Lukas
1-4 Het offer van de weduwe 5-11 Tekenen van de eindtijd 12-19 Vervolging en volharding 20-27 Vervulling van de tijden van de volken 28-33 De vijgenboom en alle bomen 34-36 Waakzaamheid geboden 37-38 De Heer blijft leren in de tempel
Het offer van de weduwe

1Toen Hij nu opkeek, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen. 2Hij zag ook een arme weduwe twee koperstukjes daarin werpen. 3En Hij zei: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe er meer dan allen heeft ingeworpen. 4Want deze allen hebben er van hun overvloed ingeworpen bij de gaven <van God>, maar zij heeft van haar gebrek er al haar levensonderhoud dat zij had, ingeworpen.

Als de Heer opkijkt, ziet Hij dat mensen hun gaven in de schatkist werpen. Hij kent iedere gever van elke gave en weet of ze rijk zijn of arm. Hij weet ook hoeveel zij geven en hoe zij geven, vanuit welke gezindheid. Hij neemt waar en merkt op dat een arme weduwe twee koperstukjes in de schatkist werpt. Misschien is het een van die weduwen over wie Hij zojuist, aan het einde van het vorige hoofdstuk, heeft gesproken, een weduwe van wie het huis wordt opgegeten. In plaats van daarover te klagen brengt zij haar laatste geld naar de schatkist als een gift aan God, tot onderhoud van de tempel, Gods huis.

Is het geen nutteloze gave, daar de tempel toch verwoest zal worden, zoals we in de volgende verzen zien? Nee, want zij geeft niet aan een tempel die op het punt staat verwoest te worden, maar aan God en Hij waardeert elke gave die uit een volkomen toegewijd hart komt.

Een gave mag wat het bedrag betreft gering of zelfs te verwaarlozen zijn, de werkelijke waarde ligt in het motief van het geven. Dat mag ook voor ons een grote troost zijn. De Heer prijst de arme weduwe vanwege haar gave. Naar Zijn waardering heeft zij er meer ingeworpen dan alle rijken samen. Hij weet dat alle rijken er ingeworpen hebben vanuit hun overvloed en dat hun overvloed door hun gave niet is afgenomen. Hij weet ook dat de arme weduwe van haar gebrek niet iets heeft afgezonderd, maar alles heeft gegeven wat zij had.

Ze heeft niets meer voor zichzelf overgehouden. Ze heeft zelfs, naar de woorden van de Heer, “al haar levensonderhoud” gegeven, dat wil zeggen dat ze zichzelf heeft gegeven. Dit betekent dat ze heeft gegeven in het volle vertrouwen dat God voor haar zal zorgen (Jr 49:1111Laat uw wezen achter, Ík zal hen in het leven behouden,
en laten uw weduwen op Mij vertrouwen.
)
. Dat is geven naar het hart van God. Ware discipelen geven zoals deze weduwe.

Lukas schrijft meer over weduwen dan de andere evangelisten (Lk 2:36-3836En er was een profetes, Anna, een dochter van Fanuël, uit [de] stam van Aser; deze was op zeer hoge leeftijd gekomen, nadat zij na haar maagdelijke staat zeven jaar met [haar] man had geleefd.37En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.38En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij en loofde God en sprak over Hem tot allen die [de] verlossing van Jeruzalem verwachtten.; 4:2626en tot niemand van hen werd Elia gezonden, maar wel naar Sarepta bij Sidon, tot een vrouw, een weduwe.; 7:11-1711En het gebeurde vervolgens dat Hij naar een stad ging, Naïn geheten, en met Hem gingen <vele van> Zijn discipelen en een grote menigte.12Toen Hij nu de stadspoort naderde, zie, een gestorvene werd uitgedragen, een eniggeboren zoon van zijn moeder, en zij was weduwe, en een aanzienlijke menigte uit de stad was bij haar.13En toen de Heer haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen en zei tot haar: Ween niet.14En Hij kwam naderbij, raakte de baar aan en de dragers stonden stil; en Hij zei: Jongeman, Ik zeg je, sta op.15En de dode ging overeind zitten en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.16En vrees beving allen en zij verheerlijkten God en zeiden: Een groot Profeet is onder ons verwekt, en: God heeft Zijn volk bezocht.17En dit woord over Hem ging uit in heel Judéa en in de hele omtrek.; 18:1-81Hij nu sprak ook een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden,2en zei: Er was in een stad een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag.3Nu was er in die stad een weduwe die naar hem toe kwam en zei: Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij.4En hij wilde een tijdlang niet. Daarna echter zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie, zal ik,5omdat deze weduwe mij lastig valt, haar recht verschaffen, opdat zij mij niet uiteindelijk in het gezicht komt slaan.6De Heer nu zei: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt.7Zal God dan Zijn uitverkorenen geenszins recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen lang wachten?8Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Als evenwel de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op de aarde?; 21:1-41Toen Hij nu opkeek, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.2Hij zag ook een arme weduwe twee koperstukjes daarin werpen.3En Hij zei: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe er meer dan allen heeft ingeworpen.4Want deze allen hebben er van hun overvloed ingeworpen bij de gaven <van God>, maar zij heeft van haar gebrek er al haar levensonderhoud dat zij had, ingeworpen.). Hij stelt de Heer Jezus voor als een Mens Die in armoede is geboren, heeft geleefd en is gestorven. De aandacht van de Heer gaat in bijzondere mate naar deze vrouwen uit. Dat moet ook bij ons zo zijn. Het is zelfs een belangrijke uiting van ware godsdienst (Jk 1:2727Reine en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen te bezoeken in hun verdrukking [en] zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren.).


Tekenen van de eindtijd

5En toen sommigen van de tempel zeiden dat hij met mooie stenen en wijgeschenken was versierd, zei Hij: 6Deze dingen die u aanschouwt – er zullen dagen komen waarin <hier> geen steen op [de andere] steen gelaten zal worden die niet zal worden afgebroken. 7Zij nu vroegen Hem aldus: Meester, wanneer zullen deze dingen dan zijn, en wat is het teken wanneer deze dingen zullen gebeuren? 8Hij nu zei: Kijkt u uit dat u niet wordt misleid. Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben het; en: De tijd is nabij gekomen. Gaat hen niet achterna. 9Wanneer u nu zult horen van oorlogen en onlusten, wordt niet angstig; want deze dingen moeten eerst gebeuren, maar niet terstond is het einde. 10Toen zei Hij tot hen: Volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk. 11En grote aardbevingen en in verschillende plaatsen hongersnoden en pest zullen er zijn, en er zullen vreselijke dingen en grote tekenen van [de] hemel zijn.

Na het onderwijs van de Heer over het geven, waarbij Hij de aandacht van Zijn discipelen op een arme weduwe heeft gericht, dwalen de ogen van de discipelen af naar het tempelgebouw. Enkele discipelen geven uiting aan hun gevoelens van bewondering voor dat gebouw. Zij zijn onder de indruk van wat ze met hun ogen zien. Prachtig, zoals die tempel erbij staat.

Ze zijn vergeten hoe dit gebouw door het afvallige volk feitelijk tot een huis van koophandel is gemaakt en dat het niet meer Gods huis is, maar een huis van mensen. Alleen voor het geloof behoudt het zijn waarde, zoals de arme weduwe heeft laten zien. De discipelen zijn, zoals steeds, bezig met uiterlijke heerlijkheid. Daardoor zijn ze blind voor de innerlijke werkelijkheid van verdorvenheid.

De Heer gaat op hun opmerking in en gaat spreken over wat er binnenkort gaat gebeuren met alles waar ook zij nog zo aan gehecht zijn. Zijn rede over de toekomst van de tempel, de stad en het volk zal zeer ontnuchterend voor hen zijn geweest. Hij windt er geen doekjes om en zegt dat de dingen die zij vol bewondering aanschouwen, volledig zullen worden afgebroken. Hiermee doelt Hij op de verwoesting van de tempel en Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70. Daar willen de discipelen meer van weten. Ze vragen Hem naar de tijd dat het zal gebeuren en waaraan ze kunnen weten dat die tijd er is.

De Heer geeft als eerste kenmerk van die tijd dat er misleiders zullen zijn. Er zullen zich mensen aandienen onder Zijn Naam, mensen die zichzelf als Messias presenteren. Zij zullen dezelfde woorden gebruiken die Hij heeft gebruikt door te zeggen dat de tijd nabijgekomen is. Ze moeten deze misleiders niet nalopen. Behalve misleiders zullen er ook oorlogen en onlusten komen. Als ze daarvan horen, hoeven ze niet angstig te worden. Het zijn dingen die eerst moeten gebeuren, maar die nog niet het einde aankondigen. Alles wat de Heer hier zegt, heeft betrekking op de tijd na Zijn hemelvaart en de vorming van de gemeente.

De Heer gaat verder met Zijn onderwijs over aanstaande gebeurtenissen. Hij voorzegt geen tijd van vrede, maar van grote onrust. Bevolkingsgroepen zullen elkaar bestrijden en koninkrijken zullen tegen elkaar de wapens opnemen. Ook de schepping laat zich niet onbetuigd. De aarde zal in beweging komen door grote aardbevingen. Natuurrampen zullen hongersnoden en vreselijke ziekten veroorzaken. Ook de hemel zal spreken. Aan het firmament zullen vreselijke dingen gebeuren die grote indruk maken. Grote tekenen van de hemel zullen op aarde worden gezien.


Vervolging en volharding

12Vóór dit alles echter zullen zij hun handen aan u slaan en u vervolgen, terwijl zij u overleveren in de synagogen en gevangenissen en u brengen voor koningen en stadhouders ter wille van Mijn Naam; 13het zal u tot een getuigenis strekken. 14Neemt u dan in uw harten voor u niet van tevoren te oefenen hoe u zich zult verantwoorden. 15Want Ik zal u mond en wijsheid geven, die al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken of weerstaan. 16En u zult overgeleverd worden zelfs door ouders, broers, bloedverwanten en vrienden, en zij zullen er van u doden. 17En u zult door allen worden gehaat ter wille van Mijn Naam. 18En geen enkele haar van uw hoofd zal verloren gaan. 19Wint uw zielen door uw volharding.

Voordat de gebeurtenissen zullen plaatsvinden waarover de Heer in de vorige verzen spreekt, zullen de discipelen het mikpunt van de haat van mensen zijn. Ze zullen worden gevangengenomen en daarvoor worden vervolgd. Dan zullen ze worden overgeleverd aan godsdienstige leiders in de synagogen en voor wereldlijke overheden worden gebracht, zoals ook met de Heer Jezus is gebeurd. Het gebeurt ook omdat zij met Hem verbonden zijn, het is ter wille van Zijn Naam. We zien dit in het boek Handelingen gebeuren (Hd 4:33En zij sloegen de handen aan hen en zetten hen in bewaring tot de volgende dag, want het was al avond.; 5:17-1817De hogepriester nu stond op en allen die bij hem waren, dat is de sekte van de sadduceeën, en zij werden vervuld met jaloersheid;18en zij sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in [de] stadsgevangenis.; 6:8-128Stéfanus nu, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.9Er stonden echter sommigen op van hen die waren van de zogenaamde synagoge van [de] Libertijnen, van [de] Cyreneeërs, van [de] Alexandrijnen en van die van Cilicië en Asia, en zij redetwistten met Stéfanus.10En zij waren niet in staat de wijsheid en de geest waarmee hij sprak te weerstaan.11Toen stookten zij mannen op die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden horen spreken tegen Mozes en God.12En zij brachten het volk, de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding; en zij kwamen op hem af, grepen hem en leidden hem voor de Raad.).

De Heer bemoedigt hen door tegen hen te zeggen dat het hun tot een getuigenis zal strekken, in plaats van dat het hun getuigenis zal tenietdoen. Hij stelt hen gerust dat ze van tevoren niet hoeven te oefenen hoe ze zich zullen verantwoorden. Ze mogen hierin op Hem vertrouwen. Ook dit vinden we regelmatig in het boek Handelingen (Hd 4:8,198Toen zei Petrus, vervuld met [de] Heilige Geest, tot hen: Oversten van het volk en oudsten <van Israël>,19Petrus en Johannes echter antwoordden en zeiden tot hen: Of het recht is voor God naar u meer te horen dan naar God, moet u beoordelen;; 5:2929Petrus en de apostelen echter antwoordden en zeiden: Men moet God meer gehoorzamen dan mensen.). Elke toespraak die we daar hebben, moet onvoorbereid worden gehouden omdat ze er plotseling toe gedwongen zullen worden.

Hij zal hun de woorden in de mond geven. Ze zullen een wijsheid aan de dag leggen die hun tegenstanders met stomheid zal slaan (Hd 6:1010En zij waren niet in staat de wijsheid en de geest waarmee hij sprak te weerstaan.). Hun tegenstanders zullen geen redelijke weerstand kunnen bieden. Dus zullen ze vervallen tot onredelijke, wrede reacties. Hun tegenstanders zullen niet alleen de godsdienstige leiders of de wereldlijke overheden zijn, maar zelfs betrekkingen waar veiligheid en geborgenheid verwacht zouden mogen worden en die ze daar tot dan toe altijd hebben genoten.

Zo zullen de leden van het gezin waartoe ze behoren zich tegen hen keren en ook andere familieleden. Ook hun vrienden, mensen met wie je alles deelt en die er voor je zijn in tijden van nood, zullen zich als tegenstanders openbaren. De enige reden van deze massale, algemene haat is de Naam van de Heer Jezus. Kiezen voor Hem zal een radicale verandering in alle bestaande verhoudingen tot gevolg hebben. De harten van allen zullen zich tegen hen keren.

De Heer heeft ook de bemoediging voor hen dat er niets verloren zal gaan van wat ze hebben gekregen, zelfs, om zo te zeggen, geen enkele haar van hun hoofd. Dat betekent niet dat zij niet gedood zouden kunnen worden (zie vers 1616En u zult overgeleverd worden zelfs door ouders, broers, bloedverwanten en vrienden, en zij zullen er van u doden.), maar Hij zegt hiermee dat zelfs al zouden zij gedood worden, alles in de opstanding zal worden goedgemaakt. Daarop wijst vers 1919Wint uw zielen door uw volharding..

In alle nood en lijden komt het aan op volharding. Door volharding zullen ze hun zielen winnen. Dat wil niet zeggen dat het op eigen kracht aankomt, maar dat het ware geloof in de Heer Jezus blijkt uit volhardend doorgaan en niet bezwijken onder de druk. Om te kunnen volharden mogen ze hun kracht zoeken bij de Heer.


Vervulling van de tijden van de volken

20Wanneer u nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is. 21Laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen; en zij die in haar midden zijn, er uittrekken, en die in de landstreken zijn, niet in haar binnengaan. 22Want dit zijn dagen van wraak, opdat alles wat geschreven staat, vervuld wordt. 23Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen; want er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk. 24En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld. 25En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder [de] volken, in radeloosheid door [het] bruisen van zee en watergolven, 26terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen; want de krachten van de hemelen zullen wankelen. 27En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met kracht en grote heerlijkheid.

De belegering van Jeruzalem waarover de Heer spreekt, kan niet de belegering zijn die in de laatste dagen gebeurt door de legers van het herstelde West-Romeinse rijk, het verenigd Europa. De Heer spreekt hier over de belegering met de daaropvolgende verwoesting die zal gebeuren door de hand van de Romeinen in het jaar 70. Het bewijst dat het “[de] tijden van [de] volken” (vers 2424En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.) zijn die met Nebukadnezar zijn begonnen, maar die ook een keer “vervuld” zullen zijn. Tijdens de tijden van de volken wordt Jeruzalem door de volken vertrapt. Dat laat zien dat de Heer Jezus spreekt over de huidige tijd. De tijden van de volken vinden hun einde als Hij terugkomt op aarde.

Wat de Heer beschrijft ten aanzien van de situatie die ontstaat als de Romeinen optrekken tegen Jeruzalem, draagt wel hetzelfde karakter als de belegering van Jeruzalem in de laatste dagen. In de laatste dagen zal Jeruzalem ook vertrapt en verwoest worden, maar kort daarop uit de benauwdheid worden gered door de komst van Christus vanuit de hemel op aarde. Dan zal Hij Zijn vijanden verdelgen met het zwaard dat uit Zijn mond komt (Op 19:1515En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.).

De verwoesting die Lukas uit de mond van de Heer opschrijft, kan geen gebeurtenis van de eindtijd zijn. Op de verwoesting volgt namelijk de vernedering van de Joodse hoofdstad die vervolgens door het ene na het andere volk bezet wordt. Dit gaat door, totdat er een einde is gekomen aan de termijn die God bepaald heeft voor de overheersing door de volken. Dit is typisch iets voor onze evangelist. Mattheüs en Markus spreken over “de gruwel van de verwoesting” (Mt 24:1515Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –; Mk 13:1414Wanneer u nu de gruwel van de verwoesting zult zien staan waar het niet behoort, – laat hij die het leest erop letten! – laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;), wat alleen maar kan gaan over de laatste crisis. Hoewel de omstandigheden lijken “op de dag dat de Zoon des mensen wordt geopenbaard” (Lk 17:3030Op dezelfde wijze zal het zijn op de dag dat de Zoon des mensen wordt geopenbaard.), gaat het hier dus om een direct aanstaande gebeurtenis.

Dat er zeker overeenkomsten zijn, blijkt uit de waarschuwingen van de Heer. Evenals met het oog op de laatste dagen waarschuwt de Heer hier om geen tijd te verliezen en te vluchten voor de oprukkende vijand (vgl. Lk 17:3131Wie op die dag op het dak zal zijn en zijn huisraad in huis, laat hij niet naar beneden gaan om het op te halen; laat hij die op het veld is, evenmin terugkeren naar wat achter hem ligt.). Waar ze zich ook bevinden, ze moeten maken dat ze uit de buurt van Jeruzalem zijn. Het is dwaasheid om uit een ongezonde liefde voor de stad te menen dat er nog iets waardevols uit kan worden weggehaald, of zelfs te menen dat het zin zou hebben de stad te verdedigen. Gods oordeel komt over de stad. Daarom is het niet alleen onverstandig, maar ook ongehoorzaam zich nog door enige band met de stad te laten leiden.

God vervult het woord dat Hij heeft gesproken. Hij heeft immers gezegd dat Hij de stad zal verwoesten als deze zich tegen Hem blijft verzetten. Ook de Heer Jezus heeft het voorzegd (Lk 20:1616Hij zal komen en deze landlieden ombrengen en de wijngaard aan anderen geven. Toen zij nu dit hoorden, zeiden zij: Dat nooit!). De wraak zal alle leven treffen, al in het prilste stadium ervan. De nood zal groot zijn in het land vanwege de toorn die God over “dit” volk, dat is het volk Israël dat Christus heeft omgebracht, moet brengen. Elk verzet is zinloos. De vijand is oppermachtig. Veel inwoners zullen door het zwaard worden gedood. Anderen zullen gevangen worden genomen en worden meegevoerd naar alle volken.

Dat gebeurt niet in de eindtijd, maar in het jaar 70. Dan zal Jeruzalem haar glorie en zelfstandigheid kwijtraken. Het zal niet zozeer een onderworpen stad zijn, maar een verachte stad waar de volken op trappen. Zo is het geweest tot 1948, toen Israël weer een zelfstandige staat werd. Toch is het ook nu nog steeds een land dat zowel bestaat bij de gratie van bepaalde machtige volken als door de omringende volken wordt veracht en met de grootste vijandschap wordt bezien.

“De tijden van de volken” is de periode dat de wereldheerschappij in handen van de volken is gegeven. We zien dat tot uiting komen in de heerschappij door de vier wereldrijken waarover we in het boek Daniël lezen. Toen Nebukadnezar van God de wereldheerschappij inclusief het gezag over Israël kreeg, zijn de tijden van de volken begonnen (Dn 2:37-4037U, o koning, bent een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer gegeven.38Overal waar de mensenkinderen wonen, heeft Hij de dieren van het veld en de vogels in de lucht in uw hand gegeven. Hij heeft u aangesteld tot heerser over dit alles. U bent dat gouden hoofd.39Na u zal een ander koninkrijk opkomen, lager [van waarde] dan het uwe. Daarna [nog] een ander, het derde koninkrijk, van koper, dat heersen zal over de hele aarde.40En het vierde koninkrijk zal sterk zijn als ijzer, want het ijzer verbrijzelt en vergruist alles. Juist zoals het ijzer alles verplettert, zo verbrijzelt en verplettert dit [koninkrijk] alles.; 7:2-7,172Daniël nam het woord en zei: Ik zag ’s nachts in mijn visioen, en zie, de vier winden van de hemel zweepten de grote zee op,3en vier grote dieren stegen op uit de zee, die van elkaar verschilden.4Het eerste was als een leeuw, met vleugels van een arend. Ik bleef kijken totdat zijn vleugels uitgerukt werden. Het werd van de aarde opgeheven, het werd als een mens op [zijn] voeten gezet en het werd een mensenhart gegeven.5En zie, een ander dier, het tweede, leek op een beer. Het richtte zich op naar één kant. Het had drie ribben in zijn muil, tussen zijn tanden. Men zei het volgende tegen het [dier]: Sta op, eet veel vlees.6Daarna zag ik, en zie, er was [nog] een ander [dier], als een luipaard. Het had vier vogelvleugels op zijn rug en het dier had vier koppen. En het werd heerschappij gegeven.7Daarna zag ik in de nachtvisioenen, en zie, het vierde dier was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van al de dieren die ervoor geweest waren. En het had tien horens.17Die grote dieren, die vier [in getal] zijn, zijn vier koningen die uit de aarde zullen opstaan.).

Maar er is een “totdat”. Dit woord geeft aan dat er aan die situatie een einde komt. Het einde van de overheersing en vertrapping van Jeruzalem door de volken wordt ingeluid door tekenen die aan zon, maan en sterren zullen verschijnen. Deze tekenen aan de hemel gaan gepaard met benauwdheid onder de volken en niet alleen in Israël. Er zal onder de volken een toenemende angst zijn voor verschrikkelijke dingen, voor dreigingen van rampen van allerlei aard. De volken zijn massaal in beroering. Op het moment dat ik dit schrijf (maart 2008), is de film ‘Fitna’ van de politicus Geert Wilders over de islam een van de aanjagers van dit algemene gevoelen van angst. Ook bijvoorbeeld de klimaatverandering veroorzaakt paniek. Dat volksleiders over dergelijke signalen sussend spreken of met grootspraak beweren de zaken wel onder controle te krijgen, neemt niets weg van de angst die de mensen innerlijk voelen.

De angst zal zo groot zijn, dat mensen het besterven. Ze zien de dreiging van het onheil steeds groter worden. Ze zullen van alles proberen om het tij te keren, maar het zal allemaal zinloos blijken te zijn. Ze hebben namelijk te maken met krachten in de hemelen, geestelijke krachten. Daaraan hebben de mensen zich overgeleverd omdat ze God hebben buitengesloten.

De grootste ramp die hen zal treffen, is de komst van de Zoon des mensen. Ze zullen Hem zien komen in een wolk (Dn 7:1313[Verder] zag ik in de nachtvisioenen,
en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand
als een Mensenzoon.
Hij kwam tot de Oude van dagen
en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbijkomen.
)
, het teken van Zijn heerlijkheid. Hij zal dan kracht en grote heerlijkheid openbaren. De Baby in de kribbe, gewikkeld in doeken, hebben ze veracht. Ze hebben Hem niet gewild en verworpen en gedood. Dan staan ze oog in oog met Hem (Op 1:77Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen.) en zullen niet ontkomen.


De vijgenboom en alle bomen

28Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij. 29En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Ziet de vijgenboom en alle bomen; 30wanneer zij al uitlopen en u dit ziet, dan weet u uit uzelf dat de zomer al nabij is. 31Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, weet dan dat het koninkrijk van God nabij is. 32Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat alles is gebeurd. 33De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.

Wat voor de wereld een schrikbeeld is, is voor de discipelen een bemoediging. Zij mogen weten dat hun verlossing nabij is als deze dingen beginnen te gebeuren. Zo mogen ook wij, in plaats van ons zorgen te maken over de ontwikkelingen in de wereld, ons door die ontwikkelingen laten bemoedigen, want daardoor weten wij dat onze verlossing nabij is. Voor het volk Israël wil verlossing zeggen dat de Heer Jezus komt om hen van hun vijanden te bevrijden door deze te oordelen. Voor ons als leden van de gemeente wil de verlossing zeggen dat Christus komt om ons op te nemen uit de wereld, van tussen onze vijanden uit. Wij zien in onze dagen de voortekenen van alles wat Hij heeft gezegd. Daarom is het belangrijk te letten op de tekenen van de tijden.

Om ons daarbij te helpen, vertelt de Heer een gelijkenis, waarmee Hij Zijn onderwijs illustreert. Hiermee laat Hij zien hoe we de dingen die beginnen te gebeuren nog duidelijker kunnen herkennen. We moeten kijken naar de vijgenboom en alle bomen. Het is weer kenmerkend voor Lukas dat hij niet alleen over de vijgenboom spreekt, maar ook over alle bomen. De vijgenboom is een beeld van Israël en alle bomen zijn een beeld van de volken daaromheen. Het toont weer aan hoezeer Lukas de evangelist voor de heidenen, de volken, is. Als we zien dat deze bomen uitlopen, dan weten we dat de winter voorbij en de zomer nabij is. Het uitlopen van de bomen duidt nieuw leven aan.

Dit beeld herkennen we in het begin van het herstel van Israël als natie. Na vele eeuwen te zijn vertrapt en veracht door de volken – en dat is nog steeds zo –, zien we sinds 1948 dat Israël weer een staat is. Er begint leven in te komen (vgl. Ez 37:1-81De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.). Het is nog geen zomer, maar de eerste tekenen van herstel van het volk nemen we waar.

Ook de volken rondom Israël komen tot leven. De volken waarover de profeten spreken, laten na vele eeuwen ook weer van zich horen. We kunnen denken bijvoorbeeld aan Syrië en Egypte, maar ook aan het herstel van het Romeinse rijk dat we in het Verenigd Europa weer gestalte zien krijgen. Het zijn uitlopende bomen. Daarmee zien we de tekenen der tijden zich aandienen. Door het waarnemen van deze ontwikkelingen mogen de discipelen en ook wij weten dat het koninkrijk van God nabij is gekomen. De zomer is op komst.

De Heer Jezus heeft, toen Hij op aarde was, het koninkrijk van God als nabijgekomen gepredikt. Toen is het niet gekomen omdat Hij werd verworpen, maar nu zal het niet voorbijgaan. Hij zal niet weer verworpen worden. Als Hij komt, zal Hij het vestigen in openbare heerlijkheid. Wat we zien gebeuren in het Midden-Oosten, duidt aan dat het koninkrijk van God wat betreft zijn openbare vorm in onze dagen opnieuw nabij is gekomen en binnenkort daadwerkelijk zal worden gevestigd.

De Heer voegt aan Zijn voorbeeld de verzekering toe dat “dit geslacht” alles zal meemaken wat Hij heeft geschilderd. ‘Dit geslacht’ is het soort mensen dat op dat moment om Hem heen leeft, het soort dat Hem naar het kruis verwijst. Datzelfde soort is er nog steeds, want Hij is nog steeds de Verworpene en de wereld heeft nog steeds geen plaats voor Hem.

De zekerheid van Zijn woorden – “Mijn woorden”, de woorden van de Heer Jezus – staat vaster dan de hemel en de aarde. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan en in de plaats daarvan komen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (2Pt 3:11-1311Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en Godsvrucht,12terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan [de] hemelen in vuur gezet zullen vergaan en [de] elementen brandend zullen wegsmelten.13Wij echter verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.). Een dergelijke verandering kennen Zijn woorden niet. Hij is God en Zijn woorden zijn Gods woorden. Wat van Gods Woord staat, geldt voor Zijn woorden op dezelfde wijze (Lk 16:1717Nu is het gemakkelijker dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel van de wet vervalt.; 1Pt 1:2525maar het Woord van [de] Heer blijft tot in eeuwigheid’. Dit nu is het Woord dat u verkondigd is.).


Waakzaamheid geboden

34Past echter op uzelf, dat uw harten niet misschien worden bezwaard door roes en dronkenschap en zorgen van het leven, en die dag u plotseling overvalt als een strik. 35Want hij zal komen over allen die gezeten zijn op het hele aardoppervlak. 36Waakt echter, terwijl u te allen tijde bidt dat u in staat zult zijn te ontkomen aan dit alles wat staat te gebeuren, en te bestaan voor de Zoon des mensen.

De Heer besluit Zijn tempelonderwijs met een nadrukkelijk beroep op Zijn discipelen om waakzaam te blijven. Hij legt hun de verantwoordelijkheid op om wat Hij hun heeft verteld, vast te houden als een richtsnoer voor hun leven. Ze moeten zijn waarschuwingen niet vergeten, wat gemakkelijk kan gebeuren als ze hun harten laten bezwaren door wat het leven biedt. Als ze niet nuchter blijven, maar worden beïnvloed door het wereldse denken, raken ze in een roes. Een roes is een toestand die het gevolg is van overmatig wijngebruik waardoor sufheid ontstaat. Een persoon in een roes is niet tot nuchter denken in staat.

Dronkenschap gaat een stap verder. Iemand die dronken is, is evenmin in staat nuchter te denken, maar meent desondanks dat hij de zaak nog volledig onder controle heeft, terwijl hij onzinnige taal uitslaat en heen en weer slingert. Door omgang met de wereld en opgaan in de wereld raakt iemand het zicht op de werkelijkheid volledig kwijt. Ook de zorgen van het leven kunnen iemand zo in beslag nemen, dat hij niet meer denkt aan de komst van de Heer Jezus.

Voor zulke mensen, die eens beleden christen te zijn, maar die in hun harten niet zijn blijven uitzien naar de komst van Christus, komt die dag als een strik. Voor mensen die het leven alleen maar als een feest zien of voor mensen die alleen maar de zorgen zien, geldt hetzelfde. Zij heffen het hoofd niet omhoog, maar kijken naar beneden, naar de aarde. Het blijkt dat zij bij de aarde horen.

De dag van de Heer komt als een strik over allen die op het hele aardoppervlak gezeten zijn. Dit soort mensen komt in het boek Openbaring regelmatig voor als mensen die het leven op aarde claimen en in opstand tegen God leven en daarvoor ook geoordeeld worden (Op 8:1313En ik zag en ik hoorde een arend in [het] midden van de hemel, die met luider stem zei: Wee, wee, wee hun die op de aarde wonen, vanwege de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen die gaan bazuinen.; 11:1010En zij die op de aarde wonen, verblijden zich over hen en zijn vrolijk en zullen elkaar geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen die op de aarde wonen gepijnigd hadden.; 13:8,12,148En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.). Zij zien de aarde als hun thuis en leven voor alles wat er op aarde is. Aan de hemel denken ze niet, die bestaat voor hen niet. Daarom zullen zij overvallen worden als ze zien dat de hemel opengaat (Op 19:1111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.). Daar hebben ze nooit aan gedacht en als ze erover hoorden, hebben ze dat idee als bespottelijk van de hand gewezen.

De discipelen worden ervoor gewaarschuwd niet op hen te lijken. Vandaar dat de Heer nog een keer zegt dat ze moeten waken. Ze moeten niet menen dat zij in eigen kracht wel bestand zullen zijn tegen alle misleiding. Hij spoort hen daarom aan dat ze te allen tijde zullen bidden, dat wil zeggen zich voortdurend op God moeten richten en Hem om hulp moeten vragen hen te bewaren voor alle gevaren van afwijking. Alleen zo zullen ze in staat zijn om te ontkomen aan de dingen die Hij heeft beschreven.

Alleen zo zullen ze ook in staat zijn te bestaan voor de Zoon des mensen als Hij in Zijn heerlijkheid komt. Als de Zoon des mensen komt, zal Hij verteren wie hebben getoond dat zij geen leven uit God hebben. Dat blijkt uit het feit dat ze niet naar Hem hebben uitgezien. Allen die leven uit God hebben, blijven biddend naar Hem uitzien en zullen mogen delen in Zijn heerlijkheid. Voor hen is geen oordeel, want Hij heeft het voor hen gedragen op het kruis.


De Heer blijft leren in de tempel

37Overdag nu leerde Hij in de tempel, maar ‘s nachts ging Hij naar buiten en overnachtte op de berg, Olijfberg geheten. 38En al het volk kwam ‘s morgens vroeg naar Hem toe in de tempel om Hem te horen.

In deze laatste week van Zijn leven op aarde voor het kruis leert de Heer overdag het Woord van God. Hij gaat door tot het einde, onvermoeibaar. De nacht brengt Hij door op de Olijfberg omdat Hij geen huis heeft, maar vooral ook omdat Hij Zich afzondert van de schuldige en veroordeelde stad. De Olijfberg is ook de berg van de toekomst.

De nachten zijn niet lang voor de Heer. ’s Morgens vroeg komt al het volk alweer naar Hem toe in de tempel. Ze willen Zijn woorden horen, want ze hebben er honger naar. En de Heer onderwijst, hoezeer Hij ook weet dat zij onder invloed van de godsdienstige leiders over enkele dagen zullen roepen: ‘Kruisig Hem.’ Wat een genade!


Lees verder