Lukas
1-8 De vrouwen bij het lege graf 9-12 Reactie van de discipelen 13-14 Onderweg van Jeruzalem naar Emmaüs 15-18 De Heer Jezus voegt Zich bij hen 19-24 Het verslag van de gebeurtenissen 25-27 Verwijt en onderwijs van de Heer 28-32 De Heer maakt Zich bekend 33-35 Terug naar Jeruzalem 36-43 Verschijning aan de discipelen 44-49 De zendingsopdracht 50-51 De hemelvaart 52-53 Aanbidding en lofprijzing
De vrouwen bij het lege graf

1Op de eerste [dag] van de week echter, toen het nog zeer vroeg was, kwamen zij bij het graf met de specerijen die zij hadden bereid. 2Zij vonden echter de steen van het graf afgewenteld. 3En toen zij er ingegaan waren, vonden zij het lichaam van de Heer Jezus niet. 4En het gebeurde, toen zij daarover in verlegenheid waren, dat zie, twee mannen bij hen stonden in lichtende kleren. 5Toen zij erg bang werden en hun gezicht ter aarde bogen, zeiden zij tot hen: Waarom zoekt u de Levende bij de doden? 6Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt. Herinnert u hoe Hij tot u heeft gesproken toen Hij nog in Galiléa was, 7en zei dat de Zoon des mensen moest worden overgeleverd in handen van zondige mensen en gekruisigd worden en op de derde dag opstaan. 8En zij herinnerden zich Zijn woorden.

De sabbat is voorbij en een hele week is voorbij. In die week hebben zich gebeurtenissen voltrokken waardoor de wereldgeschiedenis en de eeuwigheid naar Gods plan tot hun vervulling zullen worden gebracht. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. Symbool daarvan is “de eerste [dag] van de week” die de dag van de opstanding van de Heer Jezus is. Met Zijn opstanding breekt een totaal nieuw bestel van dingen aan.

De vrouwen hebben daar nog geen weet van. Ze zitten nog vast aan het oude bestel van dingen. Hun liefde voor Christus brengt hen al heel vroeg op die dag naar het graf. Ze willen de Heiland hun laatste eerbewijzen bezorgen door met de specerijen die ze hebben bereid Zijn lichaam te zalven. Ondanks hun liefde, die zeer te prijzen is, zijn ze onkundig over de opstanding die toch ook door Hem is voorzegd.

Als ze bij het graf komen, vinden ze de steen afgewenteld. Het graf is open! Er gaat in dit hoofdstuk als gevolg daarvan nog veel meer open: de Schriften worden geopend (vers 2727En te beginnen met Mozes en alle profeten legde Hij hun uit wat in al de Schriften over Hem stond.), ogen worden geopend (vers 3131Hun ogen nu werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij werd onzichtbaar voor hen.), het verstand wordt geopend (vers 4545Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden,) en de hemel wordt geopend (vers 5151En het gebeurde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in de hemel.). De steen is niet afgewenteld om de Heer Jezus naar buiten te kunnen laten gaan. Hij is al opgestaan, voordat de steen door de engelen wordt afgewenteld. Hij kan ook ondanks gesloten deuren zo ergens binnengaan (Jh 20:1919Toen het dan avond was op die eerste dag van [de] week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u!). De steen is afgewenteld om de vrouwen en ons naar binnen te laten gaan om in het graf te kunnen kijken.

De vrouwen kunnen zo het graf ingaan. Dat doen ze ook. Daar ontdekken ze dat het lichaam er niet is. Het graf is leeg. Dit is het eerste bewijs van de overwinning van Gods genade. Nu kunnen genade en ontferming naar de mens uitgaan. Opmerkelijk is dat de Heilige Geest de eerste keer dat de Naam van de Heer Jezus na Zijn opstanding wordt genoemd, spreekt van “de Heer Jezus”. Het is de kenmerkende Naam waarmee christenen over hun Heer spreken. De vrouwen begrijpen er niets van dat het graf leeg is en zijn erover in verlegenheid. Ze hebben toch zelf gezien dat Zijn lichaam daarin werd gelegd (Lk 23:5555De vrouwen nu die met Hem waren meegekomen uit Galiléa, volgden en bezagen het graf en hoe Zijn lichaam werd gelegd.).

Dan staan er plotseling twee mannen bij hen in lichtende kleren. Het licht van de dag en het licht van hun kleren horen bij elkaar. De opstanding van Christus is een stralende gebeurtenis, maar veroorzaakt bangheid bij de vrouwen. Bij het zien van deze mannen, engelen, buigen ze met hun gezicht naar de aarde. Dan spreken de engelen de prachtige, veelzeggende woorden die ervan getuigen dat Hij niet bij de doden moet worden gezocht. Hij is “de Levende”. Het oude heeft afgedaan, er is een nieuwe periode aangebroken.

Het is ondenkbaar iets van de Levende te vinden bij de doden. Wat met het leven verbonden is, is van een totaal andere orde dan wat met de dood verbonden is. Het eerste getuigenis van de opstanding van Christus komt uit de mond van een engel. Omdat Hij is opgewekt, is Hij niet meer in het graf. God heeft Zijn werk volkomen aanvaard en heeft er Zijn vreugde in gevonden Hem uit de doden op te wekken. God kon, met eerbied gezegd, ook niet anders. Zijn Zoon heeft het Hem opgedragen werk volmaakt volbracht, dus is Zijn opwekking een daad van Gods gerechtigheid. Dit alles zegt de engel niet, maar wij weten dit uit het vervolg van het Nieuwe Testament en vooral uit de brieven van Paulus.

De engelen herinneren de vrouwen ook aan wat de Heer Zelf heeft gezegd. Ze hadden dus beter kunnen weten. De engelen halen tevens de woorden aan die Hij tot hen heeft gesproken toen Hij nog in Galiléa was. Dan breekt het licht in hun gedachten door.

De herinnering aan Zijn woorden geeft hun de overtuiging en vrijmoedigheid en kracht om daarvan te getuigen aan anderen. Er wordt niet over wonderen gesproken. Lukas legt steeds alle nadruk op de woorden van de Heer. Wij als christenen hebben ook niets anders dan het Woord van God. We worden opgeroepen daarin te geloven.


Reactie van de discipelen

9En teruggekeerd van het graf berichtten zij dit alles aan de elf en aan al de overigen. 10Dit waren nu Maria Magdalena, Johanna en Maria, de [moeder] van Jakobus; en de overige [vrouwen] zeiden dit met hen tot de apostelen. 11En deze woorden schenen hun als kletspraat en zij geloofden hen niet. 12Petrus echter stond op en liep snel naar het graf; en hij bukte zich voorover en zag de doeken alleen liggen; en hij ging weg, bij zichzelf verwonderd over wat er was gebeurd.

De vrouwen keren het graf de rug toe en gaan naar de elf discipelen en allen die bij hen zijn om hun te vertellen wat ze hebben meegemaakt. De drie vrouwen die bij het graf zijn geweest, worden bij name genoemd. Zij hebben het lege graf gezien en samen leggen ze getuigenis van de gebeurtenissen af voor de apostelen. Maar de apostelen zijn niet te overtuigen. Integendeel, ze noemen wat de vrouwen zeggen “kletspraat”, onzin, nonsens, en ze geloven hen niet. De discipelen zijn gelovigen, maar ze staan niet open voor het Woord. Wat ze horen, past niet in hun denken.

Hoewel ze niet geloven wat de vrouwen zeggen, wil een van de apostelen, Petrus, toch wel een kijkje gaan nemen in het graf. Hij loopt er snel heen. Als hij zich voorover in het graf bukt, ziet hij de doeken alleen liggen. Wat hij in het graf ziet, spreekt van rust en orde. Daar blijft het bij. Verder dan verwondering over wat er is gebeurd, komt het bij Petrus nog niet. Hij keert terug in zijn eigen omstandigheden, zonder dat het Woord en wat hij heeft gezien enig effect hebben. Zo kan het Woord in een samenkomst ook langs ons afglijden zonder dat het ons iets doet.


Onderweg van Jeruzalem naar Emmaüs

13En zie, twee van hen waren op diezelfde dag op reis naar een dorp dat zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd was, genaamd Emmaüs, 14en zij praatten met elkaar over dat alles wat er was voorgevallen.

Wat nodig is om wel tot de overtuiging te komen van de waarheid van Gods Woord, is dat de Heer Zelf onze harten aanraakt. Dat zien we in de volgende geschiedenis die we alleen in dit door Lukas geschreven evangelie vinden. Op diezelfde dag, dat is de dag van de opstanding van de Heer Jezus, zijn twee van Zijn discipelen op reis van Jeruzalem naar Emmaüs. Voor hen heeft Jeruzalem niets meer te bieden. Alles is voorbij. Ze verlaten ook de gemeenschap van de gelovigen. Voor hen hoeft het niet meer. Net als Petrus gaan zij weg, naar huis.

Hun gedachten zijn nog vol van alles wat er is voorgevallen. Het heeft allemaal diepe indruk gemaakt. Het is mooi om als volgelingen van de Heer de dingen met elkaar te delen die we hebben beleefd. Nog mooier is het als daarbij de Schrift en niet slechts de gevoelens de basis vormen.


De Heer Jezus voegt Zich bij hen

15En het gebeurde, terwijl zij praatten en van gedachten wisselden, dat Jezus Zelf naderde en met hen meeging; 16hun ogen werden echter ervan weerhouden Hem te herkennen. 17Hij nu zei tot hen: Wat zijn dit voor woorden die u al wandelend met elkaar uitwisselt? En zij bleven met droevig gezicht staan. 18Een nu, genaamd Kléopas, antwoordde en zei tot Hem: Bent U alleen een vreemdeling in Jeruzalem dat U de dingen niet weet die daar deze dagen zijn gebeurd?

Omdat hun harten met de goede dingen bezig zijn, gebeurt het allermooiste: de Heer Jezus komt bij hen en loopt met hen mee. Hij heeft een opstandingslichaam dat van een heel andere aard is dan het lichaam van Zijn vernedering. Toch is Hij dezelfde Persoon. Ook bij ons kan het zijn dat we bezig zijn met de dingen van de Heer, maar dat we in ons denken niet op de goede weg zijn. Dan wil Hij bij ons komen om ons denken weer op de goede weg te brengen. Hij zorgt er in dit geval voor dat de twee discipelen Hem niet herkennen. Dat is nodig, opdat ze hun hele hart voor Hem zullen uitstorten. Hij nodigt hen uit om te zeggen wat hen bezighoudt.

De discipelen blijven verbluft en met droevig gezicht staan. Hoe kan iemand zo onwetend zijn over dingen die voor hen zo veelbetekenend zijn! Ze zijn zo diep betrokken bij de gebeurtenissen, dat ze zich niet kunnen voorstellen dat er iemand is die hier niets van weet. Ze wisselen niet op een neutrale manier de laatste nieuwtjes uit. Ze zijn intens verdrietig vanwege wat er is gebeurd. Het heeft hen geraakt en het houdt hen bezig.

Een van de twee, van wie Lukas de naam geeft, terwijl hij de naam van de andere verborgen houdt, begrijpt niet waarom deze Vreemdeling naar de gebeurtenissen vraagt. Is Hij dan helemaal niet op de hoogte van alles wat er deze afgelopen dagen in Jeruzalem is gebeurd? Dat kan toch niet waar zijn? Iedereen weet ervan en spreekt erover.


Het verslag van de gebeurtenissen

19En Hij zei tot hen: Wat dan? Zij nu zeiden tot Hem: De dingen betreffende Jezus de Nazaréner, Die een Profeet was, krachtig in werk en woord voor God en al het volk, 20hoe onze overpriesters en oversten Hem hebben overgeleverd tot [het] doodvonnis en Hem hebben gekruisigd. 21Wij echter hoopten dat Hij Degene was Die Israël zou verlossen; maar al met al is het nu al de derde dag sinds dit is gebeurd. 22Maar ook hebben enige vrouwen uit ons midden ons buiten onszelf gebracht: zij waren vroeg bij het graf geweest, 23en toen zij Zijn lichaam niet vonden, kwamen zij zeggen dat zij ook een verschijning van engelen hadden gezien, die zeiden dat Hij leeft. 24En sommigen van hen die bij ons zijn, gingen weg naar het graf en vonden het zoals ook de vrouwen hadden gezegd; Hem zagen zij echter niet.

Met een vriendelijke vraag “wat dan?” nodigt de Heer hen uit Hem te vertellen wat er dan wel gebeurd mag zijn. Direct spreken ze Hem over “Jezus de Nazaréner”, de Man van Nazareth. Hun hart is nog steeds vol van Hem. Ze zijn onder de indruk gekomen van Hem als Profeet. Wat Hij heeft laten zien en horen, maakt duidelijk dat God in Hem ten gunste van Zijn volk aanwezig en aan het werk is geweest. Daarvan zijn zij overtuigd geraakt. Verder is hun geloof blijkbaar niet gegaan. Ze hebben in Hem nog niet de Zoon van God gezien over Wie de dood geen macht heeft om Hem vast te houden. Daarom betekent voor hen Zijn dood het einde van Zijn geschiedenis en daarmee van hun hoop.

Ze vertellen wat “onze overpriesters en oversten” met Hem hebben gedaan en hoe dat al hun hoop op de verlossing van Israël de bodem heeft ingeslagen. Ze geven niet de Romeinen de schuld van Zijn dood, hoewel die zeer zeker medeschuldig zijn. Deze afloop hebben ze niet voor mogelijk gehouden. Ze begrijpen niet hoe God het heeft kunnen toelaten dat hun leiders zich aan Christus hebben kunnen vergrijpen. Zij hebben, net als hun leiders, gehoopt op een heerlijkheid zonder lijden; maar anders dan hun leiders hebben ze in de Heer Jezus de Messias gezien.

Maar hun verwachtingen dat Hij naar Jeruzalem is gegaan om daar plaats te nemen op de troon van Zijn vader David, zijn zonder grond in de Schrift. Door dergelijke ongefundeerde verwachtingen, die dan ook niet uitkomen, hebben meerderen het geloof de rug toegekeerd en zijn weer de wereld ingegaan. Dit kan gebeuren als christelijke arbeid niet oplevert wat wij ervan hebben verwacht of de prediking van het evangelie geen resultaat oplevert of de geloofsgemeenschap ons tegenvalt.

Christus komt aan alle teleurstelling tegemoet door Zichzelf aan ons voor te stellen. Als we Hem zien als het middelpunt van Gods raad, zullen we ervoor bewaard blijven iets anders in het middelpunt te stellen. Het laatste leidt altijd tot teleurstelling. Bij hen staan Israël en hun eigen belangrijkheid in het middelpunt. Bij ons kan het iets anders zijn.

En het is nu al de derde dag sinds het is gebeurd en nog steeds kunnen ze niet begrijpen dat het zo is afgelopen. Bij al hun vragen over het voor hen zo teleurstellende verloop van de gebeurtenissen vertellen ze over nog een schokkende gebeurtenis. Daar hebben enkele vrouwen “uit ons midden” voor gezorgd, vrouwen uit het midden van de discipelen, dus vrouwen die ze kennen en die ook de Heer liefhebben. Die vrouwen zijn vroeg bij het graf geweest. Toen ze bij het graf gekomen waren, vonden zij het lichaam van de Heer Jezus niet.

Er vond wel iets anders plaats, althans zo beweerden zij. Ze zeiden dat ze een verschijning van engelen hadden gezien en die engelen hadden gezegd dat Hij leeft. Dat was toch wel heel bijzonder nieuws. Ook zijn sommigen “van hen die bij ons zijn” – dit zijn Petrus en Johannes (Jh 20:3-83Petrus dan ging naar buiten en de andere discipel en zij kwamen naar het graf.4En deze twee liepen samen snel, en de andere discipel liep snel vooruit, vlugger dan Petrus, en kwam het eerst bij het graf.5En hij bukte zich voorover en zag de doeken liggen; hij ging er echter niet in.6Simon Petrus nu kwam ook achter hem aan en hij ging het graf binnen en zag de doeken liggen7en de zweetdoek die op Zijn hoofd was geweest, niet bij de doeken liggen, maar op één plaats afzonderlijk samengerold.8Toen ging dan ook de andere discipel naar binnen, die het eerst bij het graf was gekomen, en hij zag en geloofde.) – direct na deze woorden naar het graf gegaan. En het was precies zoals de vrouwen hadden gezegd. Maar Hem hebben ze niet gezien. Het mysterie is dus niet opgelost. Er is echt een gat geslagen in hun verwachtingen. Eerst door Zijn verwerping en toen door de mededeling dat Hij toch zou leven, maar waarvan geen bewijs te vinden is.


Verwijt en onderwijs van de Heer

25En Hij zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart in het geloven van alles wat de profeten hebben gesproken! 26Moest de Christus dit niet lijden, en [zo] in Zijn heerlijkheid binnengaan? 27En te beginnen met Mozes en alle profeten legde Hij hun uit wat in al de Schriften over Hem stond.

Na deze uitingen van hun diepe teleurstelling neemt de Heer het woord. Uit Zijn woorden leren we dat teleurgestelde verwachtingen in onze opvattingen over Zijn handelen voortvloeien uit een niet of niet goed lezen en geloven wat de Schrift zegt. Hij neemt hun dat kwalijk met de woorden “onverstandigen en tragen van hart in het geloven”.

Een onverstandige is iemand die zijn verstand niet gebruikt en daarom dingen niet begrijpt die hij zou moeten begrijpen. Zo spreekt Paulus ook tot de Galaten die tegen beter weten in de wet weer wilden invoeren (Gl 3:1,31O onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, u wie Jezus Christus als gekruisigd voor ogen werd geschilderd?3Bent u zo onverstandig? U bent in [de] Geest begonnen, wilt u nu in [het] vlees volmaakt worden?). Het is echter niet alleen een kwestie van het verstand, maar ook van het hart. Hun hart is traag, bijna onwillig, om te geloven. Ze hebben wel in de profeten gelezen wat die allemaal hebben gezegd, maar het is niet tot hun hart doorgedrongen. Dat komt omdat ze de profeten alleen lazen met het oog op de glorietijd voor Israël. Ze lazen selectief, alleen de passages die hun bevielen drongen door bij hen door.

Als ze alles hadden geloofd wat de Schrift zegt, hadden ze geweten dat de dood en opstanding van de Heer Jezus de grondslag zijn van Zijn toekomstige heerlijkheid. Hij heeft Zelf keer op keer duidelijk voorzegd dat Hij eerst moest lijden en dat Hij zo, dat is op deze wijze, Zijn heerlijkheid zal binnengaan. Het lijden moet noodzakelijkerwijs aan de heerlijkheid voorafgaan. De Heer stelt het als vraag om het voor hun verstand en hart duidelijk te maken.

Vervolgens krijgen de twee discipelen het schitterendste onderwijs dat hun ooit op aarde uit de Schrift is gegeven. De Heer Zelf gaat hun uitleggen wat in al de Schriften over Hem geschreven staat. Hij doet dat in de volgorde van de Schrift zelf. Hij begint met de boeken van Mozes, waarna Hij vervolgt met alle profeten. Hiermee geeft de Heer een voorbeeld voor alle Schriftuitleg.

Schriftuitleg verdient die naam alleen als wordt uitgelegd wat er in de Schrift over Hem staat. Hij is het centrum van de Schrift. Alles heeft betrekking op Hem of staat in verbinding met Hem. Laten we ook bedenken dat de Heer het Oude Testament heeft uitgelegd. Het is een stimulans om ons ook met dat deel van Gods Woord bezig te houden om daarin de heerlijkheid van de Heer Jezus te ontdekken.


De Heer maakt Zich bekend

28En zij naderden het dorp waar zij heengingen; en Hij deed alsof Hij verder wilde gaan. 29En zij drongen bij Hem aan en zeiden: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is al gedaald. En Hij ging naar binnen om bij hen te verblijven. 30En het gebeurde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam en zegende en nadat Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. 31Hun ogen nu werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij werd onzichtbaar voor hen. 32En zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandend <in ons>, toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?

Al wandelend en sprekend zijn ze het dorp genaderd waarheen ze op weg zijn. De tijd zal gevlogen zijn. De Heer maakt aanstalten om afscheid te nemen. Hij dringt niet aan, maar beproeft of er een verlangen is om Hem uit te nodigen. Dat blijkt bij Kléopas en zijn metgezel het geval te zijn. Ze dringen er bij Hem op aan dat Hij bij hen zal blijven. Hun wens uiten ze in die prachtige woorden die de Heiland graag ook van ons hoort: “Blijf bij ons”, en waar Hij graag gehoor aan geeft.

Het is trouwens ook al tegen de avond, de dag is al gedaald. Als er een ontmoeting met de Heer is, daalt de dag. De wereld om hen heen wordt steeds duisterder, naarmate het licht in hun hart en huis opgaat door Zijn aanwezigheid. De Heer gaat mee naar binnen. Hij zoekt geen onderkomen voor één nacht, maar Hij zoekt hen. Hij wil bij hen verblijven om er nooit meer weg te gaan. En zij zoeken Hem, want ze willen graag nog meer van deze Vreemdeling horen over Hem Die hen, ondanks Zijn verdwijning, nog dierbaarder is geworden door wat Hij heeft verteld.

Zodra de Heer op de uitnodiging is ingegaan en bij hen is binnengegaan, neemt Hij niet de plaats van Gast, maar van Gastheer in. Wat normaal gesproken hij doet die uitnodigt, doet de Heer uit eigen beweging, zonder toestemming te vragen. Hij neemt het brood voor het avondeten, Hij zegent, Hij breekt het en Hij deelt het uit aan hen die Hem hebben uitgenodigd en bij wie Hij te gast is.

Dit is niet de viering van het avondmaal, want dat gebeurt als de gemeente samenkomt, dat wil zeggen in gemeenteverband. De Heer zegt ook niets over een denken aan Hem, een doen tot Zijn gedachtenis. Hij breekt eenvoudig het brood voor de maaltijd. Toch is het niet een gewone handeling, maar Zíjn handeling. Hij breekt het brood om Zich daardoor aan Zijn discipelen bekend te maken, want het breken van het brood dat Hij hier doet, stelt voor dat Hij Zichzelf heeft overgegeven in de dood.

Op het moment dat Hij het brood breekt en het hun geeft, wordt de bedekking van hun ogen weggenomen en zien ze Wie Hij is. Hun ogen worden geopend en ze herkennen Hem. Op hetzelfde moment wordt Hij onzichtbaar. Daarmee geeft Hij aan dat hun verhouding met Hem nu op een andere grondslag is gekomen. Hij is namelijk het voorwerp van geloof geworden (2Ko 5:77(want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen);). Het is niet langer een zichtbare Messias, maar voor het geloof is Hij even reëel aanwezig, als wanneer Hij lichamelijk, zichtbaar, aanwezig zou zijn. Hoe echt en reëel is ons geloof? Zou het in de praktijk echt geen verschil maken als Hij lichamelijk aanwezig zou zijn?

De twee discipelen verbazen zich er niet over dat de Heer ineens onzichtbaar is. Ze begrijpen nu hoe de situatie is omdat ze Zijn onderwijs hebben begrepen. Hij heeft tot hun hart gesproken dat eerst zo traag was. Hij heeft het brandend gemaakt voor Hem. Dat zeggen ze tegen elkaar.

Toen Hij onderweg tot hen sprak, heeft Hij hun hart (niet: harten), dat een van gevoelen is, aangesproken toen Hij de Schriften voor hen opende. Dat is meer dan alleen de Bijbel opendoen en lezen. Het is de Schrift uitleggen en er de ware betekenis aan geven. Het onderwijs uit de Schrift heeft tot gevolg dat we de Schrift verstaan. Dat zal een werk in ons hart doen. Door samen te luisteren naar onderwijs uit Gods Woord waarin de dingen worden betrokken op de Heer Jezus, worden de harten van allen tot één hart samengesmolten.


Terug naar Jeruzalem

33En zij stonden op datzelfde ogenblik op en keerden terug naar Jeruzalem, en zij vonden de elf en hen die bij hen waren, samenvergaderd, die zeiden: 34De Heer is werkelijk opgewekt en is aan Simon verschenen. 35En zij verhaalden wat er onderweg [gebeurd] was en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken van het brood.

Na deze wonderlijke ontdekking en ervaring is hun hele teleurstelling omgeslagen in grote blijdschap. Dit moeten ze met de andere discipelen gaan delen. Ze denken niet meer aan Hem als Degene van Wie zij hoopten dat Hij Israël zou verlossen. Israël zou ook nog lang niet worden verlost. Wat dat betreft was er niets veranderd.

Ze hebben echter de opgestane Heer gezien en door het onderwijs uit Gods Woord hebben ze begrepen dat de weg van de Heer naar de heerlijkheid door lijden moest gaan. Hun geloof en hoop zijn daardoor levend en ook gezond geworden en daarvan gaan ze de discipelen vertellen. Dat willen ze delen. Bij ons is dat ook zo. Alles wat we in het Woord hebben gezien van de Heer Jezus, zal een uitwerking hebben in ons leven. Het zal ons tot getuigen maken, dat kan niet anders.

In Jeruzalem aangekomen vinden ze de elf apostelen met een aantal anderen samengekomen. Voordat de Emmaüsgangers hun enthousiaste getuigenis kunnen geven, roepen de anderen hun al toe dat de Heer is opgewekt. Het is hun namelijk al bekend door Petrus, want de Heer is aan hem verschenen.

We zien hoe snel de getuigenissen van de opstanding van de Heer zich vermeerderen. We horen als het ware een beurtzang met als thema de opstanding van de Heer Jezus waarin de persoonlijke ontmoetingen met Hem worden bezongen. Wat zou het mooi zijn als in de christelijke samenkomsten dat aspect ook veelvuldig aan de orde zou zijn. Dat mag letterlijk door het zingen van liederen gebeuren; het mag ook in persoonlijke getuigenissen gebeuren.

Na het warme onthaal vertellen de twee ook van hun ontmoeting met de Heer en hoe Hij hun is bekend geworden in die handeling die zo tot hun hart heeft gesproken. Tot hen heeft Hij weer op een andere manier gesproken en Zich aan hen bekendgemaakt. Bij hen is het de handeling die spreekt van Zijn dood. Dat delen ze met de anderen.


Verschijning aan de discipelen

36Terwijl zij nu hierover spraken, stond Hijzelf in hun midden en zei tot hen: Vrede zij u. 37Zij werden echter angstig en erg bang en meenden een geest te zien. 38En Hij zei tot hen: Waarom bent u ontsteld en waarom komen er overleggingen in uw hart op? 39Ziet Mijn handen en Mijn voeten, dat Ik het Zelf ben; betast Mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb. 40En toen Hij dit zei, toonde Hij hun Zijn handen en voeten. 41Toen zij het nu van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zei Hij tot hen: Hebt u hier iets te eten? 42Zij nu gaven Hem een stuk van een gebakken vis <en van een honingraat>. 43En Hij nam het en at het voor hun ogen.

Als de harten vol zijn van de Heer Jezus en de ervaringen van ontmoetingen met Hem worden uitgewisseld, kan het niet anders of Hij komt daar Zelf in het midden. Hij vertoont Zich aan hen en spreekt de vertroostende en bemoedigende woorden: “Vrede zij u.” De reactie van de discipelen die Hem voor het eerst zien, is niet bemoedigend voor de Heer. Ze worden bang voor Hem en menen een geest te zien. Ze hebben de verhalen van de anderen wel gehoord, maar zelf nog geen ontmoeting met Hem gehad. Zoals bij de vorige ontmoetingen moet de Heer ook nu eerst een drempel van ongeloof wegnemen. Er is geen spontane blijdschap.

Hij vraagt hun waarom ze ontsteld zijn en waarom er overleggingen in hun hart opkomen. Hij stelt die vragen omdat Hij een andere reactie had mogen verwachten. Ze hebben toch al verschillende getuigenissen van Zijn opstanding gehoord? Waarom hebben ze die niet geloofd? Maar Hij komt hun tegemoet. Hij wijst hen op Zijn handen en Zijn voeten. Daarin zijn de wonden van het kruis nog te zien en ze zullen eeuwig te zien zijn. Hij zal daaraan tot in eeuwigheid gekend worden. Het is het bewijs dat Hij het Zelf is. Hij stuurt niet iemand anders die over Zijn wonden vertelt, maar Hij toont ze Zelf.

Hij nodigt hen uit Hem te betasten en zich ervan te overtuigen dat ze geen geestverschijning zien, maar een Mens. Hij is na Zijn opstanding nog steeds Mens en waarachtig Mens en dat zal Hij tot in eeuwigheid zijn. Hij heeft vlees en beenderen. Van bloed spreekt Hij niet, want dat heeft Hij eens voor altijd gestort.

De Heer laat Zijn woorden volgen door het tonen van Zijn handen en voeten. Hij benadrukt hiermee dat Hij, Die hier als de Levende voor hen staat, Dezelfde is als Degene Die goeddoende (met Zijn handen) door het land is gegaan (met Zijn voeten) (Hd 10:3838[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.), met als resultaat dat Hij aan het kruis werd gehangen en daar gestorven is.

Dan slaat de angst en bangheid van de discipelen om in blijdschap. Het is een blijdschap van hun hart en niet van hun verstand. Er gaat een golf van vreugde door hen heen, hun harten zijn overstelpt, maar hun verstand kan het nog niet bevatten. Ze horen en zien hun Heer, maar het is nog zo onwerkelijk. Het laatste wat ze van Hem zagen, was dat Hij dood aan het kruis hing, gemarteld en volkomen uitgeput. Dagen hebben ze met dit beeld in hun gedachten rondgelopen en nu staat Hij hier ineens als de Opgestane in een verheerlijkt lichaam voor hen. Zeker, Hij is het, maar toch, het kan niet waar zijn.

De Heer komt hun nog verder tegemoet in hun grote verbazing. Hij wil hun de zekerheid geven dat Hij het echt is en dat Hij echt is. Hij vraagt of ze iets te eten hebben. Dat hebben ze. Ze hebben een stuk gebakken vis en een stuk van een honingraat. Dat geven ze Hem. De gebakken vis spreekt van het oordeel dat Hij heeft gedragen. De honing spreekt van de zoetheid van de betrekkingen tussen de gelovigen als resultaat van Zijn werk aan het kruis. De Heer neemt het en eet het voor hun ogen op, om hen ervan te overtuigen dat het allemaal waar is wat ze waarnemen. Ze dromen niet.


De zendingsopdracht

44Hij nu zei tot hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was, dat alles moest worden vervuld wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en psalmen. 45Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden, 46en zei tot hen: Zó staat er geschreven dat de Christus moest lijden en uit [de] doden opstaan op de derde dag, 47en in Zijn Naam bekering tot vergeving van zonden moest worden gepredikt aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. 48U bent getuigen van deze dingen. 49En <zie>, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; u echter, blijft in de stad totdat u wordt bekleed met kracht uit [de] hoogte.

Dan herinnert de Heer hen aan de woorden die Hij tot hen heeft gesproken toen Hij nog bij hen was. Daarmee wijst Hij op de tijd dat Hij samen met hen door het land trok. Hij is nu ook bij hen, maar in een volledig andere verhouding. Hij zal nu niet meer met hen door het land trekken. Alles wat over Hem geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en psalmen, dus het hele Oude Testament, is vervuld. Feitelijk moet alles wat betrekking heeft op de toekomst nog werkelijkheid worden, maar de basis ervoor heeft Hij gelegd op het kruis. Het is slechts een kwestie van tijd dat het ook gezien wordt en de omstandigheden zo zijn als beschreven staat.

De Heer opent het verstand van de discipelen, en wat ze eerder niet verstonden, verstaan ze nu (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Hij is niet meer op dezelfde manier bij hen, maar het Woord van God blijft altijd bij hen. Dat wordt de basis van hun bestaan en handelen. Het Woord van God verleent Goddelijk gezag aan alles wat is gebeurd en aan alles wat nog moet gebeuren.

Vervolgens haalt de Heer de kern aan van wat geschreven staat. De kern is dat Hij, de Christus van God, de Messias, de Gezalfde, moest lijden en uit de doden opstaan op de derde dag. Door Zijn lijden heeft Hij alles weggenomen wat niet met God in overeenstemming is. Door Zijn opstanding op de derde dag heeft Hij een nieuwe wereld geopend waarin alles volkomen met God in overeenstemming is. In die wereld is plaats voor ieder mens die er deel aan wil krijgen.

Die mensen moeten worden uitgenodigd, ze moeten ervan horen. Daarom geeft Hij Zijn discipelen de opdracht om het evangelie van Gods genade te gaan prediken. Hij verleent hun het gezag van Zijn Naam. Ze komen niet met een zelf bedachte boodschap, maar met de boodschap van genade van de opgestane Zoon des mensen. In de kracht van die Naam en met het gezag van die Naam mogen ze bekering prediken waardoor mensen die daar gehoor aan geven, vergeving van zonden zullen ontvangen. Het werk ervoor is door Hem volbracht. Dat werk strekt zich uit tot alle volken en blijft niet beperkt tot Jeruzalem en Israël.

Wel wil Hij dat ze met hun prediking in Jeruzalem beginnen. Dat maakt de genade alleen nog maar groter. Ze moeten beginnen met de prediking van de genade op de plaats waar de verschrikkelijkste zonde de vergeving des te noodzakelijker maakt. Jeruzalem is ook een kind van de toorn en staat op dezelfde grondslag als de volken. De Heer stelt het beginsel vast waarnaar ook later Paulus zal handelen: eerst de Jood en dan de heiden (Rm 1:1616Want ik schaam mij niet voor het evangelie; want het is Gods kracht tot behoudenis voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.).

Hij kan juist hen tot wie Hij dit zegt, uitzenden, want zij kunnen spreken als ooggetuigen. Niemand zal hun kunnen vertellen dat het anders is, want ze hebben Hem met hun eigen ogen gezien en met hun eigen oren gehoord. Om als getuige te kunnen optreden zijn twee dingen nodig die hier beide aanwezig zijn. Ze moeten kunnen zeggen: ‘Zo is het, want we hebben het gezien’ en ook: ‘Zo moest het zijn, want zo heeft God het gezegd in Zijn Woord.’

Voordat ze aan het bevel gehoor kunnen geven, hebben ze nog iets nodig en dat is de kracht en leiding van de Heilige Geest. Om hun plaats voor God in te nemen is geen kracht nodig. Door het werk van Christus zijn ze in Hem voor God en ziet God hen in Christus (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,). Om hun plaats voor mensen in te nemen en tegenover hen te getuigen is wel kracht nodig. Die kracht is, en geeft, de Heilige Geest. De Heer belooft hun dat Hij Hem zal zenden. Hij noemt de Heilige Geest hier “de belofte van Mijn Vader”. De Heilige Geest is door de Vader beloofd. Als de Heer Jezus terug is bij de Vader, zal Hij wat de Vader heeft beloofd, op hen zenden.

Hier staat “Ik zend … op u” omdat de Heilige Geest door de Heer wordt voorgesteld als een kleed dat vanuit de hoogte over hen komt. De Heilige Geest komt zeker ook in hen, maar met het oog op hun dienst komt Hij ook over of op hen. Hij zal hen met kracht bekleden, zodat ze onbevreesd van de Heiland zullen kunnen getuigen. In zichzelf hebben ze geen kracht, maar Hij zal hun de nodige kracht geven.


De hemelvaart

50Hij nu leidde hen uit <naar buiten> tot aan Bethanië; en Hij hief Zijn handen op en zegende hen. 51En het gebeurde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in de hemel.

Veertig dagen later leidt de Heer hen naar buiten, buiten Jeruzalem. Hij zegent hen niet vanuit Jeruzalem, maar vanuit de plaats waar Hij steeds samen is geweest met hen die Hem liefhebben, dat overblijfsel dat zich aan Hem heeft gehecht en dat dierbaar voor Hem is. Daarbij komt dat Jeruzalem een plaats is geworden waaraan een getuigenis moet worden gegeven.

Buiten de stad, daar bij Bethanië, vindt het schitterende slot van dit evangelie plaats. Het is een schitterend slot omdat het geen echt slot is. Het is een afscheid met een rijke belofte, een afscheid met het zicht op een geopende hemel, een afscheid van een Heiland Die hen zegent en daarmee doorgaat ook als ze Hem niet meer zien met hun natuurlijke ogen.

Terwijl de Heer hen zegent, komt er afstand tussen Hem en hen. Hij wordt opgenomen in de hemel door de kracht van God. De Mens Jezus Christus gaat terug naar de plaats die Hij als de eeuwige Zoon van God nooit heeft verlaten en die Hij als Mens nooit heeft ingenomen. Nu gaat Hij er heen als Mens. Al zegenend neemt Hij afscheid van hen, zonder hen echt te verlaten.


Aanbidding en lofprijzing

52En zij aanbaden Hem en keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap. 53En zij waren voortdurend in de tempel en <prezen en> zegenden God.

De discipelen zijn de Heer niet kwijt. Hij is alleen nu het voorwerp van geloof geworden. Het eerste wat ze doen, nadat Hij is opgenomen, is Hem aanbidden. Dat is de kenmerkende bezigheid van de gelovige in deze tijd van lichamelijke afwezigheid van de Heer.

Na hun aanbidding van Hem Die het alleen waard is aangebeden te worden omdat Hij God is, keren ze terug naar Jeruzalem. Van angst of verdriet is geen sprake meer. Ze zijn overstelpt van blijdschap. Hun Heer is de grote Overwinnaar. Ze hebben zich niet vergist in Hem. Volkomen overtuigd van de grootheid en heerlijkheid van Zijn Persoon en aangetrokken door Zijn genade gaan ze naar de tempel.

Het slottafereel van dit evangelie speelt zich evenals het openingstafereel af in de tempel (Lk 1:8-238Het gebeurde nu, toen hij de priesterdienst vervulde voor God, in de beurt van zijn afdeling,9dat hij naar de gewoonte van het priesterambt door het lot werd aangewezen om te reukofferen, na het tempelhuis van de Heer te zijn binnengegaan.10En de hele volksmassa was buiten in gebed op het uur van het reukoffer.11Nu verscheen hem een engel van [de] Heer, die aan [de] rechterkant van het reukofferaltaar stond.12En toen Zacharia [hem] zag, werd hij ontsteld en bangheid overviel hem.13De engel zei echter tot hem: Wees niet bang, Zacharia, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabeth zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven.14En hij zal u tot blijdschap en vreugdegejuich zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.15Want hij zal groot zijn voor het aangezicht van <de> Heer, en wijn en sterke drank zal hij geenszins drinken, en hij zal met [de] Heilige Geest worden vervuld, al van [de] moederschoot af.16En hij zal velen van de zonen van Israël doen terugkeren tot [de] Heer, hun God.17En hij zal voor Hem uitgaan in [de] geest en [de] kracht van Elia, om [de] harten van [de] vaders te doen terugkeren tot [de] kinderen en [de] ongehoorzamen in [de] wijsheid van [de] rechtvaardigen, om [de] Heer een toegerust volk te bereiden.18En Zacharia zei tot de engel: Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben oud en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen.19En de engel antwoordde en zei tot hem: Ik ben Gabriël die voor God sta, en ben gezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen.20En zie, u zult zwijgen en niet kunnen spreken tot op de dag dat deze dingen zullen gebeuren, omdat u mijn woorden niet hebt geloofd die op hun tijd zullen worden vervuld.21En het volk stond te wachten op Zacharia; en zij verwonderden zich dat hij zo lang in het tempelhuis bleef.22Toen hij nu naar buiten kwam, kon hij niet tot hen spreken; en zij merkten dat hij in het tempelhuis een gezicht had gezien. En hij wenkte hun toe en bleef stom.23En het gebeurde, toen de dagen van zijn dienst waren vervuld, dat hij wegging naar zijn huis.). Maar het verschil is groot. Daar, in het begin, ging het om het vervullen van verplichtingen van de wet door een priester die wel Godvruchtig was, maar ook ongeloof toonde en daarvoor met stomheid werd bestraft. Hij geloofde niet en kon niet spreken. Hier, aan het einde, bevinden we ons voor een geopende hemel, op de grondslag van de genade na een volbracht werk tot eer van God. De monden gaan open tot lofprijs aan God. Deze discipelen vormen de kern van een nieuw priestergeslacht.

Dit evangelie heeft ons van de wet naar de genade en van de aarde naar de hemel gebracht. Het begint met een enkele man die niet kan spreken, het eindigt met een menigte die niet kan zwijgen.

Wat een schitterend einde van een overweldigend evangelie waarin de rijkdom van de genade op onovertrefbare wijze is voorgesteld in de Persoon Die alles en iedereen te boven gaat:
“Mijn Liefste is blank en rood,
     Hij steekt als een vaandel boven tienduizend uit” (Hl 5:1010Mijn Liefste is blank en rood,
Hij steekt als een vaandel boven tienduizend uit.
).
“U bent veel mooier dan de [andere] mensenkinderen;
     genade is op Uw lippen uitgegoten” (Ps 45:33U bent veel mooier dan de [andere] mensenkinderen;
genade is op Uw lippen uitgegoten,
daarom heeft God U voor eeuwig gezegend.
).

Bijlage

The Passion of the Christ

Onder deze titel is (in 2004) een film vertoond die mensen massaal naar de bioscoop doet gaan. Als een film over het lijden van Christus:
1. volle zalen trekt,
2. een kaskraker is en
3. mensen tot tranen toe beweegt,
mag de christen die in Hem zijn of haar Heiland heeft gevonden, zich wel tot de Schrift wenden of de voorstelling wel klopt. Ik wil graag met christenen delen wat ik in de Schrift over mijn Heiland heb gevonden in relatie tot de drie aspecten die ik zojuist heb genoemd. Dat levert een volstrekt ander beeld op dan op het doek wordt geprojecteerd.

1. Mijn Heiland trekt geen volle bioscoopzalen

“En zij verlieten Hem en vluchtten allen” (Mk 14:5050En zij verlieten Hem en vluchtten allen.).

Toen de Heer Jezus, de eeuwige Zoon van God, als Baby op aarde kwam, stonden de mensen niet in drommen op de plek waar Hij te zien was. Er was geen welkomstcomité. Toch was Zijn komst aangekondigd (Js 7:1414Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.; Mt 1:22-2322Dit alles nu is gebeurd, opdat vervuld werd wat door [de] Heer gesproken is door middel van de profeet, die zei:23‘Zie, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en men zal Hem de naam Emmanuel geven’, dat is vertaald: God met ons.). Niet slechts een paar maanden van tevoren, maar vele eeuwen geleden. En door de eeuwen heen is steeds naar die geweldige gebeurtenis vooruitgewezen (Mi 5:11En u, Bethlehem-Efratha,
[al] bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal Mij voortkomen
Die een Heerser zal zijn in Israël.
Zijn oorsprongen zijn van oudsher,
van eeuwige dagen af.
; Zc 9:99Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.
)
.

Als Mens was Zijn afstamming indrukwekkend genoeg. Hij was de beloofde Koning, de Zoon van David (Mt 1:11Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.). Hij had recht op de troon in Jeruzalem (Lk 1:3232Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,). Maar Zijn volk zag niet naar Hem uit. Het najagen van eigen belangen had de gedachte aan Hem verdrongen. Toen Hij geboren was, werd Hij in een kribbe, een voederbak voor dieren, gelegd. Er was namelijk voor Hem geen plaats, zelfs niet in de herberg (Lk 2:77en zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.).

Toen de melding van Zijn geboorte doordrong aan het hof van de regerend vorst, kwam er beweging in Jeruzalem (Mt 2:1-41Toen nu Jezus was geboren in Bethlehem in Judéa, in [de] dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit [het] oosten kwamen naar Jeruzalem2en zeiden: Waar is de Koning der Joden Die geboren is? Want wij hebben Zijn ster gezien in het oosten en zijn gekomen om Hem te huldigen.3Toen nu koning Herodes dit hoorde, werd hij ontsteld en heel Jeruzalem met hem;4en hij liet alle overpriesters en schriftgeleerden van het volk bijeenkomen en deed bij hen navraag waar de Christus geboren zou worden.). Ja, de godsdienstige leiders konden antwoord geven op de vraag van Herodes, waar de Koning der Joden geboren zou worden. Uit de Schrift, die zij zo goed kenden, wisten zij dat Bethlehem de geboorteplaats was (Mt 2:5-65En zij zeiden tot hem: In Bethlehem in Judéa; want zo is er geschreven door de profeet:6‘En u, Bethlehem, land van Juda, bent zeker niet [de] geringste onder de vorsten van Juda; want uit u zal een Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël zal hoeden’.). Het bracht de leidslieden echter niet ertoe daarheen te gaan. Herodes ging er wel heen. Hij liet zich vertegenwoordigen door een stel soldaten. De opdracht was echter niet Hem te aanbidden, maar Hem te vermoorden (Mt 2:1616Toen werd Herodes, daar hij zag dat hij door de wijzen was misleid, zeer toornig; en hij zond [knechten] en doodde alle jongens die in Bethlehem en in het hele gebied daarvan waren, van twee jaar en daaronder, overeenkomstig de tijd die hij bij de wijzen nauwkeurig onderzocht had.).

Hij groeide op tot een volwassen Man. Hoewel Hij volkomen anders was dan ieder ander mens, viel Hij uiterlijk niet op. Hij zag er niet anders uit dan andere mensen, Hij was niet omgeven door een waarneembaar charisma. Hij had niets waardoor Hij voor Zijn volk begerenswaardig was (Js 53:22Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
)
.

Dertig jaar bracht Hij door in Nazareth, een plaats waarover met een zekere minachting werd gesproken (Jh 1:4747En Nathanaël zei tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zei tot hem: Kom en zie.). Daar was Hij “de Zoon van de timmerman” (Mt 13:5555Is Deze niet de Zoon van de timmerman? Heet Zijn moeder niet Maria en Zijn broers Jakobus, Jozef, Simon en Judas?). Daar werkte Hij als Timmerman (Mk 6:33Is Deze niet de timmerman, de Zoon van Maria en de Broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon? En zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem.). Maatschappelijk niet direct in het oog lopend, toonaangevend of trendsettend.

Toen Hij dertig jaar oud was, begon Hij Zijn openbare optreden in Israël (Lk 3:2323En Hij, Jezus, begon ongeveer dertig jaar oud te worden, en was, naar men meende, een Zoon van Jozef, de [zoon] van Eli,). In wat Hij deed en zei, bewees Hij de aangekondigde Zoon van David (Mt 21:4-5,94Dit nu is gebeurd, opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet, die zei:5‘Zegt aan de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en op een veulen, [het] jong van een lastdier’.9De menigten nu die vóór Hem uitgingen en zij die volgden, riepen de woorden: Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer! Hosanna in de hoogste [hemelen]!), ja, de beloofde HEERE, Jahweh, Zelf te zijn (Lk 4:17-2117En [het] boek van de profeet Jesaja werd Hem gegeven; en toen Hij het boek had ontrold, vond Hij de plaats waar geschreven stond:18‘[De] Geest van [de] Heer is op Mij, doordat Hij Mij heeft gezalfd om aan armen het evangelie te verkondigen;19Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te prediken en aan blinden [het] gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijlating, om te prediken [het] aangename jaar van [de] Heer’.20En nadat Hij het boek had opgerold en aan de dienaar teruggegeven, ging Hij zitten,21en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. Hij nu begon tot hen te zeggen: Heden is dit Schriftwoord in uw oren vervuld.; Jh 12:37-4137Maar hoewel Hij zoveel tekenen in hun bijzijn had gedaan, geloofden zij niet in Hem;38opdat het woord van de profeet Jesaja werd vervuld, dat hij heeft gezegd: ‘Heer, wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm van [de] Heer geopenbaard?’39Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw heeft gezegd:40‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij niet met hun ogen zien en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’.41Dit zei Jesaja omdat hij Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak.). God geopenbaard in het vlees (1Tm 3:1616En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de Godsvrucht: Hij Die geopenbaard is in [het] vlees, gerechtvaardigd in [de] Geest, gezien door [de] engelen, gepredikt onder [de] volken, geloofd in [de] wereld, opgenomen in heerlijkheid.), het vlees geworden Woord (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.). Maar waar God geopenbaard wordt, wordt ook de haat van de mens openbaar (Jh 3:2020Want ieder die kwade dingen bedrijft, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft worden.). Tijdens Zijn leven hebben de godsdienstige leiders vele malen geprobeerd Hem te vermoorden. Ze haatten Hem, omdat Hij hun aanzien bij het volk wegnam.

Van het volk kwamen veel mensen onder de indruk van wat Hij deed en leerde. Maar het aanvankelijk enthousiasme van de velen bekoelde na verloop van tijd. Dat de menigten Hem wel waardeerden, kwam voort uit het feit dat Hij zorgde voor ‘brood op de plank’. Toen zij Hem daarom koning wilden maken, ontweek Hij hen en verborg Zich (Jh 6:1515Daar nu Jezus wist dat zij zouden komen en Hem met geweld wegvoeren om Hem koning te maken, ontweek Hij opnieuw op de berg, Hij alleen.).

Hij had diepere en verderstrekkende belangen op het oog dan de lichamelijke en tijdelijke. Toen Hij hun daar op wees, haakten er massa’s af (Jh 6:6666Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en wandelden niet meer met Hem.). Hij bleef over met slechts een handjevol discipelen.

Maar ook de door Hem uitgekozen en geroepen discipelen werd het op een gegeven ogenblik te machtig. Toen God de macht van de vijand gelegenheid gaf Zijn Zoon gevangen te nemen, verlieten alle discipelen Hem en vluchtten (Mk 14:5050En zij verlieten Hem en vluchtten allen.). De Heiland was alleen.

O ja, er waren mensen genoeg om Hem heen. Daar was die menigte met zwaarden en stokken, aangevoerd door Judas, om Hem gevangen te nemen (Mk 14:4343En terstond, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, een van de twaalf, en met hem een menigte met zwaarden en stokken, van de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten vandaan.). Die menigte bracht Hem naar de hogepriester, waar alle overpriesters, oudsten en schriftgeleerden bijeengekomen waren (Mk 14:5353En zij leidden Jezus weg naar de hogepriester; en alle overpriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen bijeen.).

In Jeruzalem is het in die dagen ontzettend druk. Nee, ze zijn niet gekomen om hun Koning te zien. Slechts het vervullen van een godsdienstige verplichting had hen daar gebracht. Maar terwijl ze daar zijn, vindt dit merkwaardige proces plaats. Als Pilatus de Heiland voor het volk brengt en hun de keus geeft tussen Barabbas en Hem, schreeuwt de hele menigte dat Hij gekruisigd moet worden (Mk 15:6-146Nu liet hij hun op [elk] feest één gevangene los, die zij begeerden.7Nu was er iemand, Barabbas geheten, gebonden met de oproermakers die in het oproer een moord hadden begaan.8En de menigte kwam naar voren en begon [hem] te vragen hun te doen zoals hij gewoon was.9Pilatus echter antwoordde hun en zei: Wilt u dat ik de Koning der Joden voor u loslaat?10Want hij wist dat de overpriesters Hem uit afgunst hadden overgeleverd.11De overpriesters echter zetten de menigte op, dat hij liever Barabbas voor hen moest loslaten.12Pilatus nu antwoordde opnieuw en zei tot hen: Wat wilt u dan dat ik zal doen met <Hem Die u> de Koning der Joden <noemt>?13Zij nu riepen opnieuw: Kruisig Hem!14Pilatus nu zei tot hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Zij nu riepen des te meer: Kruisig Hem!).

Niemand staat Hem terzijde als Hij gekruisigd wordt. Als Hij aan het kruis hangt, lasteren de voorbijgangers Hem; de overpriesters bespotten Hem onder elkaar met de schriftgeleerden. Zelfs de boosdoeners die met Hem gekruisigd worden, bespotten Hem (Mk 15:29-3229En de voorbijgangers lasterden Hem, terwijl zij hun hoofden schudden en zeiden: Ha, U Die het tempelhuis afbreekt en in drie dagen opbouwt,30verlos Uzelf en kom van het kruis af!31Evenzo spotten ook de overpriesters onder elkaar met de schriftgeleerden en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen.32Laat de Christus, de Koning van Israël, nu van het kruis afkomen, opdat wij zien en geloven! Ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem.). Geen enkele pijniging, smaad en vernedering blijft Hem bespaard.

Toch is al het voorgaande ‘slechts’ het lijden dat Hem is aangedaan door mensen. Het zwaarste lijden voor de Heiland komt als Hij drie uren aan het kruis heeft gehangen. Dan is het zesde uur van de dag aangebroken en wordt Hij door God verlaten (Mk 15:33-3433En toen [het] zesde uur was gekomen, kwam er duisternis over het hele land tot [het] negende uur toe.34En op het negende uur riep Jezus met luider stem: Eloï, Eloï, lemá sabachtháni? – dat is vertaald: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?). Van het zesde tot het negende uur voltrekt God het oordeel over Zijn Zoon Die in die drie uren tot zonde is gemaakt. In die drie uren draagt Hij de zonden van allen die in Hem geloven voor Gods aangezicht en vindt uitdelging daarvan plaats in de straf die Hij daarover ontvangt.

Het lijden van de Heiland in die uren is door mensen niet te peilen, laat staan uit te beelden. In de Psalmen, bijvoorbeeld Psalm 22, kunnen we er iets over gewaar worden. Na verlaten te zijn door mensen is Hij in die drie uren verlaten door Zijn God. Dan sterft Hij.

Zijn begrafenisstoet is klein. De oorzaak daarvan is niet omdat Hij te kennen heeft gegeven ‘dat de begrafenis in familiekring zal plaatsvinden’. Er zijn geen toespraken en geen bloemen, niet omdat de familie dat niet wenst. Ook in Zijn dood is Hij eenzaam. Een enkeling ontfermt zich over Hem. Jozef van Arimathéa neemt Hem van het kruis af en samen met Nicodémus legt hij Hem in een nieuw graf (Jh 19:38-4238Hierna nu vroeg Jozef van Arimathéa, die een discipel van Jezus was, maar in het geheim uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam Zijn lichaam weg.39En ook Nicodémus, die eerst ‘s nachts tot Hem was gekomen, kwam met een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond.40Zij namen dan het lichaam van Jezus en bonden het in linnen doeken met de specerijen, zoals de Joden de gewoonte van begraven hebben.41Nu was er op de plaats waar Hij was gekruisigd een tuin, en in de tuin een nieuw graf waarin nog nooit iemand was gelegd.42Daar legden zij dan Jezus wegens de voorbereiding van de Joden, omdat het graf dichtbij was.).

Het graf is gelukkig niet het einde van de Heiland. Het luidt een nieuw begin in. Hij Die dood geweest is, is opgestaan uit de doden (Lk 24:55Toen zij erg bang werden en hun gezicht ter aarde bogen, zeiden zij tot hen: Waarom zoekt u de Levende bij de doden?). Na Zijn opstanding is Hij aan velen verschenen (1Ko 15:4-84en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften;5en dat Hij aan Kefas is verschenen, daarna aan de twaalf.6Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten tot nu toe in leven, maar sommigen ontslapen zijn.7Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen.8En het allerlaatst is Hij ook aan mij, als aan een misgeboorte, verschenen.), maar niet aan ongelovigen. Hij is vanaf Zijn opstanding alleen te zien door en in het geloof. “Maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond” (Hb 2:99maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.).

Als dat de weg is die mijn Heiland is gegaan, zal Hij dan voor mij een andere weg hebben? Wil Hij dat ik mij, onderuitgezakt in een bioscoopstoel, samen met drommen anderen, vergaap aan Zijn lijden? De stem van de Heiland, dat is het Woord van God, vervaagt. Maar wie nog kan luisteren, verneemt duidelijk Zijn uitspraak: “Een discipel is niet boven zijn meester, en een slaaf niet boven zijn heer. Het is de discipel genoeg dat hij wordt als zijn meester, en de slaaf als zijn heer” (Mt 10:24-2524Een discipel is niet boven zijn meester, en een slaaf niet boven zijn heer.25Het is de discipel genoeg dat hij wordt als zijn meester, en de slaaf als zijn heer. Als zij de heer des huizes Beëlzebul hebben genoemd, hoeveel te meer zijn huisgenoten!).

En sprak de Heiland niet ergens over verdrukking in de wereld (Jh 16:3333Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.)? Hoezo verdrukking, als Jezus als de martelaar de bewondering van de wereld oogst en zij die zich Zijn volgelingen noemen, zich daarin met de wereld verbinden?

2. Mijn Heiland vult geen kassa’s

“Hij, terwijl Hij rijk was, is ter wille van u arm geworden” (2Ko 8:99Want u kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij, terwijl Hij rijk was, ter wille van u arm is geworden, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.).

Rijkdom en eer horen niet bij een verworpen Heiland. Toen Hij geboren werd, was Zijn wieg een kribbe. Daarin lag Hij, in doeken gewikkeld (Lk 2:77en zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.). Hij was rijk, maar werd arm. Als God bezat Hij al het zilver en goud van de wereld (Hg 2:99Van Mij is het zilver en van Mij is het goud,
spreekt de HEERE van de legermachten.
)
. De wereld en haar volheid behoorde Hem toe (Ps 50:1212Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen;
want van Mij is de wereld en al wat zij bevat.
)
. Toch maakte Hij daarvan geen gebruik om campagne te voeren en Zichzelf aan te prijzen.

Op aarde had Hij niets wat aan luxe en welvaart doet denken. Zijn ouders waren arme mensen. Tijdens de meer dan drie jaren van Zijn rondtrekken door Israël leefde Hij van wat anderen Hem van hun bezittingen gaven (Lk 8:33en Johanna, [de] vrouw van Chusas, zaakwaarnemer van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die hen dienden met hun bezittingen.). De ezel die Hij nodig had, moest Hij lenen (Mt 21:1-31En toen zij Jeruzalem naderden en bij Bethfagé kwamen aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen en zei tot hen:2Gaat naar het dorp dat tegenover u ligt, en terstond zult u een ezelin gebonden vinden en een veulen bij haar; maakt ze los en brengt ze Mij.3En als iemand u iets zegt, dan moet u zeggen: De Heer heeft ze nodig, en terstond zal hij ze zenden.). Hetzelfde gold voor een boot (Lk 5:33Hij nu ging aan boord van een van de schepen, dat van Simon was, en vroeg hem iets van het land af uit te varen; en terwijl Hij zat, leerde Hij de menigten vanuit het schip.). Het geld voor de tempelbelasting had Hij niet op zak (Mt 17:24-2724Toen zij nu in Kapernaüm gekomen waren, kwamen de ontvangers van de didrachmen naar Petrus toe en zeiden: Betaalt Uw meester <de> didrachmen niet? Hij zei: Jawel.25En toen hij in het huis was gekomen, was Jezus hem vóór en zei: Wat denk je, Simon, van wie heffen de koningen van de aarde tol of belasting: van hun zonen of van de vreemden?26Toen hij nu zei: Van de vreemden, zei Jezus tot hem: Dan zijn de zonen vrij.27Opdat wij hun echter geen aanstoot geven, ga naar zee, werp een vishaak uit en neem de eerste vis die bovenkomt, en als je zijn bek opendoet, zul je een stater vinden; neem die en geef hem hun voor Mij en jou.). Toen Hij een geldstuk nodig had voor het antwoord op een doortrapte vraag, moest Hij daar anderen om vragen (Mk 12:1515Daar Hij echter hun huichelarij kende, zei Hij tot hen: Waarom verzoekt u Mij? Brengt Mij een denaar opdat Ik die zie.). Hij had Judas benoemd tot penningmeester van het gezelschap dat met Hem door het land trok en evenals Hij afhankelijk was van wat anderen van hun bezittingen gaven. Het was Hem bekend dat Judas een dief was die het gemeenschapsgeld uit de beurs stal (Jh 12:4-64Een van Zijn discipelen echter, Judas Iskariot, <[zoon] van Simon,> die Hem zou overleveren, zei:5Waarom is deze balsem niet verkocht voor driehonderd denaren en aan [de] armen gegeven?6Dit zei hij echter, niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als degene die de beurs had, droeg wat erin werd gedaan.). Hij bezat geen eigen onderkomen (Mt 8:2020En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten; maar de Zoon des mensen heeft geen [plaats] waar Hij Zijn hoofd kan neerleggen.). Het graf waarin Hij werd gelegd, was van een ander (Mt 27:59-6059En Jozef nam het lichaam, wikkelde het in een rein stuk linnen60en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had uitgehouwen; en na een grote steen voor de ingang van het graf gewenteld te hebben ging hij weg.).

Hij beloofde Zijn volgelingen ook geen toename van geld en goederen. Integendeel, Hij riep hen om Hem te volgen, wat inhield dat zij alles achterlieten (Mt 4:18-2218En toen Hij langs de zee van Galiléa wandelde, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andréas, een werpnet in de zee werpen, want zij waren vissers;19en Hij zei tot hen: Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken.20Zij nu lieten terstond hun netten achter en volgden Hem.21En toen Hij vandaar verder was gegaan, zag Hij twee andere broers, Jakobus, de [zoon] van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, terwijl zij in het schip met hun vader Zebedeüs bezig waren hun netten te verstellen. En Hij riep hen;22en zij lieten terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.; 19:2727Toen antwoordde Petrus en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd; wat zal dan voor ons zijn?).

Geld en goed blijken een groot struikelblok om achter Hem aan te gaan. Het verhaal van een rijke jongeman is daarvan een goede illustratie. Terwijl de Heiland onderweg is, komt er een jongeman op Hem toegelopen die wil weten wat hij moet doen om eeuwig leven te beërven. De Heiland houdt hem voor alles te verkopen wat hij heeft en dat geld uit te delen aan de armen. De Heiland belooft hem daarbij een schat in de hemel en nodigt hem uit Hem te volgen. Dat is te veel gevraagd. Hij kan geen afstand doen van zijn bezittingen (Mt 19:16-2216En zie, er kwam iemand naar Hem toe en zei tot Hem: Meester, wat voor goeds moet ik doen om eeuwig leven te hebben?17Hij nu zei tot hem: Wat vraagt u Mij over het goede? Eén is de Goede. Als u echter het leven wilt binnengaan, bewaar de geboden.18Hij zei tot Hem: Welke? Jezus nu zei: U zult niet doden, u zult geen overspel plegen, u zult niet stelen, u zult niet vals getuigen,19eer uw vader en uw moeder, en u zult uw naaste liefhebben als uzelf.20De jongeman zei tot Hem: Dit alles heb ik onderhouden; wat ontbreekt mij nog?21Jezus zei tot hem: Als u volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezittingen en geef het aan <de> armen, en u zult een schat hebben in [de] hemelen, en kom, volg Mij.22Toen de jongeman echter dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg, want hij had vele bezittingen.).

Toen Hij Zijn discipelen uitzond om het evangelie te prediken, moesten ze niets meenemen dat enige waarde had voor het leven op aarde (Mt 10:99Voorziet u niet van goud, zilver of koper in uw gordels,). Hun boodschap moest niet in relatie met geld gebracht kunnen worden. Ze hadden zelf het evangelie voor niets ontvangen, ze moesten het voor niets doorgeven (Mt 10:88Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft demonen uit; u hebt het voor niets ontvangen, geeft het voor niets.). Als geld een rol gaat spelen in de verkondiging van het evangelie, bereikt het evangelie het hart en geweten van de mens niet meer. Paulus had dat goed begrepen. Hij zag bij de Korinthiërs zelfs af van het recht op ondersteuning om de zuiverheid van het evangelie niet in gevaar te brengen (1Ko 9:1818Wat is dan mijn loon? Dat ik bij mijn evangelieprediking het evangelie kosteloos stel, zodat ik van mijn recht in het evangelie geen gebruikmaak.).

Geldzucht bracht Judas ertoe Zijn Meester te verraden. Voor het luttele bedrag van dertig zilverlingen kwam hij met de overpriesters overeen Hem aan hen over te leveren (Mt 26:1515Wat wilt u mij geven? Dan zal ik Hem aan u overleveren. Zij nu betaalden hem dertig zilverlingen uit.). Dat was de prijs van een slaaf (Ex 21:3232Als het rund een slaaf of slavin stoot, moet [de eigenaar] aan zijn meester dertig sikkel zilver geven, en het rund moet gestenigd worden.; Zc 11:1212Want Ik had tegen hen gezegd: Als het goed is in uw ogen, geef [Mij] Mijn loon; zo niet, laat het na. Toen hebben zij Mijn loon afgewogen: dertig zilverstukken.). Meer was Hij de overpriesters niet waard. Voor Judas was het genoeg. In de greep van het geld te zijn betekent in de greep van de duivel te zijn.

Maria vormt met Judas het grootst mogelijke contrast. Zij besteedde een jaarloon om de Heiland te zalven. Judas en een paar andere discipelen noemden dat verkwisting. De Heiland spreekt er echter Zijn waardering over uit (Jh 12:3-53Maria dan nam een pond balsem van onvervalste, kostbare nardus, zalfde de voeten van Jezus en droogde Zijn voeten met haar haren af; en het huis werd met de geur van de balsem vervuld.4Een van Zijn discipelen echter, Judas Iskariot, <[zoon] van Simon,> die Hem zou overleveren, zei:5Waarom is deze balsem niet verkocht voor driehonderd denaren en aan [de] armen gegeven?; Mk 14:3-93En toen Hij in Bethanië was in het huis van Simon de melaatse, kwam er, terwijl Hij aanlag, een vrouw met een albasten fles met balsem van echte, kostbare nardus; zij brak de albasten fles en goot die uit op Zijn hoofd.4Nu waren er sommigen die [haar] dit zeer kwalijk namen bij zichzelf <en zeiden>: Waartoe is deze verkwisting van de balsem gebeurd?5Want deze balsem had voor meer dan driehonderd denaren verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. En zij werden zeer verontwaardigd tegen haar.6Jezus echter zei: Laat haar [begaan]. Waarom valt u haar lastig? Zij heeft een goed werk aan Mij verricht.7Want de armen hebt u altijd bij u en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen; Mij echter hebt u niet altijd.8Zij heeft gedaan wat zij kon; zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.9Ja, voorwaar, Ik zeg u: overal waar dit evangelie wordt gepredikt in de hele wereld, zal ook van wat deze heeft gedaan, gesproken worden tot haar gedachtenis.). Wat aan Hem gegeven en gedaan wordt, houdt eeuwig zijn waarde.

De al genoemde volgeling van de Heiland, Paulus, wist ook dat het volgen van de Heiland alles kostte. Hij had het ervoor over. Alles achtte hij schade en drek om Christus beter te leren kennen. Alles gaf hij op, met de wens om steeds meer op zijn Heiland te lijken (Fp 3:8-98Jazeker, ik acht ook alles schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, om Wie ik de schade van alles heb geleden en het als vuilnis acht, opdat ik Christus mag winnen9en in Hem bevonden word, niet in het bezit van mijn gerechtigheid die uit [de] wet is, maar van die welke door [het] geloof in Christus is, de gerechtigheid die uit God is, [gegrond] op het geloof;). Zijn Heiland had verwerping en smaad geleden, Paulus wilde in dat lijden delen, tot in de dood aan toe (Fp 3:10-1110om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding en <de> gemeenschap aan Zijn lijden, terwijl ik aan Zijn dood gelijkvormig word,11om hoe dan ook te komen tot de opstanding uit [de] doden.). Als we een beetje van de instelling van Paulus kennen en als we iets weten van de liefde voor zijn Heiland, dan kunnen we hem ons niet voorstellen als een toeschouwer bij een film. Nee, daar wilde hij niet van weten. Hij wilde deelnemer zijn.

Dat gaf hij ook door aan de Korinthiërs. In die gemeente had je van die gelovigen met dikke, welgedane buiken. Ze waren net zo welgesteld als welgedaan, ze waren rijk (1Ko 4:88Reeds bent u verzadigd, reeds bent u rijk geworden, zonder ons hebt u geregeerd; en ik zou wel willen dat u regeerde, opdat ook wij met u regeerden.). Dat zijn van die mensen die je vandaag in hun galakleding uit hun weelderig ingerichte huizen in hun glimmende A-klasse auto’s voorzien van de modernste technieken ziet stappen en tegen hun chauffeur hoort zeggen dat ze naar de bioscoop koers moeten zetten. Op hun voorverwarmde stoel komen ze in de auto alvast in de stemming door nog eens naar de voorproefjes van de film te kijken. Bij de bioscoop aangekomen trekken ze met een weids gebaar hun dikke portefeuille, tellen het geld voor een kaartje neer (als ze dat al niet bij hun auto cadeau hebben gekregen of er zich via de voorverkoop van verzekerd hebben) en laten zich met de nodige egards naar hun plaats begeleiden. Daar zijgen zij neer. Nog even de smartphone uitzetten en ze zijn er klaar voor om zich te laven aan een twee uur durend spektakel.

Ho even, zegt Paulus. Weet je hoe het met ons is, die door de Heiland in de wereld zijn gezonden om van Hem te getuigen? Wij gaan niet ons goeie geld uitgeven om naar een schouwspel te gaan zitten kijken om ons te vermaken of een geestelijke kick te krijgen. Wij zijn zélf een schouwspel (1Ko 4:99Want ik meen dat God ons, de apostelen, als laatsten heeft gesteld, als ten dode gedoemden; want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld en voor engelen en voor mensen.). Wij zijn het uitschot van de wereld, het uitvaagsel (1Ko 4:1313gelasterd, wij bidden; wij zijn als [het] uitschot van de wereld geworden, aller uitvaagsel tot nu toe.). Niks geen Oscar of Gouden Kalf voor de beste rol of het beste script. We krijgen de handen niet op elkaar om voor ons te applaudisseren, zoals de maker van de film. Die kreeg van Volle Evangelie Zakenlieden een staande ovatie na het vertonen van een paar scènes. Wij, zegt Paulus, krijgen de handen op ons om ons klappen te geven, om ons te grijpen en in de gevangenis te gooien. In plaats van rijk en verzadigd te worden lijden we honger. In plaats van te worden geëerd, worden we uitgescholden (1Ko 4:1111Tot op dit ogenblik lijden wij zowel honger als dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats,). Dát hoort erbij als je de Heiland volgt.

3. Mijn Heiland zoekt geen tranen van medelijden

“Weent niet over Mij” (Lk 23:2828Jezus echter wendde Zich tot hen en zei: Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij; weent evenwel over uzelf en over uw kinderen.).

Het moet een aandoenlijk gezicht geweest zijn om de Heiland door de straten van Jeruzalem te zien gaan. Uitgeput door alle ondergane en doorstane martelingen, wekte Hij het medelijden op van een aantal vrouwen die blijkbaar zeer met Hem begaan waren. Ze gaven daaraan uiting door te weeklagen en klaagliederen over Hem te zingen (Lk 23:2727Nu volgde Hem een grote massa van het volk en van vrouwen die weeklaagden en klaagliederen over Hem zongen.). Dan staat de Heiland stil. Hij draait Zich om en richt Zich tot de vrouwen. Het moet een ogenblik doodstil zijn geworden, daar in die straat van Jeruzalem. Hij is altijd Heer van de situatie, ook als Hij ogenschijnlijk de speelbal is van de gevoelens van Zijn volk en de leidslieden ervan.

Dan klinken Zijn indrukwekkende woorden, woorden die bedoeld zijn om deze vrouwen tot het juiste inzicht te brengen van de situatie waarin ze zich bevinden. Mensen die hun ogen niet droog kunnen houden omdat ze emotioneel aangedaan raken bij het zien van zoveel lijden, zijn mensen die geen oog hebben voor hun eigen nood. Dat soort medelijden zoekt de Heiland niet. Hij waarschuwt de vrouwen aangaande het komende oordeel. Over dit grootste van alle onrecht dat ooit op aarde is geschied, zal Gods rechtvaardige toorn losbarsten (Lk 23:3030Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvels: Bedekt ons.).

Maar hoor ook de genade van de Heiland. Hij roept de vrouwen op over zichzelf en over hun kinderen te huilen. Hij wenst dat ze inzien aan welk boosaardig vergrijp ze zich schuldig maken. De Zoon van God staat op het punt vermoord te worden, waarmee het bewijs van de opperste boosheid van de mens wordt geleverd. Er is geen grotere boosheid denkbaar dan het verwerpen van de Zoon van God Die in liefde en genade op aarde God heeft getoond.

Ieder mens is schuldig aan de dood van de Zoon van God. De Joden hebben daar hun aandeel in gehad. Zij hebben in vermetelheid Zijn bloed over zich afgeroepen (Mt 27:2525En al het volk antwoordde en zei: Zijn bloed over ons en over onze kinderen!). Alle vervolgingen die zij in de loop van hun geschiedenis hebben gekend, zullen verbleken bij de tijd van benauwdheid die nog voor hen zal aanbreken (Mt 24:2121Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.; Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
.

Maar niet alleen de Joden zijn schuldig. Ook de heidenen hebben hun aandeel in de dood van de Zoon van God. Het opschrift op het kruis, dat als beschuldiging moest dienen, maar de werkelijkheid weergaf, was in drie talen geschreven (Jh 19:2020Dit opschrift dan lazen velen van de Joden, omdat de plaats waar Jezus werd gekruisigd, dicht bij de stad was, en het was geschreven in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks.). Die drie talen staan symbool voor de Joden en hun godsdienst (Hebreeuws) en voor de heidenen in hun politiek (Latijn) en wijsheid (Grieks).

De hele mensheid is vanwege de zonde strafschuldig voor God (Rm 3:2323Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God,). Ieder mens is een zondaar en verdient de hel. Wie in de Heiland niet een martelaar ziet, maar Iemand Die Zichzelf vrijwillig overgaf in handen van zondige mensen omdat dit de wil van de Vader was om diezelfde zondige mensen te redden, zal huilen over zichzelf. Wie inziet én erkent medeschuldig te zijn aan de dood van de Zoon van God, zal huilen over zichzelf. Zo iemand zal de noodzaak inzien dat de Heiland op het kruis door God verlaten werd vanwege de door hem of haar begane zonden.

Eerder was er een vrouw bij de Heiland gekomen die in de stad bekendstond als een zondares. Zij was het huis binnengegaan waar de Heiland was en was huilend achter Hem gaan staan, bij Zijn voeten. Zij maakte Zijn voeten nat met haar tranen. Tot haar richt Hij de woorden vol genade: “Uw zonden zijn vergeven.” Daarna zendt Hij haar heen in vrede (Lk 7:36-5036Een van de farizeeën nu vroeg Hem bij zich te eten; en Hij ging in het huis van de farizeeër en lag aan.37En zie, een vrouw die in de stad een zondares was en die merkte dat Hij in het huis van de farizeeër aanlag, bracht een albasten fles met balsem,38ging wenend achter Hem staan, bij Zijn voeten, en begon Zijn voeten met haar tranen nat te maken en droogde ze af met de haren van haar hoofd, en zij kuste Zijn voeten innig en zalfde ze met de balsem.39Toen nu de farizeeër die Hem had genodigd dit zag, zei hij bij zichzelf: Als Deze een profeet was, zou Hij wel weten wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt, want zij is een zondares.40En Jezus antwoordde en zei tot hem: Simon, Ik heb u iets te zeggen. (Hij nu sprak: Meester, zeg het.)41Een schuldeiser had twee schuldenaars; de een was vijfhonderd denaren schuldig en de ander vijftig.42Toen zij niet konden betalen, schonk hij het hun beiden. Wie van hen dan zal hem het meest liefhebben?43Simon antwoordde en zei: Ik veronderstel, hij aan wie hij het meest heeft geschonken. Hij nu zei tot hem: U hebt juist geoordeeld.44En terwijl Hij Zich omkeerde naar de vrouw, zei Hij tot Simon: Ziet u deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water voor [Mijn] voeten hebt u Mij niet gegeven, maar zij heeft Mijn voeten met haar tranen nat gemaakt en met haar haren afgedroogd.45Een kus hebt u Mij niet gegeven, maar zij heeft vanaf dat Ik binnengekomen ben niet opgehouden Mijn voeten innig te kussen.46Met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met balsem Mijn voeten gezalfd.47Daarom zeg Ik u: haar vele zonden zijn vergeven, want zij heeft veel liefgehad; maar wie weinig wordt vergeven, die heeft weinig lief.48Hij nu zei tot haar: Uw zonden zijn vergeven.49En zij die mee aanlagen, begonnen onder elkaar te zeggen: Wie is Deze dat Hij zelfs zonden vergeeft?50Hij nu zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.). Zo is de Heiland voor ieder die met berouw over zijn of haar zonden tot Hem komt.

De Heiland zoekt tranen van oprecht berouw over de zonden, niet tranen als gevolg van een emotionele aandoening. Hij zoekt droefheid die tot bekering leidt (2Ko 7:1010Want de droefheid in overeenstemming met God bewerkt een onberouwelijke bekering tot behoudenis; maar de droefheid van de wereld bewerkt [de] dood.), geen droefheid die het menselijk gevoel een zekere voldoening geeft.

Nog enkele opmerkelijke zaken

Of ik de film gezien heb? Nee. Daar heb ik ook geen enkele behoefte aan. Of liever: alles in mij verzet zich daartegen. Ik vind het van ongekende vermetelheid getuigen als een zondig, sterfelijk mens het waagt om voor Jezus te spelen. Als dan de acteur, die deze vermetelheid in deze film heeft, ook nog durft te zeggen dat hij Jezus speelt ‘precies zoals Hij was’ is daarmee blijk gegeven van het volledig vertreden van de verschuldigde eerbied voor de hoogheilige Persoon van de Zoon van God, Die God en Mens in één Persoon is.

De Heer Jezus is naar beneden gehaald tot het niveau van de zondige mens, die zich opnieuw aan Hem vergrijpt. Het mysterie van de Persoon van de Zoon van God is niet aan mensen gegeven om te doorgronden (Mt 11:25-2725In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard.26Ja Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U.27Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon [Hem] wil openbaren.), maar om te bewonderen en te aanbidden. Wie het niet als ondoorgrondelijk, Goddelijk geheimenis bewondert en aanbidt, zal erdoor worden verteerd.

Maar er zijn nog meer kanttekeningen te plaatsen die niet mals zijn. Zo heeft de maker van de film gezegd dat de film niet alleen op de Bijbel is gebaseerd, maar ook op de visioenen van de roomse mystieke dames Anne Catharina Emmerich en Maria van Agreda. De persoon die voor Jezus speelt, is overtuigd rooms-katholiek, net als de maker van de film. Hij heeft tot de heiligen St. Genesius van Arles en St. Antonius van Padua gebeden om hulp voor zijn carrière als toneelspeler. Verder zegt hij dat hij altijd een stuk van het echte kruis bij zich heeft gedragen in een speciaal daarvoor in zijn kleding genaaide zak. Ook andere relikwieën droeg hij bij zich.

Het gewelddadig kaliber van de film deed de filmkeurmeesters in de VS besluiten ‘The Passion of the Christ’ ongeschikt te achten voor jeugdige personen. Hoezo is het evangelie voor iedereen? Je moet kennelijk heel wat visueel (!) geweld kunnen incasseren om via deze film met het evangelie in aanraking te kunnen komen.

Het aanprijzen van de film als ‘het beste evangelisatiemiddel sinds 2000 jaar´ is dan ook schrikbarend. Hoezeer is het evangelie door de hand van de mens gedevalueerd tot het niveau van volksvermaak! Dit evangelie is geen kracht van God tot behoudenis voor ieder die gelooft (Rm 1:1616Want ik schaam mij niet voor het evangelie; want het is Gods kracht tot behoudenis voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.), want het is een ander evangelie (Gl 1:66Ik verwonder mij, dat u zo snel van Hem Die u door [de] genade <van Christus> heeft geroepen, overgaat naar een ander evangelie,). Het evangelie van Christus wordt verdraaid voorgesteld (Gl 1:77dat geen ander is; maar er zijn sommigen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien.), aangepast aan de smaak van de mens. Er wordt een andere Jezus gepredikt. Wie deze Jezus aanneemt, ontvangt een andersoortige geest die door de mens heel goed verdragen kan worden (2Ko 11:44Want als degene die komt een andere Jezus predikt die wij niet gepredikt hebben, of als u een andersoortige geest ontvangt die u niet hebt ontvangen, of een andersoortig evangelie dat u niet hebt aangenomen, dan zou u het heel goed verdragen.).

Op zoek naar ervaring, emotie, geeft deze voorstelling van Jezus de mens een godsdienstig gevoel. Dat deze film juist bij de godsdienstige mens zo aanslaat, is ronduit zorgwekkend. Hij blijkt een vacuüm te vullen dat aanwezig is in de geestelijke beleving waarnaar de massa, bestaande uit godsdienstige en niet godsdienstige mensen, heden ten dage op zoek is. Maar behoudenis van zonden bewerkt het niet. Die krijgt een mens alleen als Hij in het geloof de Naam van de Heer aanroept. En het geloof komt door het horen van Woord dat gepredikt wordt (Rm 10:12-1712Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek, want dezelfde Heer van allen is rijk jegens allen die Hem aanroepen:13‘want ieder die de Naam van [de] Heer zal aanroepen, zal behouden worden’.14Hoe zullen zij nu Hem aanroepen in Wie zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij geloven in Hem van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt?15En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden zijn? Zoals geschreven staat: ‘Hoe liefelijk zijn de voeten <van hen die vrede verkondigen,> van hen die <het> goede verkondigen’.16Maar niet allen hebben het evangelie gehoorzaamd. Want Jesaja zegt: ‘Heer, wie heeft onze prediking geloofd?’17Dus is het geloof uit [de] prediking, en de prediking door [het] Woord van Christus.).

De Paus en Billy Graham, kerkelijke leiders en evangelische voorgangers, de EO, de Evangelische Alliantie en tal van organisaties en kerken, allen zijn ze lovend over de film. Er gaat dan ook een gigantische oecumenische werking van uit.

Iemand beweerde: ‘Na het zien van de film zal iemand die deelneemt aan het avondmaal dat op een andere manier doen.’ Dat zal wel. Maar dat betekent niet op een betere, maar op een slechtere manier. Ik wil bij het vieren van het avondmaal en het nadenken over het lijden van mijn Heiland aan Hem denken zoals Hij in de Schrift wordt getoond. Het zien van de film plaatst op mijn netvlies een soort lijden zoals dat gezien is door een man die zich voor het maken van de film ook heeft laten inspireren door mystieke bronnen. Het resultaat is een gedrocht, een verminking van de Schriften.

Ik wil niet aan het lijden van mijn Heiland denken zoals dat vertolkt wordt door een zondig, aanmatigend mens. Dat kan niet anders zijn dan een verdorven karikatuur van Hem voor Wie de engelen hun aangezicht in heilig ontzag verbergen (Js 6:2-32Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte [ieder] zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
3De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
)
. De maker stelt niet Gods waarheid voor, de acteur stelt niet mijn Heiland voor.

Daar komt nog bij dat enkele fundamentele kenmerken van het christelijk leven geweld worden aangedaan: die van het christelijk leven in het algemeen en van de christelijke aanbidding in het bijzonder zoals we die in de Schrift vinden. Christenen wandelen namelijk door geloof en niet door aanschouwen (2Ko 5:77(want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen);). En zij aanbidden in geest en in waarheid (Jh 4:21-2421Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat u noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.22U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de behoudenis is uit de Joden.23Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.) en niet door middel van enig menselijk maaksel dat met het menselijk oog wordt waargenomen. Tegen dit laatste wordt zelfs uitdrukkelijk door God gewaarschuwd (Dt 4:15-1615U moet, omwille van uw leven, zeer op uw hoede zijn – u hebt immers geen enkele gestalte gezien op de dag dat de HEERE bij de Horeb tot u sprak vanuit het midden van het vuur –16dat u niet verderfelijk handelt en voor u een beeld maakt, de afbeelding van enig afgodsbeeld, de vorm van een man of vrouw,).

Oproep

Ik zie mijn Heiland als ik de Bijbel lees. Dat geldt voor ieder kind van God. Voor allen geldt de oproep: “[Terug] naar de wet en het getuigenis [dat is: het Woord van God]! Als zij niet overeenkomstig dit woord spreken, zal er voor hen geen dageraad zijn” (Js 8:2020[Terug] naar de wet en het getuigenis! Als zij niet overeenkomstig dit woord spreken, zal er voor hen geen dageraad zijn.).

Is het mogelijk om als enkelingen tegenover zoveel kerkelijk en evangelisch geweld staande te blijven in het geloof in de Christus der Schriften? Is het mogelijk om niet te zwichten voor tal van gevoelsargumenten die een schijn van gezag bezitten? Jazeker! Niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Heer. Ons staat de hele wapenrusting van God ter beschikking (Ef 6:13-1813Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,). Daarbij moeten we bedenken dat onze strijd niet is tegen bloed en vlees, maar tegen de geestelijke machten in de hemelse gewesten (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].). Hoor de bemoediging: “Wees niet bevreesd voor hen. Denk aan de grote en ontzagwekkende Heere, en strijd voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen” (Ne 4:1414Ik zag [erop] toe en stond op en zei tegen de edelen, de machthebbers en de rest van het volk: Wees niet bevreesd voor hen. Denk aan de grote en ontzagwekkende Heere, en strijd voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen.).

Tot besluit

Nee, ik heb de film niet gezien. Om Christus te zien heb ik aan de Bijbel genoeg. Dat geldt voor ieder kind van God. In de Bijbel lees ik hoe de Heiland Zich aan mij wil laten zien. Hij vertelt mij dat Hij en de Vader bij mij zullen komen (Jh 14:21,2321Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.23Jezus antwoordde en zei tot hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken.) als ik Zijn geboden en Zijn Woord bewaar.

Nee, ik zal de film niet gaan zien. Ik zie iets anders: ik zie Christus in de heerlijkheid en dat mijn leven met Christus verborgen is in God. Daarom wil ik de dingen zoeken die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Ik wil de dingen bedenken die boven zijn, waar Christus is, terwijl ik met beide benen op de grond sta en bezig ben in mijn dagelijks werk (Ko 3:1-41Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.2Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.3Want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.4Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.).

Mijn Heiland zocht in Zijn leven zeker de behoudenis van de zondaar. Daarvoor gaf Hij Zijn leven. Maar nog meer zocht Hij in Zijn leven de eer van Zijn God en Vader (Jh 17:44Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U Mij te doen hebt gegeven;). Daarvoor gaf Hij in de eerste plaats Zijn leven. In Zijn dood gaf Hij aan God de eer terug die wij mensen Hem hadden ontroofd. Wij waren ongehoorzaam geworden en kregen in de dood ons verdiende loon (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.). Hij was gehoorzaam tot de dood en kreeg Zijn verdiende loon in Zijn opwekking uit de doden en Zijn verheerlijking aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge (Hd 2:32-3632Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.33Nu Hij dan door de rechterhand van God is verhoogd en de belofte van de Heilige Geest heeft ontvangen van de Vader, heeft Hij dit uitgestort wat u <én> ziet én hoort.34Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: ‘<De> Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand,35totdat Ik Uw vijanden tot een voetbank voor Uw voeten stel’.36Laat het hele huis van Israël dan zeker weten, dat God Hem zowel tot Heer als tot Christus heeft gemaakt, deze Jezus Die u hebt gekruisigd.; Ef 1:2020die Hij heeft gewerkt in Christus door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten],; Hb 1:33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,).

Het wonder van de genade is dat allen die Hem aannemen, mogen delen in het door Hem verdiende loon (Ef 2:4-64Maar God, Die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons vanwege Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad,5toen ook wij dood waren in de overtredingen, levend gemaakt met Christus (uit genade bent u behouden),6en heeft [ons] mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus,). Die Heiland wil ik beter leren kennen door het onderzoeken van Zijn Woord. Die Heiland wil ik in de kracht van de Heilige Geest dienen met de volle toewijding van mijn hart, elk uur van de dag en van de nacht. Van die Heiland wil ik getuigen naar allen in mijn omgeving die Hem nog niet kennen.

Ik vertrouw erop dat er nog veel christenen zijn die dat verlangen met mij (gaan) delen. Tot eer van God en Zijn Christus en tot vreugde voor Zijn volk, dat allen omvat die hun zonden voor God hebben beleden en in het geloof Jezus Christus als hun persoonlijke Heiland en Heer hebben aangenomen.

Ger de Koning
Middelburg, 6 maart 2004