Leviticus
Inleiding 1-2 Heiligheid van God uitgangspunt 3-4 Relatie tot ouders, sabbat en afgoden 5-8 Bepalingen voor het dank- of vredeoffer 9-10 Restanten van de oogst 11 Niet stelen, liegen of bedriegen 12-13 Valse eed, afpersen en beroven 14 Zorg voor de dove en de blinde 15-16 Eerlijke beoordeling 17 De plicht om terecht te wijzen 18 De naaste liefhebben 19 Verboden vermenging 20-22 Gemeenschap met een slavin 23-25 Eten van de vrucht van het land 26-31 Afgodische praktijken 32-37 Eerbied, liefhebben en recht doen
Inleiding

De verscheidenheid aan onderwerpen in dit hoofdstuk toont de veelzijdigheid van het leven. We zien hier dat alle aspecten van het menselijk leven onder het gezag van Gods wet staan.


Heiligheid van God uitgangspunt

1De HEERE sprak tot Mozes: 2Spreek tot heel de gemeenschap van de Israëlieten, en zeg tegen hen: Heilig moet u zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig.

Leviticus 18 is hoofdzakelijk negatief; dit hoofdstuk bevat ook positieve elementen. Afzondering is niet alleen afstand nemen van bepaalde vormen van kwaad, wat in Leviticus 18 sterk naar voren komt, maar afzondering is ook tot een bepaald doel of een bepaalde persoon. Het gaat hier om afzondering tot God, om positieve toewijding aan Hem.

Wat in dit hoofdstuk naar voren komt, gaat het hele volk van God aan en niet alleen Aäron en zijn zonen. Het betreft niet zozeer de priesterdienst, maar het dagelijks leven van de leden van Gods volk. Voor de uitvoering van deze voorschriften zijn alle leden van Gods volk nodig. Nergens in Leviticus wordt het hele volk op de manier aangesproken, zoals dat hier gebeurt. God wil Zijn heiligheid in alle leden van Zijn volk weerspiegeld zien. Het is als met de nieuwe mens die naar God geschapen is (Ef 4:2424en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.). Om die nieuwe mens te laten zien zijn ook alle gelovigen nodig.

In Leviticus 18 ligt de nadruk op de HEERE, dat betekent op Hem als Degene Die in een verbondsrelatie met Zijn volk staat. In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de heiligheid van de HEERE. Wij moeten ons goed realiseren dat de heilige God van het Oude Testament ook de heilige God van het Nieuwe Testament is (1Pt 1:15-1615maar wordt, zoals Hij Die u geroepen heeft heilig is, ook zelf heilig in al [uw] wandel;16want er staat geschreven: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’.). Dat we niet meer onder de wet zijn, maar onder de genade, verandert niets aan Gods heiligheid. Achter alle geboden van God staat Zijn heiligheid.


Relatie tot ouders, sabbat en afgoden

3Ieder moet ontzag hebben voor zijn moeder en zijn vader en Mijn sabbatten in acht nemen. Ik ben de HEERE, uw God. 4U mag u niet tot de afgoden wenden en voor uzelf geen gegoten goden maken. Ik ben de HEERE, uw God.

Beide geboden die in vers 33Ieder moet ontzag hebben voor zijn moeder en zijn vader en Mijn sabbatten in acht nemen. Ik ben de HEERE, uw God. worden genoemd vormen een samenvatting van de hele wet. Het gaat om de erkenning van het door God verleende gezag en het gezag van God Zelf.

Ontzag voor God, Die we niet zien, wordt in de eerste plaats getoond door ontzag te hebben voor vader en moeder die we wel kunnen zien (vgl. Ml 1:6a6Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HEERE van de legermachten tegen u, priesters die Mijn Naam verachten. Maar u zegt: Waardoor verachten wij Uw Naam?). Vader en moeder zijn Gods eerste gezagsinstantie op aarde waarmee een mens te maken krijgt zodra hij geboren is. Het eren van vader en moeder geldt zolang zij leven en niet alleen als we bij hen in huis wonen. De moeder wordt het eerst genoemd. Ook als de vader overleden is, blijft het gebod haar te eren.

Aan dit gebod om ontzag te hebben voor de eerste gezagsinstantie waarmee een mens op aarde te maken heeft, wordt het sabbatsgebod gekoppeld. Door het in acht nemen van Gods sabbatten toont de Israëliet zijn erkenning van God. Bij alle geboden kan een bepaalde nuttigheid worden verondersteld. Bij het sabbatsgebod is dat niet direct aan te wijzen. Een mens kan het eerder zien als een dag met productiviteitsverlies. Wie dit gebod houdt, doet het, omdat God het heeft gezegd.

In de geestelijke betekenis legt het sabbatsgebod de basis voor alle verhoudingen. Als we rusten in de rust van God, dat is in het werk van Christus, zal er ook in de familierelaties rust zijn in de erkenning van de verplichtingen die God daarin heeft gegeven.

Vader en moeder (gezin) en sabbat (rust na werken) zijn door God ingesteld vóór de zondeval. Deze instellingen vormen de peilers van een vredige wereldorde en burgerlijke welvaart. Allen die tot Gods volk behoren, mogen deze peilers in geestelijke zin in ere herstellen.

Het gebod van het eren van vader en moeder geldt ook voor de gemeente (Ef 6:22‘Eer uw vader en uw moeder’, – dit is het eerste gebod met een belofte:). Het sabbatsgebod kan niet letterlijk worden gehouden, omdat Gods rust met betrekking tot de schepping door de zonde is verstoord (Jh 5:16-1716En daarom vervolgden de Joden Jezus, omdat Hij deze dingen op sabbat deed.17Maar <Jezus> antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk [ook].). Voor de schepping is die rust nog toekomst (Hb 4:99Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God.). In geestelijke zin rust God in het werk van Zijn Zoon en ook wij mogen daarin rusten.

Het kind dat leert vader en moeder te vrezen, zal ook God vrezen en zich ver houden van de afgoden. De verbinding met de naaste kan alleen goed zijn als ook de verbinding naar boven, met God, goed is. Als God niet meer voor onze aandacht staat, omdat andere dingen belangrijker zijn geworden (afgoden in welke vorm dan ook), zal de relatie met onze directe naasten, onze familieleden, verkillen.


Bepalingen voor het dank- of vredeoffer

5Wanneer u nu een dankoffer aan de HEERE brengt, moet u [dat] zo brengen dat u voor Hem welgevallig bent. 6Op de dag van uw offer en op de volgende dag mag het gegeten worden, maar wat tot de derde dag overblijft, moet met vuur verbrand worden. 7Maar als het toch op de derde dag gegeten wordt, is het onrein vlees. Het zal [u] niet ten goede komen. 8Wie het namelijk eet, moet zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige van de HEERE ontheiligd heeft. Daarom moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.

Echte relaties, dat wil zeggen vormen van gemeenschap met onze naaste, hebben alleen betekenis door het dank- of vredeoffer. Dat lijkt de reden voor het nog eens vermelden van de voorwaarden met betrekking tot het dank- of vredeoffer. Het dank- of vredeoffer, het gemeenschapsoffer, moet telkens vernieuwd worden gebracht (vgl. Lv 7:15-1815En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten.16Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.17Wat er dan [nog] van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, moet op de derde dag in het vuur verbrand worden,18want als er op de derde dag ook maar [een deel] van het vlees van zijn dankoffer gegeten wordt, dan komt het hem die het aangeboden heeft, niet ten goede; het wordt [hem] niet toegerekend. Het is onrein vlees: de persoon die daarvan eet, moet zijn ongerechtigheid dragen.).

We moeten ons steeds opnieuw realiseren dat onze gemeenschap met elkaar en met God is gegrond op het werk van de Heer Jezus. Als onze gemeenschap, die we eerst hebben beleefd als een gevolg van het werk van de Heer Jezus, is afgezakt naar het niveau van de wereld, dan is die gemeenschap een gruwel voor God. Voor Hem bestaat er maar één gemeenschap: de gemeenschap die gekenmerkt wordt door Zijn Zoon Jezus Christus (1Ko 1:99God is getrouw, door Wie u geroepen bent tot [de] gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus onze Heer.).


Restanten van de oogst

9Wanneer u nu de oogst van uw land binnenhaalt, mag u de rand van uw akker niet helemaal afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, mag u niet oprapen. 10U mag ook uw wijngaard niet nalopen en de afgevallen druiven van uw wijngaard niet oprapen. U moet ze voor de arme en voor de vreemdeling achterlaten. Ik ben de HEERE, uw God.

De zorg voor en bescherming van de naaste volgen op het eerbetoon aan God in het dank- of vredeoffer. Aan offers van lof en dank worden onlosmakelijk offers van barmhartigheid gekoppeld (Hb 13:15-1615Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.16En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen.). De oogsttijd is een tijd van vreugde, waarin we ook anderen willen laten delen. Wat anderen van ons krijgen, is geen verlies of verspilling, maar levert ons zegen op (Ru 2:1919Vervolgens zei haar schoonmoeder tegen haar: Waar heb je vandaag [aren] geraapt en waar heb je gewerkt? Moge hij die naar je omgezien heeft, gezegend worden. En zij vertelde haar schoonmoeder bij wie zij gewerkt had en zei: De naam van de man bij wie ik vandaag gewerkt heb, is Boaz.).

Het is onze opdracht dat onze arme naaste toch te eten krijgt. Het is niet de wil van God dat er arme Israëlieten zijn. Als ze het toch zijn, kan dat eigen schuld zijn. Maar God wil niet dat de rijkere zich aan de arme onttrekt. Geestelijk is dat ook zo. Als gelovigen lui geweest zijn in het leren kennen van hun rijkdom, dan wil de Heer dat we toch iets met hen delen om hen van de rijkdom die wij hebben leren kennen te laten meegenieten.


Niet stelen, liegen of bedriegen

11U mag niet stelen, u mag niet liegen of iemand zijn naaste bedriegen.

Deze vermaningen heeft Gods volk nodig. Ze staan ook in de brief aan de Efeziërs, aan wie de hoogste zegeningen zijn bekendgemaakt. In die brief wordt niet alleen iets verboden, maar ook gewezen op de positieve keerzijde. Dan is er in plaats van liegen de waarheid spreken: Legt daarom de leugen af en spreekt de waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar” (Ef 4:2525Legt daarom de leugen af en spreekt [de] waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar.). En in plaats van stelen is er weggeven: Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn eigen handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft” (Ef 4:2828Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn <eigen> handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft.; Ko 3:99Liegt niet tegen elkaar, daar u de oude mens met zijn daden hebt uitgedaan).


Valse eed, afpersen en beroven

12U mag geen valse eed afleggen in Mijn Naam, en zo de Naam van uw God ontheiligen. Ik ben de HEERE. 13U mag uw naaste niet afpersen en niet beroven. Het arbeidsloon van de dagloner mag niet de nacht bij u overblijven tot de [volgende] morgen.

Het is een grote zonde als we anderen onthouden, wat wij hun verschuldigd zijn. Dit geldt zowel letterlijk (Jk 5:44Zie, het loon van de arbeiders die uw akkers geoogst hebben, dat door u is ingehouden, roept, en de kreten van de maaiers zijn gekomen tot de oren van [de] Heer Zebaoth.) als geestelijk (Mt 18:32b-3332Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tot hem: Boze slaaf, die hele schuld heb ik je kwijtgescholden, daar je mij gesmeekt hebt;33had ook jij je niet moeten erbarmen over je medeslaaf, zoals ook ik mij over jou erbarmd heb?) gebeuren.

Wat we de naaste aandoen, doen we onszelf aan. In het lichaam van Christus zijn we aan elkaar verbonden als leden. Wat het ene lid doet, heeft uitwerking op het andere lid. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Dat dit niet altijd zo wordt ervaren, doet aan de waarheid ervan niets af.


Zorg voor de dove en de blinde

14U mag een dove niet vervloeken en vóór een blinde mag u geen struikelblok neerleggen, maar u moet uw God vrezen. Ik ben de HEERE.

Iemand kan doof zijn door een lichamelijk gebrek, hij kan doof zijn, omdat hij buiten het gehoor van de vervloeker is, hij kan zich ook doof houden voor een vervloeker (Ps 38:14a14Maar ik ben als een dove, ik hoor niet,
en als een stomme, [die] zijn mond niet opendoet.
)
. Een dove hoort de vervloeking niet, maar God hoort die wel en rekent het de vervloeker zwaar aan. Het beledigen van mensen die zich niet kunnen of niet willen verweren, wordt door God waargenomen.

Een blinde een struikelblok in de weg leggen is ook laaghartig. Als wij geestelijk een bepaalde waarheid mogen zien, kunnen wij anderen een struikelblok in de weg leggen, die mogelijk voor die bepaalde waarheid blind zijn (vgl. 1Ko 8:8-98Voedsel maakt ons echter niet aangenaam bij God; eten wij niet, wij zijn er niet minder om; en eten wij wel, wij zijn er niet beter om.9Maar kijkt u uit, dat dit recht van u niet misschien een struikelblok wordt voor de zwakken.; Rm 14:1313Laten wij dan niet meer elkaar oordelen; maar komt liever tot dit oordeel, dat u voor uw broeder geen struikelblok plaatst, of een aanleiding tot vallen.).

Tot zulke laaghartige dingen zijn wij in staat. Zelfs David geeft blijk van een hartgrondige afkeer van lammen en blinden (2 Sm 5:8). Maar zo is God niet. En Hem behoren wij te vertonen. We zijn immers in overeenstemming met Hem geschapen.


Eerlijke beoordeling

15U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, u mag geen partij trekken voor de arme en de aanzienlijke niet voortrekken. Op rechtvaardige wijze moet u uw naaste oordelen. 16U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan, u mag uw naaste niet naar het leven staan. Ik ben de HEERE.

Een eerlijke beoordeling, zonder aanzien des persoons, is handelen naar het voorbeeld van God. Josafat handelt naar dit voorschrift als hij rechters aanstelt. Hij zegt: Nu dan, laat grote vrees voor de HEERE over u komen; neem [uw plichten] waar, en doe [ze], want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht, geen partijdigheid of aanneming van geschenken” (2Kr 19:77Nu dan, laat grote vrees voor de HEERE over u komen; neem [uw plichten] waar, en doe [ze], want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht, geen partijdigheid of aanneming van geschenken.). Jakobus waarschuwt voor dit maken van onderscheid en spreekt daarbij over “boze overleggingen” (Jk 2:1-41Mijn broeders, hebt het geloof in onze Heer Jezus Christus, [de Heer] der heerlijkheid, niet met aanzien des persoons.2Want als er in uw synagoge een man binnenkomt met een gouden ring, in prachtige kleding, en er komt ook een arme binnen in haveloze kleding,3en u kijkt op tegen hem die de prachtige kleding draagt en zegt: Gaat u daar staan, of: Gaat u hier op een goede plaats zitten, en tot de arme zegt u: Gaat u <hier> onderaan mijn voetenbank zitten,4hebt u dan niet bij uzelf onderscheid gemaakt en bent rechters met boze overleggingen geworden?).

We zullen onze naaste niet naar het leven staan, wat gebeurt als we hem het leven onmogelijk maken door over hem te lasteren. Wie als een lasteraar rondgaat, zaait dood en verderf onder Gods volk. In Ezechiël 22 worden laster en moord ook met elkaar verbonden (Ez 22:9a9Lasteraars zijn bij u geweest om bloed te vergieten en zij hebben op de bergen bij u gegeten. In uw midden hebben zij zich schandelijk gedragen.). Wie het goede voor zijn broeder of zuster zoekt, is erop uit de ander het leven in zijn rijkste vorm te laten genieten te midden van het gezelschap van Gods kinderen. De Heer Jezus is het leven.


De plicht om terecht te wijzen

17U mag in uw hart uw broeder niet haten. U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen zonde op hem laadt.

Een ander terechtwijzen is ook een vorm van liefde en zorg voor de naaste (Ps 141:55Slaat de rechtvaardige mij, het zal een gunst zijn,
bestraft hij mij, het zal olie op mijn hoofd wezen,
mijn hoofd zal het niet weigeren;
dan nog is mijn gebed [voor hen] in al hun ellende.
; Sp 27:5-65Openlijke bestraffing is beter dan verborgen liefde.
6Wonden door [iemand] die liefheeft, zijn tekenen van trouw,
maar overvloedig zijn de kussen van een hater.
)
. Zonde in hem verdragen en er dus niets van zeggen betekent hem haten. Als de naaste in zijn zonde blijft leven, mist hij de gemeenschap met God en de medegelovigen. Terechtwijzen moet wel in liefde gebeuren. Liefde bedekt de zonde voor anderen, maar niet voor de zondaar zelf. De houding van “ben ik de hoeder van mijn broer?” (Gn 4:99En de HEERE zei tegen Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet [het] niet; ben ik de hoeder van mijn broer?) is de houding van Kaïn en staat tegenover wat God hier zegt.


De naaste liefhebben

18U mag geen wraak nemen of een [wrok] koesteren tegen uw volksgenoten, maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben de HEERE.

Evenals vers 1717U mag in uw hart uw broeder niet haten. U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen zonde op hem laadt. laat dit vers zien dat het niet alleen om uiterlijke handelingen gaat, maar dat het gaat om de innerlijke motieven die tot de uiterlijke handelingen voeren. Het gaat erom vanuit welke gezindheid we handelen.

Voor ons geldt een hogere norm: elkaar liefhebben zoals God en Christus ons hebben liefgehad. In de wet ben ik de norm, in het christendom is Christus de norm. Als ik de norm ben, zal ik een ander niet benadelen. Als Christus de norm is, zal ik mijzelf voor de ander geven (1Jh 3:1616Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons heeft afgelegd; ook wij behoren het leven voor de broeders af te leggen.). Dat kan door het nieuwe leven dat ik heb, want dat leven is Christus Zelf en dat handelt in mij niet anders dan in Hem.


Verboden vermenging

19U moet Mijn verordeningen in acht nemen. Van uw dieren mag u niet twee [verschillende] soorten laten paren, uw akker mag u niet met twee [verschillende] soorten [zaad] inzaaien, en een bovenkleed uit twee verschillende soorten stof [vervaardigd] mag u niet dragen.

Met de opdracht “u moet Mijn verordeningen in acht nemen”, begint een tweede serie geboden. God verbiedt hier drie vormen van vermenging: van dieren, van zaad en van stoffen. Waarschijnlijk moeten we bij de vermenging van dieren niet in de eerste plaats aan ‘paren’ denken, maar aan samen onder een ongelijk juk gaan (Dt 22:9-119U mag uw wijngaard niet met twee soorten [zaad] inzaaien; anders wordt de volle [opbrengst] van het zaad dat u gezaaid hebt, en de opbrengst van de wijngaard geheiligd.10U mag niet ploegen met een rund en een ezel tegelijk.11U mag geen kleding van twee soorten stof aantrekken, van wol en linnen tegelijk.). Zoals we niet moeten scheiden wat God in Zijn scheppingsorde heeft samengevoegd, moeten we niet samenvoegen wat God in Zijn scheppingsorde gescheiden heeft. Hij heeft alles geschapen naar zijn soort (Gn 1:2525En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun soort, het vee naar hun soort, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort. En God zag dat het goed was.). In beide gevallen wordt verdorven wat God gegeven heeft.

De geestelijke les is dat het verboden is om zaken die niet bij elkaar horen, te vermengen. We zien dat in de christenheid waar wet en genade met elkaar worden vermengd of het vlees en de Geest. Dit kwaad wordt in de brief aan de Galaten aan de kaak gesteld. We zien het ook in de vermenging van het geloof in de Heer Jezus met heidense filosofieën, waarover de brief aan de Kolossers handelt. In 2 Korinthiërs 6:14-18 staan nog andere vormen van vermenging die verboden worden.


Gemeenschap met een slavin

20En wanneer een man met een vrouw geslapen heeft en gemeenschap met haar gehad heeft, terwijl zij als slavin voor een [andere] man bestemd is en [nog] niet daadwerkelijk vrijgekocht of vrijgelaten is, dan moet er straf komen. Zij mogen niet gedood worden, want zij was [nog] niet in vrijheid gesteld. 21Hij moet dan zijn schuldoffer voor de HEERE bij de ingang van de tent van ontmoeting brengen, een ram als schuldoffer. 22Dan zal de priester met de ram van het schuldoffer verzoening voor hem doen voor het aangezicht van de HEERE over zijn zonde, die hij begaan heeft, en hem zal vergeving worden geschonken van zijn zonde, die hij begaan heeft.

Ook slaven moeten in hun recht als mens worden erkend. Een slavin mag niet worden verlaagd tot een zakelijk eigendom. In geestelijke zin zien we hier nog een voorbeeld van een verkeerde vermenging: een man die gemeenschap heeft met een slavin. Ook dat is toe te passen op het zich een maken met wettische beginselen, die toelaten in het leven. Wie zoiets doet, laadt schuld op zich.


Eten van de vrucht van het land

23Wanneer u in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet u de vruchten ervan als verboden beschouwen. Drie jaar [lang] zullen ze voor u verboden zijn, er mag niet van gegeten worden. 24Maar in het vierde jaar zullen alle vruchten ervan heilig zijn, tot lofzegging voor de HEERE. 25En in het vijfde jaar mag u de vruchten ervan eten om de opbrengst ervan voor u te vermeerderen. Ik ben de HEERE, uw God.

Als het volk in het land is gekomen, is de vrucht van bomen die ze in het land planten, eerst onrein, ze hebben, zoals de Statenvertaling vertaalt, “de voorhuid”. Die vrucht wordt als het ware nog gevoed door grond die door de Kanaänieten is bewerkt. Drie jaar lang is het eten ervan aan Gods volk verboden, omdat ze nog te zeer verbonden is met de smet die het land aankleefde.

De vrucht in het vierde jaar mag gegeten worden, maar moet aan God worden aangeboden. Hij doet ook met betrekking tot de boomvruchten Zijn recht op de eerstelingen gelden, zoals ook bij dieren en kinderen. De erkenning van dit eerstgeboorterecht zal tot een grotere opbrengst voor het volk leiden.

Toepassing: alles wat uit de wereld voortkomt, is onrein. Wat niet afkomstig is uit God Zelf, is onrein. Daarom moeten wij de aardse dingen in verbinding met Gods Woord en het gebed brengen en op die manier de dingen die wij van de wereld gebruiken, heiligen (1Tm 4:4-54Want al [het] door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen,5want het wordt geheiligd door Gods Woord en door gebed.). Dan ook krijgt het een rijkere betekenis, een grotere opbrengst, is het meer tot eer van God.


Afgodische praktijken

26U mag niets eten waar nog bloed in zit. U mag niet aan wichelarij doen en u mag geen wolken duiden. 27U mag de zijkanten van uw hoofd niet afscheren en de randen van uw baard mag u niet weghalen. 28U mag vanwege een dode geen inkerving in uw lichaam maken en geen tatoeages bij uzelf aanbrengen. Ik ben de HEERE. 29U mag uw dochter niet schenden door haar hoererij te laten bedrijven, zodat het land geen hoererij bedrijft en het land niet met schandelijk gedrag vervuld wordt. 30U moet Mijn sabbatten in acht nemen en eerbied hebben voor Mijn heiligdom. Ik ben de HEERE. 31U mag u niet wenden tot de dodenbezweerders en tot de waarzeggers. U mag hen niet raadplegen, zodat u zich met hen verontreinigt. Ik ben de HEERE, uw God.

Gezien het verband waarin het gebod om niets te eten waar nog bloed in zit hier staat, lijkt het eten van vlees met het bloed een heidens gebruik te zijn. Ook de andere verboden staan in verbinding met het onderscheid dat God gehandhaafd wil zien tussen heidense gebruiken en wat passend is voor een volk waarmee Hij als de God van het verbond in verbinding staat.

Hij staat ook ons geen enkel uitstapje naar het rijk van de duisternis toe, bijvoorbeeld het lezen van een horoscoop. Christenen die menen dat het lezen van een horoscoop, al zou het ‘voor de lol’ zijn, hun niets doet, vergissen zich deerlijk. Elke betreding van het rijk der duisternis is geestelijke hoererij en ontoelaatbaar voor een jaloers God.

Tevens is dit verbod een bewijs van Zijn liefde voor Zijn volk dat zichzelf met deze dingen in het verderf zal voeren. Het land zal van schanddaden vol worden en een wangetuigenis worden tegenover de omringende volken. Saul heeft zich niet gehouden aan het verbod van vers 3030U moet Mijn sabbatten in acht nemen en eerbied hebben voor Mijn heiligdom. Ik ben de HEERE. en is omgekomen (1Kr 10:1313Zo stierf Saul vanwege zijn trouwbreuk, die hij tegenover de HEERE had gepleegd, vanwege het woord van de HEERE, dat hij niet in acht had genomen, en ook omdat hij een dodenbezweerder had geraadpleegd,).


Eerbied, liefhebben en recht doen

32U moet opstaan voor iemand met grijze haren en eer bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE. 33Wanneer een vreemdeling bij u in uw land verblijft, mag u hem niet uitbuiten. 34De vreemdeling die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem liefhebben als uzelf, want u bent [zelf] vreemdelingen geweest in het land Egypte. Ik ben de HEERE, uw God. 35U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, met de lengtemaat, met het gewicht en met de inhoudsmaat. 36U moet een zuivere weegschaal hebben, zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin. Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte geleid heeft. 37U moet al Mijn verordeningen en al Mijn bepalingen in acht nemen en ze houden. Ik ben de HEERE.

Het eren van een oudere is een eren van God. Oude mensen die met God leven, kunnen rekenen op Gods erkenning (Sp 16:3131Grijsheid is een sierlijke kroon,
ze wordt gevonden op de weg van de gerechtigheid.
; 20:2929Het sieraad van jonge mannen is hun kracht,
en de glorie van de ouderen is de grijsheid.
)
. Het getuigt van wijsheid als wij Hem daarin volgen. We kunnen van hun ervaringen leren (Jb 32:6-76Daarom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, en zei:
Ik ben jonger van dagen,
maar jullie zijn stokoud;
daarom was ik beschroomd en bevreesd
om jullie mijn gevoelen te vertellen.
7Ik zei: Laat de dagen spreken,
en de veelheid van jaren wijsheid bekendmaken.
)
. Vandaag worden oude mensen van geen betekenis meer geacht. Euthanasie is een maatschappelijk aanvaard middel als oplossing voor het ouderenprobleem. Een land dat zo met zijn oude mensen omgaat, zal in wanorde ontaarden (Js 3:55Het volk zal elkaar in het nauw drijven, man tegen man,
en eenieder tegen zijn naaste;
jongens zullen de ouderen aanvallen,
de geminachte de geëerde.
).

Gods volk moet niet alleen de naaste, dat is zijn volksgenoot, liefhebben. Hun liefde moet ook uitgaan naar de vreemdeling die in hun land is. Gods volk vertegenwoordigt een God Die ook liefde is. Dat hebben ze immers zelf ook ervaren, toen ze vreemdelingen in Egypte waren en Hij voor hen zorgde en hen uit de slavernij voerde. Voor ons geldt ook dat liefhebben en liefde geven ons gemakkelijker afgaat als we eraan denken hoeveel liefde ons bewezen is. “Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad” (1Jh 4:1919Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.).

Rechtspreken en met een eerlijke maat meten, toont respect voor de HEERE, voor Zijn verlossing en voor de naaste die ook met Hem in verbinding staat op basis van hetzelfde verlossingswerk. Onrecht doen onder de schijn van het recht is bedrog en huichelarij. Een grote maat gebruiken bij de inkoop van goederen en een kleine maat gebruiken bij de verkoop van goederen levert wel veel winst op, maar die is onrechtmatig verkregen en gaat ten koste van het bezit van de naaste. Dit kwaad wordt vaak aan de kaak gesteld (Sp 20:1010Tweeërlei [weeg]steen en tweeërlei efa,
ook die beide zijn voor de HEERE een gruwel.
; Am 8:5b5door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa kleiner, de sikkel groter, en u bedriegt met valse weegschalen.; Sp 20:2323Tweeërlei [weeg]steen is voor de HEERE een gruwel,
een bedrieglijke weegschaal is niet goed.
; Mi 6:1010Zijn er [in] het huis van de goddeloze
nog schatten [door] goddeloosheid [verkregen]
en een krappe efa, wat te verfoeien is?
)
.


Lees verder