Micha
1 Ongerechtigheid uitdenken en uitvoeren 2 Begeerte, roof en onderdrukking 3 Het kwaad dat de HEERE bedenkt 4 Een spreuk 5 Daarom … 6 Profeteer niet 7 Valsheid en oprechtheid 8 Het volk stelt zich als een vijand op 9 Uitbuiting van de kwetsbaren 10 Dit is niet het land van de rust 11 Een profeet die het volk graag heeft 12 Het overblijfsel van Israël bijeengebracht 13 De Doorbreker
Ongerechtigheid uitdenken en uitvoeren

1Wee [hun] die onrecht uitdenken,
kwaad uitwerken op hun slaapplaats,
[en] het bij het licht van de morgenstond uitvoeren,
omdat zij [daartoe] bij machte zijn.

In Micha 1 heeft Micha de zonden tegenover God opgesomd. In Micha 2 gaat het om de zonden tegenover de naaste. Micha wendt zich tot de machthebbers, de mensen met geld en invloed, die alleen uit zijn op zelfverrijking en daarbij over lijken gaan. Met een “wee” kondigt hij Gods oordeel over hen aan. Het ‘wee’ dat hij over deze lieden uitspreekt, herinnert aan het zesvoudige ‘wee’ dat Jesaja uitspreekt (Js 5:8-308Wee hun die huis aan huis trekken,
veld aan veld voegen,
tot er geen plaats [meer] over is,
en alleen u in het midden van het land gevestigd bent.
9De HEERE van de legermachten [heeft] tot mij persoonlijk [gesproken]:
Voorwaar, veel huizen zullen tot een woestenij worden,
grote en mooie zullen zonder bewoner zijn!
10Ja, tien bunders wijngaard zullen [slechts] één bath opleveren,
en een homer zaad zal [maar] een efa opleveren.11Wee hun die 's morgens vroeg opstaan
[en] op sterkedrank uit zijn,
daarmee doorgaan tot de schemering,
[totdat] de wijn hen heeft verhit.
12Harp en luit, tamboerijn en fluit,
en wijn – [dat] zijn hun drinkgelagen,
maar voor de daden van de HEERE hebben zij geen oog;
het werk van Zijn handen zien zij niet.
13Daarom zal Mijn volk in ballingschap gaan:
het heeft geen kennis.
Zijn hooggeplaatsten zullen verhongeren,
en zijn [mensen]menigte zal van dorst versmachten.
14Daarom zal het graf zijn keel wijd opensperren
en zijn muil wagenwijd opendoen,
zodat zijn adel en zijn [mensen]menigte erin neer zullen dalen
met hun gejoel en uitgelaten gehuppel.
15Dan zal de [gewone] man gebukt gaan,
de man [van aanzien] vernederd worden,
en de ogen van de hoogmoedigen zullen neergeslagen zijn.
16Maar de HEERE van de legermachten zal verhoogd worden door het recht,
en de heilige God zal geheiligd worden door gerechtigheid.
17En lammeren zullen er grazen als was het hun weide,
en [van] de puinhopen van de weldoorvoeden zullen vreemdelingen eten.18Wee hun die de ongerechtigheid [naar zich toe] trekken met koorden van valsheid,
en de zonde als [met] dikke wagentouwen,
19die zeggen: Laat Hij haast maken,
vaart zetten achter Zijn werk,
zodat we het zien.
Laat het naderen, laat het komen,
het raadsbesluit van de Heilige van Israël,
zodat wij er kennis mee maken.20Wee hun die het kwade goed noemen
en het goede kwaad;
die duisternis voorstellen als licht,
en licht als duisternis;
die bitter voorstellen als zoet
en zoet als bitter.21Wee hun die in hun [eigen] oog wijs zijn
en naar hun eigen mening verstandig.22Wee hun die een held zijn in wijn drinken
en dappere mannen in het mengen van sterkedrank,
23die de goddelozen in het gelijk stellen voor een geschenk,
maar de rechtvaardigen hun recht ontnemen.24Daarom, zoals een vuurtong stoppels verteert
en stro door een vlam ineenzinkt,
zo zal hun wortel vermolmd zijn,
en hun bloesem opstuiven als stof,
omdat zij de wet van de HEERE van de legermachten afgewezen hebben
en het woord van de Heilige van Israël verworpen hebben.
25Daarom is de toorn van de HEERE tegen Zijn volk ontbrand.
Hij heeft Zijn hand tegen hen uitgestrekt;
Hij heeft hen geslagen,
zodat de bergen sidderen,
en hun dode lichamen
als vuilnis midden op straat liggen.
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af,
en nog is Zijn hand [tegen hen] uitgestrekt.
26Want Hij zal een banier omhoogheffen voor de heidenvolken van ver weg.
Van het einde der aarde fluit Hij hen naar Zich toe;
en zie, daar komen zij, haastig [en] snel!
27Onder hen zal niemand vermoeid zijn of struikelen,
niemand zal sluimeren of slapen.
Bij niemand zal de gordel om zijn heupen losraken
of de riem van zijn schoen breken.
28Hun pijlen zullen scherp zijn,
al hun bogen gespannen,
de hoeven van hun paarden zullen als keisteen beschouwd worden,
de wielen [van] hun [wagens] als een wervelwind.
29Hun gebrul zal zijn als [dat] van een leeuwin,
zij zullen brullen als jonge leeuwen,
zij zullen grommen, hun prooi grijpen en wegslepen,
en er is niemand die redt.
30Op die dag zullen zij tegen het [volk] grommen
als het grommen van de zee.
Wanneer men naar de aarde kijkt, zie, duisternis [en] benauwdheid,
en het licht zal door haar rookwolken verduisterd zijn.
)
. Net als Jesaja spreekt ook Micha daarna een ‘wee’ over zichzelf uit (Mi 7:11Wee mij,
want het is mij vergaan als [na] de inzameling van de zomervruchten,
als [na] de nalezing van de wijnoogst:
er is geen tros om te eten.
Mijn ziel verlangt [naar] vroege vijgen.
; Js 6:55Toen zei ik:
Wee mij, want ik verga!
Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
)
. Oordeelsaankondiging voor anderen kan niet gedaan worden zonder zelfoordeel.

De mensen tot wie Micha hier het woord richt, zijn ras-misdadigers. Het kwaad overvalt hen niet, zij geven zich eraan over. Zij hebben hun plannen tot zelfverrijking goed uitgedacht. Dat hebben ze gedaan in de nacht, wanneer de mensen geacht worden te slapen. En wanneer het licht wordt, beginnen ze hun snode plannen uit te voeren. Ze zijn zo schaamteloos, dat ze niet terugschrikken voor het licht, maar juist in het licht hun zondig bedrijf uitoefenen. Hun hele bestaan is eraan gewijd. Ze kunnen aan niets anders denken.

Deze goddelozen gebruiken de nacht voor het beramen van onheil (Ps 36:55Op zijn slaapplaats bedenkt hij onrecht;
hij gaat op een weg staan die niet goed is,
het kwaad verwerpt hij niet.
)
. Dat staat in schril contrast met wat het hart van de Godvrezende David bezighoudt. Als hij in de woestijn is, op de vlucht voor Saul, gaat hij niet ’s nachts liggen denken hoe hij Saul kan uitschakelen. Hij denkt aan de HEERE, aan Wie Hij is (Ps 63:77Wanneer ik aan U denk op mijn bed,
over U peins in [nacht]waken –
)
. En als hij denkt aan de ongerechtigheid die hem omgeeft en wordt aangedaan, wil hij in zijn hart alles aan de HEERE overgeven en niet zichzelf wreken (Ps 4:55Wees ontzet, maar zondig niet;
spreek in uw hart wanneer u op uw slaapplaats ligt, en wees stil. /Sela/
)
.

Door Gods Geest geleid brengt Micha de verdorven reden voor hun handelen aan het licht. Zij redeneren: ‘Wij hebben de macht en dus ook het recht om te handelen zoals wij willen.’ De zin “omdat zij [daartoe] bij machte zijn”, luidt letterlijk: ‘Hun hand is hun tot god.’ Dat wil zeggen de macht die zij hebben, geldt voor hen als god, zij erkennen geen hogere macht dan hun hand (vgl. Hk 1:1111Dan zal hij [als] de wind veranderen en verdertrekken.
Zo maakt hij zich schuldig die van zijn kracht zijn god [maakt].
)
. Ze hebben de macht te doen wat ze willen (vgl. Gn 31:2929Het was in mijn macht je kwaad te doen, maar de God van uw vader heeft in de afgelopen nacht tot mij gesproken: Wees op uw hoede, dat u met Jakob niet goedwillend of kwaadwillend spreekt.; Sp 3:2727Onthoud het goede niet aan wie er recht op hebben
als het binnen je macht ligt [dat] te doen.
)
.

Het is de fout van velen, vaak de rijken en sterken, maar ook mensen met denkkracht, dat zij geloven te mogen doen wat zij kunnen doen. Het is het soort mensen dat geen besef van goedheid heeft, bij wie geen vrees voor God voor ogen staat (Rm 3:1818‘geen vrees voor God staat hun voor ogen’.). Er is bij hen geen enkele innerlijke of uiterlijke afgrenzing, niets wat hen ervan weerhoudt hun snode plannen uit te voeren. Zij bedenken en doen.

Een toepassing voor vandaag kunnen we zien bij veel schrijvers, makers van films of bedenkers van computerspelletjes. Ze bedenken steeds nieuwe methoden om te zondigen. Ze brengen die aan de man in hun nieuwste uitgaven. De lezers, kijkers en kopers zijn de slachtoffers die zich gewillig van hun geld laten ontdoen door het te investeren in een aanschaf van de producten van deze bedenkers van kwaad. Naarmate ze de vrucht van het denken van deze mensen tot zich nemen, wordt hun moreel besef, zonder dat ze het in de gaten hebben, steeds verder afgebroken. Het kwaad dat daar weer uit voortkomt, is een maatschappij die zich steeds meer verhardt en zich steeds meer tegen God en Zijn gezag en als gevolg daarvan ook steeds meer tegen zijn naaste keert.


Begeerte, roof en onderdrukking

2Zij begeren akkers en roven die,
en huizen, en nemen die af.
Zo onderdrukken zij de man en zijn huis,
de mens en zijn erfelijk bezit.

Hun kwade praktijken, uitgedacht in de nacht, bestaan uit roven en verdrukken. Ze vloeien voort uit hun begeerte naar wat aan hun naaste toebehoort. Als de rechten van God worden vertreden, gaan ook de rechten van de naaste eraan. Het is al verboden om iets te begeren wat van een ander is. Het is een overtreding van het tiende gebod van de wet (Ex 20:1717U zult niet begeren het huis van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn slaaf, noch zijn slavin, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is.). Hierdoor wordt de begeerte naar wat van een ander is, tot een zondige daad verklaard (Rm 7:77Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Maar ik zou de zonde niet gekend hebben dan door [de] wet; want ook de begeerte zou ik niet gekend hebben, als de wet niet gezegd had: ‘U zult niet begeren’.). Paulus stelt dat begeerte afgodendienst is (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,), want het is je hart op iets anders zetten dan op God.

Maar het blijft niet bij de begeerte. Eerst zondigen ze in hun hart. Daarna zondigen ze in de praktijk. En het lijkt erop dat zij succes hebben in hun boze voornemens. Wat zij doen, wordt treffend geïllustreerd in de geschiedenis van Achab die de wijngaard van Naboth wil hebben (1Kn 21:1-21Hierna gebeurde [het volgende]: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, [of,] als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.). Achab toont zijn volledige onverschilligheid voor het feit dat het land aan God toebehoort (Lv 25:2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.). God heeft Zijn land als een erfelijke bezitting aan de families van Zijn volk gegeven.

Naboth waardeert wat God hem heeft gegeven en wil dan ook onder geen beding zijn land wegdoen (1Kn 21:33Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!). Hij is zich ervan bewust dat Achabs begeerte niet alleen zijn eigen huis betreft, maar zijn voorvaderlijk huis en ook het huis dat van het volgende geslacht zal zijn. Maar daaraan heeft Achab geen boodschap. Hij neemt toch bezit van het erfdeel van Naboth door de zaak in handen van zijn nog goddelozere vrouw Izebel te geven. Zij zorgt ervoor dat Naboth wordt vermoord en de wijngaard in Achabs bezit komt (1Kn 21:4-154Toen kwam Achab thuis, somber gestemd en woedend vanwege het woord dat Naboth uit Jizreël tot hem had gesproken; dat deze had gezegd: Ik geef u het erfelijk bezit van mijn vaderen niet. Hij ging op zijn bed liggen, wendde zijn gezicht af en nam geen voedsel tot zich.5Toen kwam Izebel, zijn vrouw, bij hem. Zij sprak tot hem: Wat is er, dat uw geest somber gestemd is en dat u geen voedsel tot u neemt?6Hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth uit Jizreël heb gesproken en tegen hem heb gezegd: Geef mij uw wijngaard voor geld. Of, als u dat liever hebt, zal ik u er een wijngaard voor in de plaats geven. Hij heeft echter gezegd: Ik geef u mijn wijngaard niet.7Toen zei Izebel, zijn vrouw, tegen hem: Moet ú nu het koningschap over Israël uitoefenen? Sta op, neem voedsel tot u, laat uw hart vrolijk zijn, dan zal ík u de wijngaard van Naboth uit Jizreël, geven.8Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.9In die brieven schreef zij: Roep een vasten uit en laat Naboth aan het hoofd van het volk zitten.10En laat twee mannen tegenover hem zitten, verdorven lieden, die tegen hem getuigen: U hebt God en de koning vaarwel gezegd. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft.11En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel hun opgedragen had, zoals geschreven was in de brieven die zij hun gestuurd had.12Zij riepen een vasten uit, en zij lieten Naboth aan het hoofd van het volk zitten.13Toen kwamen er twee mannen, verdorven lieden, tegenover hem zitten, en die verdorven lieden getuigden tegen hem, tegen Naboth, ten overstaan van het volk: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. Daarop brachten zij hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, zodat hij stierf.14Daarna stuurden zij Izebel [een bode] om te zeggen: Naboth is gestenigd en is dood.15Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tegen Achab zei: Sta op, neem de wijngaard van Naboth uit Jizreël in bezit, die hij weigerde u voor geld te geven. Naboth leeft namelijk niet [meer], maar is dood.).

De mensen die Micha op het oog heeft, zijn allemaal Achabjes. Zij doen wat Achab heeft gedaan. Het is geen vleiende, maar wel een duidelijke vergelijking. Jesaja heeft deze praktijken ook aan de kaak gesteld en bestraft (Js 5:88Wee hun die huis aan huis trekken,
veld aan veld voegen,
tot er geen plaats [meer] over is,
en alleen u in het midden van het land gevestigd bent.
)
. De geschiedenis van Achab en Naboth is dan ook geen incident, maar gebeurt vaker. Het vindt overal plaats waar de begeerte de overhand heeft. Het kenmerk van begeerte is dat je nooit genoeg hebt. Zo is het bij deze mensen. In onze eenentwintigste eeuw brengen processen tegen bestuurders van grote maatschappijen hetzelfde gedrag aan het licht.

De profeet spreekt over ‘roven’, maar dat zullen zij beslist ontkend hebben. Ze zullen zo te werk zijn gegaan, dat ze zichzelf tegen dit soort aantijgingen kunnen verweren. Ze zullen het zo brengen, dat ze zich op een ‘nette’ manier het bezit van de ander hebben toegeëigend. Maar het zijn mensen die in hun eigen voordeel de grenzen verleggen (Hs 5:1010De vorsten van Juda zijn
als verleggers van grenzen.
Over hen zal Ik Mijn verbolgenheid uitstorten als water.
)
om zo het erfdeel van een ander in bezit te nemen. Om de grenzen van anderen bekommeren ze zich niet.


Het kwaad dat de HEERE bedenkt

3Daarom, zo zegt de HEERE,
zie, Ik bedenk kwaad over dit geslacht
waar u uw nekken niet uit weg kunt nemen
en [waardoor] u niet rechtop [verder] kunt gaan,
want het zal een kwade tijd zijn.

Het woord “daarom” waarmee dit vers begint, geeft aan dat de voorgaande lijst van zonden de basis is voor de ramp die Micha nu gaat aankondigen. Het is een woord van de HEERE, een door Hem genomen besluit. Als zij kwaad bedenken (vers 11Wee [hun] die onrecht uitdenken,
kwaad uitwerken op hun slaapplaats,
[en] het bij het licht van de morgenstond uitvoeren,
omdat zij [daartoe] bij machte zijn.
)
, zal Hij ook kwaad bedenken. We zien hierin Zijn regering, dat wil zeggen dat het kwaad dat we doen, ons zal treffen. Het is de wetmatigheid dat we zullen maaien wat we zaaien (Gl 6:77Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.).

Er is gelijkenis tussen wat we zaaien en wat we maaien. Als we kwaad zaaien, moeten we niet denken dat we goedheid zullen maaien. Als we dat wel menen, betekent dat een bespotten van God. Maar God laat niet met Zich spotten. Zijn regering is daarvan het bewijs.

De rechtvaardige God waarschuwt Zijn volk dat Hij een kwaad gaat bedenken. Zij beramen plannen om door geweld aan hun hebzucht te voldoen. Daarom maakt God ook plannen om hen met Zijn oordelen te treffen. Die oordelen oefent Hij uit door de Assyriërs. Hij spreekt over “dit geslacht”, waarin we een zekere minachting beluisteren. Vanwege hun zonden zal God hun een juk opleggen. Dit juk is de vijand die Hij hun op de nek zal sturen, waarvan ze zich niet zullen kunnen bevrijden en voor wie ze zich zullen moeten bukken.

De trotse, hooghartige houding waarmee ze neerzien op de ellendigen, zal veranderen in een gebogen hoofd vanwege de ellende die over hen komt. Dat zal een dramatische keer brengen in hun tijd van voorspoed. Ze zullen persoonlijk, maar ook als natie worden vernederd. Van al hun fierheid zal niets overblijven. Tegenover de volken om hen heen zullen ze met gebogen hoofden staan.

De “kwade tijd”, dat is de tijd van hun gevangenschap, zal aanbreken. In Amos 5, waar deze uitdrukking ook voorkomt, gaat het om het boze gedrag van de mensen (Am 5:1313Daarom zwijgt de verstandige in die tijd,
want het is een kwade tijd.
)
. Hier gaat het om het verlies van alles waaraan ze zich hebben gehecht. Ze zullen als straf hun eigen erfdeel kwijtraken evenals uiteraard de geroofde erfdelen.


Een spreuk

4Op die dag zal men een spreuk over u aanheffen, klaaglijk klagend met een rouwklacht, [en] zeggen:
Wij zijn geheel verwoest,
Hij doet het deel van mijn volk [van eigenaar] veranderen.
Hoe neemt Hij [het] van mij weg,
Hij deelt onze akkers uit aan afvalligen!

Aan de smaad van gevangenschap wordt bespotting toegevoegd, waarbij de vijand spottend hun eigen woorden zal gebruiken. De woorden van de rouwklacht zijn de vijand bekend. Daarom kunnen zij die als een spreuk weergeven.

“Wij zijn geheel verwoest” is een uitroep van vertwijfeling. Zo snel als ze zich verrijkt hebben, zo snel zal die rijkdom hun ook weer worden afgenomen. Het verderf komt altijd plotseling. Mensen die zich rijk wanen, weten wel dat het hun zomaar kan ontvallen. Toch brengt dat hen niet tot nederigheid. Ze zullen alles doen om hun rijkdom zeker te stellen.

Met al hun berekeningen houden ze echter geen rekening met God. Ja, ze denken wel aan Hem, maar dan als Iemand Die wel dik tevreden met hen zal zijn. Ze zijn immers geregeld aanwezig in een godsdienstige samenkomst en brengen af en toe een offer. Dat daar wel eens iets aan mankeert, daar moet God maar niet moeilijk over doen.

De ondertoon die we beluisteren, is dan ook: ‘Hoe kan God ons zoiets aandoen? Waarom treft ons, die toch trouw onze godsdienstplichten vervullen, dit kwaad? Hij neemt het mij af, dat is heel erg. Maar alsof dat niet erg genoeg is, geeft Hij het ook nog eens aan afvalligen! Dit is toch onaanvaardbaar?’ Het brengt hen niet tot berouw over hun zonden, maar alleen tot een klaagzang over wat ze zijn kwijtgeraakt.


Daarom …

5Daarom zult u niemand hebben
die volgens het lot het meetsnoer uitwerpt
in de gemeente van de HEERE.

Het woord “daarom” is de inleiding van de logische conclusie van het voorgaande. Vanwege de zonden van de verzen 1-21Wee [hun] die onrecht uitdenken,
kwaad uitwerken op hun slaapplaats,
[en] het bij het licht van de morgenstond uitvoeren,
omdat zij [daartoe] bij machte zijn.2Zij begeren akkers en roven die,
en huizen, en nemen die af.
Zo onderdrukken zij de man en zijn huis,
de mens en zijn erfelijk bezit.
zal het volk worden weggevoerd, zoals aangekondigd in de verzen 3-43Daarom, zo zegt de HEERE,
zie, Ik bedenk kwaad over dit geslacht
waar u uw nekken niet uit weg kunt nemen
en [waardoor] u niet rechtop [verder] kunt gaan,
want het zal een kwade tijd zijn.4Op die dag zal men een spreuk over u aanheffen, klaaglijk klagend met een rouwklacht, [en] zeggen:
Wij zijn geheel verwoest,
Hij doet het deel van mijn volk [van eigenaar] veranderen.
Hoe neemt Hij [het] van mij weg,
Hij deelt onze akkers uit aan afvalligen!
. Als gevolg daarvan zal aan niemand een erfdeel worden toebedeeld.

Het gebruik van “het meetsnoer” zien we bij de verdeling van het land onder Jozua (Jz 13:66allen die in het Bergland wonen vanaf de Libanon tot aan Misrefoth-Maïm, al de Sidoniërs. Ík zal hen van voor [de ogen] van de Israëlieten verdrijven. Alleen, maak dat het [land] aan Israël als erfelijk bezit toevalt, zoals Ik u geboden heb.; vgl. Ps 16:66De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke [plaatsen] gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.
)
. De verdeling van het land zal nu door Israëls vijanden gebeuren en niet door henzelf; onder hen zal er niemand zijn die dat gezag heeft. Ze zullen volledig zijn overgeleverd aan de willekeur van de vijand. Ook zullen er geen bewoners zijn aan wie het land kan worden toebedeeld.


Profeteer niet

6Ze profeteren: Profeteer niet!
Ze moeten er niet over profeteren!
Er komt geen einde aan al die smaad.

Het gedeelte van de verzen 6-116Ze profeteren: Profeteer niet!
Ze moeten er niet over profeteren!
Er komt geen einde aan al die smaad.7U die huis van Jakob genoemd wordt,
komt de Geest van de HEERE [soms] tekort?
Zijn dat Zijn daden?
Doen Mijn woorden geen goed
bij hem die oprecht wandelt?8Maar onlangs stelde Mijn volk
zich [nog] op als een vijand
tegenover een kledingstuk.
U rukt de mantel af
van nietsvermoedende voorbijgangers
die terugkeren van de strijd.9De vrouwen van Mijn volk verdrijft u,
[elk] uit het huis dat haar lief is,
haar kleine kinderen ontneemt u
voor eeuwig Mijn sieraad.10Sta op en ga weg,
want dit is niet het [land] van de rust.
Omdat het verontreinigd is, brengt het de ondergang,
ja, een verschrikkelijke ondergang.11Als er iemand is die wind naloopt,
en bedrieglijk liegt [en zegt]:
Ik profeteer voor u
voor wijn en sterkedrank,
dan is hij voor dit volk de profeet!
gaat over de valse profeten. In vers 66Ze profeteren: Profeteer niet!
Ze moeten er niet over profeteren!
Er komt geen einde aan al die smaad.
en vers 1111Als er iemand is die wind naloopt,
en bedrieglijk liegt [en zegt]:
Ik profeteer voor u
voor wijn en sterkedrank,
dan is hij voor dit volk de profeet!
zijn zij aan het woord. In de tussenliggende verzen laat Micha zien wat de gevolgen zijn van hun valse voorstellingen. Hij laat ook zien hoe de HEERE hun optreden beoordeelt en wat Zijn antwoord daarop is.

Micha wordt door de valse profeten met het bevel “profeteer niet!” verboden om zijn stem nog langer te verheffen. Deze valse profeten zijn de vrienden van de schraperige grootgrondbezitters die eerder in de verzen 1-21Wee [hun] die onrecht uitdenken,
kwaad uitwerken op hun slaapplaats,
[en] het bij het licht van de morgenstond uitvoeren,
omdat zij [daartoe] bij machte zijn.2Zij begeren akkers en roven die,
en huizen, en nemen die af.
Zo onderdrukken zij de man en zijn huis,
de mens en zijn erfelijk bezit.
door Micha zijn aangesproken. Zij willen niet dat hun maatschappelijke ondeugden door Micha worden gehekeld. Ze willen niet horen van een veroordeling van hun kwalijke praktijken. Zijn scherpe verwijten en ernstige bedreigingen gaan er bij de corrupte magnaten niet in.

Het is het algemeen heersende gevoel van mensen ook vandaag in de christenheid. Ze willen alleen prettige dingen horen, aangename dingen (Js 30:1010die tegen de zieners zeggen: U mág niet zien;
tegen de schouwers: U mág niet voor ons schouwen wat waar is.
Spreek tot ons vleierijen,
schouw bedriegerijen.
; Am 2:1212Maar u laat de nazireeërs wijn drinken,
en u hebt de profeten geboden: Profeteer niet!
; 7:1616Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag [uw woorden] niet laten stromen tegen het huis van Izak!; 2Tm 4:33Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen;)
. Mensen zoeken naar een gemeente waar iedereen mag doen wat hij wil, waar niet moeilijk wordt gedaan, waar geen Micha’s zijn. Als je maar plezier hebt. Een samenkomst moet vooral leuk, grappig zijn.

Maar Micha weet dat het oordeel komt als de dingen in Israël en Juda niet veranderen. Het is geen bewijs van liefde als je daarover zwijgt. Wijzen op het kwaad, het aan de kaak stellen ervan, moet gebeuren. Het doel ervan is dat de zonde wordt beleden, want dan is de weg vrij voor God om weer te gaan zegenen.

Maar daar hebben de genotzoekers geen boodschap aan. Ze denken: ‘Als hij nou maar ophoudt met profeteren, als hij zijn mond maar houdt, dan komt het oordeel ook niet.’ Het is het soort denken dat je de dodelijke ziekte niet meer hebt als je de dokter doodschiet die je vertelt dat je een dodelijke ziekte hebt. Dit is de wijze waarop de valse profeten reageren op de prediking van Micha. Ze vinden dat hij maar eindeloos blijft zeuren over de dingen die zij leuk vinden en die hij beschimpt en zonde noemt. Dat zijn ze beu.


Valsheid en oprechtheid

7U die huis van Jakob genoemd wordt,
komt de Geest van de HEERE [soms] tekort?
Zijn dat Zijn daden?
Doen Mijn woorden geen goed
bij hem die oprecht wandelt?

Het lijkt erop dat we in het eerste deel van dit vers de valse profeten nog tot het volk horen spreken. Door hen aan te spreken als “huis van Jakob” bevestigen zij de indruk dat zij werkelijk het verbondsvolk van de HEERE zijn. Dat is ook waarop het volk zich beroemt. Ze claimen het volk van God te zijn, terwijl ze dat met hun daden loochenen (Js 48:11Hoor dit, huis van Jakob,
u die genoemd wordt met de naam Israël,
en [die] uit de wateren van Juda bent voortgekomen,
die zweert bij de Naam van de HEERE
en [de Naam van] de God van Israël noemt,
[maar] niet in waarheid en niet in gerechtigheid.
; Jh 8:33,3933Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt U: U zult vrij worden?39Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zei tot hen: Als u kinderen van Abraham was, zou u de werken van Abraham doen;)
.

Vanuit die huichelachtige houding zeggen ze dat Micha toch wel een heel verkeerde voorstelling van God geeft. Menen ze echt dat de Geest van de HEERE door Micha spreekt, een man die hun alleen maar beperkingen oplegt? God is toch geen God met tekorten? Zo kennen zij Hem niet. Hij is altijd zo goed voor hen. Ze kennen Hem alleen als die ‘lieve God’ Die Zijn volk nooit hard zal vallen en alles geeft wat ze nodig hebben. Denkt Micha nou echt dat God zo handelt, dat dit “Zijn daden” zijn, dat Hij alleen maar erop uit is om te straffen? Is Hij zo kortaangebonden, zoals Micha doet voorkomen? Zij weten wel beter.

Het antwoord, of liever de weerlegging, op de beweringen van de valse profeten komt in het tweede deel van dit vers. Hier voert Micha de HEERE sprekend in. De HEERE neemt het woord. Als de straf komt, ligt dat niet aan Zijn gebrek aan geduld of aan Zijn tekortschieten om hen te zegenen, maar aan hun zonden. Zijn goede woorden zijn voor “hem die oprecht wandelt” en niet voor de onoprechten van wandel zoals zij. De oprechte heeft niets te vrezen, maar wordt juist door Hem bemoedigd. De goede woorden van de HEERE bevatten kracht voor de oprechte om in zijn wandel de HEERE te blijven behagen.


Het volk stelt zich als een vijand op

8Maar onlangs stelde Mijn volk
zich [nog] op als een vijand
tegenover een kledingstuk.
U rukt de mantel af
van nietsvermoedende voorbijgangers
die terugkeren van de strijd.

Bij Israël is de oprechte van wandel die in het vorige vers wordt genoemd, niet te zien. Het woord “onlangs”, of gisteren, staat in verbinding met een handeling die telkens weer voorkomt, ook onlangs nog. Het volk gedraagt zich vijandig tegenover de HEERE door vijandig tegenover hun eigen volksgenoten op te treden. Hun slachtoffers zijn argeloze voorbijgangers, mensen die niet op strijd uit zijn, die zelf vreedzaam gezind zijn (Ps 120:77Ik ben vreedzaam, maar als ik spreek,
voeren zij oorlog.
)
. Terwijl ze zich veilig wanen, worden ze door hun inhalige volksgenoten van hun kleding beroofd.

Een mantel kan tot onderpand dienen als een Israëliet zo verarmt, dat hij moet lenen (Ex 22:2626Als u het kleed van uw naaste in onderpand neemt, moet u dat aan hem teruggeven voordat de zon ondergaat.). Maar de HEERE heeft in Zijn genade daarbij bepaald dat het kledingstuk hem voor de nacht weer moet worden teruggegeven (Ex 22:2727Dat is immers zijn enige bedekking. Het is de kleding over zijn huid. Waarin zou hij [anders moeten] slapen? Wanneer hij tot Mij [om hulp] roept, zal het gebeuren dat Ik het zal horen, want Ik ben genadig!). Deze rovers hebben geen besef van genade. Maar de HEERE neemt hun daden waar en registreert ze. Ze zullen hun rechtvaardige straf niet ontlopen.

Dit optreden als vijand van de HEERE is het gevolg van het luisteren naar de valse profeten. Valse profeten zijn mensen die de rechte weg hebben verlaten en zijn afgedwaald en op “de weg van Bileam” zijn terechtgekomen en die weg volgen (2Pt 2:1515Door [de] rechte weg te verlaten zijn zij afgedwaald en volgen de weg van Bileam, [de zoon] van Bosor, die [het] loon van [de] ongerechtigheid liefhad,). De ‘weg van Bileam’ is de weg van mensen die zich in godsdienstige dingen door geld laten leiden. Zij malen er niet om of ze waarheid spreken. Het zijn woordenkramers die de leugen als waarheid presenteren als het maar geld oplevert.


Uitbuiting van de kwetsbaren

9De vrouwen van Mijn volk verdrijft u,
[elk] uit het huis dat haar lief is,
haar kleine kinderen ontneemt u
voor eeuwig Mijn sieraad.

De vrouwen over wie het hier gaat, zullen weduwen zijn. Beroofd van hun man zijn ze onbeschermd, vogelvrij. Daardoor zijn zij een gemakkelijke prooi voor de onbeschaamde en genadeloze schrapers die niets heilig achten. Terwijl Gods speciale zorg naar deze kwetsbaren uitgaat, zien zij er alleen vermeerdering van hun rijkdom in.

Harteloos verdrijven zij de weduwen uit hun woningen. Zo verscheuren zij de dierbare herinneringen aan het geluk dat deze weduwen eens kenden. Met hun kinderen hebben ze evenmin medelijden. Ze ontnemen de vrouwen hun kostbaarste overgebleven bezit.

Met het ontnemen van de kleine kinderen aan deze vrouwen ontnemen ze de HEERE Zijn sieraad. Juist kinderen en zuigelingen zijn een sieraad voor Hem. Uit hun mond ontvangt Hij eer (Mt 21:1616en zeiden tot Hem: Hoort U wat dezen zeggen? Jezus nu zei tot hen: Jawel, maar hebt u nooit gelezen: ‘Uit [de] mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U Zich lof bereid’?). Dit ontnemen ze de HEERE. Het kan zijn dat zij deze kinderen niet alleen voor zichzelf als slaven opeisen (vgl. 2Kn 4:11Een vrouw, een van de vrouwen van de leerling-profeten, riep tot Elisa om hulp en zei: Uw dienaar, mijn man, is gestorven, en u weet zelf dat uw dienaar de HEERE vreesde. Maar [nu] is de schuldeiser gekomen om mijn beide kinderen als slaven met zich mee te nemen.), maar hen zelfs als slaven doorverkopen naar het buitenland. Alles wordt hun ontnomen. Er is geen einde aan dit harteloze handelen.

Het gebeurt door hen die belijden het volk van God te zijn en daarin een plaats van aanzien innemen. Enerzijds geven zij hoog op van hun nauwgezette wandel. Anderzijds vertrappen ze de rechten van de weerlozen. Het is de geest van het farizeïsme (Mk 12:38-4038En in Zijn leer zei Hij tot hen: Kijkt u uit voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het wandelen in lange kleren, begroetingen op de markten,39eerste zetels in de synagogen en eerste plaatsen bij de maaltijden;40die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lang bidden. Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.). Die geest is niet alleen in die tijd werkzaam. We zien het nu ook. Mannen die voorgaan en preken over Gods Woord en de genade en die tegelijk dat Woord geweld aandoen door hun vrouw en kinderen te verlaten voor een ander.

De satan is erop uit gezinnen te verwoesten. Hij doet dat op talrijke manieren. Een ervan is dat hij de kinderen van de ouders scheidt. Vader en moeder moeten beiden kunnen werken. De kinderen kunnen naar allerlei opvangcentra. De overheid subsidieert dat en stimuleert daardoor deze scheiding. In die opvangcentra komen ze in handen van beroepskrachten, terwijl ze de liefde, warmte en geborgenheid van de moeder nog zozeer nodig hebben.


Dit is niet het land van de rust

10Sta op en ga weg,
want dit is niet het [land] van de rust.
Omdat het verontreinigd is, brengt het de ondergang,
ja, een verschrikkelijke ondergang.

“Sta op en ga weg” zijn de woorden waarmee zij die de macht hebben anderen uit hun erfdeel verdrijven om er bezit van te nemen. God gebruikt deze woorden nu tegen hen. Zij die anderen laten opstaan en van hun bezittingen beroven, zullen zelf moeten opstaan en vertrekken uit wat hun is gegeven. Hier zien we weer de wetmatigheid van maaien wat men zaait. Opstaan en vertrekken is ook Gods oordeel dat past bij hun handelwijze van opstaan tegen en weggaan bij God.

De bedrijvers van ongerechtigheid hebben het land onrein gemaakt door hun zonden (Lv 18:25,2825zodat het land onrein geworden is. Ik zal het zijn ongerechtigheid vergelden, zodat het land zijn bewoners zal uitspuwen.28Laat het land u niet uitspuwen, omdat u het verontreinigt, zoals het het heidenvolk dat er vóór u was, uitgespuwd heeft.). Voor de kwaaddoeners is er in het land van de HEERE geen rustplaats meer, wat het wel is geweest in tijden van gehoorzaamheid (Dt 12:9-109Want u bent tot nu toe [nog] niet gekomen in de rust en in het erfelijk bezit dat de HEERE, uw God, u geven zal.10Maar u zult de Jordaan oversteken en gaan wonen in het land dat de HEERE, uw God, u in erfelijk bezit geeft. Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom [u], en u zult veilig wonen.; 1Kn 8:5656Geloofd zij de HEERE, Die Zijn volk Israël rust gegeven heeft, overeenkomstig alles wat Hij gesproken heeft! Niet één woord is onvervuld gebleven van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de dienst van Mozes, Zijn dienaar.). Zij zullen in het land geen rust meer kennen en weggevoerd worden in ballingschap.

Met deze oproep gaat er ook een roepstem van de HEERE uit tot allen die oren hebben om te horen, om zich van al deze ongerechtigheid af te zonderen. Hoe kunnen de heiligen van de HEERE rusten in zo’n staat van zaken? Hoe kan een land, waar zulk schrijnend onrecht plaatsvindt, een plaats van rust zijn?

Het land is onrein door geweld en afgoderij (Ez 36:17-1817Mensenkind, toen het huis van Israël in hun land woonde, toen verontreinigden zij dat met hun weg en met hun daden. Hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde [vrouw].18Toen stortte Ik Mijn grimmigheid over hen uit omwille van het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en vanwege hun stinkgoden [waarmee] zij het verontreinigd hadden.; Jr 2:77Ik bracht u in een vruchtbaar land,
om de vrucht daarvan en het goede ervan te eten.
Maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land
en hebt u Mijn eigendom tot een gruwel gemaakt.
)
. Het boze handelen van mensen legt over het land als het ware een waas van onreinheid. Die atmosfeer veroorzaakt dat ieder die zich daarin begeeft, erdoor verdorven wordt. Daardoor neemt het verderf toe, woekert het voort. Met het vertrek van de boosdoeners zal er ook een einde komen aan het voortwoekerend verderf.


Een profeet die het volk graag heeft

11Als er iemand is die wind naloopt,
en bedrieglijk liegt [en zegt]:
Ik profeteer voor u
voor wijn en sterkedrank,
dan is hij voor dit volk de profeet!

Met deze ironische weergave van hoe een valse profeet te werk gaat, rondt Micha zijn toespraak over de valse profeten af. De valse profeet is populair omdat hij spreekt wat het volk graag hoort (2Tm 4:3-43Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen;4en zij zullen het oor van de waarheid afkeren en zich tot de fabels wenden.). Valse profeten verkondigen dat het volk zich te goed mag doen aan aards genot. Hun godsdienst is er een van drinken en pret maken.

Ze kunnen daarvoor zelfs misbruik maken van uitspraken van de Bijbel die ze daarvoor gewoon uit hun verband rukken (Lv 26:44dan zal Ik u op zijn tijd regen geven, zodat het land zijn opbrengst zal geven en de bomen van het veld hun vruchten zullen geven.; Dt 28:44Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw land en de vrucht van uw vee, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee.; Jl 2:2424De dorsvloeren zullen vol koren zijn,
de perskuipen stromen over van nieuwe wijn en olie.
)
. Op die manier gaan ze voorbij aan de zonden van het volk die de komst van deze zegeningen als zegeningen van God onmogelijk maakt. Daarom zijn zij geliefd bij de inhalige rijken, omdat zij nooit van oordeel, maar altijd van voorspoed spreken, al is hun leven nog zo in strijd met Gods wet.

Het volk is zo ver verwijderd van God en hun geestelijk onderscheidingsvermogen is zo afgestompt, dat zij met vreugde de boodschap van deze misleiders omhelzen. Dat ze door het nalopen van valse profeten in feite wind nalopen, dat ontgaat hun. Wind nalopen betekent dat iemand de richting van zijn weg laat bepalen door wat slechts wind is, dus ijdel, leeg, door bedrieglijke droombeelden (Ez 13:33Zo zegt de Heere HEERE: Wee de dwaze profeten die hun [eigen] geest volgen zonder [iets] te hebben gezien!).

De opkomst van valse profeten is het gevolg van de impopulaire boodschap van de echte profeten. Wie loopt er nu een echte profeet achterna? Die predikt immers alleen depressief makende droefenis? Dan kun je beter een valse profeet nalopen. Die laat tenminste aangename woorden ‘druppelen’, wat hier de letterlijke betekenis van het woord ‘profeteren’ is, evenals in vers 66Ze profeteren: Profeteer niet!
Ze moeten er niet over profeteren!
Er komt geen einde aan al die smaad.
(vgl. Dt 32:22Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,
laten mijn woorden stromen als de dauw,
als een zachte regen op het groen,
en als regendruppels op het gewas.
; Ez 20:4646Mensenkind, richt uw gezicht in de richting van het zuiden, laat [uw woorden] naar het zuiden stromen en profeteer tegen het woud van het veld van het Zuiderland.; 21:22Mensenkind, richt uw gezicht op Jeruzalem, laat [uw woorden] stromen tegen de heiligdommen en profeteer tegen het land van Israël.; Am 7:1616Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag [uw woorden] niet laten stromen tegen het huis van Izak!; Jb 29:2222Na mijn woorden spraken zij niet opnieuw,
en míjn woorden druppelden op hen neer.
)
. Daar ga je je echt vrolijk door voelen. Hoe groot zal de ontnuchtering zijn als ze ontdekken hoe groot het bedrog is dat ze hebben omarmd!


Het overblijfsel van Israël bijeengebracht

12Ik zal u, Jakob, zeker verzamelen, geheel en al.
Ik zal het overblijfsel van Israël zeker bijeenbrengen.
Ik zal het samenbrengen als schapen van Bozra,
als een kudde midden in zijn weide.
Het zal er gonzen van de mensen.

De verzen 12-1312Ik zal u, Jakob, zeker verzamelen, geheel en al.
Ik zal het overblijfsel van Israël zeker bijeenbrengen.
Ik zal het samenbrengen als schapen van Bozra,
als een kudde midden in zijn weide.
Het zal er gonzen van de mensen.13De Doorbreker trekt vóór hen op.
Zij zullen doorbreken, door de poort trekken
en daardoor naar buiten gaan.
Hun Koning gaat vóór hen uit,
de HEERE [gaat] aan de spits.
ronden het eerste deel van het boek af. Het is een belofte van zegen en bevrijding na de krachtige beschuldigingen aan het adres van het volk. De nadruk ligt op wat de HEERE gaat doen. Hij is hier Degene Die handelt, zoals eerder in oordeel, nu in zegen. Hij maakt bekend wat die zegen inhoudt. Oordeel is dus niet het laatste woord dat God voor Zijn volk heeft.

Micha beziet in deze verzen het volk als een volk waarover het aangekondigde oordeel is voltrokken. Het volk is weggevoerd. Maar dat is niet het einde van het volk. De HEERE spreekt hier uit dat Hij het volk, ondanks zoveel ongerechtigheid, niet heeft opgegeven en dat Hij het zal gaan zegenen.

Nadat Micha op zoveel heeft gewezen wat verkeerd is, is het verwonderlijk dat hij ineens gaat spreken over een belofte van toekomstige zegen en herstel. Dit heeft dan ook alleen betrekking op een overblijfsel in de eindtijd, terwijl de ongelovige massa wel door het aangekondigde oordeel zal worden getroffen. Dat overblijfsel is dan “heel Israël” (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.) of, zoals Micha hier zegt, “Jakob … geheel en al”. De profeten maken altijd onderscheid tussen de ongelovige, afvallige massa van Israël en het gelovige, trouwe overblijfsel.

Hierdoor wordt ook duidelijk dat de behoudenis die Micha hier verkondigt, op een andere basis ligt dan de aankondigingen van de behoudenis van de valse profeten. Micha gaat niet voorbij aan het oordeel. Het “bijeenbrengen” veronderstelt de daaraan voorafgaande verstrooiing onder de volken (Jr 31:1010Hoor het woord van de HEERE, heidenvolken,
verkondig het in de kustlanden van ver weg,
en zeg:
Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het [weer] bijeenbrengen
en het hoeden, zoals een herder zijn kudde [hoedt].
)
. Vanuit het uitgeoefende oordeel vindt er herstel plaats. En als het volk hersteld is, zal het ook zeer vermeerderd zijn (Js 54:1-31Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt,
breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen van de eenzame zijn talrijker
dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE.
2Vergroot de plaats voor uw tent,
laat men uw tentkleden wijd uitspannen,
wees niet terughoudend,
verleng uw touwen,
sla uw pinnen vast.
3Want u zult zich rechts en links uitbreiden,
uw nageslacht zal de heidenvolken in bezit nemen
en de verlaten steden bevolken.
)
, “het zal er gonzen van de mensen” (vgl. Ez 34:3131En u, Mijn schapen, schapen van Mijn weide, u bent mens, [maar] Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.; 36:3838Als [met] de geheiligde schapen, als [met] de schapen van Jeruzalem op hun vaste feestdagen, zo vol zullen de verwoeste steden worden met kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Dit zal het prachtige resultaat zijn van Gods handelen.

De HEERE is hier de Herder. Zo wordt hij vaker in het Oude Testament gezien. Bijvoorbeeld in Psalm 78 waar over Hem wordt gezegd dat Hij Zijn volk als een kudde uit de slavernij van Egypte leidde (Ps 78:52-5352Hij liet Zijn volk als schapen wegtrekken
en leidde hen als een kudde door de woestijn.
53Ja, Hij leidde hen veilig, zodat zij niet angstig waren,
 want de zee had hun vijanden bedolven.
; 80:22Herder van Israël, neem ter ore,
U, Die Jozef als schapen leidt.
U, Die troont tussen de cherubs,
verschijn blinkend!
)
. De HEERE is dezelfde als de Heer Jezus in het Nieuwe Testament, waar Hij de goede Herder wordt genoemd (Jh 10:1111Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;). Er is bij Hem veiligheid, bescherming en voedsel.

De Heer Jezus heeft aan de gemeente herders gegeven die Hem vertegenwoordigen (Ef 4:1111En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,; 1Pt 5:1-41[De] oudsten onder u vermaan ik dus, de medeoudste en getuige van het lijden van Christus en ook de deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden;2hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;3ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.4En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.). Deze herders hebben de opdracht ervoor te zorgen dat de kudde voedsel, veiligheid en bescherming krijgt. Daarom geven zij onderwijs in de fundamenten van het geloof. Ook zorgen zij voor leiding en begeleiding op de weg die de schapen moeten gaan en voor bescherming tegen de gevaren van verkeerde leer (Tt 1:99vasthoudend aan het naar de leer betrouwbare woord, opdat hij in staat is zowel met de gezonde leer te vermanen als de tegensprekers te weerleggen.).


De Doorbreker

13De Doorbreker trekt vóór hen op.
Zij zullen doorbreken, door de poort trekken
en daardoor naar buiten gaan.
Hun Koning gaat vóór hen uit,
de HEERE [gaat] aan de spits.

Dit vers laat zien hoe het resultaat van het vorige vers wordt bereikt. Het gaat hier niet om verzamelen, zoals in het vorige vers, maar om bevrijding. Hier wordt de verlossing van Israël uit de ballingschap geschilderd onder het beeld van de bevrijding uit een gevangenis.

Verderop vergelijkt Micha Egypte, waar het volk eens gevangen was, met een slavenhuis (Mi 6:44Ik heb u immers uit het land Egypte geleid,
u verlost uit het slavenhuis.
Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam
vóór u uit gezonden.
; Ex 20:22Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.)
. Hier vergelijkt hij de ballingschap met een gevangenis met muren en poorten die doorgebroken moeten worden. De Doorbreker maakt de weg vrij voor allen die Hem volgen en ruimt obstakels uit de weg. Deze Doorbreker is niemand anders dan de HEERE, de Messias (Js 42:77om blinde ogen te openen,
om gevangenen uit de kerker te leiden,
uit de gevangenis wie in duisternis zitten.
; 59:2020En naar Sion zal een Verlosser komen
voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren,
spreekt de HEERE.
, 21; Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.; Hs 1:1111Dan zullen de Judeeërs bijeengebracht worden samen met de Israëlieten. Zij zullen voor zich één Hoofd aanstellen en uit het land oprukken; want groot zal de dag van Jizreël zijn.; 3:55Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HEERE, hun God, zoeken en David, hun koning. Zij zullen zich in diep ontzag tot de HEERE en Zijn goedheid wenden, in later tijd.)
. Hij gaat aan hun spits (Js 52:1212Maar u zult niet overhaast weggaan,
u zult niet [als] op de vlucht gaan,
want de HEERE zal vóór u uit trekken,
en de God van Israël zal uw achterhoede zijn.
)
, net zoals Hij voor hen uitging als de Engel van de HEERE in de wolk- en vuurkolom (Ex 13:2121De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken.).

Hij zal Zijn volk voorgaan uit de poorten van de steden waar ze gevangenzaten. Hij gaat voor hen uit als Doorbreker, Koning en HEERE. De drie werkwoordsvormen ‘doorbreken’, ‘trekken’ en ‘gaan’ brengen een voortgang tot uiting die door geen enkele macht is tegen te houden.

Zoals al vaker is opgemerkt, is de HEERE de Heer Jezus. Hij is de goede Herder Die Zijn eigen schapen uitleidt en in de vrijheid brengt en verzorgt. Ook Zijn opstanding laat Hem op een prachtige manier als de Doorbreker zien. De Heer Jezus breekt immers de gevangenis van dood en graf open, Hij doorbreekt de wachters en alle haat van de duivel en zijn instrumenten, de goddeloze leidslieden van Gods volk. Zo is Hij in de opstanding voor zijn verlosten uitgegaan die Hem volgen (1Ko 15:2323Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst.). Ook zij breken door de poort, achter Hem aan.

De ‘poort’ is in de eerste plaats die van Jeruzalem. In de eindtijd zal Jeruzalem worden ingenomen door de koning van het noorden. Maar dan zal de Heer Jezus verschijnen in Jeruzalem, op de Olijfberg. Van daaruit zal Hij het in benauwdheid zijnde overblijfsel dat zich in Jeruzalem bevindt, voorgaan en uit de benauwdheid redden. Hij is de Redder die ‘uit Sion’ – niet: tot Sion – zal komen (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.; Ps 14:77Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam!
Wanneer de HEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren,
[dan] zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.
)
, wat inhoudt dat Hij eerst tot Sion is gekomen (Js 59:2020En naar Sion zal een Verlosser komen
voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren,
spreekt de HEERE.
)
.

De Heer Jezus is ook de Doorbreker voor elke nieuwe situatie of tijdsperiode. Hij is er altijd om voor ons uit te gaan en elke tegenstand te doorbreken die ons benauwt of beperkt. Dan gaat Hij voor ons uit en stelt ons in de ruimte. We moeten wel dicht achter Hem aangaan, zoals de wapendrager vlak bij Jonathan blijft (1Sm 14:1313Toen klom Jonathan op zijn handen en op zijn voeten naar boven, en zijn wapendrager achter hem aan. En zij vielen voor Jonathan, en achter hem doodde zijn wapendrager hen.).


Lees verder