Leviticus
1-6 Voorschriften bij sterfgevallen 7-9 De vrouw en een dochter van een priester 10-15 Heiligheid van de hogepriester 16-24 Uitzonderingen priesterdienst
Voorschriften bij sterfgevallen

1De HEERE zei tegen Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tegen hen: [Een priester] mag zichzelf niet verontreinigen met een dode onder zijn volksgenoten, 2behalve met zijn naaste bloedverwant: met zijn moeder, met zijn vader, met zijn zoon, met zijn dochter, met zijn broer. 3En met zijn zuster die maagd is, [die] nauw aan hem verwant is, die [nog] niet aan een man toebehoort. Met haar mag hij zich verontreinigen. 4Hij mag zich [als] echtgenoot niet verontreinigen met zijn volksgenoten. Hij zou zichzelf daardoor ontheiligen. 5[Priesters] mogen op hun hoofd geen kale plek maken, de rand van hun baard niet afscheren en in hun lichaam geen inkervingen maken. 6Zij moeten heilig zijn voor hun God en de Naam van hun God mogen zij niet ontheiligen, want zij bieden de vuuroffers van de HEERE aan, het voedsel van hun God. Daarom moeten zij heilig zijn.

Er zijn dingen die een gewone Israëliet wel mag doen, maar een priester niet. Het betreft hier verontreiniging door aanraking met de dood. Alleen in geval van naaste familieleden mag de priester ze aanraken, om af te leggen bijvoorbeeld. De hogepriester mag zelfs zijn vader of moeder niet aanraken als zij gestorven zijn (vers 1111Hij mag bij geen enkel lichaam van een dode komen. [Zelfs] met zijn vader en met zijn moeder mag hij zich niet verontreinigen.).

Wij zijn zowel gewone leden van Gods volk als priesters. Als gewone leden zijn we elke dag bezig in de wereld. Als priesters, wat we ook zijn, dienen we in het heiligdom in de tegenwoordigheid van God. In onze priesterdienst mogen we geen dingen toelaten die wel een plaats hebben in ons leven als volk van God.

We kunnen zo druk zijn met onze hobby of andere vormen van tijdverdrijf, dat dit ons denken op zondagmorgen nog helemaal in beslag neemt. Dan kunnen we geen priesterdienst uitoefenen. Er kunnen ook zorgen zijn van allerlei aard die ons zozeer in beslag nemen, dat we ook hierdoor worden gehinderd in onze priesterdienst.

(Heidense) rouwgebruiken zijn verboden voor priesters. We mogen bedroefd zijn, maar niet op de manier van de wereld, die zonder hoop is met betrekking tot de gestorvene (1Th 4:1313Maar wij willen niet dat u onwetend bent, broeders, wat betreft hen die ontslapen, opdat u niet bedroefd bent, zoals ook de overigen die geen hoop hebben.). De natuurlijke gevoelens mogen niet bepalend zijn voor onze priesterdienst. Het gaat om het brengen van het voedsel van God, wat Hem toekomt.

De plaats van elk aspect van het leven wordt door God bepaald, of het nu vreugde of rouw is. De Heer Jezus heeft Zich in Zijn dienst op aarde ook niet door natuurlijke gevoelens laten leiden. Als Zijn moeder zich in Zijn dienst wil mengen, wijst Hij haar terecht met de ogenschijnlijk harde woorden: “Wat heb Ik met u te doen, vrouw?” (Jh 2:44<En> Jezus zei tot haar: Wat heb Ik met u te doen, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen.). Toch heeft Hij haar lief en denkt in de smartelijkste ogenblikken ook aan haar. Wanneer Hij aan het kruis hangt, geeft Hij Zijn moeder met de woorden “zie, uw moeder”, over aan de zorg van Zijn discipel Johannes (Jh 19:2727Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar in zijn [huis].).

Onze eerste verantwoordelijkheid is de dienst aan God, daarna pas die aan onze verwanten en anderen (Mk 3:31-3531En Zijn moeder en Zijn broers kwamen, en terwijl zij buiten stonden, zonden zij [iemand] naar Hem toe om Hem te roepen.32En een menigte zat om Hem heen. En zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers <en Uw zusters> daarbuiten zoeken u.33En Hij antwoordde hun en zei: Wie is Mijn moeder en Mijn broeders?34En terwijl Hij hen, die om Hem heen zaten, rondom aankeek, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders!35<Want> wie de wil van God doet, die is Mijn broeder en zuster en moeder.). Onze dienst aan God houdt zeker ook zorg voor onze verwanten en zeker voor onze ouders in (Mt 15:4-64Want God heeft gezegd: ‘Eer uw vader en moeder’ en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet [de] dood sterven’.5Maar u zegt: ‘Wie tot zijn vader of moeder zegt: [Het is] een gave, wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen’, – die zal zijn vader <of zijn moeder> geenszins eren.6En u hebt [zo] het Woord van God krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering.). Die zorg verwaarlozen met een beroep op onze dienst aan God is huichelarij. Als het gaat om de claim die verwanten willen leggen op onze dienst aan God, dan moeten we die afwijzen.


De vrouw en een dochter van een priester

7Zij mogen geen vrouw nemen die een hoer of ontheiligde is. Zij mogen ook geen vrouw nemen die door haar man verstoten is, want [een priester] is heilig voor zijn God. 8Daarom moet u hem voor heilig houden, want hij biedt het voedsel van uw God aan. Hij moet heilig voor u zijn, want Ik ben heilig. Ik ben de HEERE, Die u heiligt. 9Als een dochter van een zekere priester zich ontheiligt door hoererij te bedrijven, dan ontheiligt zij haar vader. Zij moet met vuur verbrand worden.

Genegenheid is goed, maar God wil dat we er als priesters wel zorgvuldig in zijn. Mensen aan wie de zonde kleeft, kunnen geen personen zijn aan wie we ons verbinden. De heiligheid van God blijft in alle dingen de norm. Dat maakt de ontucht van een priesterdochter zo ernstig. Hoe is zij zover gekomen? Haar zonde heeft gevolgen voor de priesterdienst van haar vader. De ernst van haar zonde zien we daarin dat zij met vuur moet worden verbrand. Iemand die van zo dichtbij Gods heiligheid heeft leren kennen en dan zo durft te handelen, wordt prijsgegeven aan het oordeel van de verbranding.

Voor de priester is het een grote oneer dat zijn dochter zo heeft gehandeld. Hij zal zich afvragen wat zijn falen daarin is geweest. Als kinderen van gelovigen die een bepaalde dienst uitoefenen te midden van de gelovigen de wereld gaan dienen, werpt dat een smet op de dienst van de ouders. In dergelijke gevallen is het niet mogelijk bepaalde functies in de gemeente uit te oefenen (1Tm 3:4-54iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid,5– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –). Anderzijds dragen kinderen van gelovige, Godvrezende ouders ook persoonlijk een grote verantwoordelijkheid en zullen er des te strenger om geoordeeld worden (“met vuur verbrand worden”).


Heiligheid van de hogepriester

10De priester die de hoogste onder zijn broeders is, over wiens hoofd de zalfolie is uitgegoten en die gewijd is om de [priester]kleding aan te trekken, mag zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn kleding niet scheuren. 11Hij mag bij geen enkel lichaam van een dode komen. [Zelfs] met zijn vader en met zijn moeder mag hij zich niet verontreinigen. 12Hij mag niet uit het heiligdom weggaan, zodat hij het heiligdom van zijn God niet ontheiligt, want de wijding van de zalfolie van zijn God is op hem. Ik ben de HEERE. 13Hij moet een vrouw nemen die nog maagd is. 14Een weduwe, een verstoten vrouw of een door hoererij ontheiligde vrouw, deze mag hij niet nemen, maar hij moet een maagd tot vrouw nemen uit zijn volksgenoten, 15zodat hij zijn nageslacht onder zijn volksgenoten niet ontheiligt. Voorzeker, Ik ben de HEERE, Die hem heiligt.

De heiligheidsnormen voor de hogepriester zijn nog strenger. De normen van heiligheid voor de hogepriester komen overeen met die voor de nazireeër (Nm 6). Er is sprake van een bijzondere toewijding aan God. De hogepriester wordt hier “de hoogste onder zijn broeders” genoemd. Dat ziet vooral op de Heer Jezus. Hij wordt “[de] Eerstgeborene onder vele broeders” (Rm 8:2929Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.) en “[de] Eerstgeborene uit de doden” (Ko 1:1818En Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente, Hij Die [het] begin is, [de] Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen.) genoemd. Die ‘broeders’ zijn de gelovigen (Hb 2:1111Want én Hij Die heiligt én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt:).

De vrouw van de hogepriester moet een maagd zijn. Dat ziet op de bruid van de Heer Jezus, die ook zo wordt voorgesteld (2Ko 11:22Want ik ben na-ijverig over u met een na-ijver van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen.). Een maagd heeft geen gemeenschap gehad met iemand anders en is er geheel voor de bruidegom. Zo ziet de Heer Jezus Zijn bruid, de gemeente.


Uitzonderingen priesterdienst

16De HEERE sprak tot Mozes: 17Spreek tot Aäron en zeg: Niemand van je nageslacht, [al] hun generaties door, die een gebrek heeft, mag naar voren komen om het voedsel van zijn God aan te bieden. 18Voorzeker, geen enkele man die een gebrek heeft, mag naar voren komen: een blinde man, of een verlamde, of iemand met een misvormd gezicht of te lange ledematen, 19of iemand die een [vergroeide] breuk [in zijn] voet, of een [vergroeide] breuk [in zijn] hand heeft, 20of iemand met een bochel, of een dwerg, of iemand met een vlek op zijn oog, of met uitslag, of een huidziekte of met verminkte testikels. 21Geen enkele man uit het nageslacht van de priester Aäron met een gebrek mag naderbij komen om de vuuroffers van de HEERE aan te bieden. Hij heeft een gebrek, [daarom] mag hij niet naderbij komen om het voedsel van zijn God aan te bieden. 22Hij mag [wel] het voedsel van zijn God eten, zowel van de allerheiligste als van de heilige [offergaven], 23maar omdat hij een gebrek heeft, mag hij niet bij het voorhangsel komen en niet tot het altaar naderen, opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheiligt, want Ik ben de HEERE, Die hen heiligt. 24Mozes sprak [deze woorden] tot Aäron en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten.

Uitzonderingen om het priesterschap uit te oefenen zijn:

1. dochters (alleen zonen mogen priester zijn);
2. als ze nog te jong zijn (priesters moeten een bepaalde leeftijd bereikt hebben);
3. als ze een bepaald lichaamsgebrek hebben.

Ad 1. Het vrouwelijke spreekt van de positie, het mannelijke van de kracht waarin de positie wordt verwerkelijkt. Weten dat je priester bent, is één ding, het in de praktijk ook te zijn is iets anders. Alleen een orthodoxe belijdenis (‘dochter’) maakt iemand nog geen priester (‘zoon’).
Ad 2. Om priesterdienst uit te kunnen oefenen is een zekere mate van geestelijke groei of rijping nodig.
Ad 3. Een priester kan zoon zijn, een bepaalde leeftijd hebben en toch ongeschikt zijn om priester te zijn. Iemand met een gebrek mag wel van de heilige dingen eten (vers 2222Hij mag [wel] het voedsel van zijn God eten, zowel van de allerheiligste als van de heilige [offergaven],). Hij is niet onrein. Toch mag hij geen priesterdienst verrichten.

Het gebrek dat hij heeft, hoeft geen eigen schuld te zijn. Blindheid kan, geestelijk toegepast, het gevolg zijn van verkeerd onderwijs. Anderen krijgen sterk eenzijdig geestelijk onderwijs waardoor ze mismaakt raken, waardoor de verhoudingen in het begrijpen van de waarheid uit hun evenwicht raken.

Wat in Israël niet mogelijk is in letterlijke zin – iemand van zijn mismaaktheid afhelpen – is in de gemeente in geestelijke zin wel mogelijk: de Heer Jezus kan verandering in een toestand van mismaaktheid brengen als we ons aan Hem toevertrouwen.


Lees verder