Leviticus
Inleiding 1-2 Aanleiding voor de grote Verzoendag 3-4 Hoe Aäron het heiligdom moet binnengaan 5-11 De offers die Aäron moet brengen 12-13 Het reukwerk 14 Het bloed van de jonge stier 15-19 De bok voor de HEERE 20-22 De levende, weggaande bok 23-26 Verkleden, wassen, offeren 27-28 Buiten het kamp met vuur verbrand 29-31 Voorschrift voor de Verzoendag 32 Hogepriesterlijke opvolging 33-34 Eenmaal per jaar verzoening
Inleiding

Dit hoofdstuk is het hart van het boek. Het vormt de grondslag ervan. Hier wordt de vraag beantwoord hoe een heilig God kan wonen te midden van een onheilig volk en gemeenschap met dit volk kan hebben.

De offers in de eerste hoofdstukken van dit boek worden vrijwel altijd gebracht door individuele Israëlieten, hetzij vrijwillig (brandoffer en spijsoffer), hetzij verplicht (zondoffer en schuldoffer). Van een speciale dag is geen sprake. De offers op de grote Verzoendag moeten jaarlijks worden gebracht op een voorgeschreven dag en zijn voor het hele volk. De nadruk ligt op het zondoffer en het bloed. Het kruis wordt in dit hoofdstuk op de meest fundamentele wijze voorgesteld als de plaats waar de Heer Jezus als het zondoffer is gestorven, waardoor Hij de grondslag heeft gelegd voor de gemeenschap tussen God en Zijn volk.

Het Pascha stelt de grondslag van de verlossing voor, de bevrijding uit Egypte. De grote Verzoendag gaat verder. Hierdoor is het mogelijk dat een verlost volk gemeenschap heeft met God en tot Hem kan naderen in het heiligdom.

Het heiligdom is een beeld van de hemel der hemelen waar de troon van God staat en waar wij vrijmoedig als priesters mogen naderen. We hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus” (Hb 10:1919Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,). De brief aan de Hebreeën is in feite één groot commentaar op dit hoofdstuk. Dat blijkt vooral uit de verschillen tussen Leviticus en Hebreeën.

1. Het voorhangsel is hier nog gesloten, in Hebreeën is de toegang vrij.
2. Aäron is een zondige hogepriester, terwijl de Heer Jezus volmaakt is.
3. Hier zien we een herhaling van offers en daarmee een steeds weer in gedachtenis brengen van de zonden (Hb 10:1-31Want daar de wet een schaduw heeft van de toekomstige goederen, niet het beeld van de dingen zelf, kan zij met dezelfde slachtoffers die men voortdurend elk jaar offert, hen die naderen nooit volmaken.2Zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, omdat zij die de dienst verrichten, eenmaal gereinigd geen enkel geweten van zonden meer zouden gehad hebben?3Maar in deze [offers] is elk jaar een in herinnering brengen van zonden.); daar is sprake van een eens voor altijd volbracht offer: Want door één offerande heeft hij voor altijd hen volmaakt die geheiligd worden” (Hb 10:1414Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt die geheiligd worden.). De herhaling bewijst dat het niet meer dan een symbool is; de kracht ligt in het vooruit wijzen naar het offer van de Heer Jezus.
4. Hier staat de priester, daar is Hij eens voor altijd gaan zitten (Hb 10:11-1211En iedere priester staat wel dagelijks dienst te doen en dezelfde slachtoffers dikwijls te offeren, die nooit zonden kunnen wegnemen.12Maar Hij, nadat Hij één slachtoffer voor [de] zonden geofferd heeft, is voor altijd gaan zitten aan Gods rechterhand).


Aanleiding voor de grote Verzoendag

1De HEERE sprak tot Mozes na de dood van de twee zonen van Aäron, toen zij voor het aangezicht van de HEERE waren genaderd en gestorven waren. 2De HEERE zei toen tegen Mozes: Spreek tot uw broer Aäron en zeg dat hij niet te allen tijde in het heiligdom binnen het voorhangsel mag komen, vóór het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterft, want Ik verschijn in de wolk op het verzoendeksel.

Het uitgangspunt van dit hoofdstuk is de dood van twee van de meest bevoorrechte mensen op aarde. Als het voor hen onmogelijk is in Gods tegenwoordigheid te komen zonder te sterven, dan is daarmee het totale verloren zijn van de mens vastgesteld. Hoe kan een mens dan tot God naderen? Dat openbaart God in beeld in dit hoofdstuk. Het geeft antwoord op de vraag: Hoe kan de heilige God wonen te midden van zulke mensen? God geeft daarvoor de weg aan.

De hogepriester legt daarvoor de grondslag door het offer dat hij jaarlijks brengt. Op die ene dag mag hij het heiligdom binnengaan. Maar niet zonder bloed, dat hij moet offeren voor zichzelf en voor het volk (Hb 9:77maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offert voor zichzelf en voor de afdwalingen van het volk.). Het bloed komt van verschillende offers. Elk offer spreekt van de Heer Jezus.


Hoe Aäron het heiligdom moet binnengaan

3[Alleen] hiermee mag Aäron het heiligdom binnengaan: met een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer en een ram als brandoffer. 4Hij moet het heilige linnen onderkleed aantrekken en een linnen broek moet over zijn onderlichaam zijn. Hij moet een linnen gordel ombinden en een linnen tulband om wikkelen. Dit is heilige kleding. Hij mag die pas aantrekken, nadat hij zijn lichaam met het water gewassen heeft.

Bij het ingaan in het heiligdom draagt Aäron niet zijn officiële kleding van heerlijkheid en sieraad waarmee hij het volk voor God vertegenwoordigt. Hij draagt eenvoudige kleding van wit linnen. Dit spreekt van de persoonlijke reinheid en praktische gerechtigheid van de Heer Jezus. Hij is de Enige Die het werk op het kruis ten behoeve van anderen heeft kunnen volbrengen. Op het kruis heeft Hij niet de belangen van het volk met het oog op hun zwakheden behartigd, maar heeft Hij Zich een gemaakt met hun zonden. Hij heeft hun zonden tot de Zijne gemaakt, zoals Hij profetisch in Psalm 40:13 spreekt over “Mijn ongerechtigheden”.


De offers die Aäron moet brengen

5Van de gemeenschap van de Israëlieten moet hij twee geitenbokken nemen als zondoffer en één ram als brandoffer. 6Dan moet Aäron de jonge stier aanbieden als zondoffer dat voor hem bestemd is, en voor zichzelf en zijn gezin verzoening doen. 7Hij moet ook de beide bokken nemen en die voor het aangezicht van de HEERE plaatsen, [bij] de ingang van de tent van ontmoeting. 8Aäron moet namelijk het lot over de twee bokken werpen: één lot voor de HEERE en één lot voor de weggaande bok. 9Dan moet Aäron de bok waarop het lot voor de HEERE gevallen is, aanbieden en hem als zondoffer bereiden. 10Maar de bok waarop het lot is gevallen om weggaande bok te zijn, moet levend voor het aangezicht van de HEERE geplaatst worden, om daarmee verzoening te doen door hem als weggaande bok de woestijn in te sturen. 11Dan moet Aäron de jonge stier als het zondoffer dat voor hem[zelf] bestemd is, aanbieden, en voor zichzelf en zijn gezin verzoening doen, en de jonge stier als het zondoffer dat voor hem[zelf] bestemd is, slachten.

Er zijn twee zondoffers: het ene zondoffer is voor Aäron en zijn huis, het andere voor het volk. Er is verschil in dieren: een stier en een bok. Er is ook verschil in aantal: één stier voor zichzelf en zijn huis en twee bokken voor het volk. Aäron en zijn huis stellen de Heer Jezus en Gods hemelse volk, de gemeente, voor (Hb 3:1,61Daarom, heilige broeders, deelgenoten van [de] hemelse roeping, beschouwt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Jezus,6maar Christus als Zoon over Zijn huis, Wiens huis wij zijn, als wij de vrijmoedigheid en het roemen in de hoop <tot [het] einde toe onwrikbaar> vasthouden.). Het volk is Gods aardse volk Israël. Een stier is een groter offer. De gemeente heeft een groter inzicht in en een grotere waardering voor het werk van de Heer Jezus dan Israël.

Er zijn twee bokken nodig om de waarheid van de verzoening voor te stellen. De eerste bok is voor de HEERE, de tweede voor het volk. Eerst moet aan Gods heilige eisen worden voldaan, dan aan de behoeften van het volk. Ook stellen de beide bokken twee aspecten van de verzoening voor. De bok die voor de HEERE is, stelt het werk van de Heer Jezus voor waardoor aan alle heilige eisen van God is voldaan. Hierdoor kan het aanbod van de verzoening op grond van het werk van de Heer Jezus aan alle mensen worden gedaan. Het werk is zo groot en volmaakt, dat alle mensen behouden kunnen worden (1Tm 2:3-63Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland,4Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen.5Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus,6Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen, [volgens] het getuigenis op zijn eigen tijd;; Hd 17:3030Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren,; 2Ko 5:19-2119namelijk dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was, terwijl Hij hun overtredingen hun niet toerekende en in ons het woord van de verzoening legde.20Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God als [het ware] door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.21Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.).

De andere bok, die weggezonden wordt, stelt de plaatsvervanging voor. Op deze bok worden de zonden beleden van allen die tot Gods volk behoren (vers 2121Aäron moet zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en al de ongerechtigheden van de Israëlieten belijden, al hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Hij moet die op de kop van de bok leggen en hem door de hand van een man, die daarvoor gereedstaat, de woestijn in sturen.). Hierin zien we dat de Heer Jezus de zonden heeft gedragen, niet van alle mensen, maar alleen van hen die Gods aanbod tot verzoening aannemen, dus zij die zich bekeren. De Heer Jezus heeft Zijn leven gegeven “tot een losprijs voor velen” (Mt 20:2828zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.). Hier staat niet ‘voor allen’, maar “voor velen”. Het woord ‘voor’ heeft hier de betekenis van ‘in de plaats van’, terwijl het woord ‘voor’ in 1 Timotheüs 2:6 betekent ‘zich uitstrekkend tot’, in de zin van een aanbod.


Het reukwerk

12Verder moet hij van het altaar voor het aangezicht van de HEERE een vuurschaal vol vurige kolen nemen, met beide handen vol fijn[gestoten] geurig reukwerk, en dit binnen het voorhangsel brengen. 13Hij moet dan het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht van de HEERE, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel, dat boven de getuigenis is, bedekt en hij niet zal sterven.

De hogepriester gaat drie keer het heiligdom binnen. De eerste keer met zijn handen vol reukwerk. Voor Aäron als zondige persoon is dat, opdat hij niet sterft. Het reukwerk vult het heiligdom en omhult hem. Als type van de Heer Jezus is het anders. De Heer heeft geen reukwerk nodig om het heiligdom binnen te gaan. Hij is binnengegaan op grond van al Zijn heerlijkheden, Zijn eigenschappen, die alle als een aangename geur voor God zijn. Reukwerk spreekt niet zozeer van wat Hij heeft gedaan, maar van wat en Wie Hij is.


Het bloed van de jonge stier

14Hij moet dan [een deel] van het bloed van de jonge stier nemen, en met zijn vinger op het verzoendeksel sprenkelen, aan de kant naar het oosten toe. En vóór het verzoendeksel moet hij zeven keer met zijn vinger van dat bloed sprenkelen.

Het bloed van de stier wordt op en vóór het verzoendeksel gesprenkeld. Het bloed op het verzoendeksel is voor God. Hij ziet het bloed als een bedekking, een voldoening aan Zijn heilige eisen die geschreven staan op de tafels van de wet die in de ark onder het verzoendeksel liggen. Eén keer sprenkelen is voor Hem voldoende. Hij kent volmaakt de waarde van het bloed.

Het bloed vóór het verzoendeksel is voor ons, priesters. Wij mogen op de grondslag daarvan tot God naderen om Hem als priesters te dienen. Voor de priester wordt het bloed zeven keer gesprenkeld. Dat is om ons de absolute zekerheid te geven dat wij daar mogen zijn vanwege de waarde van dat bloed.


De bok voor de HEERE

15Daarna moet hij de bok slachten die als zondoffer voor het volk bestemd is, en zijn bloed binnen het voorhangsel brengen. Hij moet met zijn bloed doen zoals hij met het bloed van de jonge stier gedaan heeft, en dat op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen. 16Zo moet hij over het heiligdom verzoening doen vanwege de onreinheden van de Israëlieten en vanwege hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Zo moet hij ook doen met de tent van ontmoeting, die bij hen staat, te midden van hun onreinheden. 17Geen enkel mens mag in de tent van ontmoeting zijn, als hij er binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, totdat hij naar buiten komt. Zo moet hij verzoening doen voor zichzelf, voor zijn gezin en voor heel de gemeente van Israël. 18Daarna moet hij naar buiten gaan, naar het altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE is, en er verzoening over doen. Hij moet dan [een deel] van het bloed van de jonge stier en [een deel] van het bloed van de bok nemen en het rondom op de horens van het altaar strijken. 19Dan moet hij met zijn vinger zeven keer [een deel] van het bloed daarop sprenkelen. Zo reinigt en heiligt hij het van de onreinheden van de Israëlieten.

De bok die voor de HEERE is, wordt ten behoeve van het volk geslacht. Het bloed ervan wordt, evenals het bloed van de jonge stier, op en vóór het verzoendeksel in het heiligdom gesprenkeld. Dit is voor de verzoening over het heiligdom vanwege de zonden van de Israëlieten, opdat God te midden van hen kan blijven wonen.

Gods eer is door het werk van de Heer Jezus hersteld. Hij heeft wat Hij niet heeft geroofd, namelijk Gods eer, aan God teruggegeven (Ps 69:55Wie mij zonder reden haten,
zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd;
wie mij willen ombrengen en om valse redenen mijn vijand zijn,
zijn machtig geworden;
wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven.
)
. De oneer die wij God hebben aangedaan, heeft de Heer Jezus weggenomen door Hem te verheerlijken, Hem in alles te gehoorzamen en Zijn werk volmaakt te volbrengen. Daarom wordt eerst de bok geslacht die voor de HEERE is. God moet de eerste plaats hebben, dan pas komt onze nood.

De grondslag van de verzoening met God is door de Heer Jezus tot stand gebracht. Alle rechtvaardige eisen van een heilig en rechtvaardig God, heeft Hij geëist van de Heer Jezus. Hij heeft Hem tot zonde gemaakt (2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.; Rm 8:33Want wat voor de wet onmogelijk was, doordat zij door het vlees krachteloos was – God heeft, doordat Hij Zijn eigen Zoon in een [gedaante] gelijk aan [het] vlees van [de] zonde en voor [de] zonde heeft gezonden, de zonde in het vlees veroordeeld;). De Heer Jezus heeft al Gods eisen en verlangens volmaakt vervuld. God is volmaakt bevredigd ten aanzien van de zonde. Op grond daarvan kan God nu het aanbod van de verzoening aan ieder mens doen (2Ko 5:2020Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God als [het ware] door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.). Ieder mens kan met God verzoend worden (Tt 2:1111Want de genade van God, heilbrengend voor alle mensen, is verschenen; 1Tm 2:66Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen, [volgens] het getuigenis op zijn eigen tijd;). In het zenden van Christus naar de aarde kwam heeft God Zijn verzoenende hand naar de wereld uitgestoken (2Ko 5:1919namelijk dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was, terwijl Hij hun overtredingen hun niet toerekende en in ons het woord van de verzoening legde.).

De Heer Jezus is nu in de hemel. Geen mens is erbij aanwezig, als Hij “door Zijn eigen bloed” het hemelse heiligdom binnengaat als de basis van een eeuwige verlossing die Hij verworven heeft (Hb 9:11-1211Maar Christus, gekomen als Hogepriester van de komende goederen, door de grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt (dat is niet van deze schepping),12ook niet door [het] bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, is eens voor altijd ingegaan in het heiligdom na een eeuwige verlossing verworven te hebben.). Hij is “door God begroet als Hogepriester” (Hb 5:10a10door God begroet als Hogepriester naar de orde van Melchizedek.). Omdat wij het heiligdom mogen binnengaan (Hb 10:1919Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,; Ef 2:1818Want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.), mogen wij weten wat Israël nog niet weet, omdat voor hen de voorhang nog gesloten is.

Het bloed wordt toegepast op het heiligdom (de voorwerpen die er zijn), de tent der samenkomst en het altaar. In Hebreeën 9:23-24 staat dat de tabernakel een beeld van de hemel is. Op grond van het bloed zullen eenmaal alle dingen (niet: alle mensen!) met God worden verzoend (Ko 1:1919Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen).


De levende, weggaande bok

20Wanneer hij de verzoening over het heiligdom, de tent van ontmoeting en het altaar voltooid heeft, dan moet hij de levende bok naderbij laten komen. 21Aäron moet zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en al de ongerechtigheden van de Israëlieten belijden, al hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Hij moet die op de kop van de bok leggen en hem door de hand van een man, die daarvoor gereedstaat, de woestijn in sturen. 22Zo draagt de bok al hun ongerechtigheden op zich weg naar een onbewoond gebied. Hij moet dan de bok de woestijn in sturen.

Aäron maakt zich een met de levende bok (handen opleggen is een maken met). Daarna belijdt hij alle zonden, dat zijn “al de ongerechtigheden”, de boze daden van de Israëlieten. De zonden worden als het ware op de bok gelegd. Daarna wordt de bok de woestijn in gestuurd.

Het ziet op de Heer Jezus, Die de zonden op Zich heeft genomen van allen die in Hem geloven (1Pt 2:2424Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, voor de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid leven: ‘door Zijn striemen bent u gezond geworden’.). Hij heeft elke zonde van iedere gelovige voor God beleden als Zijn eigen zonde en Hij heeft het oordeel over die zonden gedragen. God zegt: “Hun zonden zal Ik geenszins meer gedenken” (Hb 8:1212Want Ik zal jegens hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden zal Ik geenszins meer gedenken’.). De gelovige mag weten en zeggen: “U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen” (Js 38:17b17Zie, tot vrede is de bitterheid voor mij bitter geweest,
want Ú hebt mijn ziel lieflijk omhelsd,
van het graf van de ontbinding vandaan [gehaald].
Want U hebt al mijn zonden
achter Uw rug geworpen.
)
. Hij heeft ze geworpen “in de diepten van de zee” (Mi 7:19b19Hij zal Zich weer over ons ontfermen,
Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen,
ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.
)
. Hij heeft ze weggedaan “zover het oosten is van het westen” (Ps 103:1212Zo ver het oosten is van het westen,
[zo] ver heeft Hij onze overtredingen van ons gedaan.
)
, dat wil zeggen oneindig ver weg. Ze zijn weggedragen “naar een onbewoond gebied”. Waar de zonde is, is geen woonplaats voor de mens en voor God.


Verkleden, wassen, offeren

23Daarna moet Aäron in de tent van ontmoeting komen en de linnen kleren uittrekken die hij aangedaan had toen hij het heiligdom binnenging. Daar moet hij ze laten. 24Hij moet zijn lichaam in de heilige plaats met het water wassen en zijn kleren aantrekken. Dan moet hij naar buiten gaan, zijn brandoffer bereiden mét het brandoffer van het volk, en voor zichzelf en het volk verzoening doen. 25Ook moet hij het vet van het zondoffer op het altaar in rook laten opgaan. 26Hij die de weggaande bok heeft weggestuurd, moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Dan mag hij in het kamp komen.

Na het bloed gesprenkeld te hebben is zijn bijzondere werk klaar en trekt hij weer zijn gewone kleren aan. Daarna brengt hij de ram ten brandoffer van zichzelf en van het volk. Met het brandoffer brengt hij ook het vet van het zondoffer op het altaar. Ook dit spreekt van het werk van de Heer Jezus. De verzoening is niet los te zien van de volmaakte verheerlijking van God, die in het zelfde werk besloten is.

Ieder die met de zonde in aanraking is geweest, moet zich reinigen. Het waterbad van het Woord bewerkt de reiniging.


Buiten het kamp met vuur verbrand

27De jonge stier voor het zondoffer en de bok voor het zondoffer, waarvan het bloed in het heiligdom is binnengebracht om verzoening te doen, moet men tot buiten het kamp brengen. Hun huiden, hun vlees en hun mest moeten zij met vuur verbranden. 28Hij die ze verbrandt, moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met het water wassen. Dan mag hij in het kamp komen.

Van de zondoffers wordt het bloed gebracht in het heiligdom en de lichamen worden buiten het kamp gebracht. Dat is ook de plaats van de christen (Hb 13:11-1311want van de dieren waarvan het bloed voor [de] zonde door de hogepriester in het heiligdom gedragen wordt, daarvan worden de lichamen buiten de legerplaats verbrand.12Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.13Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen.), in navolging van de Heer Jezus. Het kamp (of: de legerplaats) staat voor de georganiseerde godsdienst in de christenheid, waar de mens voornaam is en de positie van middelaar inneemt tussen God en mensen. Als gevolg daarvan krijgt de Heer Jezus niet de eerste en enige plaats. De christen is bij Christus in het heiligdom in de hemel en op aarde is hij bij Hem op een plaats van smaad.


Voorschrift voor de Verzoendag

29Dit is voor u tot een eeuwige verordening: u moet in de zevende maand, op de tiende [dag] van de maand, uzelf verootmoedigen en geen enkel werk doen, de ingezetene niet, en de vreemdeling die in uw midden verblijft, evenmin. 30Want op deze dag wordt voor u verzoening gedaan om u te reinigen. Van al uw zonden wordt u voor het aangezicht van de HEERE gereinigd. 31Het is voor u sabbat, een dag van volledige rust, opdat u uzelf verootmoedigt. Dit is een eeuwige verordening.

Denken aan de verzoening bewerkt verootmoediging. Het zijn immers onze zonden die het werk van de Heer Jezus noodzakelijk hebben gemaakt. Wij hebben God door onze zonden onteerd.

Op die dag mag geen werk gedaan worden. Het werk van de Heer Jezus sluit elke menselijke activiteit uit. Voor ieder voor wie dit werk is volbracht, is het resultaat: rust.


Hogepriesterlijke opvolging

32En de priester die men gezalfd en gewijd heeft om in de plaats van zijn vader als priester te dienen, moet de verzoening doen, als hij de linnen kleren, de heilige kleren, heeft aangetrokken.

Dit vers toont aan dat de inzetting in Israël onvolkomen is. Er is opvolging van het priesterschap, terwijl de Heer Jezus Hogepriester is tot in eeuwigheid (Hb 7:23-2423En zij zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door de dood werden verhinderd aan te blijven,24maar Hij, omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft een onveranderlijk priesterschap.).


Eenmaal per jaar verzoening

33Zo moet hij het heilige van het heiligdom verzoenen. De tent van ontmoeting en het altaar moet hij verzoenen en hij moet voor de priesters en voor heel het volk van de gemeente verzoening doen. 34Dit is voor u tot een eeuwige verordening om voor de Israëlieten eenmaal per jaar verzoening te doen voor al hun zonden. En men deed zoals de HEERE Mozes geboden had.

Deze verzen zijn een samenvatting van dit hoofdstuk. Hoewel aan deze wet pas in de zevende maand kan worden voldaan, lezen we hier toch al dat gedaan wordt “zoals de HEERE Mozes geboden had”. Hier wordt vooruitgezien naar de verwerkelijking.


Lees verder