het heilige van de HEERE, dat Hij liefheeft: hij is met de dochter van een vreemde god getrouwd. 12Moge de HEERE eenieder die dat doet, uitroeien uit de tenten van Jakob, wie waakt en wie antwoordt, [zelfs] wie een graanoffer brengt aan de HEERE van de legermachten.

Maleachi begint hier een nieuw onderwerp, maar dat wel direct op het voorgaande aansluit. In het voorgaande gedeelte is de ontrouw van de priesters en de Levieten tegenover God aan de kaak gesteld. In de verzen die nu volgen zien we de gevolgen daarvan in de onderlinge verhoudingen tussen de leden van Gods volk tot in de intiemste verhouding die er is, die van het huwelijk. Wie God niet geeft wat Hem toekomt, geeft ook de naaste niet wat hem toekomt.

De profeet begint met God als hun Vader, dat wil zeggen als hun oorsprong, voor te stellen (Dt 32:6b6Doet u dit de HEERE aan,
dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,
Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?
)
. Het gaat hier niet over de persoonlijke relatie zoals wij, gelovigen van de nieuwtestamentische gemeente, die mogen kennen. Het gaat om God als Vader van Zijn volk als geheel. Hij heeft hen geschapen. Dat ziet op Zijn macht. Door Hem zijn ze een volk geworden.

Als dat tot hen zou doordringen, zouden ze ook zien dat zij in een familierelatie met elkaar zijn gebracht. Het zou nationale saamhorigheid tot gevolg moeten hebben en trouw aan het verbond van de vaderen. Maleachi maakt zich een met het volk door te spreken over “wij” en “onze vaderen”. Maar ze handelen allemaal trouweloos, ieder tegen zijn broeder. En het verbond van hun vaderen vertrappen ze. Verbondstrouw kennen ze niet. Niets is heilig voor hen. Zo gaat het met mensen die ontrouw zijn geworden aan God.

Juda, Israël en Jeruzalem worden alle bij name genoemd (vers 1111Juda handelt trouweloos en er wordt een gruweldaad begaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda ontheiligt het heilige van de HEERE, dat Hij liefheeft: hij is met de dochter van een vreemde god getrouwd.). Er is geen uitzondering. Het kwaad van het aangaan van ongeoorloofde verbindingen heeft het hele volk doortrokken (vgl. Ea 9:11Toen deze [dingen] voltooid waren, traden de vorsten op mij toe en zeiden: Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van de landen [rondom] wat hun gruwelen betreft, [namelijk] van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten.; 10:1-41Terwijl Ezra [zo] bad en [deze] belijdenis deed en zich huilend voor het huis van God liet neervallen, voegde een zeer grote gemeente van mannen, vrouwen en kinderen uit Israël zich bij hem; want [ook] het volk huilde luid.2Toen nam Sechanja, de zoon van Jehiël, van de nakomelingen van Elam, het woord en zei tegen Ezra: Wij zijn onze God ontrouw geweest, en wij hebben uitheemse vrouwen uit de volken van het land [bij ons] doen wonen. Evenwel, er is wat dit betreft hoop voor Israël.3Welnu, laten wij een verbond sluiten met onze God om alle vrouwen en het uit hen geborene weg te sturen, volgens de raad van de Heere en van hen die beven voor het gebod van onze God, en er zal overeenkomstig de wet gehandeld worden.4Sta op, want op u [rust] de zaak, en wij zullen met u zijn; wees sterk om te handelen.; Ne 13:25-2725Ik had onenigheid met hen en ik vervloekte hen. En ik sloeg [sommige] mannen van hen en trok hun de haren uit. Ik liet hen zweren bij God: U zult uw dochters niet aan hun zonen geven en van hun dochters niemand voor uw zonen of voor uzelf nemen!26Is het niet met betrekking tot deze dingen dat Salomo, de koning van Israël, gezondigd heeft? Terwijl er onder veel heidenvolken geen koning was zoals hij, en hij zijn God lief was en God hem tot koning gesteld had over heel Israël? Ook hem deden de uitheemse vrouwen zondigen.27Zullen wij dan naar u luisteren door al dit grote kwaad te doen door onze God ontrouw te zijn door uitheemse vrouwen bij u te doen wonen?). “Juda” is het uit ballingschap teruggekeerde overblijfsel. Hij is goed begonnen, maar nu wordt gezegd dat hij trouweloos handelt. “Israël” is de naam van het volk als geheel en “Jeruzalem” is de hoofdstad van heel Israël. Ze begaan een gruweldaad. Om welke trouweloosheid en gruweldaad het gaat, verklaart Maleachi in het tweede deel van het vers. We zien dat aan het woord “want”.

Wat hebben ze gedaan? Ze hebben “het heilige van de HEERE” ontheiligd. Waar slaat dit op? ‘Het heilige van de HEERE’ is wat aan Hem is gewijd, wat Hij tot Zijn speciaal eigendom heeft gemaakt. Het kan op de tempel slaan, maar het is waarschijnlijker dat hiermee Gods volk wordt bedoeld. Dat volk heeft Hij lief en Hij wenst dat het in trouw Hem dient.

Maar wat heeft het volk gedaan? Zij zijn tegen Zijn geboden in met “de dochter van een vreemde god getrouwd” (Ex 34:1616Dan zou u van hun dochters [vrouwen] nemen voor uw zonen. Hun dochters zouden als in hoererij achter hun goden aangaan, en uw zonen als in hoererij achter hun goden aan laten gaan.; Dt 7:33U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.). Ze hebben afgodendienaressen in Gods volk gebracht en daardoor het heilige met het onheilige verbonden en zo het heilige ontheiligd (1Kn 11:1-21Koning Salomo had veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische [vrouwen],2uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw hart doen afwijken, achter hun goden aan. Aan hen hechtte Salomo zich in liefde.). Dit is bijzonder grievend voor God.

Voor ons geldt hetzelfde. Het is de gelovige verboden om met een ongelovige te trouwen (2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?). Wie tegen dat gebod ingaat, ontheiligt de Naam van God. Zo iemand kan God niet als Zijn kind erkennen (2Ko 6:17-1817Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,18en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.). Alleen belijdenis van deze zonde kan herstel in de gemeenschap met de Vader geven.

Maleachi voelt door de Geest van God de oneer die God wordt aangedaan door deze gemengde huwelijken (vers 1212Moge de HEERE eenieder die dat doet, uitroeien uit de tenten van Jakob, wie waakt en wie antwoordt, [zelfs] wie een graanoffer brengt aan de HEERE van de legermachten.). Hij wenst dat ieder die dat doet, wordt uitgeroeid “uit de tenten van Jakob”. Zulke mensen horen niet in Gods volk thuis omdat ze zich niet aan Gods Woord houden. Maleachi noemt enkele klassen van mensen die zich aan dit kwaad van gemengde huwelijken schuldig maken en die moeten worden uitgeroeid. Met deze drie klassen geeft hij aan dat het oordeel iedere betrokkene zal treffen.

Het lijkt erop dat “wie waakt en wie antwoordt” een bepaald gezegde is. Gezien het verband waarin dit gezegde staat, gaat het om een waken en antwoorden door mensen die in de zonde leven en anderen die dat goedpraten. In beide gevallen gaat het om mensen die iets doen wat God verafschuwt en van wie Maleachi wenst dat zij worden uitgeroeid. Eerst is daar “wie waakt”. Hij begaat dit kwaad bij zijn volle verstand en verzet zich bewust tegen Gods geboden. Dan is daar “wie antwoordt”. Hij weet van het kwaad, hij reageert erop, echter niet in afkeurende, maar in goedkeurende zin.

We zien het waken vandaag in de christenheid in het ‘waken’ over de ‘verworven’ vrijheden. Mensen zijn volledig de weg kwijt in een zo fundamentele zaak als het huwelijk. Trouwen is achterhaald, ouderwets, behalve als het gaat om het homohuwelijk. De homo’s die trouwen, zijn degenen die waken. Dan zijn er degenen die antwoorden. Zij komen op voor het zogenaamde huwelijksrecht van de homo’s. Wie waakt, is actief bezig dit kwaad te doen, wie antwoordt, begaat dit kwaad niet zelf, maar is wel bezig dit kwaad te laten voortbestaan en op die manier te ondersteunen.

Van de mensen die dit doen, zijn er die een “graanoffer brengen aan de HEERE van de legermachten”. Ze leven in de zonde, maar denken hun zonden te kunnen afkopen met een offer aan de HEERE. Maar “het offer van goddelozen is voor de HEERE een gruwel” (Sp 15:88Het offer van goddelozen is voor de HEERE een gruwel,
maar het gebed van oprechten is Hem welgevallig.
)
. Hij neemt het niet aan, maar verwerpt het (Mi 6:6-86Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan
en mij buigen voor de hoge God?
Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,
met eenjarige kalveren?
7Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,
in tienduizenden oliebeken?
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
de vrucht van mijn [moeder]schoot voor de zonde van mijn ziel?8Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.
En wat vraagt de HEERE van u
anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.
; Js 66:33Wie een rund slacht, slaat een man neer,
wie een lam offert, breekt een hond de nek,
wie een graanoffer offert, [offert] varkensbloed,
wie wierook brandt als gedenkoffer, looft [daarmee] een afgod.
[Zoals] zíj ook hun [eigen] wegen gekozen hebben
en hun ziel vreugde vindt in hun afschuwelijke [afgoden],
)
.


Krokodillentranen

13In de tweede plaats doet u dit:
het altaar van de HEERE bedekken met tranen,
met geween en gekerm,
omdat Hij Zich niet langer tot het graanoffer wendt
en [dat] in welgevallen uit uw hand aanneemt.

Dan is er nog iets wat Maleachi bij het volk opmerkt en dat zijn hun tranen. Kijk ze eens huilen en kermen. De tranen stromen. Het altaar van de HEERE wordt ermee bedekt. Dat lijkt heel vroom. Het lijkt alsof er een werk van Gods Geest in hen aan de gang is. Tranen zijn immers een bewijs van verdriet. Dat is zo, maar de vraag is waarover er verdriet is. Tranen die God graag ziet, zijn tranen van berouw over de gepleegde zonden. Maar hier is geen sprake van zulke tranen. Het zijn krokodillentranen, tranen van gehuicheld verdriet en gespeeld berouw. Het is geen droefheid in overeenstemming met God waardoor “een onberouwelijke bekering tot behoudenis” wordt bewerkt (2Ko 7:1010Want de droefheid in overeenstemming met God bewerkt een onberouwelijke bekering tot behoudenis; maar de droefheid van de wereld bewerkt [de] dood.).

Ze huilen omdat ze zich niet door God aangenomen en gezegend voelen in plaats van te huilen om hun zonden (vgl. Hs 7:1414Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart,
wanneer zij weeklagen op hun slaapplaats.
Om koren en nieuwe wijn verzamelen zij zich,
maar tegen Mij zijn zij weerspannig.
)
. In plaats van bekering is het een protest tegen de moeilijkheden die ze ondervinden. Eerder werden de offers geweigerd omdat het offer niet deugde, hier wordt het graan- of spijsoffer geweigerd om hun eigen praktijk, waarvan ze zich niet willen bekeren. God kijkt niet naar een offer dat gebracht wordt door mensen die door blijven gaan met hun leven in de zonde. Hij neemt het niet aan, want het is niet welgevallig voor Hem.


God is Getuige van elk huwelijk

14Dan zegt u: Waarom?
Omdat de HEERE Getuige is tussen u
en de vrouw van uw jeugd,
tegen wie ú trouweloos handelt,
terwijl zíj toch uw metgezellin
en de vrouw van uw verbond is.

Het volk vraagt naar het “waarom” van de afwijzing van hun offer. Het antwoord dat volgt, is een ongeëvenaard krachtig protest tegen het kwaad van echtscheiding. Echtscheiding is een zonde die machtig roept tot God. En dan nog durven zij te vragen waarom God hun offer niet aanneemt. Terwijl zij vreemde vrouwen in de armen sluiten, sturen ze hun eigen vrouwen weg. Zo diep kan een volk zinken dat zich van God en Zijn Woord afwendt!

God is Getuige van elk huwelijk, niet alleen bij de huwelijkssluiting, maar ook daarna (Gn 31:49-5049en Mispa, want hij zei: Laat de HEERE de wacht houden tussen mij en jou, als wij voor elkaar verborgen zijn.50Als jij mijn dochters vernedert of vrouwen neemt naast mijn dochters, is er niemand bij ons; zie, God zal getuige zijn tussen mij en jou.). Waar ook maar een huwelijksband tussen een man en een vrouw ontstaat, is het God Die dat doet, want Hij heeft het huwelijk ingesteld. Dat staat los van het feit of de man en de vrouw God in hun huwelijk betrekken. Het gaat om de instelling als zodanig. God wil die gehandhaafd zien. Vervolgens wil Hij zien dat zowel de man als de vrouw in trouw aan die band handelt. Ontrouw in het huwelijk is de grootste trouweloosheid die iemand kan tonen. Wie daarin ontrouw is, is op geen enkel ander gebied te vertrouwen.

God spreekt de man hier op ernstige wijze op zijn ontrouw aan. God was erbij toen de man met de vrouw van zijn jeugd trouwde. Nu moet Hij constateren dat de man trouweloos tegen haar handelt. Hij houdt de man voor dat de vrouw met wie hij is getrouwd, toch zijn “metgezellin” is! Vanaf de dag dat hij met haar is getrouwd, deelt hij tot de dag van zijn dood alles met haar: vreugde en verdriet, hoop en angsten, verlangens en gevaren, geld en goederen, lichaam en ziel (1Ko 7:3-43Laat de man voldoen wat verschuldigd is aan de vrouw, en evenzo ook de vrouw aan de man.4De vrouw heeft geen gezag over haar eigen lichaam, maar de man; en evenzo heeft ook de man geen gezag over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.; Mt 19:4-64Hij antwoordde echter en zei: Hebt u niet gelezen dat Hij Die hen heeft geschapen, hen van [het] begin af als man en vrouw heeft gemaakt5en gezegd heeft: ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn’?6Dus zijn zij niet meer twee maar één vlees. Wat dan God heeft samengevoegd, laat een mens dat niet scheiden.).

Zij is ook “de vrouw van uw verbond”. Het huwelijk is een verbond (Sp 2:1717die de leidsman van haar jeugd verlaat,
en het verbond van haar God vergeet.
; Ez 16:88Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u [een eed] en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en [zo] werd u van Mij.)
. Echtgenoten beloven elkaar trouw, in goede en kwade tijden. Hoe afschuwelijk is het als de man ontrouw wordt, als hij zijn belofte van trouw verbreekt. Het geldt natuurlijk ook voor de vrouw, maar hier wordt de man aangesproken. Hij is hoofdverantwoordelijk voor de trouw in zijn huwelijk.


Hij heeft er maar één gemaakt

15Heeft Hij [er] niet maar één gemaakt,
hoewel Hij [nog] geest overhad?
En waarom die ene?
Hij zocht een goddelijk nageslacht.
Daarom, wees op uw hoede met uw geest,
en handel niet trouweloos tegen de vrouw van uw jeugd.

God heeft Zijn blauwdruk voor het huwelijk neergelegd in Genesis 1-2. Hij heeft “maar één gemaakt”, dat wil zeggen dat man en vrouw een eenheid zijn. Hij “schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” (Gn 1:2727En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.; Mt 19:4-64Hij antwoordde echter en zei: Hebt u niet gelezen dat Hij Die hen heeft geschapen, hen van [het] begin af als man en vrouw heeft gemaakt5en gezegd heeft: ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn’?6Dus zijn zij niet meer twee maar één vlees. Wat dan God heeft samengevoegd, laat een mens dat niet scheiden.). Hij heeft één mensenpaar gemaakt dat Hij in de band van het huwelijk heeft samengebonden. Man en vrouw zijn samen de ene mens. Adam krijgt Eva als de ene vrouw die bij hem past. Met haar vormt hij een eenheid, met haar is hij “één vlees” (Gn 2:2424Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.).

God had nog “geest” over, wat in dit verband wellicht betekent dat Hij meer vrouwen voor Adam had kunnen maken. Dat heeft Hij niet gedaan. Hij heeft Adam slechts één vrouw, Eva, gegeven en daarmee het patroon gegeven voor elk huwelijk. Waarom heeft Hij dat zo gedaan? Omdat Hij alleen binnen de heilige band van het huwelijk een door Hem gewenst “goddelijk nageslacht” kan vinden. Hierin ligt opgesloten dat het Gods bedoeling is dat kinderen worden geboren en opgevoed in de sfeer van liefde en trouw die er tussen een man en een vrouw in het huwelijk is.

De mens heeft de levensgeest van God ingeblazen gekregen (Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.). Daardoor is hij in staat dingen te beoordelen zoals God dat doet. Maar door de zonde is hij verduisterd in zijn denken en kan hij zijn geest niet bewaren. Hij wordt geleid door de overste van de wereld, de duivel, en handelt daardoor tegen alles wat God heeft ingesteld, in het bijzonder tegen het huwelijk.

Maar ook wie nieuw leven, leven door de wedergeboorte heeft, moet oppassen voor het denken van de wereld. Hij moet met zijn geest op zijn hoede zijn om niet meegesleept te worden in het ongoddelijke denken van de wereld over huwelijk en echtscheiding. Laat niemand die getrouwd is, trouweloos handelen tegen de vrouw met wie hij getrouwd is: “Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijksleven onbezoedeld, want hoereerders en overspelers zal God oordelen” (Hb 13:44Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijksleven onbezoedeld, want hoereerders en overspelers zal God oordelen.).

Ieder die Gods gedachten verstaat, zal zijn vrouw trouw blijven. Hij zal geen vreemde vrouw trouwen om kinderen te verwekken die voor God zouden zijn. We zien in Nehemia 13 het resultaat van de gemengde huwelijken: Ook zag ik in die dagen Joden die Asdoditische, Ammonitische [en] Moabitische vrouwen [bij zich] hadden doen wonen. Hun kinderen spraken voor de helft Asdoditisch, en ze konden geen Judees spreken, maar [spraken] overeenkomstig de taal van elk volk” (Ne 13:23-2423Ook zag ik in die dagen Joden die Asdoditische, Ammonitische [en] Moabitische vrouwen [bij zich] hadden doen wonen.24Hun kinderen spraken voor de helft Asdoditisch, en ze konden geen Judees spreken, maar [spraken] overeenkomstig de taal van elk volk.). Dit is wat verwacht moet worden van gemengde huwelijken. Hier is geen “goddelijk nageslacht” verwekt, hier zijn geen kinderen die God zoeken.

We zien hier ook hoezeer huwelijk, huwelijkstrouw, en kinderen bij elkaar horen. God heeft het huwelijk ingesteld om daardoor kinderen geboren te laten worden. We kunnen aan de hand van Genesis 1-2 zeggen dat de seksualiteit twee kenmerken heeft. God wil die gebruiken voor de voortplanting, het krijgen van kinderen. God geeft seksualiteit ook om van elkaar te genieten, om de vreugde van de herkenning te beleven van de ander als iemand die bij je past. Bij ontrouw aan de vrouw van de jeugd worden beide doelstellingen vernietigd.


God haat de echtscheiding

16Want de HEERE, de God van Israël, zegt
dat Hij het wegsturen [van de eigen] vrouw haat,
hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad,
zegt de HEERE van de legermachten.
Wees dus op uw hoede met uw geest
en handel niet trouweloos.

Dit vers begint met het woord “want”. Dat geeft aan dat wat volgt, direct is verbonden aan het voorgaande. Daar heeft Maleachi Gods plan met het huwelijk getoond en hoe belangrijk het is daarin niet trouweloos te handelen. Dit trouweloze handelen vindt zijn hoogtepunt, of beter dieptepunt, in het wegsturen ofwel de echtscheiding. Voor God is echtscheiding niet slechts een verkeerde keus, het is een verwoesting van Zijn werk, een gewelddadige handeling die Hij verafschuwt.

Het bedekken met het gewaad wijst op de oude gewoonte waarbij een man zijn gewaad over een vrouw werpt om haar als vrouw te nemen en te beschermen (Ru 3:99En hij zei: Wie bent u? En zij zei: Ik ben Ruth, uw dienares. Spreid uw vleugel over uw dienares uit, want u bent de losser.; Ez 16:88Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u [een eed] en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en [zo] werd u van Mij.). Maar zo gebruiken zij die hun vrouw wegsturen hun gewaad niet. Ze beschermen niet hun vrouwen, maar ze bedekken daarmee het geweld dat zij tegen hun vrouwen gebruiken. Echtscheiding is vaak vechtscheiding. Wie op echtscheiding aanstuurt, is vaak verhard in zijn natuurlijke gevoelens. Het geweld kan soms lichamelijk zijn, maar vooral ook geestelijk door gebruik van harde woorden die als dolksteken werken (Sp 12:1818Er zijn er die als met dolksteken praten, ondoordacht,
maar de tong van de wijzen betekent genezing.
)
.

Wie niet dicht bij de Heer blijft, loopt de kans ontrouw te worden aan zijn eigen vrouw. Wie van de Heer vervreemdt, vervreemdt ook van zijn omgeving, het meest van zijn huisgenoten en het allermeest van zijn vrouw. In die vervreemding kan de aandrang om pornografische sites op internet te bekijken niet meer worden weerstaan. Zo gaat iemand steeds meer vreemd. Er worden contacten gelegd via sociale media. Ontmoetingen worden geregeld. Ten slotte is er geen weg meer terug en wordt de echtscheiding in gang gezet.

God haat de echtscheiding omdat het Zijn bedoeling met het huwelijk kapotmaakt. Zijn bedoeling met het huwelijk is, naast de aspecten die hiervoor al zijn genoemd, bovenal dat in elk huwelijk de eenheid tussen Christus en de gemeente zichtbaar wordt gemaakt (Ef 5:31-3231‘Daarom zal een man <zijn> vader en <zijn> moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn’.32Deze verborgenheid is groot, maar ik doel op Christus en op de gemeente.). Dat heeft God in gedachten als Hij man en vrouw schept en het huwelijk instelt als de legitieme sfeer waarbinnen de seksualiteit tot volle ontplooiing mag komen. Daarom wordt er in Efeziërs 5 verwezen naar de instelling van het huwelijk in Genesis 2 (Ef 5:3131‘Daarom zal een man <zijn> vader en <zijn> moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn’.; Gn 2:2424Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.).

De Heer Jezus is duidelijk in Zijn onderwijs over echtscheiding (Mt 19:3-93En <de> farizeeën kwamen bij Hem om Hem te verzoeken en zeiden: Is het een man geoorloofd zijn vrouw te verstoten om iedere reden?4Hij antwoordde echter en zei: Hebt u niet gelezen dat Hij Die hen heeft geschapen, hen van [het] begin af als man en vrouw heeft gemaakt5en gezegd heeft: ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn’?6Dus zijn zij niet meer twee maar één vlees. Wat dan God heeft samengevoegd, laat een mens dat niet scheiden.7Zij zeiden tot Hem: Waarom heeft Mozes dan geboden een scheidbrief te geven en <haar> te verstoten?8Hij zei tot hen: Mozes heeft om de hardheid van uw harten u toegestaan uw vrouwen te verstoten; van [het] begin af is het echter niet zo geweest.9Ik zeg u echter, dat wie zijn vrouw verstoot, niet om hoererij, en met een andere trouwt, overspel pleegt; <en wie met een verstoten [vrouw] trouwt, pleegt overspel.>; 1Ko 7:1010Maar aan de getrouwden beveel ik – niet ik, maar de Heer –, dat [de] vrouw niet mag scheiden van [haar] man). Echtscheiding of verstoten is een bijzonder kwalijke zaak. Wie zich van die onlosmakelijke band meent te kunnen ontdoen en meent daardoor ook nog eens vrij te zijn met een ander die onlosmakelijke band te kunnen aangaan, vergist zich zeer. Hij pleegt door het aangaan van een nieuw huwelijk overspel. Hetzelfde geldt voor iemand die met de verstoten vrouw trouwt, want deze verstoten vrouw is nog altijd onlosmakelijk aan haar man verbonden. Dat is zo, zolang hij leeft (Rm 7:2-32Want de gehuwde vrouw is door [de] wet verbonden aan haar man bij diens leven; maar is de man gestorven, dan is zij vrijgemaakt van de wet [die haar] aan de man [bond].3Daarom zal zij een overspeelster worden genoemd, als zij bij het leven van haar man [de vrouw] van een andere man wordt; maar als de man gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspeelster is, als zij [de vrouw] van een andere man wordt.).

De uitzondering “niet om hoererij” (Mt 19:99Ik zeg u echter, dat wie zijn vrouw verstoot, niet om hoererij, en met een andere trouwt, overspel pleegt; <en wie met een verstoten [vrouw] trouwt, pleegt overspel.>) betreft het geval van iemand die ondertrouwd is. Een voorbeeld daarvan hebben we bij Jozef en Maria. Terwijl zij ondertrouwd zijn, overweegt Jozef om Maria in het geheim te verstoten als hij merkt dat zij zwanger is (Mt 1:18-1918De geboorte van Jezus Christus nu gebeurde zo: Toen Zijn moeder Maria met Jozef ondertrouwd was, bleek zij, voordat zij waren samengekomen, zwanger te zijn uit [de] Heilige Geest.19Daar nu Jozef, haar man, rechtvaardig was en haar niet openlijk te schande wilde maken, was hij van plan haar in het geheim te verstoten.). Als iemand ondertrouwd is, is er wel een vaste verbinding, maar heeft de officiële huwelijkssluiting nog niet plaatsgevonden. In het geval van Jozef en Maria in hun status van ondertrouw, zou het verstoten geoorloofd geweest zijn. God neemt Jozef die overweging ook niet kwalijk, maar laat hem weten wat er werkelijk aan de hand is. Dan verstoot hij haar niet.


De HEERE is moe van hun woorden

17U vermoeit de HEERE met uw woorden,
toch zegt u: Waarmee vermoeien wij [Hem]?
Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet,
is in de ogen van de HEERE goed,
Híj is hun genegen.
Of: Waar is de God van het oordeel?

Maleachi houdt het volk voor dat ze de HEERE met hun woorden vermoeien (vgl. Js 43:24b24U hebt voor Mij met geld geen kalmoes gekocht,
en met het vet van uw slachtoffers hebt u Mij niet verzadigd.
Integendeel, u bent Mij tot last geweest met uw zonden,
u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
)
. Door hun voortdurende trouweloosheid en huichelarij hebben ze Gods geduld tot een einde gebracht. Ze vinden dat God er niet op let dat het hun slecht gaat, terwijl het hun vijanden voor de wind gaat. God bekommert Zich niet om hen, zo ervaren ze dat. Hij straft het leed dat hun is aangedaan niet genoeg, zo beoordelen ze Gods houding tegenover hen.

De woorden die zij daarover uiten, vermoeien God. Het zelfbeklag houdt een klacht tegen God in die ze uitspreken zonder zelfkennis en zonder enig berouw over de weg die ze gaan. Het telkens maar weer naar hun onterechte geklaag te moeten luisteren vermoeit God. God wordt moe van woorden waarin het gaat om het eigen gelijk, en waarbij Hij dan ook nog eens in de beklaagdenbank wordt gezet.

De reactie van het volk is weer een rechtvaardiging van zichzelf. Ze zouden niet weten waarmee ze God vermoeien. Maar God confronteert hen met hun onverschilligheid door hun woorden aan te halen, ze daaraan te herinneren. Hun hele houding getuigt van een volkomen gebrek aan kennis van God. Ze miskennen Hem niet alleen, maar schrijven Hem ook een ongerijmd handelen toe, waarvan zij zich de dupe voelen.

We horen dit soort uitingen als mensen zeggen: ‘Als God rechtvaardig is, waarom laat Hij dan …?’ enzovoort. Dit soort vragen is aan de orde van de dag en wordt gevonden in de mond van mensen die vinden dat God maar willekeurig handelt, zowel in het wereldgebeuren als in hun persoonlijke leven. Voor hun eigen zonden zijn ze blind, maar ze geven God de schuld van de ellende waarin ze zijn of die ze om zich heen zien.

Ze zijn zelfs zo vermetel, dat ze God uitdagen Zich maar eens als de God van het oordeel te laten zien. Als Hij echt de God van het oordeel is, waar blijft Hij dan? Wat een hoogmoedige opstelling. Als God Zich in oordeel zou uiten, zouden ze allemaal door dat oordeel worden getroffen.

Het antwoord komt in het eerste vers van het volgende hoofdstuk. Daar horen ze over de komende Rechter, Die door Gods genade wordt voorafgegaan door een heraut die oproept tot bekering om klaar te zijn voor de komst van de Rechter.


Lees verder