Leviticus
Inleiding 1-2 Olie voor het licht 3-4 Het licht moet altijd branden 5-9 De toonbroden 10-23 Godslastering en de straf daarvoor
Inleiding

Leviticus 23 heeft de grote profetische lijn in Gods heilsgeschiedenis laten zien. De eerste vier feesten hebben hun toepassing gevonden in de gemeente. De toepassing van de drie feesten van de zevende maand op Israël moet nog komen. Hoe het profetisch met Israël is gesteld, maakt Leviticus 24 duidelijk. Het eerste gedeelte (verzen 1-91De HEERE sprak tot Mozes:2Gebied de Israëlieten dat zij zuivere olie, [uit] gestoten olijven, naar u toe brengen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden.3Aäron moet die voor het aangezicht van de HEERE voortdurend verzorgen, van de avond tot de [volgende] morgen, aan de buiten[kant] van het voorhangsel van de getuigenis in de tent van ontmoeting. Het is een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.4Op de kandelaar van zuiver [goud] moet hij de lampen voor het aangezicht van de HEERE voortdurend verzorgen.5Verder moet u meelbloem nemen en er twaalf koeken van bakken. Eén koek moet twee tiende [efa] zijn.6U moet ze dan in twee rijen leggen, zes per rij, op de tafel die met zuiver [goud overtrokken] is voor het aangezicht van de HEERE.7U moet ook op [elke] rij zuivere wierook leggen, en die zal dienen als gedenkoffer voor het brood. Het is een vuuroffer voor de HEERE.8Elke sabbatdag moet hij dat voor het aangezicht van de HEERE verzorgen, voortdurend; omwille van de Israëlieten is het een eeuwig verbond.9Het [brood] is voor Aäron en zijn zonen. Zij moeten dat op de heilige plaats eten, want het is voor hem allerheiligst, [afkomstig] uit de vuuroffers van de HEERE. Het is een eeuwige verordening.) laat de dienst van de hogepriester in het heiligdom zien, die hij uitoefent in de nacht. Het tweede gedeelte (verzen 10-2310Eens trok de zoon van een Israëlitische vrouw, die tevens de zoon van een Egyptische man was, [die] te midden van de Israëlieten [woonde] , eropuit. Toen raakten de zoon van de Israëlitische [vrouw] en een Israëlitische man met elkaar slaags in het kamp.11Daarbij lasterde de zoon van de Israëlitische vrouw de Naam, hij vloekte. Daarop brachten zij hem naar Mozes. De naam van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri. Zij behoorde tot de stam Dan.12Zij namen hem in hechtenis om in afwachting van het bevel van de HEERE over hem een beslissing te nemen.13De HEERE sprak tot Mozes:14Breng hem die gevloekt heeft, buiten het kamp. Dan moeten allen die het gehoord hebben, hun handen op zijn hoofd leggen en moet heel de gemeenschap hem stenigen.15En tot de Israëlieten moet u spreken: Iedereen die zijn God vloekt, moet zijn zonde dragen.16Wie de Naam van de HEERE lastert, moet zeker ter dood gebracht worden. Heel de gemeenschap moet hem zeker stenigen. Zowel de vreemdeling als de ingezetene moet zeker gedood worden als hij de Naam gelasterd heeft.17Ook als iemand welke mens dan ook om het leven brengt, moet hij zeker gedood worden.18Wie [andermans] dier om het leven brengt, moet dat [dier] vergoeden: een leven voor een leven.19Als iemand zijn naaste letsel toebrengt, moet hem hetzelfde aangedaan worden wat hij gedaan heeft:20breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand. Zoals hij de ander letsel heeft toegebracht, moet hem hetzelfde toegebracht worden.21Wie een dier doodslaat, moet dat vergoeden; maar wie een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden.22Voor u geldt één recht, zowel voor de vreemdeling als voor de ingezetene, want Ik ben de HEERE, uw God.23Zo sprak Mozes tot de Israëlieten. Toen brachten zij hem die gevloekt had, buiten het kamp en stenigden hem met stenen. En de Israëlieten deden zoals de HEERE Mozes had geboden.) laat zien waarom Israël terzijde is gezet. Daartoe dient een geschiedenis als illustratie. Deze geschiedenis is de tweede die in Leviticus voorkomt, na die van de dood van de zonen van Aäron in Leviticus 10. Ook deze geschiedenis moet dienen om een belangrijk beginsel te laten zien.


Olie voor het licht

1De HEERE sprak tot Mozes: 2Gebied de Israëlieten dat zij zuivere olie, [uit] gestoten olijven, naar u toe brengen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden.

De verzen 2-42Gebied de Israëlieten dat zij zuivere olie, [uit] gestoten olijven, naar u toe brengen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden.3Aäron moet die voor het aangezicht van de HEERE voortdurend verzorgen, van de avond tot de [volgende] morgen, aan de buiten[kant] van het voorhangsel van de getuigenis in de tent van ontmoeting. Het is een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.4Op de kandelaar van zuiver [goud] moet hij de lampen voor het aangezicht van de HEERE voortdurend verzorgen. zijn een woordelijke herhaling van Exodus 27:20-21. In Numeri zien we dat Aäron de opdracht uitvoert (Nm 8:33Aäron deed dat: aan de voorzijde van de kandelaar stak hij de lampen ervan aan, zoals de HEERE Mozes geboden had.). De olie die gebruikt wordt, moet door de Israëlieten worden gebracht. Het volk wordt betrokken bij het in stand houden van het licht in het heiligdom. Op deze wijze bepaalt God het hele volk erbij dat er licht is in het heiligdom. Het is hun verantwoordelijkheid in overeenstemming met dat licht te leven. De volgende geschiedenis (verzen 10-2310Eens trok de zoon van een Israëlitische vrouw, die tevens de zoon van een Egyptische man was, [die] te midden van de Israëlieten [woonde] , eropuit. Toen raakten de zoon van de Israëlitische [vrouw] en een Israëlitische man met elkaar slaags in het kamp.11Daarbij lasterde de zoon van de Israëlitische vrouw de Naam, hij vloekte. Daarop brachten zij hem naar Mozes. De naam van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri. Zij behoorde tot de stam Dan.12Zij namen hem in hechtenis om in afwachting van het bevel van de HEERE over hem een beslissing te nemen.13De HEERE sprak tot Mozes:14Breng hem die gevloekt heeft, buiten het kamp. Dan moeten allen die het gehoord hebben, hun handen op zijn hoofd leggen en moet heel de gemeenschap hem stenigen.15En tot de Israëlieten moet u spreken: Iedereen die zijn God vloekt, moet zijn zonde dragen.16Wie de Naam van de HEERE lastert, moet zeker ter dood gebracht worden. Heel de gemeenschap moet hem zeker stenigen. Zowel de vreemdeling als de ingezetene moet zeker gedood worden als hij de Naam gelasterd heeft.17Ook als iemand welke mens dan ook om het leven brengt, moet hij zeker gedood worden.18Wie [andermans] dier om het leven brengt, moet dat [dier] vergoeden: een leven voor een leven.19Als iemand zijn naaste letsel toebrengt, moet hem hetzelfde aangedaan worden wat hij gedaan heeft:20breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand. Zoals hij de ander letsel heeft toegebracht, moet hem hetzelfde toegebracht worden.21Wie een dier doodslaat, moet dat vergoeden; maar wie een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden.22Voor u geldt één recht, zowel voor de vreemdeling als voor de ingezetene, want Ik ben de HEERE, uw God.23Zo sprak Mozes tot de Israëlieten. Toen brachten zij hem die gevloekt had, buiten het kamp en stenigden hem met stenen. En de Israëlieten deden zoals de HEERE Mozes had geboden.) laat zien dat ze daarin hebben gefaald.


Het licht moet altijd branden

3Aäron moet die voor het aangezicht van de HEERE voortdurend verzorgen, van de avond tot de [volgende] morgen, aan de buiten[kant] van het voorhangsel van de getuigenis in de tent van ontmoeting. Het is een eeuwige verordening, [al] uw generaties door. 4Op de kandelaar van zuiver [goud] moet hij de lampen voor het aangezicht van de HEERE voortdurend verzorgen.

De hogepriester moet ervoor zorgen dat in de nacht het licht van de kandelaar helder blijft branden. Daarvoor moet hij de kandelaar van olie voorzien. Profetisch wijst dit erop dat het volk, al schijnt het verloren en bevindt het zich in geestelijke duisternis, los van God is, toch door het hogepriesterschap van de Heer Jezus in de hemel als een gedachtenis voor het aangezicht van God blijft bestaan.

Het licht schijnt in het heiligdom, de wereld ziet het niet. Het belicht de hemelse dingen waardoor wij nu al kunnen zien wat onze hemelse zegeningen zijn (Jh 16:1313Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.). Wij mogen dat licht ook verspreiden. Dat doen we door met andere gelovigen over deze dingen te spreken. Het licht van de kandelaar valt in de eerste plaats op de kandelaar zelf, dat wil zeggen dat de Heer Jezus het onderwerp van het gesprek zal zijn.

De lampen moeten ’s nachts blijven branden, als het volk door duisternis omhuld is. Het volk slaapt, maar zal weer tot leven worden gewekt door het blazen van de bazuin (Lv 23:2424Spreek tot de Israëlieten en zeg: In de zevende maand, op de eerste [dag] van de maand, moet u een rustdag houden, een gedenkdag [aangekondigd] door [bazuin]geschal, een heilige samenkomst.). Tot die tijd zorgt de Hogepriester ervoor dat het licht in het heiligdom blijft schijnen.

De dienst van het volk tegenover God vindt periodiek, op voorgeschreven tijdstippen plaats. Maar de dienst van de Heer Jezus als de Hogepriester ten opzichte van het volk vindt voortdurend, ononderbroken plaats. Het is voor ons ook een bemoediging te weten, dat de Heer wel altijd aan ons denkt, ook al denken wij niet altijd aan Hem.


De toonbroden

5Verder moet u meelbloem nemen en er twaalf koeken van bakken. Eén koek moet twee tiende [efa] zijn. 6U moet ze dan in twee rijen leggen, zes per rij, op de tafel die met zuiver [goud overtrokken] is voor het aangezicht van de HEERE. 7U moet ook op [elke] rij zuivere wierook leggen, en die zal dienen als gedenkoffer voor het brood. Het is een vuuroffer voor de HEERE. 8Elke sabbatdag moet hij dat voor het aangezicht van de HEERE verzorgen, voortdurend; omwille van de Israëlieten is het een eeuwig verbond. 9Het [brood] is voor Aäron en zijn zonen. Zij moeten dat op de heilige plaats eten, want het is voor hem allerheiligst, [afkomstig] uit de vuuroffers van de HEERE. Het is een eeuwige verordening.

Verder is er zorg voor het brood op de tafel van de toonbroden. Wat hier over de toonbroden wordt gezegd, is een aanvulling op wat we erover lezen in Exodus 25:23-30.

De twaalf toonbroden stellen de twaalf stammen van Israël voor. De zuivere wierook erop geeft aan dat van het volk naar Gods raadsbesluit in Zijn heiligdom een aangename geur opstijgt. Het reukwerk spreekt van de Heer Jezus, want in zichzelf heeft het volk niets wat voor God aangenaam is.

In het heiligdom zien we hoe Gods plannen helder blijven stralen, ook al is het volk ontrouw. God ziet in het licht van de kandelaar voortdurend de toonbroden: beeld van het volk, gedragen door de tafel, beeld van de Heer Jezus. Steeds staat er: “voor het aangezicht van de HEERE” (verzen 3,4,6,83Aäron moet die voor het aangezicht van de HEERE voortdurend verzorgen, van de avond tot de [volgende] morgen, aan de buiten[kant] van het voorhangsel van de getuigenis in de tent van ontmoeting. Het is een eeuwige verordening, [al] uw generaties door.4Op de kandelaar van zuiver [goud] moet hij de lampen voor het aangezicht van de HEERE voortdurend verzorgen.6U moet ze dan in twee rijen leggen, zes per rij, op de tafel die met zuiver [goud overtrokken] is voor het aangezicht van de HEERE.8Elke sabbatdag moet hij dat voor het aangezicht van de HEERE verzorgen, voortdurend; omwille van de Israëlieten is het een eeuwig verbond.).

De toonbroden zijn gemaakt van fijn meel. Daarvan wordt ook het spijsoffer gemaakt (Lv 2:11Wanneer een persoon de HEERE een graanoffer als offergave aanbiedt, moet zijn offergave meelbloem zijn. Dan moet hij er olie op gieten en er wierook op leggen.). Het is de vrucht van de aarde en spreekt van de Heer Jezus als de volmaakte Mens op aarde. Hij is ook het leven van de gelovigen en daarom spreken de twaalf toonbroden van het volk van God.

De priesters maken zich een met het volk door van dit brood te eten. Zij die gewend zijn aan het zijn in Gods tegenwoordigheid, voeden zich met de gedachte dat God Zijn volk liefheeft, ondanks hun falen. Zij zullen delen in Gods liefde voor Zijn volk en dat zal hen inspireren dat volk te dienen, ondanks hun ontrouw.


Godslastering en de straf daarvoor

10Eens trok de zoon van een Israëlitische vrouw, die tevens de zoon van een Egyptische man was, [die] te midden van de Israëlieten [woonde] , eropuit. Toen raakten de zoon van de Israëlitische [vrouw] en een Israëlitische man met elkaar slaags in het kamp. 11Daarbij lasterde de zoon van de Israëlitische vrouw de Naam, hij vloekte. Daarop brachten zij hem naar Mozes. De naam van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri. Zij behoorde tot de stam Dan. 12Zij namen hem in hechtenis om in afwachting van het bevel van de HEERE over hem een beslissing te nemen. 13De HEERE sprak tot Mozes: 14Breng hem die gevloekt heeft, buiten het kamp. Dan moeten allen die het gehoord hebben, hun handen op zijn hoofd leggen en moet heel de gemeenschap hem stenigen. 15En tot de Israëlieten moet u spreken: Iedereen die zijn God vloekt, moet zijn zonde dragen. 16Wie de Naam van de HEERE lastert, moet zeker ter dood gebracht worden. Heel de gemeenschap moet hem zeker stenigen. Zowel de vreemdeling als de ingezetene moet zeker gedood worden als hij de Naam gelasterd heeft. 17Ook als iemand welke mens dan ook om het leven brengt, moet hij zeker gedood worden. 18Wie [andermans] dier om het leven brengt, moet dat [dier] vergoeden: een leven voor een leven. 19Als iemand zijn naaste letsel toebrengt, moet hem hetzelfde aangedaan worden wat hij gedaan heeft: 20breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand. Zoals hij de ander letsel heeft toegebracht, moet hem hetzelfde toegebracht worden. 21Wie een dier doodslaat, moet dat vergoeden; maar wie een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden. 22Voor u geldt één recht, zowel voor de vreemdeling als voor de ingezetene, want Ik ben de HEERE, uw God. 23Zo sprak Mozes tot de Israëlieten. Toen brachten zij hem die gevloekt had, buiten het kamp en stenigden hem met stenen. En de Israëlieten deden zoals de HEERE Mozes had geboden.

Na in het heiligdom te hebben gezien wat het volk voor God is, laat deze geschiedenis in beeld zien wat de uitwendige toestand van het hele volk is. Door haar verbinding met een Egyptische man heeft een Israëlitische vrouw een lasterende zoon voortgebracht. De vrouw is met deze Egyptenaar getrouwd in de tijd dat zij nog met het volk in slavernij in Egypte is.

Haar man en zoon behoren tot de grote groep van mensen van allerlei herkomstdie met de Israëlieten uit Egypte meegetrokken zijn (Ex 12:3838Ook trok een grote [groep van] mensen van allerlei herkomst met hen mee, en kleinvee en runderen, zeer veel vee.). Maar de zoon bewijst dat zijn hart met Egypte verbonden is gebleven. Er is geen enkel respect voor de HEERE. Hij tart Hem zelfs door bij een ruzie met een Israëliet “de Naam” te lasteren.

Met ‘de Naam’ wordt het geheel van Gods wezen bedoeld, niet een bepaalde voorstelling van God zoals die in elke Naam afzonderlijk wordt weergegeven. De man spreekt er niet slechts kwaad van, maar ‘vloekt’ de Naam, wat betekent dat hij de Naam lastert. Hij schrijft die Naam tegen beter weten in kwade dingen toe.

Dit is een beeld van de geestelijke toestand van het volk Israël, waarvan Jeruzalem bij uitstek het toonbeeld is. Voor Israël geldt, wat gezegd wordt van Jeruzalem: “De grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is” (Op 11:88En hun lijk [zal liggen] op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is.).

Israëls grootste zonde is de lastering van de Heer Jezus. Ze hebben Hem gedood. Dat is het beeld dat in vers 1717Ook als iemand welke mens dan ook om het leven brengt, moet hij zeker gedood worden. naar voren komt. Daarom is het volk ter dood gebracht, wat wil zeggen dat God het heeft verworpen. Het is nu Lo-Ammi, dat betekent “niet Mijn volk” (Hs 1:99En Hij zei:
Geef hem de naam Lo-Ammi,
want u bent niet Mijn volk
en Ík zal er voor u niet zijn.
)
. De vrouw is van de stam van Dan. Deze stam heeft een ongunstige klank en betekenis onder de stammen van Israël (Gn 49:16-1716Dan zal over zijn volk rechtspreken,
als een van de stammen van Israël.
17Dan zal een slang zijn op de weg,
een adder op het pad,
die in de hielen van het paard bijt,
zodat zijn berijder achterovervalt.
; Ri 17-18)
. Het is opmerkelijk dat dit geval van Godslastering met deze stam verbonden is.

Wat betreft de zaak zelf is niet duidelijk wat er met de zoon moet gebeuren. Daarom wordt hij gevangen gehouden tot er een uitspraak van de HEERE komt over de toe te passen straf. Dit is een van de vier gevallen waarin Mozes op een Goddelijk antwoord moet wachten in een situatie waarin niet duidelijk is hoe er gehandeld moet worden (Nm 9:6-146Nu waren er mensen die vanwege [het aanraken van] het dode lichaam van een mens onrein waren, en op die dag het Pascha niet konden houden. Daarom kwamen zij die dag naar voren, vóór Mozes en vóór Aäron.7En die mensen zeiden tegen hem: Wij zijn onrein vanwege [het aanraken van] het dode lichaam van een mens. Waarom zouden wij afgehouden worden om de offergave van de HEERE op zijn vastgestelde tijd in het midden van de Israëlieten aan te bieden?8Mozes zei tegen hen: Blijf staan, dan zal ik horen wat de HEERE u gebiedt.9Toen sprak de HEERE tot Mozes:10Spreek tot de Israëlieten en zeg: Iedereen onder u of onder de generaties na u, wanneer hij onrein is vanwege [het aanraken van] een dood lichaam of ver onderweg is, moet [toch] voor de HEERE het Pascha houden.11In de tweede maand, op de veertiende dag, tegen het vallen van de avond, moeten zij het houden; met ongezuurde [broden], en met bittere kruiden moeten zij het eten.12Zij mogen er niets van over laten blijven tot de [volgende] morgen en mogen er geen been van breken; volgens alle verordeningen voor het Pascha moeten zij het houden.13Maar de man die rein is en niet onderweg is, en die nalaat om het Pascha te houden, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden. Hij heeft immers de offergave van de HEERE niet op zijn vastgestelde tijd aangeboden; die persoon moet zijn zonde dragen.14En wanneer er een vreemdeling bij u verblijft, moet [ook] hij het Pascha voor de HEERE houden. Volgens de verordening van het Pascha en de bepaling ervan, zo moet hij het houden. Voor u geldt één verordening, zowel voor de vreemdeling als voor de ingezetene van het land.; 15:32-3632Toen de Israëlieten in de woestijn waren, troffen zij een man aan die hout sprokkelde op de sabbatdag.33En zij die hem aantroffen terwijl hij hout sprokkelde, brachten hem naar Mozes en naar Aäron, en naar heel de gemeenschap.34Zij namen hem in hechtenis, want er was [nog] geen beslissing genomen wat met hem gedaan moest worden.35Toen zei de HEERE tegen Mozes: Die man moet zeker gedood worden. Heel de gemeenschap moet hem met stenen stenigen buiten het kamp.36Toen bracht heel de gemeenschap hem weg tot buiten het kamp, en zij stenigden hem met stenen, zodat hij stierf, zoals de HEERE Mozes geboden had.; 27:1-111Toen kwamen de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, van de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef, naar voren. Dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, Milka en Tirza.2Zij gingen staan voor Mozes en voor Eleazar, de priester, en voor de leiders en heel de gemeenschap, [bij] de ingang van de tent van ontmoeting, [met het verzoek]:3Onze vader is gestorven in de woestijn, hoewel hijzelf niet behoorde tot de aanhang van hen die tegen de HEERE hadden samengespannen, tot de aanhang van Korach; hij is om zijn [eigen] zonde gestorven. Hij had echter geen zonen.4Waarom zou de naam van onze vader uit het midden van zijn geslacht worden weggenomen, [alleen maar] omdat hij geen zoon had? Geef ons bezit te midden van de broers van onze vader.5Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht van de HEERE.6En de HEERE sprak tot Mozes:7De dochters van Zelafead hebben gelijk; u moet hun inderdaad een eigen erfelijk bezit geven, te midden van de broers van hun vader, en u moet het erfelijk bezit van hun vader op hen doen overgaan.8En tegen de Israëlieten moet u zeggen: Wanneer iemand sterft en geen zoon heeft, dan moet u zijn erfelijk bezit op zijn dochter doen overgaan.9En als hij geen dochter heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan zijn broers geven.10En als hij geen broers heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan de broers van zijn vader geven.11Als ook zijn vader geen broers heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan zijn bloedverwant geven die uit zijn geslacht het nauwst aan hem verwant is, zodat die het in bezit neemt. Dit is voor de Israëlieten een rechtsverordening, zoals de HEERE Mozes geboden heeft.).

De HEERE bepaalt dat de man gestenigd moet worden. Maar eerst moeten allen die de lastering hebben gehoord, hun handen op zijn hoofd leggen. Het opleggen van handen betekent het zich een maken met het voorwerp waarop de handen worden opgelegd. In dit geval leggen zij de schuld van de misdaad waarvan zij getuigen zijn geweest op het hoofd van de dader. Zij ontlasten daarmee zichzelf.

Deze lasteraar van de Naam is de eerste die krachtens de wet van Mozes de doodstraf ondergaat. Later wordt deze wet door goddeloze rechters misbruikt om de Heer Jezus ter dood te veroordelen (Mt 26:65b-6665Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft gelasterd; waarom hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u de lastering gehoord; wat vindt u ervan?66Zij nu antwoordden en zeiden: Hij is [de] dood schuldig.). Stéfanus zal de eerste martelaar voor de Naam van de Heer Jezus zijn door misbruik van deze wet door dezelfde misdadige rechters (Hd 6:1111Toen stookten zij mannen op die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden horen spreken tegen Mozes en God.).

De bepalingen voor vergelding van toegebracht letsel of doodslag zijn op dat moment al van toepassing voor Israël (Ex 21:12-3612Wie iemand [zó] slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden.13Maar [voor het geval] dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten.14Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt [en] hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven.15Wie zijn vader of zijn moeder slaat, moet zeker gedood worden.16Wie een mens ontvoert, of hij hem [nu] verkocht heeft, of dat hij hem [nog] in zijn bezit heeft, moet zeker gedood worden.17En wie zijn vader of zijn moeder vervloekt, moet zeker gedood worden.18Wanneer mannen onenigheid krijgen en de een slaat de ander met een steen of met [zijn] vuist, zodat hij [weliswaar] niet sterft, maar [wel] het bed moet houden –19als hij weer opstaat en buiten wandelt met zijn staf, gaat hij die hem sloeg, vrijuit. Alleen moet hij diens [gedwongen] rusttijd vergoeden en hem geheel laten genezen.20Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met de stok [zó] slaat dat deze onder zijn hand sterft, moet hij zeker gewroken worden.21Als [de slaaf] echter[ [nog] een of twee dagen op de been blijft, wordt hij niet gewroken, want het is zijn [eigen] geld.22Wanneer mannen vechten en [daarbij] een zwangere vrouw [zó] treffen dat haar kind geboren wordt, maar er geen dodelijk letsel is, dan moet de schuldige zeker een boete betalen, zo [groot] als de echtgenoot van de vrouw hem oplegt. Hij moet die betalen via de rechters.23Maar als er [wel] dodelijk letsel is, moet u geven leven voor leven,24oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet,25brandwond voor brandwond, wond voor wond, striem voor striem.26Wanneer iemand een oog van zijn slaaf of een oog van zijn slavin [zó] raakt dat het verloren gaat, moet hij hem vrij laten gaan [als vergoeding] voor zijn oog.27En als hij een tand van zijn slaaf of een tand van zijn slavin uitslaat, moet hij hem vrij laten gaan [als vergoeding] voor zijn tand.28En wanneer een rund een man of een vrouw [zó] stoot dat deze sterft, moet het rund zeker gestenigd worden en mag zijn vlees niet worden gegeten. De eigenaar van het rund gaat echter vrijuit.29Maar als het rund al eerder stotig was en zijn eigenaar daarvoor gewaarschuwd was, maar hij het [toch] niet bewaakte, en [als] het [dan] een man of een vrouw doodt, moet dat rund gestenigd worden, maar ook zijn eigenaar moet ter dood gebracht worden.30Als hem een afkoopsom wordt opgelegd, moet hij als losprijs voor zijn leven alles geven wat hem wordt opgelegd.31Stoot het [dier] een zoon of stoot het een dochter, dan moet tegen [het dier] volgens deze bepaling gehandeld worden.32Als het rund een slaaf of slavin stoot, moet [de eigenaar] aan zijn meester dertig sikkel zilver geven, en het rund moet gestenigd worden.33Wanneer iemand een put openlaat of wanneer iemand een put graaft en die niet afdekt, en een rund of ezel valt daarin,34dan moet de eigenaar van de put [daarvoor] vergoeding geven. Hij moet aan de eigenaar van [het dier] geld teruggeven, maar het dode [dier] zal voor hem zijn.35Wanneer iemands rund het rund van zijn naaste [zó hard] treft dat het sterft, moet men het levende rund verkopen en de opbrengst daarvan samen delen, en het dode [dier] moet men ook samen delen.36Maar als het bekend was dat het rund al eerder stotig was, en zijn eigenaar het niet bewaakte, moet hij [het dier] volledig vergoeden, een rund voor een rund. Het dode [dier] zal echter voor hem zijn.). Het geval van de zoon van de Egyptenaar is de aanleiding om deze regels van vergelding ook voor de vreemdeling van toepassing te verklaren (vers 2222Voor u geldt één recht, zowel voor de vreemdeling als voor de ingezetene, want Ik ben de HEERE, uw God.). Het “oog voor oog, tand voor tand” beginsel geeft aan dat de strafmaat in overeenstemming moet zijn met de misdaad, niet hoger en niet lager. Het gaat om een rechtvaardige straf.

De beide gedeelten in dit hoofdstuk staan niet in chronologische volgorde. In de geschiedenis van het volk zal het zo zijn dat eerst Israël verworpen zal worden vanwege hun zonde en dat daarna de nacht aanbreekt voor het volk, de nacht waarin de hogepriester het licht brandend houdt. Het is de genade van God dat Hij die volgorde heeft omgedraaid. Hij kent de hardnekkigheid van Zijn volk, maar Hij handelt naar Zijn eigen voornemen. Dit voornemen zal uitgevoerd worden vanwege de dienst van de Heer Jezus nu in het heiligdom.


Lees verder