Micha
Inleiding 1 Er is niets meer te eten 2 Er zijn geen Godvrezende mensen meer 3-4 Een drievoudig snoer van ongerechtigheid 5-6 Niemand is te vertrouwen 7 Uitzien naar de HEERE 8-9 Van de duisternis in het licht 10 De vijanden geoordeeld 11-13 Herstel van Israël 14 Gebed om het volk te weiden 15 Antwoord op het gebed 16-17 Gevolgen voor de heidenvolken 18-19 Wie is een God als U? 20 God vervult Zijn beloften
Inleiding

Dit laatste hoofdstuk is nauw verbonden met het boek Klaagliederen. We horen hier het gebed van het berouwhebbende overblijfsel in de dagen van de grote verdrukking. De profeet spreekt namens hen die niet langer in hoogmoed wandelen, maar vernederd door hun zonden de rechtvaardige hand erkennen van Hem Die hen sloeg. Hij maakt zich een met hen; hij neemt de smaad van de stad op zich als de zijne en klaagt over de droevige toestand waarin ze zich bevindt.

Tegelijk veroordeelt hij hun gedrag en drukt zo Gods gedachten en gevoelens uit ten opzichte van hun toestand. Maar hij doet dat met al de belangstelling die voortvloeit uit de liefde die God voor hen heeft. Er worden geen excuses gezocht, of tweede oorzaken aangevoerd, maar ze aanvaarden alles als een terecht loon voor hun daden.

Toch zien ze met vertrouwen op tot de God van hun vaderen, op Wiens onfeilbare genade ze rekenen voor herstel. Hier komt een van de meest kenmerkende karaktertrekken van de echte profeet naar voren en dat is dat hij een voorbidder voor zijn volk is. Jeremia zegt: “Maar als zij profeten zijn, laten zij toch bij de HEERE van de legermachten erop aandringen …” (Jr 27:1818Maar als zij profeten zijn en als het woord van de HEERE bij hen is, laten zij toch bij de HEERE van de legermachten erop aandringen dat de voorwerpen die in het huis van de HEERE, in het huis van de koning van Juda en in Jeruzalem zijn overgebleven, niet in Babel terechtkomen.). En God zegt tegen Abimelech over Abraham: “Hij is een profeet! Hij zal voor u bidden” (Gn 20:77Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet [dan] dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.; vgl. Ps 74:99Onze tekenen zien wij niet, er is geen profeet meer;
er is niemand onder ons die weet hoelang [nog].
)
. De Geest van God spreekt het oordeel uit. Maar omdat God Zijn volk liefheeft, treedt in de profeet de Geest ook als de Geest van voorbede voor Zijn volk op.


Er is niets meer te eten

1Wee mij,
want het is mij vergaan als [na] de inzameling van de zomervruchten,
als [na] de nalezing van de wijnoogst:
er is geen tros om te eten.
Mijn ziel verlangt [naar] vroege vijgen.

Hier vertolkt Micha de stem van de Godvrezenden. Hij beschrijft het algemene verderf in Israël. Hij vergelijkt het volk met een boomgaard en een wijngaard nadat alle vruchten zijn geplukt. Hij kijkt of er nog iets is overgebleven om te eten. Maar het lijkt erop dat er geen goede mensen meer onder het volk zijn op wie de HEERE met vreugde kan neerzien (vgl. Js 17:66Maar een nalezing zal daarvan overblijven, zoals bij het afschudden van een olijfboom:
twee, drie vruchten aan het eind van de bovenste tak,
vier, vijf aan de vruchtdragende takken,
spreekt de HEERE, de God van Israël.
)
. Dat er “geen tros om te eten” is, betekent dat er geen groep mensen wordt gevonden die God wil eren. Als er trouwe mensen worden gevonden, zijn dat enkelingen.

Het is de tijd dat de antichrist aan de macht is. Angstvallig speurt Micha rond of hij wellicht onder het volk nog iets kan ontdekken dat recht geeft op de titel ‘volk van God’. Als Micha zegt dat zijn ziel ernaar verlangt om iets van vrucht voor God te vinden, geeft hij daarmee uiting aan het verlangen van Gods hart. Maar hij vindt niets dan bedrog en misleiding, een volijverig loeren op het bloed van de naaste en een begeerte om met beide handen kwaad te doen.


Er zijn geen Godvrezende mensen meer

2Een goedertieren mens is verdwenen uit het land
en een oprechte onder de mensen is er niet.
Zij loeren allen op bloed,
zij jagen op elkaar [met] een net.

Als Micha om zich heen kijkt om te zien of er nog “een goedertieren mens” te vinden is, moet hij constateren dat deze “is verdwenen uit het land”, dat is Israël. De profeet lijkt bijna te zeggen dat hij alleen is overgebleven, net als Elia vroeger bij de Horeb (1Kn 19:1010Hij zei: Ik heb mij zeer voor de HEERE, de God van de legermachten, ingezet. De Israëlieten hebben immers Uw verbond verlaten, Uw altaren omvergehaald en Uw profeten met het zwaard gedood. Ik alleen ben overgebleven, en zij staan mij naar het leven om het [mij] te benemen.). De goedertieren mens is de Godvrezende, vriendelijke, barmhartige en weldoende mens. Net zomin als de vroege vijg van goede kwaliteit in het gevorderde seizoen van de zomer kan worden gevonden, kan in Israël een goedertieren en oprecht mens worden gevonden. Zoals de boomgaarden zonder vrucht zijn, zo is Israël zonder Godvrezende en oprechte mensen in de dagen van Micha (Ps 12:22Breng verlossing, HEERE, want goedertieren mensen zijn er niet [meer],
onder de mensenkinderen zijn er [nog maar] weinig trouwe mensen.
)
.

Micha constateert integendeel bloedvergieten en het zich toeleggen op het ombrengen van de volksgenoot. Ze doen hun best om hun volksgenoten te vangen met een net. Een net wordt gebruikt om te vissen of bij het jagen (Ps 12:11Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.; 14:22De HEERE heeft uit de hemel neergezien
op de mensenkinderen,
om te zien of er iemand verstandig was,
iemand die God zocht.
; Js 57:11De rechtvaardige komt om,
en er is niemand die het ter harte neemt.
De goedertieren mensen worden weggenomen,
zonder dat er iemand op let
dat de rechtvaardige weggenomen wordt vóór het onheil.
)
. Is een dier eenmaal in het net gevangen, dan kan het zichzelf daar niet uit bevrijden. Het is gevangen om gedood te worden.


Een drievoudig snoer van ongerechtigheid

3Om kwaad te doen staan [hun] handen goed:
de vorst eist,
de rechter doet [uitspraak] tegen betaling,
wie groot is, beslist naar eigen begeerte
en [zo] verdraaien zij de zaak.
4De beste van hen is als een doornstruik,
de oprechtste [erger] dan een doornhaag.
De dag van uw wachters is gekomen, [de dag] van uw vergelding.
Nu zal er bij hen ontreddering zijn.

In plaats van iemand te vinden die met zijn handen God dient, ziet Micha hoe de handen vol energie doortastend en effectief bezig zijn om kwaad te doen (vers 33Om kwaad te doen staan [hun] handen goed:
de vorst eist,
de rechter doet [uitspraak] tegen betaling,
wie groot is, beslist naar eigen begeerte
en [zo] verdraaien zij de zaak.
)
. Daarvoor hebben ze hun handen goed staan. Hun handen zijn bedreven in het doen van ongerechtigheid. Het doen van het kwaad is niet een incident, maar er is een situatie ontstaan waarin ze niets anders kunnen dan kwaad doen. Dit kwaad doen komt het sterkst tot uiting bij “de vorst”, “de rechter” en “wie groot is”. Het zijn de mensen die een leidende of vooraanstaande plaats in het volk innemen.

Micha beschrijft hun werkwijze. De vorst eist de veroordeling van een onschuldige. De rechter wordt omgekocht en spreekt de veroordeling uit. Wie groot is in sociale status of economische invloed, de man van aanzien of de rijke, iemand die macht en daardoor invloed heeft, zorgt ervoor dat zijn wil doorgedrukt wordt. Hij krijgt waar hij zijn zinnen op heeft gezet door daarvoor zijn geld en invloed te gebruiken. De vorst en de rechter doen wat hij wil.

Deze drie boosdoeners vormen een drievoudig snoer van ongerechtigheid, waardoor het net als een gedraaid touw sterk wordt. Ook wordt door hen, door de ene zonde in de andere te draaien, een zaak volledig verdraaid en geschiedt er groot onrecht. Het onrecht doortrekt alle vezels van het sociale klimaat. Dat is vandaag niet anders.

Een dergelijk met onrecht doorweven klimaat kan alleen ontstaan en blijven bestaan als zij die “de beste” en “de oprechtste” zijn, de bescherming van “een doornstruik” en “een doornhaag” bieden (vers 44De beste van hen is als een doornstruik,
de oprechtste [erger] dan een doornhaag.
De dag van uw wachters is gekomen, [de dag] van uw vergelding.
Nu zal er bij hen ontreddering zijn.
; vgl. Ri 9:14-2014Ten slotte zeiden al de bomen tegen de doornstruik: Kom, weest u koning over ons!15En de doornstruik zei tegen de bomen: Als u mij naar waarheid tot koning over u zalft, kom dan [en] neem de toevlucht in mijn schaduw. Maar zo niet, laat er [dan] vuur uitgaan van de doornstruik, dat de ceders van de Libanon zal verteren.16Welnu, als u naar waarheid en in oprechtheid gehandeld hebt, toen u Abimelech koning maakte, en als u goed gehandeld hebt met Jerubbaäl en zijn huis, en als u met hem hebt gedaan overeenkomstig de verdienste van zijn handen17– mijn vader heeft immers voor u gestreden, zijn leven gewaagd en u uit de hand van Midian gered;18maar ú bent deze dag in opstand gekomen tegen het huis van mijn vader en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op één [en dezelfde] steen gedood, en u hebt Abimelech, de zoon van zijn slavin, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broer is –19als u dan op deze dag naar waarheid en in oprechtheid gehandeld hebt met Jerubbaäl en zijn huis, verblijd u dan over Abimelech, en laat ook hij zich verblijden over u.20Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan uit Abimelech, dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert, en laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert.)
. Zulke figuren aan de top van een samenleving stellen niet alleen teleur als je iets van hen verwacht, maar ze veroorzaken verwondingen en pijn (2Sm 23:66Maar verdorven [mannen] zijn alle als doornstruiken,
die weggeworpen worden;
want met de hand kan men ze niet pakken.
)
.

Als allen, zelfs de goeden, zo verdorven zijn, is de maat van de ongerechtigheid vol. Hierover moet het oordeel komen. Als het komt, zullen ze niet weten wat ze moeten doen, omdat ze niet hebben geluisterd naar de waarschuwingen van de wachters, dat zijn de profeten van God. “De dag van uw wachters” is de dag die de profeten hebben aangekondigd (vgl. Jr 6:1717Ik heb wachters over u aangesteld:
Sla acht op het geluid van de bazuin!
Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.
; Ez 3:1717Mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis van Israël. Wanneer u uit Mijn mond een woord hoort, moet u hen namens Mij waarschuwen.; 33:77En u, mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis van Israël. U zult een woord uit Mijn mond horen en u moet hen namens Mij waarschuwen.)
.


Niemand is te vertrouwen

5Geloof een vriend niet,
vertrouw niet op een huisvriend,
bewaak de deuren van uw mond
voor haar die in uw schoot ligt.
6Want de zoon maakt de vader te schande,
de dochter staat op tegen haar moeder,
de schoondochter tegen haar schoonmoeder:
iemands vijanden zijn zijn [eigen] huisgenoten.

De zonde werkt zo verwoestend, dat alle normale relaties uit elkaar worden gerukt. Er is geen enkele bescherming meer te vinden in vriendschappen, huwelijken of familiebanden. Mensen op wie je in alle omstandigheden kon vertrouwen, met wie je je geheimen deelde, je vrienden, moeten met wantrouwen worden benaderd. Geloof niet wat ze tegen je zeggen en vertrouw niet wat ze voor je willen doen. Allen zijn bedriegers, niemand is te vertrouwen (Jr 9:2-62Och, had ik in de woestijn [maar] een kamp voor reizigers!
Ik zou mijn volk verlaten, ik zou bij hen weggaan,
want zij zijn allen overspelers, een trouweloos gezelschap.3Zij spannen hun tong als hun boog.
[Met] leugen en niet met betrouwbaarheid
zijn zij in het land sterk geworden,
want zij gaan voort van slechtheid tot slechtheid,
en Mij kennen ze niet, spreekt de HEERE.
4Laat eenieder voor zijn naaste op zijn hoede zijn,
en vertrouw op geen enkele broeder,
want elke broeder doet niet anders dan bedriegen,
en elke vriend gaat rond [met] lasterpraat.
5Eenieder bedriegt zijn naaste,
zij spreken niet de waarheid.
Zij leren hun tong leugens te spreken,
zij vermoeien zich met onrecht doen.
6U woont te midden van bedrog,
door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt de HEERE.
)
.

Praat je mond ook niet voorbij tegen je dierbaarste relatie op aarde, je vrouw (vgl. Ps 141:33HEERE, zet een wacht voor mijn mond,
behoed de deur van mijn lippen.
)
. Ze mag nog zo intiem met je zijn, maar zeg niets onbedachts, want dan ga je eraan. De heiligste relaties en de nauwste banden betekenen niets voor de goddelozen. Deze ontwrichting van relaties is het resultaat van het verwerpen van God. De Heer Jezus haalt dit vers van Micha aan om te laten zien wat de gevolgen van Zijn komst op aarde zijn (Mt 10:21,35-3621Een broer nu zal [zijn] broer tot [de] dood overleveren, en een vader [zijn] kind, en kinderen zullen opstaan tegen [hun] ouders en hen doden;35Want Ik ben gekomen om een man op te zetten tegen zijn vader, een dochter tegen haar moeder, en een schoondochter tegen haar schoonmoeder;36en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.; Lk 12:5353een vader tegen een zoon en een zoon tegen een vader, een moeder tegen haar dochter en een dochter tegen haar moeder, een schoonmoeder tegen haar schoondochter en een schoondochter tegen haar schoonmoeder.).

Het gebod “eer uw vader en uw moeder” (Ex 20:1212Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.) wordt door zoon en dochter met voeten getreden. Het is geen wonder dat dan ook de schoondochter tegen haar schoonmoeder in verzet komt en zich opstandig tegen haar gedraagt. Het is dieptreurig wanneer iemands verraders en ergste vijanden zijn eigen huisgenoten zijn, zijn eigen kinderen en zijn beste vrienden, van wie bescherming wordt verwacht.


Uitzien naar de HEERE

7Zelf zal ik echter uitzien naar de HEERE,
ik zal wachten op de God van mijn heil.
Mijn God zal mij horen.

Nadat de profeet zijn klacht heeft geuit over de verdorvenheid van zijn tijd, kijkt hij naar boven, naar de HEERE. Micha gebruikt het woord “echter”, wat de tegenstelling met het voorgaande accentueert. De Geest van God bewerkt een opzien tot de HEERE als de God van zijn heil of behoudenis na alles om zich heen te hebben waargenomen zoals in de vorige verzen. Hij is totaal anders in zijn gedrag en verwachting dan zijn volksgenoten die alleen aan zichzelf denken en voor zichzelf leven.

Het Hebreeuwse woord voor “uitzien” (sapah) betekent ‘kijken’ of ‘vol verwachting wachten’. Het is het woord dat ook voor de ‘wachters’ in vers 44De beste van hen is als een doornstruik,
de oprechtste [erger] dan een doornhaag.
De dag van uw wachters is gekomen, [de dag] van uw vergelding.
Nu zal er bij hen ontreddering zijn.
wordt gebruikt. De Godvrezende zal als een wachter elke schaduw waarnemen en elk geluid horen als een bewijs dat God aan het werk is. Als we niet verwachtingsvol uitzien naar het geringste teken van het werk van God, is het gevaar groot dat we wanhopig worden. Micha ziet uitkomst en zinkt daarom niet weg in wanhoop.

De toestand is slecht, maar niet helemaal hopeloos als hij denkt aan “de God van mijn heil”, dat is de God van Wie al zijn heil, zijn volle behoudenis, komt (Ps 27:99verberg Uw aangezicht niet voor mij.
Wijs Uw dienaar niet af in toorn,
U bent mijn hulp geweest;
laat mij niet in de steek en verlaat mij niet,
o God van mijn heil.
; Js 17:1010Want u bent de God van uw heil vergeten,
aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.
Daarom poot u wel lieflijke planten
en zet uitheemse stekjes –
)
. Micha gaat niet zelf aan het werk, maar wacht op God, dat Hij zal handelen op Zijn tijd. Deze berusting in Gods wil bij de wetenschap dat Hij soeverein in de wereld werkt, bewerkt vrede in het hart van Micha. Hij spreekt het vol vertrouwen uit dat zijn God hem zal horen.

Het zou te begrijpen zijn dat de sociale misstanden in Gods volk in de dagen van Micha hem ertoe zouden brengen te twijfelen aan de wijsheid van Gods beleid. Maar het is juist het geloof in de wijsheid van Gods beleid waardoor Micha niet in vertwijfeling raakt. De taal die Micha spreekt, is de taal van het geloofsvertrouwen van Christus en van de Geest van Christus in het gelovig overblijfsel in de grote verdrukking. Na de belijdenis van de zonden komt de belijdenis van het geloof van het verootmoedigde volk. De profeet, als vertolker van het overblijfsel, richt zijn oog op Hem en wacht op het uur van de bevrijding (Ps 130:66Mijn ziel [wacht] op de Heere,
meer dan wachters op de morgen,
wachters op de morgen.
)
.

Wanneer alles om ons heen zo ontrouw is en niemand meer te vertrouwen is, als alle liefde en trouw onder de mensen is verdwenen en de dag van bezoeking is aangebroken, blijft God alleen over als Degene Die altijd trouw blijft. Wie op Hem vertrouwt, zal nooit beschaamd uitkomen. Het geloof zegt met zekerheid: “Mijn God zal mij horen.” Horen betekent het bevrijden van de totale ondergang die met de ballingschap lijkt te zijn gekomen.


Van de duisternis in het licht

8Verblijd u niet over mij, mijn vijandin,
want [als] ik gevallen ben, zal ik [weer] opstaan,
als ik in duisternis zit,
is de HEERE mij een licht.
9Ik zal de toorn van de HEERE dragen
– want ik heb tegen Hem gezondigd –
totdat Hij mijn rechtszaak voert en mij recht verschaft.
Hij zal mij uitleiden naar het licht,
ik zal Zijn gerechtigheid zien.

Hier is het overblijfsel aan het woord. Micha ziet het volk in ballingschap en in moeite met een vijand die zich daarover verheugt (vers 88Verblijd u niet over mij, mijn vijandin,
want [als] ik gevallen ben, zal ik [weer] opstaan,
als ik in duisternis zit,
is de HEERE mij een licht.
)
. De vijand is Babel (Mi 4:1010Krimp ineen en schreeuw het uit,
dochter van Sion, als een barende [vrouw],
want nu moet u de stad uit
en in het [open] veld wonen.
U zult tot in Babel komen.
Daar zult u gered worden,
daar zal de HEERE u verlossen
uit de hand van uw vijanden.
)
. Maar zijn antwoord is dat het volk zeker weer hersteld zal worden. Hij is nog niet uit de duisternis, maar weet dat ook in de duisternis de HEERE hem tot licht is en dat het licht de duisternis eenmaal volledig zal verjagen (Js 50:1010Wie is er onder u die de HEERE vreest,
die luistert naar de stem van Zijn Knecht?
Als hij in duisternissen gaat
en geen licht heeft,
laat hij [dan] vertrouwen op de Naam van de HEERE
en steunen op zijn God.
; 58:1010als u uw hart opent voor de hongerigen,
en de verdrukte ziel verzadigt,
dan zal uw licht in de duisternis opgaan,
en uw donkerheid als de middag zijn.
; Ps 37:66Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het [morgen]licht,
uw recht [doen] stralen als de middag[zon].
)
.

Als een licht in de duisternis schijnt de belofte dat God zal ingrijpen en Zijn beloften zal vervullen. Elke toezegging van God is licht in de duisternis. Dat kan het geloof zeggen dat God op het oog heeft. In duisternis zitten wil zeggen zich in ongeluk en ellende bevinden (Ps 107:1010[Er waren er] die in duisternis en [in] de schaduw van de dood zaten,
gevangen in ellende en ijzer.
;
Js 9:11Het volk dat in duisternis wandelt,
zal een groot licht zien.
Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood,
over hen zal een licht schijnen.
; 42:77om blinde ogen te openen,
om gevangenen uit de kerker te leiden,
uit de gevangenis wie in duisternis zitten.
)
.

Hoewel de getrouwen door zware moeiten moeten gaan, zullen ze op zekere dag opstaan om hun erfenis te ontvangen. Er is een levendig contrast tussen het volk van God dat in het donker zit en het verheugende effect van het licht van God dat hen zal bestralen. Het overblijfsel van gelovigen in elke tijdsperiode kan zeker zijn van Gods hulp en hun uiteindelijke triomf.

Micha doet belijdenis van de zonden en onderwerpt zich aan de tucht van God (vers 99Ik zal de toorn van de HEERE dragen
– want ik heb tegen Hem gezondigd –
totdat Hij mijn rechtszaak voert en mij recht verschaft.
Hij zal mij uitleiden naar het licht,
ik zal Zijn gerechtigheid zien.
)
. Hij is overtuigd van het rechtvaardig handelen van God vanwege de zonden van het volk. De vijand is wel door God als tuchtroede besteld, maar de vijand is verdergegaan en heeft het volk willen verdelgen. God heeft echter met de tucht een doel. Dat doel kent Micha, daar vertrouwt hij op. Hij weet dat hij niet in de handen van de vijand is, maar in die van God. Dat doet hem vol vertrouwen zeggen dat God zijn rechtszaak voert en hem recht verschaft. Dit is het vertrouwen van het overblijfsel in de eindtijd aan het einde van de grote verdrukking.

Het overblijfsel weet dat God Zijn beloften zal vervullen en het volk zal herstellen. Vertrouwen op de hulp van God vloeit voort uit het bewustzijn dat het lijden en de ellende een verdiende straf voor de zonde zijn. Dit bewustzijn en gevoel bewerken geduld en hoop: geduld om de straf te dragen en hoop dat het lijden als straf zal ophouden zodra aan de rechtvaardige toorn van God genoegdoening is verleend.

Als de HEERE hen uitleidt uit de gevangenis, de duisternis, de ellende van de grote verdrukking, komen ze in het licht van de vrijheid en vreugde. Dan zullen ze met volledige innerlijke voldoening en vreugde zien hoe Hij gerechtigheid oefent aan hun vijanden. Het is geen leedvermaak, maar een instemming met de uitoefening van het recht door God. Het is het vertroost worden na het treuren over de aangedane kastijding.


De vijanden geoordeeld

10Mijn vijandin zal [dat] zien. Schaamte zal haar bedekken
die tegen mij zei:
Waar is de HEERE, uw God?
Mijn ogen zullen op haar neerzien.
Nu zal zij worden vertrapt als slijk op straat.

Het recht van Israël werd aan de kant geschoven door de volken die er niet mee rekenden dat zij Gods tuchtroede waren, maar meenden in eigen kracht en naar eigen goeddunken te kunnen handelen. Daarom gingen ze verder dan God wilde. Daarvoor zullen ze geoordeeld worden, wat tevens de bevrijding en het herstel van Gods volk zal betekenen. Dan zal duidelijk worden dat God niet onmachtig is om voor Zijn volk op te treden (Ps 42:44Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
; 115:22Waarom zouden de heidenvolken zeggen:
Waar is toch hun God?
)
.

Het overblijfsel zal op de vijanden neerzien. Ze zullen met vreugde zien dat alle vijandige machten zijn verslagen en dat God heeft getriomfeerd. De vijanden worden vertrapt “als slijk op straat”, wat wil zeggen dat ze net zoveel waard zijn als slijk en ook net zo verachtelijk zijn (Jb 30:1919Hij heeft mij in het slijk geworpen,
en ik ben gelijk geworden aan stof en as.
; Zc 10:55Zij zullen als helden zijn
die in de strijd [de vijanden] in het slijk van de straat vertrappen.
Ja, zij zullen strijden, want de HEERE zal met hen zijn.
Zij zullen de ruiters beschaamd maken.
)
.


Herstel van Israël

11Op de dag waarop [Hij] uw muren zal herbouwen,
op die dag zal het besluit zich ver [verspreiden].
12Het is een dag waarop men naar u toe komt
vanaf Assyrië [tot aan] de steden van Egypte,
en vanaf Egypte tot aan de rivier,
van zee tot zee, [van] berg tot berg.
13Maar de aarde zal worden tot een woestenij, om zijn bewoners,
vanwege de vrucht van hun daden.

Hier spreekt Micha in geloof over het toekomstige herstel van Israël. In die tijd zullen de muren van Sion worden herbouwd, maar zal ook het hele volk onder de bescherming van de HEERE zijn. Hij zal de muren bouwen, wat betekent dat Hij in het hele land zal zorgen voor veiligheid. Het besluit hiertoe zal over de hele aarde verspreid worden. Dat zal de aanleiding zijn dat de volken van alle kanten naar Israël komen (Js 19:18-2518Op die dag zullen er vijf steden in het land Egypte zijn die de taal van Kanaän spreken en die zweren bij de HEERE van de legermachten. Een [ervan] zal genoemd worden: Stad van de zon.19Op die dag zal de HEERE een altaar hebben midden in het land Egypte, en aan zijn grens zal er een gedenkteken voor de HEERE staan.20Dit zal zijn tot een teken en getuigenis voor de HEERE van de legermachten, in het land Egypte. Wanneer zij tot de HEERE zullen roepen vanwege [hun] onderdrukkers, zal Hij tot hen een Heiland en Meester zenden; Die zal hen redden.21Dan zal de HEERE aan de Egyptenaren bekend worden en de Egyptenaren zullen de HEERE kennen op die dag. Zij zullen [Hem] dienen [met] slachtoffer en graanoffer, en de HEERE gelofte doen en [die] nakomen.22Zo zal de HEERE de Egyptenaren geducht treffen en genezen. Zij zullen zich tot de HEERE bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden; en Hij zal hen genezen.23Op die dag zal er een gebaande weg zijn van Egypte naar Assyrië. De Assyriërs zullen in Egypte komen en de Egyptenaren in Assyrië. De Egyptenaren zullen [samen] met de Assyriërs [de HEERE] dienen.24Op die dag zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assyrië, een zegen in het midden van de aarde.25Want de HEERE van de legermachten zal hen zegenen met de woorden: Gezegend zij Mijn volk Egypte, het werk van Mijn handen Assyrië, en Mijn eigendom Israël!).

Voordat het zover is, zal eerst het oordeel worden uitgevoerd (vers 1313Maar de aarde zal worden tot een woestenij, om zijn bewoners,
vanwege de vrucht van hun daden.
)
. Telkens verandert de profeet van zegen naar oordeel en andersom, opdat de goddeloze geen ongegronde hoop heeft en de Godvrezende geen basis heeft voor onnodige wanhoop. Het oordeel is de vrucht van hun daden. De vrucht van de daden van de mens, het gevolg van zijn zonden, is dat de aarde tot een woestenij zal worden. De mens meent de schepping te kunnen besturen, maar in plaats van verbetering wordt het een verslechtering, het wordt een woestenij.


Gebed om het volk te weiden

14Weid Uw volk met Uw staf,
de kudde van Uw eigendom,
die alleen [in] een woud woont,
te midden van een vruchtbaar land.
Laat hen weiden [in] Basan en Gilead,
als in de dagen van oude tijden af.

De belofte van de behoudenis brengt de profeet tot gebed. Hij vraagt de HEERE om Zijn volk met Zijn staf te weiden (Ps 23:44Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.
; Lv 27:3232En alle tienden van runderen en kleinvee, van alles wat [bij de telling] onder de staf doorgaat, het tiende is heilig voor de HEERE.)
. De HEERE wordt als Herder aangesproken (vgl. Mi 5:33Hij zal staan en [hen] weiden in de kracht van de HEERE,
in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God.
Zij zullen [veilig] wonen, want nu zal Hij groot zijn
tot aan de einden van de aarde.
)
, zoals Jakob al deed (Gn 49:2424maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
; Ps 80:22Herder van Israël, neem ter ore,
U, Die Jozef als schapen leidt.
U, Die troont tussen de cherubs,
verschijn blinkend!
; 23:11Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
)
. Een herder leidt, verzorgt en regeert. De Heer Jezus zal dat volmaakt doen. Dit gebed zal in de toekomst verhoord worden. Wij mogen dit gebed bidden voor de gemeente.

Ze spreken hier tot God over zichzelf als “Uw volk” en “Uw eigendom” (Dt 7:66Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.; 9:26,2926En ik bad tot de HEERE en zei: Heere HEERE, richt Uw volk en Uw eigendom [toch] niet te gronde, dat U door Uw grootheid verlost hebt, dat U met sterke hand uit Egypte hebt geleid.29Zij zijn toch Uw volk en Uw eigendom, dat U met Uw grote kracht en met Uw uitgestrekte arm hebt uitgeleid!; 14:22Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE heeft ú uit alle volken die op de aardbodem zijn, uitgekozen om voor Hem een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.). Het volk is door Hem gekozen als Zijn persoonlijk eigendom. Door hun opstandigheid hebben ze de daarbij behorende zegeningen niet genoten. Als ze nu een beroep op Hem doen als “de kudde van Uw eigendom”, doen ze dat niet op grond van wat ze in zichzelf zijn, maar op grond van wat God voor hen heeft bepaald. Ze vragen Hem om met hen te handelen op grond van Zijn genade.

Daar hoort ook hun volgende uitspraak bij over het alleen wonen in een woud. Daarmee verwijzen ze enerzijds naar de zegenspreuk van Bileam, die van Israël heeft gezegd: “Dat volk woont afgezonderd” (Nm 23:99Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
)
en naar de zegen van Mozes, die heeft gezegd: “Israël zal veilig wonen [en] alleen” (Dt 33:2828Israël zal veilig wonen en alleen;
het oog van Jakob zal gericht zijn
op een land van koren en nieuwe wijn;
ja, zijn hemel zal dauw laten neerdruppelen.
)
. Anderzijds lijkt het ernaar te verwijzen dat het overblijfsel nog verdreven is en zich in het woud heeft verborgen voor de vijand.

Tot de zegen behoort ook “een vruchtbaar land” (Ex 3:88Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.). Ze zien dat land vanuit hun schuilplaats om zich heen en zien ernaar uit dat ze de vrucht ervan weer zullen kunnen genieten. Basan en Gilead liggen in het Overjordaanse en zijn ook gebieden die rijk aan weiden zijn (Nm 32:11Nu hadden de nakomelingen van Ruben veel vee; en de nakomelingen van Gad hadden geweldig veel [vee]. Zij bekeken het land Jaëzer en het land Gilead, en zie, die plaats was een [geschikte] plaats voor vee.). Hun verlangen is dat alles weer zo zal worden “als in de dagen van oude tijden af”, waarmee ze wel de dagen van David en vooral die van Salomo bedoelen.


Antwoord op het gebed

15Als in de dagen toen u uit het land Egypte trok,
zal Ik het wonderen doen zien.

Het antwoord van God gaat verder dan de vraag. Hij verwijst weer naar Zijn wonderen bij de uittocht uit Egypte (Mi 4:1010Krimp ineen en schreeuw het uit,
dochter van Sion, als een barende [vrouw],
want nu moet u de stad uit
en in het [open] veld wonen.
U zult tot in Babel komen.
Daar zult u gered worden,
daar zal de HEERE u verlossen
uit de hand van uw vijanden.
; 6:44Ik heb u immers uit het land Egypte geleid,
u verlost uit het slavenhuis.
Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam
vóór u uit gezonden.
)
. De uittocht uit Babel is niet met wonderen gepaard gegaan, die uit Egypte wel. Hij begint als het ware opnieuw met hen naar Zijn oorspronkelijke gedachten. De nood is zo groot, dat wonderen nodig zijn om uit de nood te geraken. De HEERE belooft dat Hij ze zal verrichten.


Gevolgen voor de heidenvolken

16De heidenvolken zullen het zien en beschaamd worden,
ondanks al hun macht.
Zij zullen de hand op de mond leggen,
hun oren zullen doof worden.
17Zij zullen stof likken als de slang;
als kruipende [dieren] van de aarde
zullen zij sidderend uit hun burchten komen,
naar de HEERE, onze God, zullen zij in angst [komen],
en zij zullen voor U bevreesd zijn.

Een bijkomend effect van de wonderen is dat de heidenvolken “het zien en beschaamd worden”. Als God voor Zijn volk opkomt door de komst van de Messias, zal er bij de volken geen kracht meer zijn. Ze zullen geen weerwoord meer hebben. “De hand op de mond leggen” is ook een teken van ontzetting, van eerbied, van een zwijgen uit ontzag wegens wat ze zien (Ri 18:1919Daarop zeiden zij tegen hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond en ga met ons mee. Wees voor ons tot een vader en een priester. Is het beter dat u een priester bent voor het huis van één man of dat u een priester bent voor een stam en een geslacht in Israël?; Jb 21:55Wend je tot mij, en wees ontzet,
en leg de hand op de mond.
; 29:9-109Vorsten hielden [hun] woorden in,
en legden de hand op hun mond.
10De stem van de vorsten verstomde,
en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
)
.

Hun doofheid kan letterlijk bedoeld zijn en het gevolg zijn van de oorverdovende gebeurtenissen die God laat plaatsvinden (vgl. Jb 26:1414Zie, dit zijn [nog maar] de uiteinden van Zijn wegen;
wat hebben wij [slechts] een fluisterend woord van Hem gehoord!
Wie zou dan de donder van Zijn kracht kunnen begrijpen?
)
. In geestelijke zin kan het betekenen dat ze doof zijn vanwege het vele en wonderlijke dat zij horen, maar niet tot hen doordringt, omdat ze het niet kunnen bevatten.

Hun houding ten opzichte van de HEERE zal dan radicaal veranderd zijn. Ze zullen Hem niet meer tarten met hun vermetele uitspraken. Net als de slang en andere kruipende dieren van de aarde zullen ze vernederd worden en stof likken (Gn 3:1414Toen zei de HEERE God tegen de slang:
Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt
onder al het vee en onder alle dieren van het veld!
Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.
; vgl. Ps 72:99De woestijnbewoners zullen voor Hem neerbukken,
Zijn vijanden zullen het stof oplikken.
m.b.t. de Messias; Js 49:2323En koningen zullen uw verzorgers zijn
en hun vorstinnen uw voedsters.
Zij zullen zich voor u neerbuigen met het gezicht ter aarde
en zij zullen het stof van uw voeten likken.
U zult weten dat Ik de HEERE ben:
zij zullen niet beschaamd worden die Mij verwachten.
m.b.t. Israël). Zoals slangen uit hun holen tevoorschijn komen, zullen de volken dat doen in beving voor de Messias. Alle opstandigheid is verdwenen. Er is nu alleen siddering, angst en vrees voor “de HEERE, onze God”, dat is de God van Zijn volk.


Wie is een God als U?

18Wie is een God als U,
Die de ongerechtigheid vergeeft,
Die voorbijgaat aan de overtreding
van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,
want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
19Hij zal Zich weer over ons ontfermen,
Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen,
ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.

De komende heerlijke bevrijding wekt op tot lofprijzing van Wie God is. In de vraag: “Wie is een God als U?” herkennen we de betekenis van de naam van Micha: ‘Wie is als Jahweh?’. Het herinnert ook aan de lofprijzing van Mozes bij de bevrijding van het volk uit Egypte (Ex 15:1111Wie is als U
onder de goden, HEERE?
Wie is als U,
verheerlijkt in heiligheid,
ontzagwekkend in lofzangen,
[U] Die wonderen doet?
)
. Met het oog op de komende bevrijding spreekt het gelovig overblijfsel diezelfde bewondering voor God uit. Die bewondering wordt nog groter als we zien dat God Zijn volk niet alleen bevrijdt van uiterlijke machten, maar bovenal van de veel grotere macht van de zonde en hun schuld. Wie is als God Die vergeeft?

Bij de bevrijding uit Egypte deed God Zich kennen als de God Die onvergelijkbaar boven alle goden verheven is. Bij de weder aanname van het volk dat vanwege zijn zonden onder de volken een verstoten volk is geweest, doet God Zich kennen als de God Die onvergelijkbaar is in barmhartigheid en genade tegenover “de ongerechtigheid” en “de overtreding” (vgl. Ex 34:6-76Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,7Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die [de schuldige] zeker niet voor onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde [geslacht].). Het hoort onlosmakelijk bij Zijn natuur dat Hij bereidwillig is om zonden te vergeven.

In de toekomst zal Hij zo handelen met “het overblijfsel van Zijn eigendom”. Al Zijn beloften zal Hij waarmaken aan een Godvrezend overblijfsel dat Hij naar de verkiezing van Zijn genade voor Zichzelf bewaart. Hij houdt niet voor eeuwig aan Zijn toorn vast voor ieder die in verbinding staat met Zijn Zoon en aan wie het werk van Zijn Zoon wordt toegerekend (vgl. Ps 103:99Hij zal niet voor altijd ter verantwoording roepen,
niet voor eeuwig handhaaft Hij [Zijn toorn].
; Js 57:1616Want Ik zal niet voor eeuwig ter verantwoording roepen
en Ik zal niet voor altijd zeer toornig zijn.
Want de geest zou van voor Mijn aangezicht bezwijken,
de zielen die Ík gemaakt heb.
)
. Zijn toorn blijft wel voor eeuwig op hen die de Zoon afwijzen (Jh 3:36b36Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal [het] leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.). Het is Zijn vreugde om goedertierenheid te bewijzen (vgl. Ps 103:88Barmhartig en genadig is de HEERE,
geduldig en rijk aan goedertierenheid.
)

Micha belijdt als de mond van het overblijfsel dat God Zich weer over hen zal ontfermen. Van de ongerechtigheden zal geen enkele dreiging meer uitgaan. Micha – en het overblijfsel namens wie hij spreekt – weet dat God ze zal “vertrappen”. Dat geeft aan dat hij de macht en tirannie van de ongerechtigheden door Zijn macht volkomen vernedert. De zonde heerst niet meer, want Hij is de Heerser. Voor ons geldt, dat door onze vereenzelviging met het werk van Christus de zonde niet meer over ons heerst (Rm 6:1414Want [de] zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder [de] wet, maar onder [de] genade.)

God zal de zonden naar een plaats verwijderen vanwaar ze nooit meer tevoorschijn zullen komen: de diepten van de zee (vgl. Ex 15:4-5,104De wagens van de farao en zijn leger
heeft Hij in de zee geworpen.
De besten van zijn officieren
zijn verdronken in de Schelfzee.
5De watervloeden hebben hen bedolven,
zij zijn als een steen in de diepten gezonken.
10Maar U hebt met Uw adem geblazen,
de zee heeft hen bedolven.
Zij zonken als lood
in machtige watermassa's.
)
. Als God zonden vergeeft, zijn ze niet meer te vinden en ziet Hij er niet meer naar om (Jr 50:2020In die dagen en in die tijd, spreekt de HEERE,
zal gezocht worden naar de ongerechtigheid van Israël, maar die zal er niet zijn,
en naar de zonden van Juda, maar ze zullen niet gevonden worden,
want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik laat overblijven.
; Js 38:1717Zie, tot vrede is de bitterheid voor mij bitter geweest,
want Ú hebt mijn ziel lieflijk omhelsd,
van het graf van de ontbinding vandaan [gehaald].
Want U hebt al mijn zonden
achter Uw rug geworpen.
)
. Hij kan zo met onze zonden doen omdat de Heer Jezus ze heeft gedragen in Zijn lichaam op het hout, waar Hij het oordeel van God erover heeft ontvangen (1Pt 2:2424Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, voor de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid leven: ‘door Zijn striemen bent u gezond geworden’.).


God vervult Zijn beloften

20U zult Jakob de trouw bewijzen
[en] Abraham de goedertierenheid,
die U aan onze vaderen gezworen hebt vanaf de dagen van weleer.

“O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend? Of wie is zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.” (Rm 11:33-36)

God handelt met Zijn volk zoals in de voorgaande verzen wordt beschreven om al Zijn beloften waar te maken die Hij aan hen heeft gedaan (Gn 12:2-32Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.3Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.; Ps 105:9-109[aan het verbond] dat Hij met Abraham gesloten heeft,
en Zijn eed aan Izak.
10Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
voor Israël [als] een eeuwig verbond,
)
. Hij heeft er een rechtvaardige grondslag voor. Twee namen worden genoemd, die van “Jakob” en die van “Abraham”. Het is opmerkelijk dat God aan Jakob “trouw” bewijst en aan Abraham “goedertierenheid”.

Wij zouden dat misschien hebben omgedraaid. Jakob was immers zo vaak ontrouw, dat de vervulling van de beloften die aan hem zijn gedaan, wel een bijzondere blijk van Gods goedertierenheid zou zijn. De trouw van Abraham zou meer passen bij de trouw van God. Maar het is anders en goed zoals het hier staat. Juist tegenover de ontrouwe Jakob blijkt de trouw van God. En ten opzichte van de trouwe Abraham is de vervulling van Gods beloften uiteindelijk niet het gevolg van de trouw van Abraham, maar van de goedertierenheid van God.

Er is opgemerkt dat we de nieuwtestamentische parallel van deze verzen in Romeinen 11 vinden. Met Micha en Paulus kunnen en willen wij het aan het eind van dit boek in lofprijzing nazeggen: