Leviticus
1-7 De wet op het schuldoffer 8-10 Aanvullende bepalingen 11-21 De wet op het dank- of vredeoffer 22-27 Verbod om vet of bloed te eten 28-36 Het deel van de priester 37-38 Bevestiging wetten op de offers
De wet op het schuldoffer

1Dit nu is de wet voor het schuldoffer. Het is allerheiligst. 2Op de plaats waar men het brandoffer slacht, moet men [ook] het schuldoffer slachten. Men moet het bloed ervan rondom op het altaar sprenkelen. 3Daarvan moet men al zijn vet aanbieden, de staart en het vet dat de ingewanden bedekt; 4en ook de beide nieren met het vet dat eraan vastzit, tegen de lendenen aan, en de kwab aan de lever, die men [tegelijk] met de nieren moet verwijderen. 5De priester moet die vervolgens op het altaar in rook laten opgaan als een vuuroffer voor de HEERE. Het is een schuldoffer. 6Al wie mannelijk is onder de priesters mag het eten; op een heilige plaats moet het gegeten worden. Het is allerheiligst. 7Zoals het zondoffer is, zo [ook] het schuldoffer; er is één wet voor. Het is voor de priester die daarmee verzoening gedaan heeft.

Hier vinden we de eigenlijke beschrijving van het schuldoffer. Die zouden we in Leviticus 6 verwachten. Maar daar staat het aspect van de vergoeding op de voorgrond, terwijl het hier om de priesterlijke bijdrage gaat.

Het schuldoffer is evenals het zondoffer “allerheiligst”. Het schuldoffer beantwoordt aan alle heilige eisen van God met betrekking tot de schuld waarin een mens voor Hem staat. Evenals het zondoffer is ook het schuldoffer nauw verbonden met het brandoffer (Lv 6:2525Spreek tot Aäron en zijn zonen en zeg: Dit is de wet voor het zondoffer. Op de plaats waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht van de HEERE geslacht worden. Het is allerheiligst.). Het schuldoffer wordt evenals het zondoffer gebracht op de plaats van het brandoffer. Het stelt voor dat wie een schuldoffer moet brengen, tevens mag zien dat de Heer Jezus ook het brandoffer is. We hebben schuld op ons geladen, maar die schuld heeft de Heer Jezus op Zich genomen. Hij heeft daarvoor de straf ontvangen die wij hebben verdiend. Dat is een wondere genade.

Maar de genade gaat veel verder. Er is niet alleen iets van ons weggenomen – onze schuld en de straf daarop –, we hebben door Zijn werk ook iets oneindig groots gekregen. Op grond van het werk van de Heer Jezus staan we nu heilig en onberispelijk voor God als Zijn zonen. God ziet ons nu aan in Hem (Ef 1:4-64zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,).

Een gelovige die als priester het schuldoffer brengt, krijgt een bijzondere waardering voor de Heer Jezus en Zijn werk. Hij houdt zich met Hem en Zijn werk bezig. Hoewel de aanleiding ligt in de noodzaak tot verzoening omdat er schuld is ontstaan, is de uitwerking ervan een toenemende bewondering voor Christus en Zijn werk. Het speciale deel van de priester (vers 77Zoals het zondoffer is, zo [ook] het schuldoffer; er is één wet voor. Het is voor de priester die daarmee verzoening gedaan heeft.) wordt in het volgende vers nader aangegeven.

Het schuldoffer heeft aspecten die we bij het zondoffer niet zijn tegengekomen. Zo wordt het bloed van het schuldoffer rondom op het altaar gesprenkeld. Hierdoor wordt de weg voor de aanbidding weer vrijgemaakt. Ook het vet en de ingewanden en het vet daaraan worden als een vuuroffer aan de HEERE geofferd. Het wijst op de gedachte dat de Heer Jezus met inzet van al Zijn krachten het werk heeft volbracht, waardoor de schuldige van schuld is bevrijd en daarboven God is verheerlijkt.

Hierover nadenken is voedsel voor de priester. Dit voedsel kan alleen op een heilige plaats worden gegeten. Het op deze wijze met de Heer Jezus als het schuldoffer bezig zijn, vraagt dat we ons afzonderen: het “allerheiligste” moet op “een heilige plaats” worden gegeten.


Aanvullende bepalingen

8En de priester die iemands brandoffer aanbiedt, voor die priester is de huid van het brandoffer dat hij aangeboden heeft. 9En elk graanoffer dat in de oven gebakken wordt, en alles wat in de pan en op de bakplaat wordt bereid, is voor de priester die het aanbiedt. 10Maar elk graanoffer dat met olie is gemengd of droog is, is voor alle zonen van Aäron, zowel voor de een als voor de ander.

In deze verzen hebben we enkele toevoegingen aan de wet op het schuldoffer. Bezig zijn met de schuld van een ander is niet gemakkelijk. Wie als priester – dat is iemand die gewend is aan Gods tegenwoordigheid en Zijn gedachten kent – ertoe wordt geroepen zich met de schuld van iemand bezig te houden, krijgt hier, in beeld, een grote bemoediging. Hij wordt herinnerd aan het brandoffer en wat zijn deel daarin is: de huid van het brandoffer. Daarmee mag hij zich als het ware bekleden. Dat geeft het beeld dat hij zich bewust mag zijn dat hij voor God staat in de waarde van het offer van de Zoon: hij is “aangenaam in de Geliefde” (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,). Weten wie je bent in Christus, is nog iets anders dan beleven dat je in Christus bent. Dat laatste zal zich uiten in aanbidding van de Vader en de Zoon.

Voor de priester die het schuldoffer brengt, is ook een deel van het graan- of spijsoffer. Hij mag zich voeden met de Heer Jezus, Wie Hij geweest is voor God. Een gelovige die zich met de schuld van een ander moet bezighouden, zal een bijzondere waardering krijgen voor de volmaakte toewijding die het leven van de Heer Jezus te zien geeft. Dat staat tegenover het leven van de schuldige, maar ook tegenover zijn eigen leven dat niet beter is dan dat van de schuldige. In alles schittert alleen het leven van de Heer Jezus. Dat is voedsel voor het hart van onvolmaakte mensen die zichzelf juist daarom hebben overgegeven aan Hem.

Een gelovige die vanuit dat bewustzijn een falende gelovige helpt met het opruimen van zijn schuld, krijgt zicht op de verschillende aspecten van het leven van de Heer Jezus, zoals dat in de verschillende vormen van het spijsoffer wordt voorgesteld. Die vormen en de onderdelen van dat offer zijn in Leviticus 2 aan de orde geweest.


De wet op het dank- of vredeoffer

11Dit nu is de wet voor het dankoffer dat men aan de HEERE moet aanbieden. 12Als [iemand] het als lofoffer aanbiedt, dan moet hij naast het lofoffer ongezuurde koeken aanbieden, met olie gemengd, ongezuurde platte koeken met olie bestreken en koeken van door elkaar gemengd meelbloem met olie gemengd. 13Bij de koeken moet hij als zijn offergave gezuurd brood aanbieden, samen met zijn lof- en dankoffer.14En van elke offergave moet hij één [koek] als een hefoffer aan de HEERE aanbieden. Het is voor de priester die het bloed van het dankoffer sprenkelt. 15En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten. 16Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden. 17Wat er dan [nog] van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, moet op de derde dag in het vuur verbrand worden, 18want als er op de derde dag ook maar [een deel] van het vlees van zijn dankoffer gegeten wordt, dan komt het hem die het aangeboden heeft, niet ten goede; het wordt [hem] niet toegerekend. Het is onrein vlees: de persoon die daarvan eet, moet zijn ongerechtigheid dragen. 19Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het [andere] vlees betreft, ieder die rein is, mag [dat] vlees eten. 20De persoon echter die vlees eet van het dankoffer, dat voor de HEERE is, terwijl hij onrein is, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden. 21En wanneer een persoon met iets onreins in aanraking komt, [zoals] de onreinheid van een mens, of onreine dieren of een of ander onrein [en] afschuwelijk iets, en [toch] eet van het vlees van het dankoffer, dat voor de HEERE is, dan moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.

Bij de beschrijving van het dank- of vredeoffer in Leviticus 3 gaat het vooral om de verbinding met het altaar. De toepassing daarvan voor ons vinden we bij uitstek in het avondmaal aan de tafel van de Heer. Het dank- of vredeoffer is een gemeenschapsoffer, wat voor ons wordt voorgesteld in de tafel van de Heer (1Ko 10:15-2115Ik spreek als tot verstandigen; beoordeelt u wat ik zeg.16De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?17Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood.18Kijkt u naar Israël naar [het] vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?19Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is?20[Nee], maar dat wat <de volken> offeren, zij dat aan [de] demonen <offeren> en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen.21U kunt niet [de] drinkbeker van [de] Heer drinken en [de] drinkbeker van [de] demonen; u kunt niet deelnemen aan [de] tafel van [de] Heer en aan [de] tafel van [de] demonen.). Er zijn echter ook andere gelegenheden waar gelovigen met elkaar gemeenschap hebben. Telkens wanneer ze, om wat voor reden ook, bij elkaar komen, hebben ze gemeenschap met elkaar. God wil daar graag bij zijn. Gemeenschap als gelovigen onder elkaar is alleen mogelijk en goed als God erbij kan en mag zijn.

Het dank- of vredeoffer is een feestoffer (Ps 118:2727De HEERE is God, Hij heeft ons licht gegeven.
Bind het feest[offer] vast met touwen
tot aan de hoorns van het altaar.
)
. Iemand die blij is, kan spontaan een lofoffer brengen. Hij kan een dier slachten en feest vieren. De oudste zoon in Lukas 15 wil dat ook. Maar hij wil alleen met zijn vrienden feest vieren, zonder zijn vader (Lk 15:2929Hij antwoordde echter en zei tot zijn vader: Zie, zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw gebod overtreden, en mij hebt u nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn.). Dat kan geen feest zijn. Onze vreugde en blijdschap zijn altijd gegrond op het werk van de Heer Jezus, en dat is ook wat God verheugt.

Bij dit lofoffer moet ook een spijsoffer worden gebracht. Als wij God danken voor het werk van de Heer Jezus aan het kruis, is het onmogelijk om voorbij te gaan aan Zijn volmaakte leven tot aan het kruis. Ook daarover willen we God graag vertellen, Hem dat offeren.

Er wordt ook gezuurd brood gebracht (vers 1313Bij de koeken moet hij als zijn offergave gezuurd brood aanbieden, samen met zijn lof- en dankoffer.). Dat kan niet spreken van de Heer Jezus. In Hem is geen zonde, waarvan zuurdeeg spreekt. Maar er is wel zuurdeeg in ons. Die koeken spreken ervan dat wij komen in het besef dat de zonde nog in ons is (1Jh 1:88Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is niet in ons.), hoewel de zonde geen heerschappij meer over ons mag en hoeft te hebben. We mogen ook beseffen dat Hij de zonde van zijn kracht heeft beroofd.

Vers 1414En van elke offergave moet hij één [koek] als een hefoffer aan de HEERE aanbieden. Het is voor de priester die het bloed van het dankoffer sprenkelt. toont aan dat God het eerst Zijn deel moet krijgen, voordat wij met anderen delen. Het is een deel dat Hem als een hefoffer wordt aangeboden. Een hefoffer wil zeggen dat het wordt opgeheven boven al het andere uit, terwijl tegelijk daardoor ook al het andere de waarde van dit hefoffer krijgt. We kunnen dit toepassen op de Heer Jezus Die Zichzelf boven alles uit aan God heeft aangeboden. Wij bieden Hem aan God aan. Daardoor krijgt ook alles wat we verder van Hem en Zijn offer met elkaar genieten de waarde die Hij voor God heeft.

De priester die het bloed van het dank- of vredeoffer sprenkelt, stelt de gelovige voor die zich bewust is dat gemeenschap op niets ander is gegrond dan op het door Christus gestorte bloed. Het bloed bepaalt hem bij de prijs die voor hem betaald is en waardoor hij nu geheel van Christus is (1Pt 1:1-21Petrus, apostel van Jezus Christus aan [de] vreemdelingen in [de] verstrooiing in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia, en Bithynië,2uitverkorenen naar [de] voorkennis van God [de] Vader, door heiliging van [de] Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met [het] bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.). Dit bewerkt grote dankbaarheid en blijdschap. De gelovige die dit kent, veronderstelt die dankbaarheid en blijdschap ook bij andere gelovigen en verlangt ernaar dat met zulke gelovigen te delen, daarin gemeenschap te hebben.

Het feest, het eten, moet plaatsvinden op dezelfde dag dat het offer aangeboden wordt (vers 1515En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten.). Dit voorschrift laat zien dat de verbinding met het altaar van groot belang is. Als het vlees de volgende dag gegeten wordt, is de gedachte aan het feit dat het offer op het altaar is gebracht, vervaagd. Dat wil God niet. Hij verwacht bij elk lofoffer de gedachte aan het kruis van Christus. Er is geen dank mogelijk zonder het kruis.

We kunnen niet teren op de beleving van gisteren. God verwacht dat we elke dag met een nieuw lofoffer bij het altaar komen. Als wij dagelijks de Schriften onderzoeken (Hd 17:1111Dezen nu waren edeler dan die in Thessalonika: zij ontvingen het Woord met alle bereidwilligheid, terwijl zij dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen zo waren.) – want die zijn het die van de Heer Jezus getuigen (Jh 5:3939U onderzoekt de Schriften, omdat u meent daarin eeuwig leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen;) – en wij merken elke morgen nieuwe barmhartigheden van de Heer op (Kl 3:22-2322Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, /cheth/
dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is!
23Nieuw zijn ze, elke morgen; /cheth/
groot is Uw trouw!
)
, dan hébben we toch elke dag een overvloed aan redenen voor een nieuw lofoffer?

Een gelofteoffer of vrijwillig offer mag wel de volgende dag nog worden gegeten (vers 1616Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.). Dit is namelijk een offer dat een duurzamer karakter heeft dan het lofoffer, dat meer spontaan gebracht wordt. Over een gelofteoffer of vrijwillig offer is nagedacht. Wanneer we samenkomen, kan het zijn dat we meer spontaan gaan offeren naarmate de dienst vordert. Het kan ook zijn dat we in de week al met de samenkomst en het offer van de Heer Jezus bezig zijn geweest. De dankbaarheid in verbinding met het kruis werkt ook langer door.

Maar ook dan is het niet zo dat we langere tijd vooruit kunnen met wat we van de Heer Jezus hebben gezien. Dat is wat de verzen 17-1817Wat er dan [nog] van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, moet op de derde dag in het vuur verbrand worden,18want als er op de derde dag ook maar [een deel] van het vlees van zijn dankoffer gegeten wordt, dan komt het hem die het aangeboden heeft, niet ten goede; het wordt [hem] niet toegerekend. Het is onrein vlees: de persoon die daarvan eet, moet zijn ongerechtigheid dragen. ons te zeggen hebben. Er zal een groeiend verlangen zijn om meer van Hem te zien. Gedachten die blijven hangen en die we alleen maar blijven koesteren omdat we geen zin hebben om nieuwe dingen van de Heer Jezus te ontdekken, werken contraproductief. Ze worden een hindernis in ons geestelijk leven. De groei stopt. Dan moeten we onszelf en ons denken veroordelen, om vrij te worden van ongerechtigheid. Zo ontstaat er ruimte voor het klaarmaken van een nieuw gelofteoffer of vrijwillig offer dat aangenaam is voor God en waarin gemeenschap met anderen kan worden beleefd. Als gemeenschapsbeoefening zich uit in vaste vormen en langs platgetreden paden, verwordt ze tot dode orthodoxie.

Aan beoefenen van gemeenschap zoals die in het deelnemen aan deze offermaaltijd wordt voorgesteld, zijn voorwaarden verbonden (verzen 19-2119Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het [andere] vlees betreft, ieder die rein is, mag [dat] vlees eten.20De persoon echter die vlees eet van het dankoffer, dat voor de HEERE is, terwijl hij onrein is, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.21En wanneer een persoon met iets onreins in aanraking komt, [zoals] de onreinheid van een mens, of onreine dieren of een of ander onrein [en] afschuwelijk iets, en [toch] eet van het vlees van het dankoffer, dat voor de HEERE is, dan moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.). De tafel, de uitdrukking van gemeenschap, is de tafel van de Heer en daarom heilig. De offers behoren aan God (verzen 20-2120De persoon echter die vlees eet van het dankoffer, dat voor de HEERE is, terwijl hij onrein is, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.21En wanneer een persoon met iets onreins in aanraking komt, [zoals] de onreinheid van een mens, of onreine dieren of een of ander onrein [en] afschuwelijk iets, en [toch] eet van het vlees van het dankoffer, dat voor de HEERE is, dan moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.). De eredienst behoort aan God. Wat in onze harten omgaat tijdens de eredienst, behoort niet aan ons toe. God heeft het in onze harten gelegd, tot onze blijdschap, opdat we deel hebben aan wat het offer van Christus voor Hem betekent en aan Zijn eigen blijdschap daarover.

Daarmee mag geen onreinheid verbonden worden. Die onreinheid kan op verschillende wijze veroorzaakt worden. In de eerste plaats kan het gebeuren dat het vlees met iets onreins in aanraking is gekomen (vers 1919Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het [andere] vlees betreft, ieder die rein is, mag [dat] vlees eten.). Een toepassing daarvan is dat als iemand over de persoon of het werk van de Heer Jezus verkeerde gedachten heeft, hij onrein is en niet kan deelnemen aan het avondmaal, de gemeenschapsmaaltijd die wordt gehouden aan de tafel van de Heer. Hij kan pas deelnemen als hij zijn verkeerde denken over het werk van de Heer Jezus heeft gecorrigeerd.

Een tweede geval is dat de persoon die van het vlees wil eten, zelf onrein is (vers 2020De persoon echter die vlees eet van het dankoffer, dat voor de HEERE is, terwijl hij onrein is, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.). Een toepassing daarvan is dat iemand de zonde in zijn leven niet oordeelt. Van zo iemand moet worden geconstateerd dat hij niet slechts in de zonde is gevallen, maar dat hij in de zonde leeft. Als iemand de zonde in zijn leven niet veroordeelt en er ook na vele pogingen door anderen niet toe komt dat te doen (Mt 18:15-2015Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen;16als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.17Als hij echter hun geen gehoor geeft, zeg het aan de gemeente; als hij echter ook de gemeente geen gehoor geeft, laat hij voor u zijn als de heiden en de tollenaar.18Voorwaar, Ik zeg u: alles wat u zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in [de] hemel; en alles wat u zult ontbinden op de aarde, zal in [de] hemel ontbonden zijn.19<Voorwaar,> Ik zeg u tevens, dat als twee van u overeenstemmen op de aarde over enige zaak die zij maar zouden vragen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader Die in [de] hemelen is.20Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.), kan hij niet deelnemen aan het avondmaal, de gemeenschapsmaaltijd die wordt gehouden aan de tafel van de Heer. Zo iemand wordt een “boze” genoemd en moet, indien hij al deelneemt aan het avondmaal, uit het midden worden weggedaan (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.). Hij kan pas (weer) deelnemen als hij zijn zonde veroordeelt en belijdt voor God en mensen.

Een derde geval is dat iemand, hoewel hij zelf rein is, toch onrein is door bewust in contact te blijven met onreinheid (vers 2121En wanneer een persoon met iets onreins in aanraking komt, [zoals] de onreinheid van een mens, of onreine dieren of een of ander onrein [en] afschuwelijk iets, en [toch] eet van het vlees van het dankoffer, dat voor de HEERE is, dan moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.). Een toepassing is als iemand wil deelnemen aan het avondmaal, terwijl hij deel uitmaakt van een gemeenschap waar men geen tucht over openbaar kwaad uitoefent. Men staat bijvoorbeeld ongehuwd samenwonen toe en laat mensen die zo leven toe aan hun avondmaal. Wie daarmee in verbinding blijft, blijft in verbinding met het kwaad dat in die gemeenschap aanwezig is en is daardoor verontreinigd. Zo iemand kan niet deelnemen aan het avondmaal van de Heer, de gemeenschapsmaaltijd die wordt gehouden aan de tafel van de Heer. Hij kan pas deelnemen als hij zich aan dit kwaad onttrekt, wat in de praktijk betekent dat hij zich aan die gemeenschap onttrekt (2Tm 2:19-2219Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.22Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.).


Verbod om vet of bloed te eten

22De HEERE sprak tot Mozes: 23Spreek tot de Israëlieten en zeg: U mag totaal geen vet eten van een rund, een schaap of een geit. 24Het vet van een dood [dier] of het vet van een verscheurd [dier] mag voor allerlei werk gebruikt worden, maar u mag het beslist niet eten. 25Voorzeker, al wie het vet eet van het [stuk] vee waarvan men de HEERE een vuuroffer aanbiedt, de persoon die [dit] gegeten heeft, moet van zijn volksgenoten worden afgesneden. 26Ook mag u in al uw woongebieden totaal geen bloed eten, niet van vogels en [ook] niet van vee. 27Iedere persoon die ook maar iets van bloed eet, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.

God waakt ervoor dat Zijn volk zich te veel van het offer toe-eigent. De bepaling dat het verboden is van het vet en het bloed te eten, staat na het dank- of vredeoffer. Dank- of vredeoffers zijn offers die voor een groot deel gegeten mogen worden. Toch blijft er iets wat alleen voor God is, waarop Hij Zijn exclusieve recht laat gelden: het leven (bloed) en de innerlijke kracht (vet) van het hart behoren geheel aan Hem.

Er zijn delen in het werk van de Heer Jezus waarvoor God ons niet het vermogen heeft gegeven daarin in te dringen. Van geen enkel dier mag het vet worden gegeten. Het vet spreekt van de kracht van het dier. Het vet van het offerdier spreekt van de energie waarmee de Heer Jezus het werk heeft volbracht. Alleen God kan die kracht volmaakt meten en waarderen.

Het bloed mag ook nooit gegeten worden. Het bloed is het leven van het schepsel. Het leven behoort God toe. Als het leven genomen wordt, moet dat worden gedaan in het besef dat het aan God behoort (Lv 17:10-1410Iedereen uit het huis van Israël en van de vreemdelingen die in hun midden verblijven, die wat voor bloed dan ook gegeten heeft, tegen die persoon die dat bloed gegeten heeft, zal Ik Mijn aangezicht keren, en Ik zal hem uit het midden van zijn volk uitroeien.11Want het leven van het vlees is in het bloed, en Ik heb dat Zelf voor u op het altaar gegeven om voor uw leven verzoening te doen. Want het is het bloed dat door middel van het leven verzoening bewerkt.12Daarom heb Ik tegen de Israëlieten gezegd: Niemand van u mag bloed eten. Ook de vreemdeling die in uw midden verblijft, mag geen bloed eten.13Iedereen van de Israëlieten en van de vreemdelingen die in hun midden verblijven, die wilde dieren of vogels die gegeten mogen worden, tijdens de jacht vangt, die moet het bloed van [het dier] eruit laten lopen en het met aarde toedekken.14Want het is het leven van alle vlees. Hun bloed staat voor hun leven. Daarom heb Ik tegen de Israëlieten gezegd: U mag geen bloed eten van wat voor vlees dan ook, want het bloed is het leven van alle vlees. Wie dat eet, moet uitgeroeid worden.; Gn 9:66Vergiet iemand het bloed van de mens,
door de mens zal diens bloed vergoten worden;
want naar het beeld van God
heeft Hij de mens gemaakt.
)
. Daarom moet men het bloed laten wegvloeien.

God heeft bepaald: “Zonder bloedstorting is er geen vergeving” (Hb 9:2222En met bloed wordt bijna alles naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving.). Wij mogen geloven dat het bloed ons reinigt van al onze zonden (1Jh 1:7b7Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.). Maar wat de diepe betekenis van het bloed van Christus voor God is, is door het verstand van een mens niet te doorgronden. Wie dat wel probeert, vervalt in dwaling.


Het deel van de priester

28De HEERE sprak tot Mozes: 29Spreek tot de Israëlieten en zeg: Wie zijn dankoffer de HEERE aanbiedt, moet [een deel] van zijn dankoffer [als] zijn offergave aan de HEERE brengen. 30Eigenhandig moet hij de vuuroffers van de HEERE brengen. Het vet aan het borststuk moet hij met dat borststuk brengen om het als een beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE te bewegen. 31De priester moet vervolgens het vet op het altaar in rook laten opgaan, maar het borststuk is voor Aäron en zijn zonen. 32Van uw dankoffers moet u ook de rechterachterbout als een hefoffer aan de priester geven. 33Wie van Aärons zonen het bloed van het dankoffer en het vet aanbiedt, voor hém is de rechterachterbout bestemd. 34Want het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en Ik geef die van de kant van de Israëlieten aan de priester Aäron en aan zijn zonen, als een eeuwige verordening. 35Dit is het gewijde deel van Aäron en het gewijde deel van zijn zonen uit de vuuroffers van de HEERE, op de dag dat hij hen naderbij liet komen om de HEERE als priester te dienen. 36Dit gebood de HEERE hun te geven van de kant van de Israëlieten, op de dag dat Hij hen zalfde. Laat het een eeuwige verordening zijn, [al] hun generaties door.

Van het dank- of vredeoffer worden het bloed en het vet op het altaar gebracht en zo aan God geofferd. De borst en de rechterachterbout van dit offer zijn voor de priester. De rest van het offer is voor de offeraar en allen met wie hij feest wil vieren en die rein zijn.

Ieder die met een dank- of vredeoffer komt, moet dat “eigenhandig” brengen. Het offeren van het dank- of vredeoffer kunnen we niet aan anderen overlaten. In de samenkomst geldt dat voor iedere broeder en iedere zuster. God wil van ieder persoonlijk ontvangen wat er in het hart aanwezig is. De broeders mogen daaraan hardop uiting geven.

De borst is de plaats waar het hart zit. De borst spreekt van de liefde van de Heer Jezus. Daarmee houdt een priester zich bijzonder bezig. De priester krijgt ook de rechterachterbout, die spreekt van de kracht en volharding die we zien in de weg die de Heer Jezus is gegaan. Liefde en kracht zien we ook in Hooglied 8 (Hl 8:66Leg mij als een zegel op Uw hart,
als een zegel op Uw arm.
Want de liefde is sterk als de dood,
de hartstocht onstuitbaar als het graf.
Haar vonken zijn vurige vonken,
vlammen van de HEERE.
)
. Het zijn de liefde en kracht van het werk van de Heer Jezus waardoor de gemeenschap tot stand is gekomen.


Bevestiging wetten op de offers

37Dit is de wet voor het brandoffer, het graanoffer, het zondoffer, het schuldoffer, het wijdingsoffer en het dankoffer, 38die de HEERE Mozes gebood op de berg Sinaï, op de dag dat Hij de Israëlieten gebood om hun offergaven voor de HEERE in de woestijn Sinaï aan te bieden.

Mozes heeft deze aanwijzingen voor de offers van de HEERE gekregen op de berg Sinaï. God heeft daarmee uitdrukking gegeven aan Zijn wil dat het volk Hem offers brengt. Het terrein waar die offers gebracht moeten worden, wordt ook nog nadrukkelijk vermeld: “in de woestijn Sinaï”. Dat bepaalt ons erbij dat God van ons verwacht dat wij Hem, terwijl we op aarde leven, “voortdurend een lofoffer brengendat is de vrucht van de lippen die Zijn Naam belijden” (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.).


Lees verder