Micha
Inleiding
Inleiding

Micha betekent ‘wie is als Jahweh?’ Hij doet zijn naam eer aan. In zijn boek stelt hij de HEERE (Hebr. Jahweh) als de rechtvaardige Rechter en de trouwe Herder van Israël voor. Hij laat zien dat God zonde, wetteloosheid, afgoderij en godsdienstig formalisme haat. Vanwege deze ongerechtigheden moet God Zijn volk als rechtvaardige Rechter oordelen. Maar God is ook de God Die met niemand te vergelijken is. Wie is als Hij (Mi 7:1818Wie is een God als U,
Die de ongerechtigheid vergeeft,
Die voorbijgaat aan de overtreding
van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,
want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
)
? Als een God van vergeving is Hij bereid Zijn volk een heerlijke tijd van vrede onder de heerschappij van de Messias te geven.

We leren uit het boek Micha dat God geloof waardeert dat daadwerkelijk wordt beleefd en uitgeleefd. Ieder die tegenover God de plaats inneemt die hem als schepsel past, zal God leren kennen als een wonderbare God van vergeving.

Zoals gezegd, betekent de naam Micha ‘wie is als Jahweh?’ Wanneer Micha’s moeder haar kleine jongen bij zijn naam riep om binnen te komen, schalde er, als zij zijn naam riep, een luid getuigenis door de straten van Moreset dat de HEERE – onze vertaling van het woord Jahweh – met niemand te vergelijken is.

Als dit getuigenis zo door de stad klonk, zal het de vrome Israëliet mogelijk herinnerd hebben aan het lied dat Mozes en de Israëlieten hebben gezongen na hun verlossing uit Egypte. In dat lied klinkt hetzelfde getuigenis (Ex 15:1111Wie is als U
onder de goden, HEERE?
Wie is als U,
verheerlijkt in heiligheid,
ontzagwekkend in lofzangen,
[U] Die wonderen doet?
)
. Helaas zal deze herinnering slechts bij een enkeling aanwezig zijn geweest. De massa van het volk denkt niet meer aan de HEERE, aan Zijn verlossing en Zijn doel daarmee. Zij leven voor zichzelf en doen hun naasten onrecht aan.

Daarom is er meer nodig dan het getuigenis van zijn naam toen zijn moeder hem riep of wanneer hij zich later als ‘Micha’ voorstelt. Zijn naam zal inhoud krijgen door een krachtige prediking om met de zonde te breken en te doen wat de HEERE vraagt (Mi 6:88Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.
En wat vraagt de HEERE van u
anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.
)
. Die prediking sluit hij af met een machtig getuigenis van de betekenis van zijn naam: “Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid vergeeft?” (Mi 7:18a18Wie is een God als U,
Die de ongerechtigheid vergeeft,
Die voorbijgaat aan de overtreding
van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,
want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
)
.

De Micha van dit bijbelboek komt alleen nog voor in Jeremia 26 (Jr 26:1818Micha uit Moreset heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd. Hij zei tegen heel het volk van Juda: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Sion zal [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem zal [tot] puinhopen worden
en de berg van dit huis tot hoogten in het woud.
)
. Daar wordt hij, evenals hier (Mi 1:11Het woord van de HEERE dat kwam tot Micha uit Moreset, in de dagen van Jotham, Achaz [en] Jehizkia, de koningen van Juda, [en] dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.), “Micha uit Moreset” genoemd. Dit onderscheidt hem duidelijk van alle andere in de Bijbel genoemde Micha’s, van wie we vaak niet meer lezen dan de naam van hun vader. Er zijn wel twee naamgenoten van wie we meer lezen.

De een is “Micha, de zoon van Jimla” (1Kn 22:8-228Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Er is nog één man om door hem de HEERE te raadplegen, maar ík haat hem, want hij profeteert niets goeds over mij, [alleen] maar onheil: Micha, de zoon van Jimla. Josafat zei: Zo moet de koning niet spreken!9Toen riep de koning van Israël een hoveling en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla.10Nu zaten de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, ieder op zijn troon, gekleed in [staatsie]gewaad op de dorsvloer, bij de ingang van de poort van Samaria. En al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.11Zedekia, de zoon van Kenaäna, had ijzeren horens voor zichzelf gemaakt, en zei: Zo zegt de HEERE: Hiermee zult u de Syriërs neerstoten, totdat u hen vernietigd hebt.12En alle profeten profeteerden hetzelfde: Trek op naar Ramoth in Gilead en u zult slagen, want de HEERE zal hen in de hand van de koning geven.13De bode nu die Micha was gaan roepen, sprak tot hem: Zie toch, de woorden van de profeten zijn eenstemmig in het voordeel van de koning. Laat toch uw woord als het woord van een van hen zijn, en spreek het goede.14Maar Micha zei: [Zo waar] de HEERE leeft, wat de HEERE tegen mij zegt, dat zal ik spreken.15Toen hij bij de koning kwam, zei de koning tegen hem: Micha, zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij [ervan] afzien? En hij zei tegen hem: Trek op, en u zult slagen, want de HEERE zal hen in de hand van de koning geven.16De koning zei tegen hem: Hoeveel keer moet ik u [nog] bezweren dat u tot mij niets zult spreken dan alleen de waarheid, in de Naam van de HEERE?17Hij zei: Ik zag heel Israël overal verspreid op de bergen, als schapen die geen herder hebben. En de HEERE zei: Dezen hebben geen heer, laat ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.18Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Heb ik niet tegen u gezegd: Hij zal over mij niets goeds profeteren, [alleen] maar onheil?19Verder zei [Micha]: Daarom, hoor het woord van de HEERE: Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond bij Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerzijde.20En de HEERE zei: Wie zal Achab misleiden, zodat hij zal optrekken en bij Ramoth in Gilead zal vallen [in de strijd]? De een nu zei dit, en de ander zei dat.21Toen trad er een geest naar voren en ging voor het aangezicht van de HEERE staan. Hij zei: Ík zal hem misleiden. En de HEERE zei tegen hem: Waarmee?22Hij zei: Ik zal eropuit gaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U mag misleiden, en u zult er ook toe in staat zijn. Vertrek en doe het zo.). In deze zoon van Jimla heeft Micha uit Moreset een inspirerende voorganger. De zoon van Jimla heeft onverschrokken Gods Woord gebracht aan koningen en profeten die met God geen rekening hielden. Deze man is niet onder de indruk gekomen van de pracht en praal van de koningen en van de dreigende taal van de valse profeten. Over deze hooggeplaatste personen heen heeft hij namelijk de majesteit van de HEERE gezien, waarbij alle aardse glorie verbleekt en zijn dreiging verliest. Micha uit Moreset zal een waardige naamgenoot blijken te zijn, omdat hij zijn boodschap even onverschrokken brengt.

De andere Micha staat in enorm contrast met deze beide trouwe, toegewijde Micha’s. Hem ontmoeten we in Richteren 17-18. Deze man heeft er een heel eigen idee op nagehouden hoe hij God wilde dienen. Zijn afgodische handelwijze heeft ertoe geleid dat een hele stam hem in zijn afgoderij is gevolgd (Ri 17:1-131Er was een man uit het bergland van Efraïm, die Micha heette.2Deze zei tegen zijn moeder: De elfhonderd zilverstukken die u ontnomen zijn en waarover ú een vervloeking hebt geuit en [die] ook ten aanhoren van mij hebt uitgesproken, zie, dat geld is bij mij: ík had het weggenomen. Daarop zei zijn moeder: Gezegend zij mijn zoon door de HEERE!3Zo gaf hij de elfhonderd zilverstukken aan zijn moeder terug. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld geheel aan de HEERE geheiligd [en het] uit handen [gegeven] aan mijn zoon, om een gesneden en gegoten beeld te maken. Dus geef ik het nu aan jou terug.4Hij gaf het geld echter aan zijn moeder terug. En zijn moeder nam tweehonderd zilverstukken en gaf ze aan de edelsmid, die daarvan een gesneden en een gegoten beeld maakte. En het stond in het huis van Micha.5En de man Micha had een godshuis. Ook maakte hij een efod en afgodsbeeldjes, en wijdde een van zijn zonen om voor hem tot priester te zijn.6In die dagen was er geen koning in Israël: eenieder deed wat juist was in zijn ogen.7Nu was er een jongeman uit Bethlehem in Juda, uit het geslacht van Juda. Hij was een Leviet en verbleef daar als vreemdeling.8Toen ging deze man uit die stad, uit Bethlehem in Juda, weg om [daar] te verblijven waar hij [onderdak] zou vinden. En toen hij tijdens zijn tocht in het bergland van Efraïm kwam, tot bij het huis van Micha,9zei Micha tegen hem: Waar komt u vandaan? En hij zei tegen hem: Ik ben een Leviet uit Bethlehem in Juda en ik ben op weg om [daar] te verblijven waar ik [onderdak] zal vinden.10Daarop zei Micha tegen hem: Blijf bij mij en wees voor mij tot een vader en tot een priester. Ík zal u elk jaar tien zilverstukken geven, een stel kleren en [wat nodig is voor] uw levensonderhoud. En de Leviet ging [met hem] mee.11De Leviet stemde erin toe bij die man te blijven. En de jongeman was als een van zijn zonen voor hem.12En Micha wijdde de Leviet en de jongeman werd voor hem tot priester. Zo was hij in het huis van Micha.13Toen zei Micha: Nu weet ik dat de HEERE mij wel zal doen, omdat ik deze Leviet als priester heb.; 18:1-6,27,30-311In die dagen was er geen koning in Israël. En in die dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfelijk bezit om er te wonen, want tot op die dag was hun onder de stammen van Israël niet [voldoende] erfelijk bezit toegevallen.2Daarom stuurden de Danieten uit hun hele geslacht vijf mannen, strijdbare mannen uit Zora en uit Esthaol, om het land te verkennen en om het te doorzoeken. En zij zeiden tegen hen: Ga [op weg], doorzoek het land. En zij kwamen in het bergland van Efraïm bij het huis van Micha en overnachtten daar.3En toen zij bij het huis van Micha waren, herkenden zij de stem van de jonge man, de Leviet. Zij weken [van hun weg af] en zeiden tegen hem: Wie heeft u hier gebracht, wat doet u hier en wat hebt u hier te maken?4Daarop zei hij tegen hen: Zo en zo heeft Micha met mij gedaan. Hij heeft mij ingehuurd en ik ben voor hem tot een priester.5En zij zeiden tegen hem: Raadpleeg God toch. Dan weten wij of onze weg, die wij gaan, voorspoedig zal zijn.6En de priester zei tegen hen: Ga in vrede. Uw weg, waarlangs u zult gaan, is de HEERE welgevallig.27Zij hadden dus meegenomen wat Micha had gemaakt, alsook de priester die hij had gehad, en kwamen in Laïs, bij een rustig en onbezorgd volk, en zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard. En de stad verbrandden zij met vuur.30En de Danieten richtten het gesneden beeld voor zich op. En Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen, waren priesters voor de stam van de Danieten, tot op de dag dat het land in ballingschap werd gevoerd.31Zo richtten zij het gesneden beeld voor zich op dat Micha gemaakt had, al de dagen dat het huis van God in Silo was.).

Moreset, het stadje waar de Micha van dit bijbelboek vandaan komt, is een stadje ten zuidwesten van Jeruzalem dat direct aan het Filistijnse gebied grenst. De toevoeging ‘Gath’ (Mi 1:1414Geef daarom afscheidsgeschenken
aan Moreset-Gath.
De huizen van Achzib blijken onbetrouwbaar
voor de koningen van Israël.
)
. Het is een gewoon plattelandsstadje in de provincie. Net als Amos, die enkele tientallen jaren vóór hem heeft geleefd, is hij iemand van het platteland. Dat wil niet zeggen dat hij in een isolement leefde aan wie alle wereldnieuws voorbijgaat. Hij woonde aan de weg die van de Filistijnen naar het Judese bergland loopt. Die weg is een toegangsweg tot het land. Micha woonde op een plek waar hij van alles op de hoogte is gebracht door de passanten. Hij is geen vreemde in de wereld waarin hij leeft en kan daardoor een passend getuigenis afleggen.

Wat zijn afkomst betreft, is er overeenstemming met Amos. Wat de inhoud van zijn boodschap betreft, is er duidelijk overeenstemming met Jesaja, van wie hij een tijdgenoot is. Ze hebben beiden veel gesproken over de Messias. Micha is ook wel eens ‘de kleine Jesaja’ genoemd. Dat er overeenstemming met Jesaja is, blijkt ook uit het aantal vergelijkbare passages van beide profeten:

Dat er duidelijke overeenstemming tussen Micha en Jesaja bestaat, wil niet zeggen dat Micha een kopie van Jesaja is. Hij is geen naprater van Jesaja. Wat hij zegt, ‘leent’ hij niet van Jesaja, maar is hem door de HEERE opgedragen. Het volk dat Jesaja hoort, hoort dezelfde dingen van Micha. De ene profeet onderstreept daardoor wat de andere heeft gezegd. Zo wordt het getuigenis dat de HEERE laat geven, bekrachtigd. God laat trouwens nooit tegenstrijdige geluiden horen. Zijn boodschappers zijn altijd in overeenstemming met elkaar, omdat Zijn Geest hen leidt. De eigen stijl van iedere boodschapper blijft daarbij altijd bewaard.

In vergelijking met Jesaja is Micha een kleine profeet. We zien Jesaja regelmatig aan het hof van de koning, terwijl Micha meer de man van het volk is. Zo’n positie kan een bijzondere geloofsoefening betekenen. Het is immers niet gemakkelijk om in de schaduw van een grote profeet te staan. Toch heeft Micha niet gedacht: ‘Jesaja doet het werk wel. Ik hoef niets te doen.’ Hij weet zich persoonlijk door de HEERE tot zijn taak geroepen en vervult die dan ook vol toewijding.

De toepassing naar vandaag, voor de gemeente, is eenvoudig te maken. Elke gave is belangrijk, ook de in onze ogen ‘kleine’ gave. Elke ‘kleine’ gave mag niet denken: ‘De grote gaven doen het wel.’ Dit is ook vandaag in de gemeente een vaak gebruikt argument om zelf niet in Gods koninkrijk bezig te zijn. Niet dat het altijd hardop zo wordt gezegd, maar de praktijk toont het wel aan.

Paulus laat zien dat een dergelijke opvatting in feite voortkomt uit jaloersheid. Hij gebruikt daarvoor het beeld van een menselijk lichaam: “Als de voet zegt: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, – is hij daarom niet van het lichaam?” (1Ko 12:1515Als de voet zegt: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, – is hij daarom niet van het lichaam?). Hier zien we dat ontevredenheid met de eigen plaats in de gemeente, gezien als lichaam, voortkomt uit jaloersheid op de plaats van een ander. Die houding brengt tot de dwaze voorstelling er ‘dus’ niet bij te horen, geen taak te hebben.

Micha gebruikt in elk geval niet het excuus: ‘Omdat ik geen Jesaja ben, ben ik geen profeet.’ Hij is niet te beroerd om zijn ‘kleine’ taak ook uit te voeren. Ook nu heeft God aan ieder van Zijn kinderen een taak toebedeeld. Als ieder van al die vele zogenaamd kleine gaven zich dat meer bewust wordt, zal er in de gemeente heel wat meer vrucht voor God komen en heel wat minder strijd en verdeeldheid.

Evenals de profetieën van Hosea en Amos handelt de profetie van Micha over de geestelijke toestand van het volk van de Joden, de twee stammen. Hij stelt ook de sociale misstanden zonder omwegen aan de kaak. Ook Samaria wordt genoemd, de tien stammen, zodat het over heel Israël gaat. Hij profeteert zo’n tien jaar voor de val van Samaria, veroorzaakt door de Assyriërs in 722 v.Chr., een gebeurtenis waarover hij ook heeft geprofeteerd (Mi 1:6-76Daarom maak Ik van Samaria een puinhoop in het veld,
een plek voor het planten van een wijngaard.
Ik stort haar stenen in het dal,
en haar fundamenten leg Ik bloot.7En al haar beelden worden verbrijzeld,
en al haar [hoeren]loon wordt met vuur verbrand,
van al haar afgoden maak Ik een woestenij,
want met hoerenloon heeft zij ze bijeengebracht
en tot hoerenloon keren ze terug.
)
.

Vanwege alle misstanden in de verhoudingen die in Israël zijn ontstaan, is het volk rijp geworden voor de sikkel van de Assyriërs. Deze misstanden worden in een soort samenvatting weergegeven in 2 Koningen 17 (2Kn 17:6-236In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in en voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Halah en in Habor, aan de rivier Gozan en in de steden van Medië.7Dit gebeurde omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de HEERE, hun God, Die hen uit het land Egypte geleid had, onder de hand van de farao vandaan, de koning van Egypte. Zij hadden andere goden vereerd,8en hadden gewandeld overeenkomstig de verordeningen van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had; de koningen van Israël hadden die uitgevaardigd.9De Israëlieten hadden dingen bedacht die niet juist zijn tegenover de HEERE, hun God; zij hadden in al hun steden [offer]hoogten voor zich gebouwd, van de wachttoren af tot de versterkte steden toe.10Zij hadden gewijde stenen en gewijde palen voor zich opgericht, op elke hoge heuvel en onder elke bladerrijke boom.11Zij hadden daar, op alle [offer]hoogten, reukoffers gebracht, zoals de heidenvolken die de HEERE had weggevoerd, van vóór hun [ogen]. Zij hadden slechte dingen gedaan om de HEERE tot toorn te verwekken.12Zij hadden de stinkgoden gediend, waarvan de HEERE tegen hen gezegd had: U mag dit niet doen.13Toen de HEERE Israël en Juda door de dienst van alle profeten, van alle zieners, gewaarschuwd had: Bekeer u van uw slechte wegen en neem Mijn geboden [en] Mijn verordeningen in acht, overeenkomstig heel de wet die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u gezonden heb door de dienst van Mijn dienaren, de profeten –14toen luisterden zij niet, maar zij waren halsstarrig, zo halsstarrig als hun vaderen, die niet in de HEERE, hun God, geloofd hadden.15Ook verwierpen zij Zijn verordeningen en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gesloten had, en Zijn getuigenissen, waarmee Hij hen gewaarschuwd had. Zij gingen de nietige [afgoden] achterna, zodat zij [zelf] nietig werden. [Ze gingen] de heidenvolken achterna die rondom hen [woonden], terwijl de HEERE hun geboden had niet te doen als zij.16Ja, zij verlieten al de geboden van de HEERE, hun God, en maakten gegoten beelden voor zich: twee kalveren. Ze maakten gewijde palen, bogen zich voor heel het leger aan de hemel neer en dienden de Baäl.17Ook deden zij hun zonen en dochters door het vuur gaan, pleegden waarzeggerijen en deden aan wichelarij, en verkochten zich om te doen wat slecht was in de ogen van de HEERE [en] Hem tot toorn te verwekken.18De HEERE was zeer toornig op Israël, zodat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht. Er bleef niets over dan alleen de stam van Juda.19[Maar] zelfs Juda nam de geboden van de HEERE, hun God, niet in acht: zij wandelden overeenkomstig de verordeningen van Israël, die zij gemaakt hadden.20Toen verwierp de HEERE het hele nageslacht van Israël. Hij vernederde hen en gaf hen in de hand van plunderaars, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had.21Hij scheurde Israël namelijk los van het huis van David, en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning. Jerobeam dreef Israël van achter de HEERE vandaan en deed hen een grote zonde bedrijven.22De Israëlieten wandelden overeenkomstig alle zonden van Jerobeam, die hij gedaan had; zij weken daar niet van af,23totdat de HEERE Israël van Zijn aangezicht wegdeed, zoals Hij gesproken had door de dienst van al Zijn dienaren, de profeten. Zo werd Israël in ballingschap uit zijn land weggevoerd naar Assyrië, tot op deze dag.). Het oordeel dat Micha heeft moeten aankondigen, is niet met droge ogen door hem aangezegd. Het is hem aan het hart gegaan (Mi 1:8-98Hierover zal ik rouw bedrijven en weeklagen,
zal ik berooid en naakt [mijn] weg gaan,
zal ik huilen als de jakhalzen,
en klaaglijk roepen als de struisvogels.9Want zijn wond is ongeneeslijk,
want zij reikt tot aan Juda,
zij raakt tot aan de poort van mijn volk,
tot aan Jeruzalem!
)
.

Er is hiervoor al op gewezen dat in Jeremia 26 (Jr 26:1818Micha uit Moreset heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd. Hij zei tegen heel het volk van Juda: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Sion zal [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem zal [tot] puinhopen worden
en de berg van dit huis tot hoogten in het woud.
)
wordt aangehaald wat Micha in Micha 3 heeft aangekondigd (Mi 3:1212Daarom zal omwille van u
Sion [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem een puinhoop worden
en de berg van dit huis tot hoogten [in] het woud.
)
. In de dagen van Jeremia herinnert men zich zijn woorden. Dat is meer dan een eeuw later, nadat hij ze heeft gesproken. De priesters en profeten willen Jeremia doden omdat hij hun het oordeel verkondigt als ze ongehoorzaam blijven. Maar de vorsten halen de profetie van Micha aan en hoe Hizkia daarop heeft gereageerd.

Voor Jeremia betekent deze herinnering dat de dreiging om hem te doden, wordt weggenomen. Er is namelijk veel ontzag voor Hizkia. Deze Godvrezende koning heeft Micha immers niet laten doden voor zijn woorden. Als zij Jeremia wel om zijn woorden zouden doden, zou dat neerkomen op een veroordeling van de Godvrezende Hizkia, alsof deze ten onrechte Micha heeft laten leven.

Ook is het nog belangwekkend te zien dat Micha verschillende keren in de Bijbel wordt aangehaald.
1. De eerste aanhaling, die hiervoor al is genoemd (Jr 26:11-1911Toen zeiden de priesters en de profeten tegen de vorsten en tegen heel het volk: Deze man heeft de doodstraf [verdiend], want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals u met eigen oren gehoord hebt.12Maar Jeremia zei tegen al de vorsten en tegen heel het volk: De HEERE heeft mij gezonden om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren alle woorden die u gehoord hebt.13Nu dan, maak uw wegen en uw daden goed en luister naar de stem van de HEERE, uw God. Dan zal het de HEERE berouwen over het kwaad dat Hij over u uitgesproken heeft.14Ik echter, zie, ik ben in uw hand. Doe met mij zoals goed en recht is in uw ogen.15Alleen moet u goed weten: als u mij doodt, brengt u onschuldig bloed over uzelf, over deze stad en over de inwoners ervan, want in waarheid, de HEERE heeft mij naar u toe gezonden om al deze woorden ten aanhoren van u uit te spreken.16Toen zeiden de vorsten en heel het volk tegen de priesters en tegen de profeten: Deze man heeft niet de doodstraf [verdiend], want hij heeft in de Naam van de HEERE, onze God, tot ons gesproken.17Ook stonden er mannen op uit de oudsten van het land. Zij zeiden tegen heel het verzamelde volk:18Micha uit Moreset heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd. Hij zei tegen heel het volk van Juda: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Sion zal [als] een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem zal [tot] puinhopen worden
en de berg van dit huis tot hoogten in het woud.
19Hebben Hizkia, de koning van Juda, en heel Juda hem ooit ter dood laten brengen? Vreesde hij niet de HEERE? Trachtte hij niet het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, zodat het de HEERE berouwde over het kwaad dat Hij over hen uitgesproken had? Wij zijn bezig onszelf een groot kwaad aan te doen!
)
, vindt honderd jaar na zijn optreden plaats.
2. Daarna wordt naar Micha verwezen in de tijd van de Heer Jezus. Zo wordt een beroep op Micha gedaan om de wijzen uit het Oosten naar de plaats van de geboorte van de Messias te brengen (Mi 5:11En u, Bethlehem-Efratha,
[al] bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal Mij voortkomen
Die een Heerser zal zijn in Israël.
Zijn oorsprongen zijn van oudsher,
van eeuwige dagen af.
Mt 2:5-65En zij zeiden tot hem: In Bethlehem in Judéa; want zo is er geschreven door de profeet:6‘En u, Bethlehem, land van Juda, bent zeker niet [de] geringste onder de vorsten van Juda; want uit u zal een Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël zal hoeden’.)
.
3. De Heer Jezus maakt Zelf gebruik van Micha, als Hij de zeventig uitzendt. Bij die gelegenheid voorzegt Hij Zijn boodschappers dat de profetie van Micha in hun prediking vervuld zal worden (Mi 7:66Want de zoon maakt de vader te schande,
de dochter staat op tegen haar moeder,
de schoondochter tegen haar schoonmoeder:
iemands vijanden zijn zijn [eigen] huisgenoten.
Mt 10:21,35-3621Een broer nu zal [zijn] broer tot [de] dood overleveren, en een vader [zijn] kind, en kinderen zullen opstaan tegen [hun] ouders en hen doden;35Want Ik ben gekomen om een man op te zetten tegen zijn vader, een dochter tegen haar moeder, en een schoondochter tegen haar schoonmoeder;36en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.)
.
4. Als Christus Zich voorstelt als de goede Herder, is dat ook iets wat we bij Micha terugvinden (Mi 2:12-1312Ik zal u, Jakob, zeker verzamelen, geheel en al.
Ik zal het overblijfsel van Israël zeker bijeenbrengen.
Ik zal het samenbrengen als schapen van Bozra,
als een kudde midden in zijn weide.
Het zal er gonzen van de mensen.13De Doorbreker trekt vóór hen op.
Zij zullen doorbreken, door de poort trekken
en daardoor naar buiten gaan.
Hun Koning gaat vóór hen uit,
de HEERE [gaat] aan de spits.
Jh 10:9,11,149Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.11Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij,)
.

Indeling van het boek

Het boek is in drie delen te verdelen, waarbij elk deel begint met ‘hoort’:
1. Vermaning over de zonde (Micha 1-2)
2. Aankondiging van het oordeel (Micha 3-5)
3. Belofte van zegen door de Messias (Micha 6-7)


Lees verder